Vast te stellen bestemmingsplan 'Leliestraat ong' - Toelichting
Tekst van het document
Er zijn tevens geen maatregelen op te leggen bij de omliggende veehouderijen in het kader van dit plan. Er bevindt zich geen zelfstandige mestbewerking of verwerking plaats. Ook is er geen ongerustheid bij omwonenden over de volksgezondheid. Aan stap 6 en 7 wordt daarmee voldaan.
4.6.3 Conclusie Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen vormt geen belemmering voor het plan.
4.7
Spuitzones
ln het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Binnen een afstand van 50 meter tot het plangebied zijn geen spuitzones aangeduid of is sprake van boomteelt. Dit aspect is niet van toepassing.
CONCEPT VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
30
Bestemmingsplan ‘Leliestraat ong. Heesch’ - Toelichting
4.8
Bedrijven en milieuzonering
4.8.1 Inleiding De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een milieugevoelige functie die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden. De VNG-brochure geeft navolgende omschrijving voor het omgevingstype ‘gemengd gebied’: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is
voor de te hanteren afstand van
milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” De VNG-brochure geeft de navolgende omschrijving voor het omgevingstype ‘rustige woonwijk en rustig buitengebied’: “Een rustige woonwijk is een woonwijk die is gericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.” In de omgeving van het plangebied aan de Leliestraat valt te typeren als een ‘rustig buitengebied’.
4.8.2 Niet-agrarische bedrijven in omgeving plangebied Ten zuidoosten van het plangebied is een nutsvoorziening gelegen. Het gaat om een rioolgemaal. Een rioolgemaal betreft een categorie 2 bedrijf. Voor een dergelijke functies geldt een richtafstand in het kader van geur van 30 meter. Het plangebied bevindt zich op een afstand van 34 meter. Aan de overzijde van de Leliestraat ligt het sportpark van H.V.C.H. Dit is een sportpark met verlichting. Hiervoor geldt in het kader van bedrijven en milieuzonering een minimale afstand van 50 meter in het kader van geluid, gemeten vanaf de grens van de inrichting voor gevoelige objecten in gebieden die geclassificeerd worden als ‘rustige woonwijk’. En 30 meter in gebieden die geclassificeerd kunnen worden als ‘gemengd gebied’. Geluid is hiervoor de maatgevende factor. De woning aan de Leliestraat wordt opgericht op een afstand van ten minste 16 meter tot de bestemmingsgrens van het sportpark. De feitelijke activiteiten op het terrein, ter plaatse van het voetbalveld, vinden achter plaats op een afstand van meer dan meer dan 50 meter van de woning. Dit komt onder meer doordat het sportpark is omzoomd met een houtsingel. Van de vijf voetbalvelden zijn CONCEPT VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
31
Bestemmingsplan ‘Leliestraat ong. Heesch’ - Toelichting
twee velden met elk acht lichtmasten uitgerust. Dit betreffen de twee oostelijk gesitueerde velden. De parkeerplaats van het complex is gesitueerd op circa 200 meter ten oosten van het plangebied en de kantine bevindt zich op een afstand van circa 300 meter. Op navolgende figuur is dit inzichtelijk gemaakt.
Plangebied
Verlichte velden
Kantine Figuur 16: Uitsnede akoestisch onderzoek industrielawaai en lichtonderzoek percelen Binnenweg te Heesch (M-tech)
Door M-tech Nederland BV is een akoestisch onderzoek en een lichtonderzoek uitgevoerd in verband de realisatie van woningen op drie percelen aan de Binnenweg (Ruimte voor Ruimte Binnenweg ong. Heesch NL.IMRO.1721.BPRvRBinnenweg-vg01). Uit dit onderzoek kwam navolgende conclusie naar voren: “Geluid Uit het onderzoek blijkt dat zowel het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) als het maximaal geluidniveau (LAmax) voldoen aan de richtwaarden zoals die in de VNG-publicatie “bedrijven en milieuzonering” zijn opgenomen. De geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit worden eveneens gerespecteerd. De berekende geluidbelastingen ten gevolge van het verkeer komende van en gaande naar de inrichting
(verkeersaantrekkende
werking)
voldoen
aan
de
van
toepassing
zijnde
voorkeursgrenswaarde zoals gesteld in de circulaire “Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer”. Licht De gemeten verticale verlichtingssterkte voldoet aan de “Richtlijn lichthinder” van de commissie Lichthinder. CONCEPT VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
32
Bestemmingsplan ‘Leliestraat ong. Heesch’ - Toelichting
In het kader van bedrijven en milieuzonering is geluid de maatgevende factor (richtafstand 50 meter). Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als de gecumuleerde geluidbelasting wegverkeerslawaai en industrielawaai in de woning niet hoger is dan 35 dB(A) etmaalwaarde en 55/50/45 dB(A) voor het maximale geluidniveau in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode voor industrielawaai. De nieuwe woning binnen het plangebied is niet de meest dichtbij gelegen woning de omgeving van het sportpark en is daarmee ook niet de eerst belemmerende woning. De woning aan Schoonstraat 74 is de eerst belemmerende woning. Ervan uitgaande dat deze woning voor het bedrijf het maatgevende toetsingskader vormt voor het Activiteitenbesluit kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. In dit geval wordt derhalve gemotiveerd dat kan worden afgeweken van de richtafstand van 50 meter. Gezien dat het plangebied zich op een grotere afstand bevindt van het sportpark dan de locaties aan de Binnenweg kan gesteld worden dat ook het aspect lichthinder derhalve geen belemmering vormt voor de oprichting van de beoogde Ruimte voor Ruimte woning aan Leliestraat ongenummerd te Heesch.
