Vast te stellen bestemmingsplan 'Achterstraat 3, Heesch' - Bijlage 6 bij de toelichting Ecologisch onderzoek
Tekst van het document
Ecologisch onderzoek aan de Achterstraat 3 te Heesch Dhr. P.H.M. Verstegen
Opdrachtgever:
Opsteller: Datum: Kenmerk:
dhr. P.H.M. Verstegen Achterstraat 3 5384 VB Heesch
Ecologisch adviesbureau Eceau Ing. T.J.P. den Otter 8 mei 2020 TRA-1QS200306
Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van de Wet natuurbescherming. Desondanks accepteert Ecologisch adviesbureau Eceau op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke ondernemingen die de opdrachtgever naar aanleiding van onderhavige notitie uitvoert. Onderhavige notitie of delen daarvan mogen niet zonder toestemming van zowel de opdrachtgever en Ecologisch adviesbureau Eceau gebruikt worden door derden of verspreid worden naar derden. Openbaarmaking, kopiëring en elke andere toepassing inbegrepen, het mag enkel gebruikt worden door de opdrachtgever voor wie het is ontwikkeld.
1. Inleiding en planlocatie Aan de Achterstraat 3 te Heesch is de initiatiefnemer voornemens een tweede woning te realiseren en de huidige woning en bijgebouw te saneren ten behoeve van een nieuwe woning. De onderzoeklocatie betreft een woning en bijgebouw met siertuin en diverse weides. In figuur 1 is de ligging van de locatie weergegeven. De woning is opgetrokken uit gemetselde muren met spouwruimte en een pannendak. Het bijgebouw bestaat uit steense muren met een golfplaten dak, waarbij dakbeschot en een spouw ontbreken. De overige terreininrichting bestaat uit siertuin, verharding en weide. De noordwestelijke hoek en de zuidelijke helft van het terrein bestaat uit weide. De directe omgeving wordt in noordelijke en noordoostelijke richting met name gekenmerkt door stedelijk gebied met bedrijventerreinen, woonwijken en infrastructuur. Ten zuiden en westen van de locatie zijn voornamelijk intensief beheerde agrarische percelen aanwezig en diverse kleinschalige boerderijen, vrijstaande woningen, houtopstanden, bomenlanen en landwegen. Op ca. 0,5km ten noorden van het plangebied is de autosnelweg de A50 gesitueerd.
Figuur 1
Schematische weergave van de huidige situatie, de rode markering weergeeft de planlocatie (kaart: openbasiskaart.nl)
2. Doel en vraagstelling Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling kunnen alle eventueel aanwezige ecologische functies vernietigd of ernstig verstoord worden, tevens zal er sprake zijn van (tijdelijke) verstoring van de directe omgeving. Flora en fauna die gebruik maken van het leefgebied op of nabij de planlocatie zullen negatieve effecten ervaren. In het kader van de beoogde ontwikkeling zullen middels het onderzoek onderstaande vragen beantwoord worden: Welke beschermde flora en fauna van de Wet natuurbescherming zijn (potentieel) aanwezig binnen de grenzen van het ontwikkelgebied? Is de voorgenomen ontwikkeling op basis van de gevonden resultaten in strijd met de Wet natuurbescherming en welke effecten worden verwacht? Dienen eventuele vervolgstappen genomen te worden alvorens de aanvang van de uitvoering om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen?
1
3. Methode Middels voorliggend onderzoek is de potentie voor beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Daarnaast is onderzocht of de beoogde ontwikkeling potentieel een negatief effect heeft op houtopstanden en nabijgelegen beschermde gebieden. Het onderzoek is op te delen in enkele stappen: oriëntatie locatiebezoek bureau-onderzoek rapportage
3.1.
