CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Vast te stellen bestemmingsplan Wijziging Golfbaan The Duke - Bijlage 4 bij toelichting - Archeologisch bureauonderzoek

Raadsvergadering 28 januari 2021, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan wijziging Golfbaan The Duke, Nistelrode - NIET BEHANDELD7.948 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Transect-rapport 2300 Nistelrode, Slotenseweg 11 Gemeente Bernheze (NB)

Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO)

Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

T: 030-7620705 F: 030-7620706 E: informatie@transect.nl

Colofon Titel Rapportnummer

Nistelrode, Slotenseweg 11. Gemeente Bernheze. Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO). Transect-rapport 2300

Auteur

M. Verboom-Jansen MSc

Versie

Eindversie, versie 2.1

Datum

02-06-2020

Projectnummer

19030074

Onderzoeksmelding

4722262100

Opdrachtgever

AGEL Adviseurs Postbus 4156 4900 CD Oosterhout

Uitvoerder

Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

Bevoegde overheid

Gemeente Bernheze

Adviseur namens bevoegde overheid Monumentenhuis Brabant, A.M. Visser Toetsing rapport bevoegde overheid Goedgekeurd door A.M. Visser Beheer en plaats documentatie Omslagafbeelding

Autorisatie Naam Drs. T. Nales Senior KNA Prospector

Transect b.v., Nieuwegein De omgeving van het plangebied op een historische kaart uit 1900. Bron: www.topotijdreis.nl.

Datum 24-07-2019

Paraaf

ISSN: 2211-7067 © Transect b.v., Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

T: 030-7620705 F: 030-7620706 E: informatie@transect.nl

Samenvatting In opdracht van AGEL Adviseurs heeft Transect b.v. in juli 2019 een archeologisch bureauonderzoek (BO) uitgevoerd in een plangebied aan de Slotenseweg 11 in Nistelrode (gemeente Bernheze). Het plangebied bestaat uit drie deelgebieden (genaamd deelgebied 5, 9 en 10; conform de namen die de opdrachtgever aanhoudt). De aanleiding van het onderzoek is de herinrichting van het plangebied tot golfterrein, waarbij grondverzet zal plaatsvinden. Het onderhavig onderzoek is uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanwijziging. In het bestemmingsplannen ‘Golfbaan de Hooge Vorssel Bernheze (2014)’ en ‘Buitengebied Bernheze (2014)’ heeft het plangebied een dubbelbestemming archeologie (waarde-archeologie 2). Gezien de aard en omvang van de voorgenomen bodemingrepen kan deze archeologische waarde met de geplande ingrepen worden aangetast. Hierom is archeologisch vooronderzoek nodig om inzicht te krijgen of en in hoeverre de werkzaamheden van invloed zijn op de archeologische waarde in het plangebied.

Het archeologisch vooronderzoek bestaat hier uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Conclusie Het plangebied ligt op een plateau-achtige horst die kan zijn afgedekt door dekzand. Binnen dit gebied zijn zwakke glooiingen aanwezig, hetzij gevormd door tektoniek, hetzij door dekzandreliëf. Deze hogere, relatief droog gelegen delen en daaraan gekoppelde landschapsgradiënten naar de nattere gebiedsdelen toe hebben archeologisch gezien de meeste potentie. Op grond van de ouderdom van de verwachte afzettingen in het gebied, kunnen theoretisch gezien vindplaatsen uit de periode LaatPaleolithicum – Vroege-Middeleeuwen aanwezig zijn in het plangebied. In de omgeving van het plangebied zijn tot nu toe nog geen kampementen uit de periode Laat-Paleolithicum-Mesolithicum aangetroffen, maar wel vondsten en/of sporen uit de periodes Bronstijd, IJzertijd, Romeinse Tijd en Late-Middeleeuwen (deze laatste alleen sporen van landgebruik). Het betreffen zowel grafvelden als sporen van nederzettingen als sporen van landgebruik.

De aangetroffen vondsten uit de periode Bronstijd-Late-Middeleeuwen concentreren zich rondom deelgebied 5. De verwachting op archeologische vondsten en/of sporen uit de periode Laat-Paleolithicum-Vroege-Middeleeuwen is daarom ook hoog. Rondom deelgebied 9 en 10 zijn vooralsnog geen archeologische vondsten aangetroffen, maar gezien de landschappelijke ligging zijn ze ook hier niet uit te sluiten. Voor wat betreft de periode Late-Middeleeuwen-Nieuwe Tijd is de archeologische verwachting laag. Op historisch kaartmateriaal ontbreken sporen van bewoning, waardoor ook geen sporen van bewoning uit de Late-Middeleeuwen worden verwacht. Sporen van landgebruik uit deze periode zouden wel aanwezig kunnen zijn, zoals ook is aangetroffen in de vorm van karresporen in de omgeving van het plangebied. Bovenstaande archeologische verwachting is mede afhankelijk van de bodemopbouw en mate van intactheid van de bodem. Het westen van deelgebied 10 is gezien de ontgrondingenkaart van NoordBrabant en de hoogtekaart ontgrond (bijlage 11). Hier worden geen archeologische waarden meer verwacht. Mogelijk is de bodem ook in het oosten van deelgebied 9 plaatselijk verstoord door de

aanleg van het golfterrein, maar of hiermee een potentieel archeologisch niveau is aangetast, is niet bekend. In deelgebied 5 is het archeologische niveau vermoedelijk nog niet aangetast. Advies Het onderhavig onderzoek is uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanwijziging. Het bureauonderzoek geeft geen aanleiding om de dubbelbestemming ‘waarde-archeologie’ bij te stellen. Voorgesteld wordt om de dubbelbestemming ‘waarde-archeologie’ te behouden. Daarbij valt dus alleen het westen van deelgebied 10 (ontgronding) buiten de zone met een dubbelbestemming ‘waarde-archeologie’. Mochten in de toekomst graafwerkzaamheden gepland zijn in de zone met een hoge archeologische verwachting (zie bijlage 13), wordt voorgesteld om ter plaatse van de geplande graafwerkzaamheden een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. Dit vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd als een verkennend booronderzoek dat als doel heeft om de bodemopbouw en de mate van intactheid van de bodem vast te stellen. Op basis van het booronderzoek kan het archeologische verwachtingsmodel dan worden getoetst en waar mogelijk worden bijgesteld. Voor wat betreft de huidige plannen betekent dit het volgende:  De vijver in deelgebied 10 is grotendeels gepland is ter plaatse van de ontgronding, waar geen vervolgonderzoek noodzakelijk is.

Een optie zou zijn om deze vijver geheel ter plaatse van de ontgronding uit te graven, zodat hier geen vervolgonderzoek noodzakelijk is. Mocht dit niet mogelijk zijn, zal een vervolgonderzoek noodzakelijk zijn waar de vijver in de zone met een hoge archeologische verwachting valt (ca. 1500 m2 volgens huidige tekeningen).  Ter plaatse van de geplande zogenaamde ‘afslagen’ bij deelgebied 5 wordt op basis van bovenstaande een vervolgonderzoek geadviseerd (ca. 800 m2 op basis van huidige tekeningen).  Het kappen van de bomen wordt archeologisch niet als verstorend aangemerkt. Ter plaatse van de bomen zelf is het bodemarchief al aangetast door de beworteling. Het verwijderen van de bomen kan ons inziens dus zonder vervolgonderzoek worden uitgevoerd. Wel geldt hier een archeologische meldplicht. Wanneer bij werkzaamheden toch onverhoopt waardevolle archeologische resten worden aangetroffen, dienen deze conform de Erfgoedwet 2016 (artikel 5.10) te worden gemeld bij de bevoegde overheid. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Bernheze, om op basis van de resultaten van dit rapport te bepalen of en in welke vorm vervolgonderzoek dient te worden uitgevoerd. Reactie bevoegd gezag en selectiebesluit Met het advies tot het uitvoeren van vervolgonderzoek in de zones waarvoor een hoge archeologische verwachting geldt, kan worden ingestemd.