4.9
Water
4.9.1 Inleiding Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. De watertoets is in het leven geroepen omdat met name het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie heeft gekregen: van reageren naar anticiperen. Water heeft een aantal specifieke kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen waar de ruimtelijke ordening rekening mee moet houden. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van de initiatieven binnen het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijk optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemers en waterbeheerder. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas. In deze paragraaf worden de algemene uitgangspunten voor de waterparagraaf bij een ruimtelijke ontwikkeling toegelicht.
4.9.2 Relevant beleid 4.9.2.1
Waterbeheerplan
Het waterbeheerplan van het waterschap is gericht op het streven naar een duurzame situatie op de lange termijn. Het beheer van de waterketen komt in beeld naast het tegemoet komen aan de wensen vanuit het bestaande grond- en watergebruik. In het waterbeheerplan wordt op hoofdlijnen
CONCEPT VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
33
Bestemmingsplan ‘Leliestraat ong. Heesch’ - Toelichting
aangegeven wat het waterschap de komende jaren gaat doen om het streefbeeld te bereiken, zoals verwoord in de nota Visie op water. De huidige situatie is daarbij het uitgangspunt. Een nadere invulling voor de beleidslijnen voor gebieden is niet opgenomen in het waterbeheerplan. Een gebiedsgerichte uitwerking dient plaats te vinden in nauwe samenwerking met betrokken partijen in een gebied. Afspraken over de door te voeren maatregelen kunnen worden vastgelegd in overeenkomsten. 4.9.2.2
Keur
Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de Keur Waterschap Aa en Maas van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Het plangebied is niet gelegen binnen een keurbeschermingsgebied. Het plangebied grenst ook niet aan een primaire of secundaire waterloop.
4.9.3 Principes waterschap Aa en Maas 4.9.3.1
Principes van het waterschap
Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemers en waterbeheerder. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen de initiatiefnemers hier invulling aan te geven. Waterschap Aa en Maas hanteert onderstaande principes: -
wateroverlastvrij bestemmen;
-
gescheiden houden van vuil en schoon hemelwater;
-
doorlopen van de afwegingsstappen hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer;
-
hydrologisch neutraal ontwikkelen;
-
water als kans;
-
meervoudig ruimtegebruik;
-
voorkomen van vervuiling;
-
waterschapsbelangen;
Deze uitgangspunten worden hierna puntsgewijs toegelicht. 4.9.3.2
Wateroverlastvrij bestemmen
Bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de norm uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). In eerste instantie zal bij de locatiekeuze van een ontwikkeling gezocht moeten worden naar een plek 'die hoog en droog genoeg' is. Mocht dit echter niet mogelijk of wenselijk zijn, dan zal in de compenserende of mitigerende sfeer gezocht moeten worden naar maatregelen die het gewenste beschermingsniveau tegen wateroverlast helpen realiseren. Liever nog dan mitigeren of compenseren, wordt bij voorkeur gebouwd op locaties die als gevolg van hun ligging nu al voldoen aan de NBW-norm voor de toekomstige functie.