Oriëntatie en locatiebezoek
Bij de oriëntatie van het onderzoek wordt een eerste indruk verkregen van de locatie middels spreidingsdata van soorten, luchtfoto’s, kaarten en aangeleverde data vanuit de opdrachtgever. Gedurende het locatiebezoek wordt het ontwikkelgebied op potentiële verblijfslocaties en functionele onderdelen van leefgebieden gecontroleerd. Tevens wordt een momentopname gedaan van de thans aanwezige beschermde soorten, functies en locatiekenmerken. Buiten de individuen om wordt voornamelijk gelet op sporen of restanten van de flora en fauna. Voorbeelden hiervan zijn veren, braakballen, prooiresten, geursporen, holen en uitwerpselen. Het locatiebezoek is uitgevoerd op 27 april 2020 bij een temperatuur van 17℃, geen bewolking, 1-2 bft en zonder neerslag.
3.2.
Bureau-onderzoek en rapportage
Nadat de locatie bezocht is wordt door middel van het raadplegen van naslagwerken, informatiebronnen, kaartdatabases en andere (externe) hulpmiddelen een beoordeling gemaakt van de potentie van het plangebied voor beschermde soorten, nabijgelegen gebieden en overige beschermde onderdelen vanuit de Wet natuurbescherming. Bij het uitwerken van de rapportage worden de vergaarde data bij de oriëntatie, de aangetroffen zaken tijdens het veldbezoek en de informatie uit het bureau-onderzoek vervolgens samen getoetst. Daaruit volgend wordt duidelijk of bij de uitvoering van de werkzaamheden sprake is van overtreding van de Wet natuurbescherming, indien er geen vervolgstappen worden genomen. Op basis van deze toetsing worden aanbevelingen gedaan voor een eventueel vervolgtraject, maatregelen ter voorkoming van overtreding of een combinatie van beide.
4. Bevindingen In onderhavige paragrafen wordt besproken welke beschermde soorten in de omgeving van de onderzoeklocatie voorkomen en wordt er dieper ingegaan op het leefgebied en belangrijke en functionele onderdelen daarvan. De daadwerkelijk aangetroffen habitatonderdelen worden vergeleken met bovenstaande om te bepalen of er sprake is van (negatieve) effecten. Aan de hand van de te verwachten effecten wordt bekeken of er vervolgstappen benodigd zijn ten behoeve van de betreffende soort(en).
4.1.
Algemeen
De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op een particulier perceel binnen in het buitengebied van het dorp Heesch. De tuin, struiken en hagen worden regelmatig onderhouden, de weides worden periodiek begraasd en het overige terrein is verhard. Gelet op het gebruik van de locatie, de afwezigheid van oppervlaktewater, de onderhoudsintensiteit en de mate van begrazing kunnen effecten op de soortgroepen vaatplanten, vlinders, libellen, overige ongewervelde, amfibieën, reptielen en vissen worden uitgesloten. Binnen de soortgroepen zoogdieren en vogels dienen enkel de vleermuizen, marterachtigen, huismus en gierzwaluw nader besproken te worden. Behoudens
2
algemene vogels en overige vrijgestelde soorten komen beschermde soorten voornamelijk voor in natuurlijkere omstandigheden; nabij water, in bosgebieden en/of andere habitattypen die niet aanwezig zijn op onderhouden particuliere percelen in agrarisch gebied.
4.2.
Specifieke soorten
In Nederland komen diverse vleermuissoorten voor die voor een aantal type verblijfslocaties gebruik maken van bebouwing. Dit betreft onder andere enkele relatief veelvoorkomende soorten zoals de laatvlieger en gewone dwergvleermuis. Andere soorten die verblijven in bebouwing, maar in mindere mate voorkomen zijn de gewone grootoorvleermuis en tweekleurige vleermuis. De tweekleurige vleermuis komt echter alleen in hoge bebouwing voor. De aanwezigheid van verblijven van vleermuissoorten die gebruik maken van bomen kan uitgesloten worden aangezien er geen geschikte bomen aanwezig zijn binnen de invloedssfeer van de ontwikkeling. Bovendien worden er geen werkzaamheden verricht aan bomen. Voor vleermuisverblijven in bebouwing is het van belang dat eventuele holle ruimtes, zoals de spouw of de ruimte tussen het dakbeschot en de pannen, toegankelijk zijn. Voorbeelden van dergelijke openingen zijn open stootvoegen, opstaande loodslabben, kapotte dakpannen en uitstekende kanten nokpannen. Voor de huismus, gierzwaluw en andere gebouwbewonende soorten zoals de steenmarter is dit tevens essentieel voor de vestiging. Van de woning zijn de kant- en nokpannen afgedicht met cement en/of specie en zijn de onderste laag dakpannen afgedicht met houten planken, dit is tevens het geval bij de ruimte tussen de goten en gevels.