Op basis van eerder uitgevoerd onderzoek in 2009 waarbij grondboringen zijn verricht, wordt echter een proefsleuvenonderzoek aangeraden. (Zie ook Ellenkamp, 2009). Met het advies ten aanzien van het uitgraven van de vijver, zoals voorgesteld, kan worden ingestemd. Voor wat betreft het kappen en verwijderen van bomen is geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk, gezien de verwachte bodemverstoring. (Een booronderzoek zal hier weinig resultaat opleveren). Wel geldt een meldplicht bij het aantreffen van toevalsvondsten, conform art. 5.10 van de Erfgoedwet, die vanaf 1 juli 2016 van kracht is. Dit kan telefonisch bij het Meldpunt Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord-Brabant (tel. 06-18303225).

Inhoud 1.

Aanleiding.............................................................................................................................. 5

2.

Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek ............................................................. 6

3.

Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied ................................................................... 7

4.

Consequenties toekomstig gebruik ....................................................................................... 9

5.

Beleidskader ........................................................................................................................ 10

6.

Landschap, geomorfologie en bodem ................................................................................. 11

7.

Archeologische verwachtingen en bekende waarden ........................................................ 13

8.

Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen ............................................... 16

9.

Gespecificeerde archeologische verwachting ..................................................................... 18

10.

Conclusie en advies ............................................................................................................. 21

11.

Geraadpleegde bronnen ..................................................................................................... 23

Bijlage 1.

Archeologische periode-indeling voor Nederland (conform ABR) ...................................... 25

Bijlage 2.

Situatie ................................................................................................................................ 26

Bijlage 3.

Voorgenomen werkzaamheden .......................................................................................... 27

Bijlage 4.

Gemeentelijk beleid ............................................................................................................ 29

Bijlage 5.

Geomorfologie .................................................................................................................... 31

Bijlage 6.

Maaiveldhoogte .................................................................................................................. 32

Bijlage 7.

Maaiveldhoogte detail ........................................................................................................ 33

Bijlage 8.

Bodem ................................................................................................................................. 35

Bijlage 9.

Archeologische waarden en onderzoeken .......................................................................... 36

Bijlage 10. Cultuurhistorie .................................................................................................................... 37 Bijlage 11. Ontgrondingen .................................................................................................................... 39 Bijlage 12. Historische kaarten ............................................................................................................. 40 Bijlage 13. Gespecificeerde archeologische verwachting ..................................................................... 46

1. Aanleiding In opdracht van AGEL Adviseurs heeft Transect b.v. 1 in juli 2019 een archeologisch bureauonderzoek (BO) uitgevoerd in een plangebied aan de Slotenseweg 11 in Nistelrode (gemeente Bernheze). Het plangebied bestaat uit drie deelgebieden (genaamd deelgebied 5, 9 en 10; conform de namen die de opdrachtgever aanhoudt). De aanleiding van het onderzoek is de herinrichting van het plangebied tot golfterrein, waarbij grondverzet zal plaatsvinden. Het onderhavig onderzoek is uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanwijziging. In het bestemmingsplannen ‘Golfbaan de Hooge Vorssel Bernheze (2014)’ en ‘Buitengebied Bernheze (2014)’ heeft het plangebied een dubbelbestemming archeologie (waarde-archeologie 2). Gezien de aard en omvang van de voorgenomen bodemingrepen kan deze archeologische waarde met de geplande ingrepen worden aangetast. Hierom is archeologisch vooronderzoek nodig om inzicht te krijgen of en in hoeverre de werkzaamheden van invloed zijn op de archeologische waarde in het plangebied.

1

Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.

5

2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Om de archeologische waarde van het plangebied te kunnen bepalen is een bureauonderzoek (BO) uitgevoerd. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting. Dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en het grondgebruik definiëren van de kans dat binnen het plangebied sprake is van archeologische resten. Het resultaat van het archeologisch bureauonderzoek is een rapport met een conclusie voor wat betreft het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen bodemingrepen. Aan de hand hiervan wordt een advies voor eventuele vervolgstappen geformuleerd. Met het rapport kan de bevoegde overheid een beslissing nemen in het kader van de vergunningverlening. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de aan- of afwezigheid, diepteligging, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1).

In dit kader is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin Archeologische MonumentenKaart (AMK) en de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) zijn opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit divers voorhanden historisch kaartmateriaal. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbaar geomorfologisch kaartmateriaal geraadpleegd. Deze informatie is aangevuld met relevante informatie uit achtergrondliteratuur. Het bouwarchief is niet geraadpleegd omdat geen bebouwing binnen het plangebied aanwezig is. Wel is contact opgenomen met de heemkundekring Nistelvorst met een verzoek om aanvullende informatie (www.nistelvorst.nl). Deze informatie is opgenomen in hoofdstuk 8. Een volledig overzicht van de geraadpleegde bronnen is opgenomen in hoofdstuk 11.

6

3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Plaats

Nistelrode

Toponiem

Slotenseweg 11

Gemeente

Bernheze

Provincie

Noord-Brabant

Kaartblad

45E

Perceelnummer(s)

Sectie A, nr. 4856, 2883 (gedeeltelijk) Sectie L, nr. 706, 9 (gedeeltelijk) 166.655/414.606

Centrumcoördinaat Oppervlakte plangebied

Totale oppervlakte plangebied

Hole 10: ca. 2 ha Hole 9: ca. 8300 m2 Hole 5: ca 1 ha Totaal: ca. 3,8 ha

Binnen het archeologisch onderzoek is onderscheid gemaakt tussen het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen de bodemingrepen worden uitgevoerd. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied, in een straal van circa 500 m, dat bij het onderzoek wordt betrokken om tot een beter inzicht te komen in de landschappelijke, archeologische en (cultuur)historische situatie in het plangebied. Het plangebied is gesitueerd aan de Slotensweg 11 in Nistelrode en bestaat uit drie deellocaties. Het plangebied is thans in gebruik als golfbaan en natuurgebied. De deellocaties zijn niet bebouwd. De begrenzing van de deelgebieden is gebaseerd op de locaties van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. De begrenzing is niet relateren aan kadastrale grenzen. De deelgebieden vallen kadastraal gezien binnen Sectie A nummer 4856 en 2883 en Sectie L nummer 706 en 9. Het plangebied beslaat in totaal ongeveer 3,8 ha. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1 en bijlage 2. De nummers van de deelgebieden komen overeen met de holes op de golfbaan zoals die door de opdrachtgever gehanteerd worden.