CONCEPT VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
34
Bestemmingsplan ‘Leliestraat ong. Heesch’ - Toelichting
4.9.3.3
Gescheiden houden van vuil en schoon hemelwater
Het streefbeeld is het afvoeren van het vuile water via de riolering en het binnen het plangebied verwerken van het schone hemelwater. Afhankelijk van de omstandigheden ter plaatse kan een compromis gesloten worden, waarbij de minimale inzet (in bestaand bebouwd gebied) is om het vuile en het schone water gescheiden aan te bieden op het (reeds aanwezige) gemengde rioolstelsel. Het waterschap gaat echter niet akkoord met de aanleg van nieuwe gemengde rioolstelsels. 4.9.3.4
Doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer
In aansluiting op het landelijke beleid (NW4, WB21) hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij worden de afwegingsstappen ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’ (afgeleid van de trits ‘vasthouden-bergen-afvoeren’) doorlopen. Hergebruik van hemelwater wordt voornamelijk overwogen bij grootschalige voorzieningen als scholen, kantoorgebouwen en dergelijke. Voor particuliere woningen wordt dit, ook gezien de landelijke ervaringen met grijswatersystemen, niet gestimuleerd. Binnen
grondwaterbeschermingsgebieden
kunnen
door
de
grondwaterbeheerder
(provincie)
aanvullende kwalitatieve eisen gesteld worden in de Provinciale Milieu Verordening. Ook kan een vergunning nodig zijn van de grondwaterbeheerder. 4.9.3.5
Hydrologisch neutraal ontwikkelen
Nieuwe ontwikkelingen dienen te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie. Hierbij mag de natuurlijke GHG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand) niet verlaagd worden en mag bijvoorbeeld bij transformatie van landelijk naar bebouwd gebied de oorspronkelijke landelijke afvoer in de normale situatie niet overschreden worden. Het waterpeil sluit aan bij optimale grondwaterstanden en in poldergebieden worden seizoensfluctuaties toegestaan. 4.9.3.6
Water als kans
‘Water’ wordt door stedenbouwkundigen bij inrichtingsvraagstukken vaak benaderd als een probleem (‘er moet ook ruimte voor water gecreëerd worden, en m² zijn duur’). Dat is erg jammer, want het aspect water kan ook een meerwaarde geven aan het plan, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de belevingswaarde van water. Zo is wonen aan het water erg gewild, een mooie waterpartij met bijbehorend groen wordt door vele inwoners gewaardeerd et cetera. 4.9.3.7
Meervoudig ruimtegebruik
‘Er moet ruimte voor water gecreëerd worden, en m² zijn duur’. Maar door bij de inrichting van een plangebied ruimte voor twee of meer doeleinden te gebruiken, is het ‘verlies’ van m² als gevolg van de toegenomen ruimtevraag vanuit water te beperken. Zo is het in bepaalde gevallen mogelijk om het flauwe talud ook te gebruiken als onderhoudsstrook. Flauwe taluds geven veel ruimte voor buffering van water, maar zijn ook te gebruiken voor recreatieve doeleinden (bijvoorbeeld een fietspad dat af en toe niet te gebruiken is). 4.9.3.8
Voorkomen van vervuiling
Bij de inrichting, het bouwen en het beheer van gebieden wordt het milieu belast. Vanuit de wettelijke taak ten aanzien van het waterkwaliteitsbeheer streeft het waterschap ernaar om nieuwe bronnen van verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen. Deze bronaanpak is ook verwoord in het CONCEPT VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
35
Bestemmingsplan ‘Leliestraat ong. Heesch’ - Toelichting
Emissiebeheersplan. Het waterschap besteedt hier reeds aandacht aan in de fase van de watertoets, zodat dit aspect als randvoorwaarde kan worden meegenomen in het verdere ontwerpproces. 4.9.3.9
Waterschapsbelangen
Er zijn 'waterschapsbelangen' met een ruimtelijke component. Dit betreft het volgende: -
ruimteclaims voor waterberging
-
ruimteclaims voor de aanleg van natte EVZ's en beekherstel
-
aanwezigheid en ligging watersysteem
-
aanwezigheid en ligging waterkeringen
-
aanwezigheid en ligging van infrastructuur en ruimteclaims ten behoeve van de afvalwaterketen in beheer van het waterschap.
Indien deze belangen een rol spelen in het ruimtelijke plan dan zou hieraan in de toelichting, de regels en de verbeelding aandacht besteed moeten worden. 4.9.3.10 Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak
toeneemt.
Deze
(beleids)uitgangspunten
zijn
geformuleerd
in
de
‘Beleidsregel
Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², 2.000 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m². Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van één Ruimte voor Ruimte kavel. Een toename van circa 400 m² verhard oppervlak wordt verwacht, bestaande uit hoofdgebouwen, bijgebouwen en erfverhardingen. Op basis van artikel 15 van de ‘Algemene regels Keur 2015’ geldt voor een ontwikkeling met een toename van verhard oppervlakte < 2.000 m² een vrijstelling van het verbod, zoals bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam.
Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 2.000 m². Het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. CONCEPT VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
36
Bestemmingsplan ‘Leliestraat ong. Heesch’ - Toelichting
4.9.4 Gemeentelijk beleid In verband met voorkomende wateroverlast binnen de gemeente Bernheze wordt door de gemeente eveneens een compensatie verlangd voor het bergen van hemelwater bij een nieuw verhard oppervlak beneden de 2.000 m². De bergingsbehoefte wordt daarbij bepaald op basis van 60 mm. per m². Ter plaatse van het plangebied wordt circa 400 m² aan nieuwe verharding beoogd, bestaande uit hoofdgebouw, bijgebouw en erfverharding. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt een bergingsopgave van (400 * 0,06) 24 m³. Zorg gedragen zal dan ook worden voor de berging van 24 m³ oftewel een bergingsopgave van ten minste 60 mm per m² verhard oppervlak. Het bouwplan van de nieuw woning is nog niet bekend, derhalve is nog niet vastgelegd waar de infiltratie voorzieningen worden gerealiseerd. In het bouwplan, bij de aanvraag omgevingsvergunning, wordt dit nader uitgewerkt waarbij deze paragraaf in acht wordt genomen. De noodvoorziening dient op eigen terrein te worden gerealiseerd.
4.9.5 Bodemgebruik en grondwater Het plangebied bestaat uit hoge zwarte enkeerdgronden, bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand (bodemtype zEZ21). De maaiveldhoogte ter plaatse van het plangebied bedraagt circa 8,3 meter boven NAP. Binnen het plangebied vindt geen grondwateronttrekking plaats. De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) ter plaatse bedraagt tussen de 40 en 60 centimeter beneden maaiveld.
4.9.6 Hydrologisch neutraal bouwen Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO) houdt in dat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruikfuncties. Dit geldt zowel voor het plan als het daaromheen gelegen gebied, waar de ingrepen hydrologische invloed kunnen hebben. Concreet betekent dit dat: −
de afvoer uit het gebied niet groter is dan in de referentiesituatie;
−
de omvang van grondwateraanvulling binnen het plangebied gelijk blijft of toeneemt;
−
de grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruikfuncties;
−
de (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied zelf;
−
het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving, niet leiden tot knelpunten (grondwater) binnen het plangebied.
Ter plaatse van het plangebied wordt een vrijstaande Ruimte voor Ruimte woning beoogd, met een nieuw verhard oppervlak van in totaal circa 400 m², bestaande uit een hoofdgebouw, bijgebouwen en erfverharding. Op basis van gemeentelijke voorwaarden wordt voor de nieuwe verharding een compensatie verlangd voor het bergen van hemelwater. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt een bergingsopgave van 24 m³ per kavel. In de nieuwe situatie zal de infiltratie worden bewerkstelligd door het schone hemelwater af te voeren naar een (ondergronds) infiltratie transportriool. Vanuit dit transportriool zal het water in eerste instantie zoveel mogelijk infiltreren in de ondergrond. Op het moment dat de capaciteit van het transportriool volledig is benut, zal deze het CONCEPT VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
37
Bestemmingsplan ‘Leliestraat ong. Heesch’ - Toelichting
water afvoeren in een infiltratievoorziening. De infiltratievoorziening wordt zodanig gedimensioneerd dat er een voldoende dynamische berging bij een extreme regenval zal plaatsvinden. In het grootste deel van het jaar zal het water echter in de infiltratiebuizen in de bodem infiltreren. De infiltratievoorziening
dient
boven
GHG
gerealiseerd
te
worden.
Een
wadi
biedt
goede
infiltratiemogelijkheden. Indien bij de bouw van de woning niet (enkel) gekozen wordt voor een infiltratietransportriool en een wadi, kan in plaats daarvan of daarnaast gebruik worden gemaakt van andere maatregelen. Een mogelijkheid voor infiltreren van hemelwater is het opvangen in infiltratiekratten of grindkoffers. Voorbeelden van manieren van infiltreren zijn weergeven in navolgende figuur.
Figuur 17: Voorbeelden van infiltratiemogelijkheden
De uiteindelijk gekozen wijze van hemelwaterinfiltratie wordt nader uitgewerkt bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, met inachtname van de in deze paragraaf opgenomen voorwaarden voor omgang met hemelwater.
4.9.7 Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt et cetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. In de nieuwe situatie wordt alleen het huishoudelijk afvalwater geloosd op de riolering. Het schoon hemelwater wordt afgekoppeld en wordt overwegend geïnfiltreerd in de bodem. Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.
4.9.8 Huishoudelijk afvalwater Aan de Leliestraat is sprake van een rioleringsstelsel. De beoogde Ruimte voor Ruimte woning wordt middels een nieuwe aansluiting aangesloten op de bestaande riolering. Het bestaande rioolstelsel biedt hiertoe voldoende capaciteit.