7

Figuur 1. Ligging van het plangebied op een topografische kaart. De nummers verwijzen naar de deelgebieden en komen overeen met de nummers van de holes zoals aangehouden door de opdrachtgever. Bron topografische kaart: PDOK.

8

4. Consequenties toekomstig gebruik Planvorming

Herinrichting tot golfbaan

Aard bodemverstoringen

Graafwerkzaamheden

Verstoringsoppervlakte

Ca. 3,8 ha

Verstoringsdiepte

> 40 cm

Het plan is om een bestemmingsplanwijziging door te voeren waarbij de bestemming van de deelgebieden wordt gewijzigd van ‘natuur’ in ‘golfbaan.’ Hierna zullen de deelgebieden worden ingericht als golfterrein, waarbij graafwerkzaamheden gepland zijn. Hiervoor zullen bomen worden gekapt en worden vervangen door heide (paars in bijlage 3). Ook zullen bomen worden gekapt om plaats te maken voor golfterrein (groen in bijlage 3). Hoe diep de bodem hierbij verstoord wordt is niet exact bekend, maar dit zal minder dan 40 cm –Mv zijn. Tevens vinden in drie gebieden in deelgebied 5 vinden graafwerkzaamheden plaats waarbij de bodem dieper dan 40 cm –Mv wordt ontgraven voor de aanleg van zogenaamde ‘afslagen’ (bijlage 3). In totaal gaat dit om een oppervlakte van ca. 800 m2. Ook ter plaatse van de toekomstige vijver in deelgebied 10 wordt de bodem dieper dan 40 cm –Mv ontgraven, maar tot op welke diepte exact is nog niet bekend. De vijver heeft een oppervlakte van ongeveer 5800 m2.

9

5. Beleidskader Onderzoekskader

Bestemmingsplanwijziging

Beleidskader

Bestemmingsplan

Onderzoeksgrens

Groter dan 250 m2 en dieper dan 40 cm –Mv

In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die (naar verwachting) in 2021 in werking zal treden. Het archeologiebeleid inzake het plangebied is vastgelegd in de bestemmingsplannen ‘Golfbaan de Hooge Vorssel Bernheze (2014)’ en ‘Buitengebied Bernheze (2014)’. Hierop heeft het plangebied een dubbelbestemming archeologie (waarde-archeologie 2). Dit betekent dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bodemingrepen die meer dan 250 m 2 beslaan en dieper reiken dan 40 cm –Mv. Deze zone ‘waarde-archeologie’ is gebaseerd op de archeologische beleidskaart van de gemeente Bernheze (bijlage 4).

Bij de herinrichting die zal volgen op de bestemmingsplanwijziging worden bovenstaande onderzoeksgrenzen overschreden, waardoor een archeologische onderbouwing van de bestemmingsplanwijziging noodzakelijk is.

10

6. Landschap, geomorfologie en bodem Geologie Geomorfologie Maaiveldhoogte Bodem Grondwatertrap

Formatie van Beegden veelal met een dek van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden; rivierzand en –grind veelal met een zanddek Plateau-achtige horst Laagte ontstaan door afgraving 10,5 tot 17,3 m NAP Haarpodzolgronden Hoge zwarte enkeerdgronden VII*

Landschapsgenese Het plangebied ligt landschappelijk gezien in het Zuid-Nederlandse zandgebied en maakt deel uit van de Peelhorst (Berendsen, 2005). De Peelhorst is een tektonisch actief stijgingsgebied ten oosten van de Peelrandbreuk, dat bestaat uit een serie tot verschillende hoogten opgeheven schollen. Direct ten westen van Uden begint de Centrale Slenk. Dit is een door tektonische bewegingen ontstane laagte, waar de rivierafzettingen diep zijn weggezakt en begraven liggen onder een metersdik pakket jongere afzettingen. In het plangebied liggen grindrijke rivierafzettingen uit het Laat-Tertiair en het Pleistoceen naar verwachting relatief dicht aan het oppervlak. Deze afzettingen zijn onder invloed van voorlopers van de Maas in het gebied afgezet, waarvan de minst diep gelegen afzettingen geologisch gezien behoren tot de Formatie van Beegden (Stiboka, 1976; De Mulder et al, 2003). Deze zijn in het midden van het Pleistoceen gevormd (Berendsen, 2005; Westerhoff en Weerts, 2003). Op deze rivierafzettingen heeft bewoning kunnen plaatsvinden. Vanaf het midden van het Pleistoceen hield de fluviatiele invloed in het gebied op (circa 850.000 jaar geleden). Als gevolg van een zeer koud klimaat traden toen verstuivingen van zand op, met name gedurende de koudste perioden van de laatste ijstijd, het Weichselien (circa 116.000 tot 11.650 jaar geleden).

Het zand verstoof door sterke winden vanuit de drooggevallen beddingen van beken en rivieren en vanuit het drooggelegen Noordzee-bekken. Er was vanwege het barre klimaat geen vegetatie aanwezig die dergelijke verstuivingen kon voorkomen. Het zand werd als dekzand in een dunne deken op de oude rivierafzettingen van de Peelhorst afgezet in welvingen, kleine ruggen en vlakten (Formatie van Boxtel; De Mulder et al., 2003). Grote dekzandruggen zijn er niet, aangezien op de relatief hoger gelegen Peelhorst weinig sprake was van luwte zodat het dekzand kon worden ingevangen. Het meeste dekzand werd even verder in de Centrale Slenk afgezet (Stouthamer et al,. 2015). Vanaf het begin van het Holoceen (vanaf 11.650 jaar geleden) trad een drastische klimaatsverbetering op. De gemiddelde jaartemperaturen stegen en het werd vochtiger waardoor vegetatiegroei kon toenemen. Hierdoor werd de zandverstuiving aan banden gelegd en trad in de top van het dekzand bodemvorming op (podzolering). In de lagere gebiedsdelen rondom de koppen en ruggen stroomden beken en kon als gevolg van de vernatting veenvorming optreden. Het plangebied is daarbij niet met veen overdekt geraakt (Vos, 2015). Geomorfologie Volgens de geomorfologische kaart van Nederland ligt het plangebied op een plateau-achtige horst, waar oude, pleistocene rivierafzettingen direct aan het maaiveld liggen (kaartcode 4F1, bijlage 5).

De ligging op een plateau valt eveneens af te leiden aan de relatief hoge ligging van het maaiveld op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) ten opzichte van de directe omgeving (bijlage 6). Ten

11

zuidwesten van het plangebied ligt het maaiveld significant lager (7 m NAP), hetgeen vermoedelijk het gevolg is van (afwateringsdalen naar) de Centrale Slenk ten westen van de Peelrandbreuk. In en rondom het plangebied zijn op verschillende plaatsen laagtes waargenomen, die perceels- of vlakgebonden lijken. Ze zijn vermoedelijk het gevolg van afgravingen of ontgrondingen, zoals ook op de geomorfologische kaart en de ontgrondingen kaart van Noord Brabant staat aangegeven (bijlage 11 en 7). Dit bijvoorbeeld het geval in deelgebied 10 en mogelijk ook in het westen van deelgebied 5 (bijlage 7). Bij deelgebied 10 gaat het om een hoogteverschil van ca. 1 m en in deelgebied 5 om een hoogteverschil van ca. 50 cm. Verder zijn verschillen in maaiveldhoogte te zien binnen de deelgebied 9 die samenhangen met het gebruik als golfterrein (bijlage 2 en 7). Bodem en grondwater Volgens de bodemkaart zijn in deelgebied 10 en 9 haarpodzolgronden te verwachten (bodemkaartcode Hd30, bijlage 8). Deze bodems hebben zich in grof zand kunnen ontwikkelen. Haarpodzolgronden zijn relatief hoog gelegen en relatief arme zandgronden met een enkele centimeters dikke humeuze bovengrond, waaronder een loodzandlaag van circa 10-20 cm dik aanwezig is (E-horizont).