CONCEPT VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
38
Bestemmingsplan ‘Leliestraat ong. Heesch’ - Toelichting
5. NATUUR, CULTUURHISTORIE EN ARCHEOLOGIE 5.1 Natuur en ecologie 5.1.1 Inleiding Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming).
5.1.2 Gebiedsbescherming De Wnb voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te wetende Natura 2000-gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Het Natuur Netwerk Brabant is onderdeel van het Natuur Netwerk Nederland. Het is een netwerk van deels bestaande en deels nieuwe natuurgebieden die door ecologische verbindingszones met elkaar verbonden zijn. Hierdoor kunnen dieren zich gemakkelijker verplaatsen tussen verschillende natuurgebieden. Zo wordt de biodiversiteit (het totaal aantal planten en dieren) bevorderd. Het meest dicht bij het plangebied gelegen Natura 2000-gebied betreft Natura 2000-gebied Rijntakken. Dit gebied is gelegen op een afstand van meer dan 13 kilometer ten noorden/noordwesten van het plangebied. Met de ligging van dit gebied op dermate grote afstand van het plangebied, kan worden gesteld dat de beoogde herontwikkeling geen effect kan hebben op dit beschermd gebied. Het plangebied is ook niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland of in de nabijheid daarvan.
5.1.3 Stikstofeffect Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) regelt sinds 2015 de ruimte voor economische ontwikkelingen die gepaard gaan met de uitstoot van stikstof nabij Natura 2000-gebieden. Enerzijds heeft het PAS tot doel het behoud en herstel van de Natura 2000-gebieden. Anderzijds creëert het PAS door de reductie van stikstof ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen, zoals de verbreding van een snelweg, woningbouw of de uitbreiding van een veehouderij. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State einduitspraken gewezen in enkele procedures tegen het Programma Aanpak Stikstof. De Afdeling komt tot de conclusie dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) daaraan stelt. De Afdeling heeft bepaald dat de PAS niet meer gehanteerd kan worden als toetsingskader voor projecten. Het Hof oordeelt dat zeker gesteld moet zijn dat een ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. Met AERIUS Calculator 2019 wordt de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden die het gevolg is van een ontwikkeling berekend.
CONCEPT VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
39
Bestemmingsplan ‘Leliestraat ong. Heesch’ - Toelichting
Met Aerius – Calculator 2019 is de consequentie van de ontwikkeling op Natura 2000 gebieden in beeld gebracht. Binnen een afstand van 12 kilometer tot het plangebied zijn geen Natura 2000 gebieden gelegen. De ontwikkeling leidt (worst-case) tot een toename van autoverkeer van 6 verkeersbewegingen per dag per woning. Realisatie van het plan leidt niet tot een toename van stikstof van meer dan 0,0 mol/ha/jaar. Navolgende figuur geeft een uitsnede uit het rekenprogramma Aerius 2019 waarop het rekenresultaat is aangeduid.
Figuur 18: Uitsnede Aerius calculator 2019
5.1.4 Soortenbescherming 5.1.4.1
Inleiding
In de Wet natuurbescherming geldt een aantal verbodsbepalingen ter bescherming van planten- en diersoorten. Er is sprake van 2 beschermingsniveaus, te weten: Europees beschermde soorten volgens de Habitat- en Vogelrichtlijn en Nationaal beschermde soorten. Voor alle inheemse diersoorten, beschermd of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Voor onbeschermde soorten geldt geen ontheffingsplicht maar alleen de zorgplicht. Naast soorten beschermt de Wet natuurbescherming ook verblijfplaatsen die als ‘vast’ kunnen worden aangemerkt. Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waarnaar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts eenmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Voor beschermde soorten dienen de effecten op populatieniveau te worden getoetst. In tegenstelling tot de voorgaande Flora en faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient de staat van de instandhouding van de gehele populatie in aanmerking te worden genomen. Voor de algemene broedvogelsoorten die mogelijk binnen het plangebied te verwachten zijn geldt dat, daar geen groen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten.
Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien er toch binnen het broedseizoen gewerkt gaat worden dient er voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie plaats te vinden.
CONCEPT VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
40
Bestemmingsplan ‘Leliestraat ong. Heesch’ - Toelichting
Voor de te verwachten algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van werkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van eventueel aanwezige stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. Alle in Nederland voorkomende vleermuizen zijn strikt beschermd. Alle vleermuizen staan vermeld in Tabel 3 bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn.
Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ”het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort”. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vlieg- en foerageerroutes) beschermd zijn. 5.1.4.2
Toets plangebied
Het plangebied aan de Leliestraat bestaat uit grasland en wordt begraasd door paarden. Uitgesloten kan dan ook worden dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van beschermde flora- en faunasoorten. Met de beoogde herontwikkeling gaan geen landschapselementen verloren, waarmee dan ook geen (vaste) verblijfplaatsen van beschermde diersoorten verloren zullen gaan. Het plangebied zal verder landschappelijk worden ingepast, wat ten goede komt aan de flora- en faunawaarden.
5.2
Cultuurhistorie
Het plangebied is gelegen binnen de regio Peelrand. De Peelrand bestaat uit een ring van middeleeuwse dorpen op enige afstand van het voormalige veengebied van De Peel. Deze oude dorpen worden gekenmerkt door akkercomplexen, schaarse groenlanden en voormalige heidevelden. De heidevelden zijn in de negentiende en twintigste eeuw ontgonnen en grotendeels omgezet in landbouwgrond, waardoor er een waardevol mozaïek is ontstaan van oude en jonge ontginningen. Enkele
kastelen,
diverse
kloosters
en
de
Peel-Raamstelling
verlenen
het
gebied
extra
cultuurhistorische betekenis. De occupatie binnen de gemeente Bernheze is ontstaan op de rand van de beekdalen en de hoger gelegen zandgronden. In de periode tussen de 15e en 18e eeuw werden ten behoeve van de landbouw, woeste gronden ontgonnen grenzend aan de beekdalen. Vanaf het midden van de 19e eeuw heeft grootschalige heideontginning tot forse uitbreiding van de landbouwgronden geleid. Voor de ontwikkeling van de nederzettingen binnen de gemeente Bernheze is met name de ligging aan belangrijke doorgaande routes tussen grotere plaatsen in de omgeving van belang. De oorspronkelijke CONCEPT VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
41
Bestemmingsplan ‘Leliestraat ong. Heesch’ - Toelichting
dorpslinten die aan deze routes zijn ontstaan zijn waardevol als historische structuur. Daarnaast liggen in het buitengebied ook enkele bebouwingsconcentraties die cultuurhistorisch van belang zijn. Binnen de gemeente Bernheze is de kern Heesch de hoofdkern en tevens de grootste kern. Heesch is gelegen op de overgang van de Peelhorst in het oosten, de jonge ontginningen in het zuiden en het dekzandlandschap in het noorden. Cultuurhistorisch waardevolle elementen in de kern zijn met name de oude dorpslinten. Rondom de kern liggen daarnaast ook nog enkele historische groenstructuren. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart. Het plangebied als ook de Leliestraat is daarop niet nader aangeduid.
Figuur 19: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (plangebied aangeduid met een zwarte cirkel)
Navolgende figuur betreft een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Bernheze.
Figuur 20: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Bernheze
CONCEPT VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
42
Bestemmingsplan ‘Leliestraat ong. Heesch’ - Toelichting
Het plangebied aan de Leliestraat is gesitueerd aan een oude akker. De ontwikkeling tast de waarde van deze akker niet aan. De woning wordt direct aansluitend aan de dorpsrand gesitueerd en ten zuiden van het plangebied blijven voldoende zichtlijnen over de akker behouden. In de directe omgeving van het plangebied is geen cultuurhistorische bebouwing gelegen.
5.3
Archeologie
Sinds 2007 kent Nederland de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, gewijzigde Monumentenwet 1988). De bepalingen van deze wet zijn per 1 juli 2016 (gedeeltelijk) overgegaan in de erfgoedwet. Op basis van deze wetten zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Voorkomen moet worden dat archeologische waarden verloren gaan. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij realisatie van bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard. De gemeente Bernheze heeft ervoor gekozen om in het kader van de Wet op de archeologische monumentenzorg en de nieuwe Wet ruimtelijke ordening een eigen gemeentelijk archeologiebeleid te formuleren. Dit archeologiebeleid is op 3 februari 2011 door de gemeenteraad vastgesteld en bestaat uit de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Bernheze’ en de ‘Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart Gemeente Bernheze’. Op basis van deze documenten is de gemeente Bernheze in staat om op verantwoorde wijze een archeologiebeleid te implementeren.
Met dit beleid wordt een juiste balans gevonden tussen een goede omgang met het archeologisch erfgoed en andere maatschappelijke belangen die bij planontwikkelingen moeten worden gewogen. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de ‘Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart Gemeente Bernheze’ waarop het plangebied is aangeduid middels een zwarte cirkel.