Daaronder kan een bruin gekleurde inspoelingslaag aanwezig zijn, die deze kleur verkregen heeft als gevolg van de inspoeling van humusstoffen (een humuspozol-B horizont). Deze gronden zijn kenmerkend voor gebieden waar oorspronkelijk hoge heidevelden lagen, die vrijwel allemaal ontgonnen zijn. Ter plaatse van deelgebied 5 worden hoge zwarte enkeerdgronden verwacht (kaartcode zEZ30; bijlage 8). Hoge enkeerdgronden zijn zandgronden met een minstens 50 cm dikke humeuze bovenlaag (Aaphorizont) die ontstaan is door ophoging met postalmest. Bij zwarte enkeerdgronden is hierbij vooral gebruik gemaakt van heideplaggen (De Bakker en Schelling, 1989). De grondwatertrap is een indicatie voor de mate van conservering van onverbrande organische vondsten. In het plangebied geldt een grondwatertrap VII*. Dit betekent over het algemeen dat er sprake is van relatief hoge en droge gronden, waar de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) beneden 140 cm –Mv ligt en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) beneden 120 cm –Mv voor kan komen. Voor een grondwatertrap VII* bestaat de verwachting dat (onverbrande) organische resten (zoals hout, bot en leer) nagenoeg volledig gedegradeerd zijn als gevolg van oxidatie.

De grondwaterstanden hebben naar verwachting weinig invloed gehad op anorganische resten (zoals (vuur)steen, aardewerk en metaal), zodat deze naar verwachting juist goed geconserveerd zullen zijn gebleven.

12

7. Archeologische verwachtingen en bekende waarden Wettelijk beschermde monumenten

Nee

AMK-terreinen

Nee

Archeologische waarden

Niet binnen plangebied In de omgeving van het plangebied vondsten uit de Bronstijd, IJzertijd, Romeinse Tijd, Late-Middeleeuwen

Archeologische verwachtingen Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Bernheze heeft het plangebied grotendeels een hoge archeologische verwachting (bijlage 4). Vermoedelijk is deze verwachting gebaseerd op de ligging van het plangebied in een zone met haarpodzolgronden en hoge enkeerdgronden, relatief hoog in het landschap. Alleen het westen van deelgebied 10 heeft geen archeologische verwachting, vanwege de ontgronding die daar heeft plaatsgevonden volgens de ontgrondingenkaart van Noord-Brabant (bijlage 11). Bekende waarden binnen het plangebied Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status en is ook niet opgenomen op de Archeologische MonumentenKaart (AMK). Binnen het plangebied zijn vooralsnog geen vondsten bekend. Deelgebied 9 en 5 en deelgebied 10 gedeeltelijk, vallen binnen een zone die in 2007 onderzocht is door middel van een bureauonderzoek en een veldinspectie (onderzoeksmelding 2171150100; bijlage 9). Het onderzoek is uitgevoerd in verband met uitbreiding van de golfbaan de Vorssel. Uit het onderzoek is gebleken dat in het onderzochte gebied sprake was van een hoge archeologische verwachting voor de periode Neolithicum-Nieuwe Tijd ten gevolge van het aantreffen van een oude akkerlaag in de ondergrond (Ellenkamp, 2007).

Deze is aangetroffen in de omgeving van het onderhavig deelgebied 5. Mogelijk vormt de akkerlaag een voortzetting van de oude akkerlaag uit de Romeinse Tijd die is aangetroffen op AMK-terrein 1036, dat zich direct naast het onderhavig deelgebied 5 bevindt (zie hieronder). Uit het veldonderzoek van Ellenkamp (2007) blijkt verder dat sprake is van grindrijke afzettingen (Formatie van Beegden) die worden afgedekt door een 35 tot 65 cm dik esdek. Het esdek bestaat uit twee lagen. Bovenop ligt een donkerbruingrijze bouwvoor van ca. 35 cm dikte, met daaronder een donkergrijze laag die is aangeduid als plaggendek. Hieronder is in een aantal boringen de oude akkerlaag aangetroffen. Deze bruingrijze laag lijkt op een regelmatig bewerkte moderpodzol. Onder de oude akkerlaag zijn restanten van de B- of BC-horizonten aangetroffen (Ellenkamp, 2007). Bekende waarden in de omgeving van het plangebied In de omgeving van het plangebied zijn terreinen van (zeer) hoge archeologische waarde aanwezig, vondsten bekend, en onderzoeken uitgevoerd. Degene hiervan die vanwege hun nabijheid en landschappelijke ligging de meeste zeggingskracht hebben voor het archeologische onderzoek van het onderhavig plangebied worden hieronder besproken: Deelgebied 5  Deelgebied 5 ligt tussen twee terreinen van (zeer) hoge archeologische waarde.

Ongeveer 15 m ten oosten van deelgebied 5 is een beschermd terrein van zeer hoge archeologische waarde aanwezig (AMK-terrein 1036). Het is hetzelfde terrein als het terrein dat hierboven ook al even aangestipt is. Het betreft een terrein met sporen van bewoning uit de Romeinse Tijd. De sporen uit de Romeinse Tijd liggen in grof zand en grind in een akkerlaag van 25 cm dikte. Ook zijn sporen

13

uit de IJzertijd en de Midden-Bronstijd A aangetroffen. Ten slotte zijn ook karresporen en scherven uit de Late-Middeleeuwen aangetroffen. Direct ten noordwesten van het terrein zouden bij een ontzanding urnen zijn aangetroffen. In de omgeving van het terrein van zeer hoge archeologische waarde zijn diverse vondsten bekend. Het betreft onder andere vijf fragmenten van fibula, een fragment van een vingerring, een fragment van een gordelhanger en fragmenten aardewerk uit de Romeinse Tijd (vondstmelding 3283987100). Ook is een depot van Romeinse koperen munten aangetroffen, evenals koperen assen uit de Romeinse Tijd (vondstmelding 3283905100, 2910340100). Ook is aardewerk uit de Late-Middeleeuwen aangetroffen (vondstmelding 2771556100). Deze vondsten liggen allemaal binnen 100 m van deelgebied 5, wat erop duidt dat ook buiten het terrein van zeer hoge archeologische waarde archeologische sporen aanwezig zouden kunnen zijn. De vondsten rondom het terrein van zeer hoge archeologische waarde komen ook nog verder van het terrein voor en betreffen soortgelijke vondsten van aardewerk fragmenten (vondstmelding 2771580100, 3130085100).