Figuur 21: Uitsnede van de ‘Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart Gemeente Bernheze
CONCEPT VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
43
Bestemmingsplan ‘Leliestraat ong. Heesch’ - Toelichting
Het plangebied is aangeduid als gelegen in een gebied met een middelhoge archeologische verwachting, categorie 5. Ter plaatse geldt een onderzoeksplicht naar eventueel aanwezige archeologische waarden bij een verstoringsdiepte van dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld over een oppervlakte van meer dan 2.500 m². Indien deze ondergrens niet wordt overschreden, wordt archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Aan het plangebied zijn in het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemmingen ‘Waarde Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’ toegekend. Aan de Leliestraat wordt één vrijstaande Ruimte voor Ruimte woning beoogd. De verstoringgrens zal daarmee niet worden overschreden. Een archeologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Middels onderhavig bestemmingsplan is de dubbelbestemmingen overgenomen op de verbeelding en in de regels. Mochten er tijdens de werkzaamheden binnen het plangebied toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan geldt conform artikel 5.4 Meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van de Erfgoedwet, een meldingsplicht bij het bevoegd gezag, de gemeente Bernheze.
5.4
M.e.r.- beoordeling
5.4.1 Inleiding De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof en het daarop aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). In het Besluit m.e.r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is.
In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient te beschouwen in de beslissing. Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling.
CONCEPT VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
44
Bestemmingsplan ‘Leliestraat ong. Heesch’ - Toelichting
5.4.2 Toets initiatief De beoogde ontwikkeling ziet toe op de ontwikkeling van één Ruimte voor Ruimte woning binnen het plangebied. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft (ABRS 12 juni 2019, no. 201807060/1/R1) overwogen “dat het antwoord op de vraag of sprake is van een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.” Daarbij heeft de Afdeling afgewogen dat “hetgeen in het plan is voorzien, gelet op de aard en de omvang, niet [kan] worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Weliswaar verandert het gebruik van het perceel door onder andere de realisatie van twee eengezinswoningen, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het plan voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage.
Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte bebouwing op het perceel.” De Afdeling heeft uiteindelijk geoordeeld “dat nu de voorziene ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt, geen reguliere of vormvrije m.e.r.-beoordeling behoefde te worden uitgevoerd.” Bovenstaande leidt ertoe dat de beoogde ontwikkeling niet valt aan te merken als ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen dan wel de realisatie van een bedrijfsvloeroppervlakte met een omvang van meer dan 200.000 m²’. Omdat de beoogde ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling is, als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage, is het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk.
CONCEPT VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
45
Bestemmingsplan ‘Leliestraat ong. Heesch’ - Toelichting
6. JURIDISCHE VORMGEVING 6.1 Inleiding Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.
6.2 De
Toelichting op de analoge verbeelding verbeelding
heeft
een
belangrijke
rol
bij
het
bepalen
van
de
gebruiks-
en
bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. Daartoe zijn op de verbeelding onder meer bestemmingsvlakken, functie-aanduidingen en bouwvlakken opgenomen. De analoge verbeelding bestaat uit één kaartblad, getekend op een digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. De bestemming ‘Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/ of abiotische waarden’
is aangegeven, evenals de dubbelbestemmingen ‘Waarde Archeologie 2’
‘Waarde – Archeologie 3’. Op de verbeelding is een plangrens en een bouwvlak opgenomen, de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – ruimte voor ruimte’ en de gebiedsaanduiding ‘wetgevingzone – woonwerkontwikkelingsgebied’.
6.3
Algemene toelichting op de regels
De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt: -
Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen);
-
De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingen);
-
Algemene regels (Hoofdstuk 3 Aanvullende regels);
-
Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels).
Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd: -
Bestemmingsomschrijving;
-
Bouwregels;
-
Nadere eisen;
-
Specifieke gebruiksregels;
-
Afwijking van de gebruiksregels;
-
Omgevingsvergunning voor het aanleggen.
De specifieke afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden zijn zoveel mogelijk per bestemming opgenomen. Hierdoor wordt direct per bestemming inzicht geboden in de eventuele afwijkingsmogelijkheden en de toegankelijkheid van het bestemmingsplan bevorderd. CONCEPT VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
46
Bestemmingsplan ‘Leliestraat ong. Heesch’ - Toelichting
6.4
Toelichting op de bestemmingen
6.4.1 Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/ of abiotische waarden De voor ‘Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/ of abiotische waarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor een burgerwoning ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – ruimte voor ruimte’, agrarisch grondgebruik, water en waterhuishoudkundige doeleinden, groenvoorzieningen, behoud van landschapselementen, extensieve dagrecreatie en doeleinden van openbaar nut alsmede het behoud, bescherming en/of herstel van de aanwezige landschappelijke en ecologische waarden. Ter plaatse wordt één Ruimte voor Ruimte woning toegestaan met een inhoud van maximaal 1.000 m³ en 100 m² aan bijgebouwen.
6.4.2 Waarde – Archeologie 2 De voor ‘Waarde – Archeologie 2’ aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden van archeologische waarde en gronden met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m² en dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld, dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van de vergunningverlener in voldoende mate zijn vastgesteld, waarbij advies wordt ingewonnen van een senior-archeoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek. Indien uit het rapport blijkt dat ter plaatse archeologische waarden zullen of kunnen worden verstoord, kunnen door de vergunningverlener voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen.
6.4.3 Waarde – Archeologie 3 De voor ‘Waarde – Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden van archeologische waarde en gronden met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld, dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van de vergunningverlener in voldoende mate zijn vastgesteld, waarbij advies wordt ingewonnen van een senior-archeoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek. Indien uit het rapport blijkt dat ter plaatse archeologische waarden zullen of kunnen worden verstoord, kunnen door de vergunningverlener voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen.
CONCEPT VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
47
Bestemmingsplan ‘Leliestraat ong. Heesch’ - Toelichting
7. UITVOERBAARHEID 7.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel dat mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemers van het plan. Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Bernheze zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. Er wordt een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Tevens zal een planschadeverhaalsovereenkomst worden gesloten met de initiatiefnemer. In deze overeenkomst zijn onder andere de verplichtingen van de initiatiefnemers met betrekking tot het planschadeverhaal opgenomen. De initiatiefnemer is zich ervan bewust dat alle kosten die gemaakt worden in of ten behoeve van de procedure en de uitvoering voor rekening van de initiatiefnemers komen.
Dit betreft onder meer de kosten voor de benodigde onderzoeken, de kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan, de legeskosten die voldaan dienen te worden en eventuele planschade die door uitvoering van het bestemmingsplan optreedt.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het bestemmingsplan zal conform de wettelijke vereisten kenbaar worden gemaakt. Naar aanleiding van zienswijzen op het bestemmingsplan zal een heroverweging op deze onderdelen plaatsvinden en kan besloten worden dit bestemmingsplan op een aantal punten gewijzigd vast te stellen.
CONCEPT VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
48
Bestemmingsplan ‘Leliestraat ong. Heesch’ - Toelichting
8. OVERLEG INSPRAAK ZIENSWIJZEN EN PROCEDURE 8.1 Inspraak In de Gemeentewet is bepaald dat de gemeenteraad een inspraakverordening dient vast te stellen waarin geregeld wordt op welke wijze ingezetenen en andere belanghebbenden bij de voorbereiding van een bestemmingsplan worden betrokken. In de inspraakverordening is aangegeven dat inspraak wordt verleend wanneer dit wettelijk verplicht is. Daarnaast kan elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden besluiten of inspraak wordt verleend.
8.2
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft zes weken, van 6 februari 2020 tot en met 18 maart 2020 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft iedereen een zienswijze kunnen indienen. Door de provincie Noord-Brabant is in een zienswijze ingediend. In de Nota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen, behorende als bijlage bij deze toelichting, is de ingekomen zienswijzen gebundeld, samengevat en beantwoord.
8.3
Procedure
De bestemmingsplanprocedure conform de Wro wordt beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de Wro zijn hierop nog enkele wijzigingen beschreven. Samengevat is de bestemmingsplanprocedure als volgt: -
het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende 6 weken ter inzage;
-
gedurende deze periode kan een ieder schriftelijke of mondelinge zienswijzen naar voren brengen aan de gemeenteraad;
-
binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan vast;
-
de vaststelling van het bestemmingsplan dient binnen twee weken na de vaststelling bekend gemaakt te worden behoudens de hieronder genoemde uitzonderingen; -
Gedeputeerde Staten of de Inspecteur van VROM hebben een zienswijze ingediend en deze zienswijze is niet of niet volledige door de gemeenteraad meegenomen in het vastgestelde bestemmingsplan.
-
De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan - met uitzondering van het overnemen van de zienswijzen van Gedeputeerde Staten of de inspecteur van VROM wijzigingen aangebracht.
Is één van bovenstaande twee gevallen aan de orde, dan mag het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan
pas
bekend
worden
gemaakt
nadat
zes
weken
zijn
verstreken.
Het
bestemmingsplan wordt dan voor zes weken ter inzage gelegd waartegen beroep kan worden ingesteld.
CONCEPT VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
49
Bestemmingsplan ‘Leliestraat ong. Heesch’ - Toelichting
Wanneer er geen beroep wordt ingesteld, dan treedt het bestemmingsplan in werking en wordt het bestemmingsplan onherroepelijk. Wanneer
een
beroep
aanhangig is
gemaakt treedt het
bestemmingsplan in werking maar wordt (vooralsnog) niet onherroepelijk. Bij het instellen van een voorlopige voorziening kan het bestemmingsplan worden geschorst en treedt dan niet in werking.
CONCEPT VASTGESTELD
Crijns Rentmeesters bv
50