Uitzondering hierop vormt de vondst van een ijzeren beitel uit de Romeinse Tijd (vondstmelding 3281150100) en een bronzen schrijffibulae-Maltezer kruis uit de Vroege-Middeleeuwen (vondstmelding 3283898100) Ongeveer 50 m ten oosten van deelgebied 5 is een terrein van hoge archeologische waarde aanwezig (AMK-terrein 4701). Dit betreft een terrein met sporen van bewoning uit de Bronstijd tot en met Romeinse Tijd. De vondsten zijn gedaan bij de ontgronding van het aangrenzend perceel. In het terrein zijn 2 tot 20 cm brede greppeltjes aangetroffen, over een lengte van 3 tot 4 meter, waarin handgevormd aardewerk is aangetroffen (Hilversum/Drakenstein/Laren aardewerk). Volgens Ellenkamp (2009) kunnen de grondsporen hier vanaf 30 cm –Mv (d.w.z. vanaf onder de bouwvoor) aanwezig zijn. Circa 270 m ten noorden van het plangebied is een terrein van zeer hoge archeologische waarde aanwezig (AMK-terrein 571). Het betreft een terrein met sporen van begraving (grafheuvels) uit de Bronstijd. Binnen de grenzen van het monument liggen twee grafheuvels uit de MiddenBronstijd. Een derde grafheuvel is geëgaliseerd bij de aanleg van een gasleiding. Ook zouden er nog een vijfde en zesde grafheuvel zijn geweest. De grafheuvel die door de gasleiding is verdwenen had een plaggenopbouw, geen randstructuur en bevatte een Drakenstein-urn en mogelijk een inhumatiegraf.

Nader onderzoek heeft aangetoond dat echter niet alle heuvels grafheuvels zijn, maar dat drie ervan stuifduinen zijn. De begrenzing van het terrein is hierop vooralsnog niet aangepast in Archis3. Ongeveer 300 m ten zuidoosten van deelgebied 5 heeft een vooronderzoek plaatsgevonden (onderzoeksmelding 2232079100, Ellenkamp, 2009). Hieruit blijkt dat hier zand- en grindwinning heeft plaatsgevonden, waardoor de bodem tot in de C-horizont vergraven is. Eventuele archeologische vindplaatsen zijn daardoor reeds verstoord.

Deelgebied 9 en 10  Direct ten noorden van deelgebied 9 en 10 heeft een vooronderzoek plaatsgevonden in verband met de uitbreiding van de golfbaan (Ellenkamp, 2012). Uit dit onderzoek is een divers beeld vastgesteld van verstoorde en intacte bodems, waarbij aan de intacte gebiedsdelen aanvullende maatregelen zijn voorgesteld. De intactheid van de bodem vormde namelijk hier aanleiding te veronderstellen dat er nog archeologische resten aanwezig zouden zijn (onderzoeksmelding 2376162100; Ellenkamp, 2012). In het zuiden van het onderzochte gebied kwam dekzand op de rivierafzettingen van de Formatie van Beegden voor, in het noorden van het onderzochte gebied lag de Beegden Formatie aan het maaiveld.  Circa 340 m ten zuidoosten van deelgebied 9 en 10 heeft een vooronderzoek plaatsgevonden in verband met de uitbreiding van de business club ‘The Duke’ (onderzoeksmelding 3991602100). Uit het onderzoek blijkt dat de bodem verstoord is tot in de C-horizont(45 à 110 cm –Mv). Hierdoor kon de archeologische verwachting voor wat betreft de periode Laat-Paleolithicum-Late-

14

Middeleeuwen worden bijgesteld naar laag. De aangetroffen verstoringen hangen vermoedelijk samen met de aanleg van Kamp Donzel, dat in 1944 ter plaatse is gesticht. Van dit kamp zouden nog resten in de bodem aanwezig kunnen zijn (infrastructuur en open ruimtes; Nales, 2016). Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat in de omgeving van deelgebied 5 vondsten en/of sporen uit de periodes Bronstijd, IJzertijd, Romeinse Tijd en Late-Middeleeuwen aanwezig zijn. Dit betreffen zowel sporen van begravingen (urnenvelden, grafheuvels), sporen van landgebruik (akkerlagen en karresporen) als sporen van nederzettingen. De complexen kenmerken zich zowel door vondsten concentraties als door grondsporen. In de directe omgeving van deelgebied 9 en 10 zijn vooralsnog geen vondsten bekend, maar gezien de intacte bodems in de omgeving zouden deze wel aanwezig kunnen zijn. Het plangebied maakt landschappelijk gezien deel uit van een interessant gebied, aangezien ten oosten van het plangebied de relatief hoog en droog gelegen Peelhorst ligt en ten westen de lagere en nattere Centrale Slenk. De ligging van het plangebied in het breukgebied betekent dat op korte afstand sprake is van grote veranderingen in reliëf en vochthuishouding die op allerlei manieren mogelijkheden tot nederzetting en landgebruik boden.

Daarentegen bood dit landschap door het voorkomen van lokaal sterke reliëfverschillen een sacraal landschap voor rituelen en begravingen. Deze gedachte vloeit voort uit het feit dat de horst prominente zichtlocaties bood, waarop graven als monument in het landschap goed te zien waren. Ook aangrenzende natte depressies waren interessant voor bijvoorbeeld offerrituelen. Er heeft in de omgeving van deelgebied 9 en 10 echter nog geen systematisch onderzoek plaatsgevonden in de vorm van karterende boringen of proefsleuvenonderzoeken waarbij deze vondsten en/of sporen zouden kunnen worden aangetroffen.

15

8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen Historische bebouwing

Nee

Historisch gebruik

Heide, bouwland en bos

Huidig gebruik

Bos

Bekende verstoringen

Ontgronding deelgebied 10 Golfterrein oosten deelgebied 9

Historische situatie Het plangebied heeft altijd in het buitengebied van Nistelrode gelegen, ten noorden van de kern Kleinwijk. Op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 zijn deelgebied 9 en 10 in gebruik als heide en bouwland (bijlage 12). Door deelgebied 9 en 10 loopt een weg. Deelgebied 5 bestaat in die tijd uit smalle kavels die bekend staan onder het toponiem ‘de Vorsel.’ Volgens de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafelen zijn deze percelen in gebruik als bouwland. Rond 1900 zijn deelgebied 9 en 10 grotendeels bebost en maakt deelgebied 5 deel uit van een akkercomplex zonder kavelscheidingen (bijlage 12). De weg uit 1832 is dan al verdwenen. Het landschap verandert bijna niet in de loop van de tijd. Rond 1980 wordt deelgebied 5 bebost en dit blijft tot op heden het geval (bijlage 12). Wel is bij deelgebied 9 een deel van het bos verdwenen voor de aanleg van de golfbaan. Het plangebied is dus niet bebouwd geweest op historisch kaartmateriaal. Volgens de Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Bernheze zijn in deelgebied 9 en 10 oude wegtracés aanwezig van redelijk hoge warde (bijlage 10). Het wegtracé in deelgebied 9 komt globaal overeen met het Kadastrale Minuutplan, maar het wegtracé van deelgebied 10 is niet te zien op het historische kaartmateriaal. Het is dus niet bekend waar dit op gebaseerd is.

Verder zijn volgens deze cultuurhistorische waardenkaart oude akkers aanwezig in deelgebied 5 en het westen van deelgebied 10. In 1944 werd direct ten zuiden van het plangebied een werkkamp gebouwd ten behoeve van de Nederlandse Arbeidsdienst. Hier werden mannen uit met name Noord- Nederland tewerkgesteld. Vanuit hier werden in de omgeving van het plangebied verschillende werkverschaffingsprojecten uitgevoerd, waaronder met name zandafgravingen. Het kamp zou op basis van ooggetuigen met name uit houten barakken en afrasteringen bestaan (bron: Heemkundekring Nistelvorst; www.nistelvorst.nl). Volgens een tekening van de inrichting van het kamp valt het onderhavige plangebied buiten dit werkkamp (bron: Brabants Historisch Informatie Centrum; https://www.bhic.nl/het-geheugen-van-brabant). Huidig gebruik en bodemverstoringen Het plangebied is grotendeels in gebruik als bos (bijlage 2). Het oosten van deelgebied 9 is in gebruik als golfbaan. Het plangebied is tot op heden onbebouwd. Bodemverstoringen zijn van invloed de mate waarin nog archeologische vondsten en/of sporen aanwezig kunnen zijn. Daarom worden hier factoren besproken die van invloed zijn op de bodemopbouw binnen het plangebied:  De inrichting van het huidige golfterrein in deelgebied 9 zal tot bodemingrepen hebben geleid.

Er is rondom en deels in het plangebied sprake van een kunstmatig reliëf dat hierop wijst (bijlage 7). Er is in het plangebied sprake van hoogteverschillen van 1 m. Bij de laagtes bestaat daarom de

16

kans dat een potentieel archeologisch niveau al is verdwenen, maar met zekerheid is dit niet vast te stellen. Hiervoor zijn boringen nodig. Het westen van deelgebied 5 ligt ca. 50 cm lager op het AHN (bijlage 7). Mogelijk is hier de bodem gedeeltelijk afgegraven. Het archeologische niveau is hierbij mogelijk niet aangetast, omdat hier een esdek verwacht wordt dat het oorspronkelijke maaiveld tegen de afgraving beschermd kan hebben. Het westen van deelgebied 10 is als ontgrond gebied gekarteerd op de Ontgrondingenkaart van de provincie Noord-Brabant (2005; bijlage 11). Gezien het AHN ligt de maaiveldhoogte hier ongeveer 1 m lager dan direct ten oosten ervan (bijlage 7). Hier zijn eventuele archeologische vondsten en/of sporen vermoedelijk al verdwenen. Dit deel heeft op de gemeentelijke beleidskaart en het bestemmingsplan ook geen archeologische onderzoeksplicht. Volgens het BodemloketTM (www.bodemloket.nl) hebben binnen het plangebied geen saneringen plaatsgevonden, waarbij het bodemarchief zou zijn aangetast.

17

9. Gespecificeerde archeologische verwachting Archeologische verwachting

Hoog

Periode

Laat-Paleolithicum-Vroege-Middeleeuwen

Complextypen Stratigrafische positie

Kampementen, nederzettingen, grafvelden, sporen van landgebruik In de top van de oude rivierafzettingen en/of het dekzand

Diepteligging

Ca. 30 cm -Mv

Archeologische verwachting en periode Het plangebied ligt op een plateau-achtige horst die kan zijn afgedekt door dekzand. Binnen dit gebied zijn zwakke glooiingen aanwezig, hetzij gevormd door tektoniek, hetzij door dekzandreliëf. Deze hogere, relatief droog gelegen delen en daaraan gekoppelde landschapsgradiënten naar de nattere gebiedsdelen toe hebben archeologisch gezien de meeste potentie. Op grond van de ouderdom van de verwachte afzettingen in het gebied, kunnen theoretisch gezien vindplaatsen uit de periode LaatPaleolithicum – Vroege-Middeleeuwen aanwezig zijn. In de omgeving van het plangebied zijn tot nu toe nog geen kampementen uit de periode Laat-Paleolithicum-Mesolithicum aangetroffen, maar wel vondsten en/of sporen uit de periodes Bronstijd, IJzertijd, Romeinse Tijd en Late-Middeleeuwen (deze laatste betreffen alleen sporen van landgebruik). De verwachting op archeologische vondsten en/of sporen uit de periode Laat-Paleolithicum-Vroege-Middeleeuwen is daarom hoog. Voor wat betreft de periode Late-Middeleeuwen-Nieuwe Tijd is de archeologische verwachting laag. Op historisch kaartmateriaal ontbreken sporen van bewoning, waardoor ook geen sporen van bewoning uit de Late-Middeleeuwen worden verwacht. Sporen van landgebruik uit deze periode zouden wel aanwezig kunnen zijn.

Stratigrafische positie, diepteligging en aanwezigheid Het archeologisch relevante niveau ligt direct onder het maaiveld en wordt gevormd door de top van de pleistocene rivierafzettingen, mogelijk bedekt met een dunne laag dekzand. In de omgeving van het plangebied is het archeologische niveau vanaf 30 cm –Mv aanwezig. Deze rivierafzettingen bestaan hoofdzakelijk uit matig grof, slecht gesorteerd zand met grind. Ze kunnen eveneens begraven liggen onder een dun humeus dek (bouwlanddek), dat gezien de bodemkaart in deelgebied 5 verwacht wordt. In dat geval zal de top van het archeologische niveau mogelijk iets dieper liggen, afhankelijk van de dikte van het esdek. In de top van de rivierafzettingen kunnen bodemhorizonten of restanten daarvan aanwezig zijn, die indicatief zijn voor zowel de aanwezigheid en diepteligging van archeologische resten alsook de mate van intactheid ervan (cultuurlagen, podzolering). Daarentegen hebben naar verwachting bodemverstorende activiteiten in het plangebied plaatsgevonden als gevolg van de aanleg van het golfterrein in het oosten van deelgebied 9 en de ontgronding in het westen van deelgebied 10. Deze kunnen de intactheid van de bodem in het plangebied negatief hebben beïnvloed (wat bij de ontgronding zeker het geval zal zijn) en daarmee ook de gaafheid van eventuele ((pre-)historische) archeologische resten. Het westen van deelgebied 5 ligt ca.

50 cm lager, maar aangezien hier enkeerdgronden verwacht worden zou hier het archeologische niveau nog intact kunnen zijn. Complextypen en omvang In het plangebied worden nederzettingsterreinen verwacht, maar er zouden ook sporen van landgebruik of grafvelden kunnen aanwezig zijn:

18

Wat betreft het Laat-Paleolithicum – Neolithicum kunnen op de randen van glooiingen zogenaamde extractiekampen aanwezig zijn. Dit zijn seizoensgebonden plekken waar jagers/verzamelaars gedurende een korte tijd verbleven. Dergelijke plekken kenmerken zich door een concentratie van bekapte stukken vuursteen en (eventueel) haardkuilen. Uit de latere perioden bestaat de kans op het voorkomen van erven, bestaande uit een boerderij, bijgebouwen en waterputten. Deze terreinen kunnen zich kenmerken door een aaneengesloten archeologische laag, die op grond van kleur verschilt van de oorspronkelijk aanwezige lagen of een dichte vondstenconcentratie. De vorming hiervan hangt met name af van de langdurigheid (=tijdsduur) van eventuele bewoning op die plek. Kortstondige bewoning, sporen van landgebruik en grafvelden zullen zich namelijk juist kenmerken door grondsporen en verkleuringen in de bodem en in veel mindere mate door de aanwezigheid van vondstmateriaal. In directe omgeving van deelgebied 5 is een oude akkerlaag onder het esdek aangetroffen die zich kenmerkt als een bruingrijze laag die lijkt op een bewerkte moderpodzol-B.

De omvang van vindplaatsen kan variëren van enkele tientallen vierkante meters voor vindplaatsen die betrekking hebben op jagers en verzamelaars (Laat-Paleolithicum-Mesolithicum), tot honderden vierkante meters voor een nederzetting die betrekking heeft op een enkele boerderij (vanaf het Neolithicum).

19

Tabel 1: Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel

1

Archeologische verwachting Datering

2

Complextype

3 4 5

Omvang Diepteligging Gaafheid en conservering

6 7

Locatie Uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren)

8

Mogelijke verstoringen

Reden Hoog Paleolithicum-VroegeLandschappelijke ligging op horst, mogelijk Middeleeuwen bedekt met dekzand Laag Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd Geen bebouwing op historisch kaartmateriaal, alleen weg door de hei in deelgebied 9 in 1832. Kampementen, nederzettingscomplexen, huisplaatsen, sporen van landgebruik, infrastructuur, grafvelden. In de omgeving zijn urnenvelden, grafheuvels, nederzettingen en sporen van landgebruik (akkerlagen, karresporen) bekend. 50-2000 m2 (omvang kampement-huisplaats, algemeen) Top van de oude rivierafzettingen, vermoedelijk rond 30 cm -Mv +/In het westen van deelgebied 10 heeft een ontgronding plaatsgevonden (ca. 1 m afgegraven). Hier zijn eventuele archeologische waarden al verdwenen (-). Met de aanleg van de golfbaan kan het archeologische niveau in het oosten van deelgebied 9 plaatselijk zijn aangetast, maar of en in welke mate dit het geval is, is niet bekend (+/-). In deelgebied 5 worden alleen in het westen afgravingen van ca. 50 cm verwacht (+/-). Verder zijn hier geen aanwijzingen voor vergravingen en wordt dus verwacht dat archeologische resten nog grotendeels intact in de bodem aanwezig kunnen zijn (+).

Onbekend, op dit moment het hele plangebied, uitgezonderd de ontgrondingslocatie (bijlage 11) Op basis van archeologische onderzoeken in de omgeving kenmerkt een vindplaats in het plangebied zich naar verwachting door een concentratie van aardewerk en metaal. Ook kunnen grondsporen en akkerlagen aanwezig zijn. Indien vindplaatsen uit de steentijd aanwezig zijn kenmerken deze zich door het voorkomen van met name vuursteen en houtskool. In welke mate de aanleg van het bos voor verstoring van de bodem heeft gezorgd is niet bekend. Ter plaatse van de wortels van de bomen is het archeologisch niveau plaatselijk aangetast. Zie verder ‘gaafheid en conservering’.

20

10. Conclusie en advies Conclusie Het plangebied ligt op een plateau-achtige horst die kan zijn afgedekt door dekzand. Binnen dit gebied zijn zwakke glooiingen aanwezig, hetzij gevormd door tektoniek, hetzij door dekzandreliëf. Deze hogere, relatief droog gelegen delen en daaraan gekoppelde landschapsgradiënten naar de nattere gebiedsdelen toe hebben archeologisch gezien de meeste potentie. Op grond van de ouderdom van de verwachte afzettingen in het gebied, kunnen theoretisch gezien vindplaatsen uit de periode LaatPaleolithicum – Vroege-Middeleeuwen aanwezig zijn in het plangebied. In de omgeving van het plangebied zijn tot nu toe nog geen kampementen uit de periode Laat-Paleolithicum-Mesolithicum aangetroffen, maar wel vondsten en/of sporen uit de periodes Bronstijd, IJzertijd, Romeinse Tijd en Late-Middeleeuwen (deze laatste alleen sporen van landgebruik). Het betreffen zowel grafvelden als sporen van nederzettingen als sporen van landgebruik. De aangetroffen vondsten uit de periode Bronstijd-Late-Middeleeuwen concentreren zich rondom deelgebied 5. De verwachting op archeologische vondsten en/of sporen uit de periode Laat-Paleolithicum-Vroege-Middeleeuwen is daarom ook hoog. Rondom deelgebied 9 en 10 zijn vooralsnog geen archeologische vondsten aangetroffen, maar gezien de landschappelijke ligging zijn ze ook hier niet uit te sluiten.

Voor wat betreft de periode Late-Middeleeuwen-Nieuwe Tijd is de archeologische verwachting laag. Op historisch kaartmateriaal ontbreken sporen van bewoning, waardoor ook geen sporen van bewoning uit de Late-Middeleeuwen worden verwacht. Sporen van landgebruik uit deze periode zouden wel aanwezig kunnen zijn, zoals ook is aangetroffen in de vorm van karresporen in de omgeving van het plangebied. Bovenstaande archeologische verwachting is mede afhankelijk van de bodemopbouw en mate van intactheid van de bodem. Het westen van deelgebied 10 is gezien de ontgrondingenkaart van NoordBrabant en de hoogtekaart ontgrond (bijlage 11). Hier worden geen archeologische waarden meer verwacht. Mogelijk is de bodem ook in het oosten van deelgebied 9 plaatselijk verstoord door de aanleg van het golfterrein, maar of hiermee een potentieel archeologisch niveau is aangetast, is niet bekend. In deelgebied 5 is het archeologische niveau vermoedelijk nog niet aangetast. Advies Het onderhavig onderzoek is uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanwijziging. Het bureauonderzoek geeft geen aanleiding om de dubbelbestemming ‘waarde-archeologie’ bij te stellen. Voorgesteld wordt om de dubbelbestemming ‘waarde-archeologie’ te behouden. Daarbij valt dus alleen het westen van deelgebied 10 (ontgronding) buiten de zone met een dubbelbestemming ‘waarde-archeologie’.

Mochten in de toekomst graafwerkzaamheden gepland zijn in de zone met een hoge archeologische verwachting (zie bijlage 13), wordt voorgesteld om ter plaatse van de geplande graafwerkzaamheden een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. Dit vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd als een verkennend booronderzoek dat als doel heeft om de bodemopbouw en de mate van intactheid van de bodem vast te stellen. Op basis van het booronderzoek kan het archeologische verwachtingsmodel dan worden getoetst en waar mogelijk worden bijgesteld. Voor wat betreft de huidige plannen betekent dit het volgende:  De vijver in deelgebied 10 is grotendeels gepland is ter plaatse van de ontgronding, waar geen vervolgonderzoek noodzakelijk is. Een optie zou zijn om deze vijver geheel ter plaatse van de ontgronding uit te graven, zodat hier geen vervolgonderzoek noodzakelijk is. Mocht dit niet

21

 

mogelijk zijn, zal een vervolgonderzoek noodzakelijk zijn waar de vijver in de zone met een hoge archeologische verwachting valt (ca. 1500 m2 volgens huidige tekeningen). Ter plaatse van de geplande zogenaamde ‘afslagen’ bij deelgebied 5 wordt op basis van bovenstaande een vervolgonderzoek geadviseerd (ca. 800 m2 op basis van huidige tekeningen). Het kappen van de bomen wordt archeologisch niet als verstorend aangemerkt. Ter plaatse van de bomen zelf is het bodemarchief al aangetast door de beworteling. Het verwijderen van de bomen kan ons inziens dus zonder vervolgonderzoek worden uitgevoerd. Wel geldt hier een archeologische meldplicht. Wanneer bij werkzaamheden toch onverhoopt waardevolle archeologische resten worden aangetroffen, dienen deze conform de Erfgoedwet 2016 (artikel 5.10) te worden gemeld bij de bevoegde overheid.

Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Bernheze, om op basis van de resultaten van dit rapport te bepalen of en in welke vorm vervolgonderzoek dient te worden uitgevoerd. Reactie bevoegd gezag en selectiebesluit Met het advies tot het uitvoeren van vervolgonderzoek in de zones waarvoor een hoge archeologische verwachting geldt, kan worden ingestemd. Op basis van eerder uitgevoerd onderzoek in 2009 waarbij grondboringen zijn verricht, wordt echter een proefsleuvenonderzoek aangeraden. (Zie ook Ellenkamp, 2009). Met het advies ten aanzien van het uitgraven van de vijver, zoals voorgesteld, kan worden ingestemd. Voor wat betreft het kappen en verwijderen van bomen is geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk, gezien de verwachte bodemverstoring. (Een booronderzoek zal hier weinig resultaat opleveren). Wel geldt een meldplicht bij het aantreffen van toevalsvondsten, conform art. 5.10 van de Erfgoedwet, die vanaf 1 juli 2016 van kracht is. Dit kan telefonisch bij het Meldpunt Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord-Brabant (tel. 06-18303225).

22

11. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden  Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007.  Archeologisch Informatie Systeem (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2015.  Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden, 3e generatie, IKAW, Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB), Amersfoort, 2008.  www.ahn.nl  www.archieven.nl  www.ruimtelijkeplannen.nl  www.topotijdreis.nl  www.bodemloket.nl  www.dinoloket.nl  www.edugis.nl  www.pdok.nl  www.planviewer.nl  www.dans.easy.knaw.nl  www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl  Heemkundekring Nistelvorst: www.nistelvorst.nl  Brabants Historisch Informatie Centrum; https://www.bhic.nl/het-geheugen-van-brabant  Ontgrondingen kaart Noord-Brabant Literatuur Bakker, H., de/J. Schelling, 1989. Systeem van bodemclassificatie voor Nederland, de hogere niveaus, Wageningen. Berendsen, H.J.A., 2005. Landschappelijk Nederland. Van Gorcum, Assen. Ellenkamp, 2007, Uitbreiding golfbaan de Vorssel, gemeente Bernheze; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en veldinspectie. RAAP-notitie 2449. Ellenkamp, 2009, Uitbreiding Golfbaan de Vorssel deelgebieden A en B, gemeente Bernheze, archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en veldinspectie. RAAP-notitie 3063.

Ellenkamp, 2012, Uitbreiding golfbaan de Hooge Vorssel- voormalig MOB-complex en voormalig vatenopslagterrein. Gemeent Bernheze. Archeologisch vooronderzoek: een bureau-en verkennend veldonderzoek. RAAP-notitie 4294. Nales, T., 2016, Nistelrode, Slotenseweg 11, gemeente Bernheze (Noord-Brabant). Een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (IVO-verkennende fase). Transect-rapport 876. Mulder, E.F.J., de,/M.C. Geluk/I.L. Ritsema/W.E. Westerhof/T.E. Wong, 2003. De ondergrond van Nederland, Houten. Stiboka, 1976. Bodemkaart van Nederland schaal 1 : 50.000. Toelichting bij de kaartbladen 45 Oost ’s-Hertogenbosch en 46 West/Oost Wageningen, Stichting voor Bodemkartering. Stouthamer, E./K.M. Cohen/W.Z. Hoek, 2015. De vorming van het Land, Utrecht. Vos, P.C., 2015. Compilation of the Holocene paleogeographical maps of the Netherlands, in P.C. Vos (ed.), The origin of the Dutch coastal landscape, Groningen, 50-81.

23

Vos, P.C./S. de Vries, 2015. 2e generatie paleogeografische kaarten van Nederland (versie 2.0). sd, www.archeologieinnederland.nl (11-30-2015) Westerhoff, W.E. en H.J.T. Weerts, 2003. Beschrijving lithostratigrafische eenheid Formatie van Beegden. NITG-Utrecht.

Lijst van afbeeldingen Figuur 1. Ligging van het plangebied op een topografische kaart.

24

Bijlage 1. Periode

Archeologische periode-indeling voor Nederland (conform ABR) Deel-/subperiode

Recent

Van

Tot

1945 na Chr.

2050 na Chr.

Nieuwe Tijd

Late-Nieuwe Tijd Midden-Nieuwe Tijd Vroege-Nieuwe Tijd

1850 na Chr. 1650 na Chr. 1500 na Chr.

1945 na Chr. 1850 na Chr. 1650 na Chr.

Middeleeuwen

Late-Middeleeuwen B Late-Middeleeuwen A Vroege-Middeleeuwen D Vroege-Middeleeuwen C Vroege-Middeleeuwen B Vroege-Middeleeuwen A

1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr. 450 na Chr.

1500 na Chr. 1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr.

Romeinse Tijd

Laat-Romeinse tijd B Laat-Romeinse tijd A Midden-Romeinse tijd B Midden-Romeinse tijd A Vroeg-Romeinse tijd B Vroeg-Romeinse tijd A

350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr. 12 voor Chr.

450 na Chr. 350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr.

IJzertijd

Late-IJzertijd Midden-IJzertijd Vroege-IJzertijd

250 voor Chr. 500 voor Chr. 800 voor Chr.

12 voor Chr. 250 voor Chr. 500 voor Chr.

Bronstijd

Late-Bronstijd Midden-Bronstijd B Midden-Bronstijd A Vroege-Bronstijd

1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr. 2000 voor Chr.

800 voor Chr. 1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr.

Neolithicum

Laat-Neolithicum B Laat-Neolithicum A Midden-Neolithicum B Midden-Neolithicum A Vroeg-Neolithicum B Vroeg-Neolithicum A

2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr. 5300 voor Chr.

2000 voor Chr. 2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr.

Mesolithicum

Laat-Mesolithicum Midden-Mesolithicum Vroeg-Mesolithicum

6450 voor Chr. 7100 voor Chr. 8800 voor Chr.

4900 voor Chr. 6450 voor Chr. 7100 voor Chr.

Paleolithicum

Laat-Paleolithicum B Laat-Paleolithicum A Midden-Paleolithicum Vroeg-Paleolithicum

18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP -

8.800 voor Chr. 18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP

25

Bijlage 2.

Situatie

26

Bijlage 3.

Voorgenomen werkzaamheden

27

28

Bijlage 4.

Gemeentelijk beleid

29

30

Bijlage 5.

Geomorfologie

31

Bijlage 6.

Maaiveldhoogte

32

Bijlage 7.

Maaiveldhoogte detail

33

34

Bijlage 8.

Bodem

35

Bijlage 9.

Archeologische waarden en onderzoeken

36

Bijlage 10.

Cultuurhistorie

37

38

Bijlage 11.

Ontgrondingen

39

Bijlage 12.

Historische kaarten

40

41

42

43

44

45

Bijlage 13.

Gespecificeerde archeologische verwachting

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=440390ed-8cd4-49eb-9e4f-88200fc64679