Verder zijn er geen open stootvoegen op hoogte aangetroffen of andere openingen bij de gevels, daken of schoorstenen, zie figuur 2. Het is derhalve uitgesloten dat vleermuizen, gierzwaluwen, huismussen en steenmarter gebruik maken van de woning als vaste rust- en/of verblijflocatie.
Figuur 2
Detailfoto’s dak en gevels
Het bijgebouw bestaat uit muren zonder spouw en een golfplaten dak zonder dakbeschot. De ruimte tussen de gevel en het dak is opgevuld met pur en glaswol, hiervan is tevens sprake bij de nokpannen. De gehele zolderruimte was goed toegankelijk en in zijn geheel te inspecteren. Er zijn
3
geen nesten of restanten daarvan, uitwerpselen, braakballen of veren aangetroffen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen kan worden uitgesloten. Op het gehele terrein zijn geen sporen van marterachtigen aangetroffen. Prooiresten, loopsporen, wissels, uitwerpselen en geursporen ontbraken. Daarnaast zijn geen konijnenholen aangetroffen binnen de invloedssfeer van de ontwikkeling. De aanwezigheid van verblijfslocaties kunnen voor marterachtigen worden uitgesloten. Tevens wordt in de handreiking voor kleine marterachtigen van de provincie Noord-Brabant gesteld: “…Terreinen die te weinig dekking bieden als weiden, akkers, wegen etc. zijn ongeschikt…”. De locatie bestaat voornamelijk uit begraasde weide en verhard terrein. Het perceel is voornamelijk open, enkel in de noordoostelijke hoek staan bomen op het terrein. Aantasting van functioneel leefgebied van de marterachtigen bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel wordt niet verwacht. Bovendien wordt slechts een zeer beperkte oppervlakte ongeschikt, in vergelijking met de territoriagrootte van de genoemde soorten. Gelet op de overige inrichting van het terrein en de ruimtelijke ingreep worden geen effecten verwacht op andere essentiële onderdelen van het leefgebied van zowel vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen. Significante effecten op de functionele leefomgeving van deze soorten kunnen worden uitgesloten.
Bovendien zal de toekomstige inrichting in een vergelijkbare situatie verkeren als de huidige situatie, enkel de noordelijk gelegen weide wordt gewijzigd naar een woning met siertuin. Het is echter niet uitgesloten dat vleermuizen opportunistisch op de planlocatie foerageren of deze passeren. Om effecten op dergelijke individuen uit te sluiten dient hier rekening mee te worden gehouden aangaande de werkzaamheden.
4.3.
Overige soorten
Alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op Europees grondgebied zijn beschermd middels de Vogelrichtlijn. Hierin is opgenomen dat het verboden is opzettelijk individuen te doden of te vangen, hun nesten of eieren vernielen, beschadigen of weg te nemen en om de vogels dermate (opzettelijk) te verstoren dat een broedsel mislukt, dit laatste is voornamelijk van toepassing binnen de broedperiode (medio maart t/m medio augustus) en geldt ook voor soorten zoals de turkse tortel, roodborst en koolmees. In het kader van de Algemene Zorgplicht en de verbodsbepalingen van de Vogelrichtlijn binnen het broedseizoen wordt geadviseerd de werkzaamheden buiten deze periode aan te vangen óf alvorens de broedperiode de planlocatie ongeschikt te maken als nestlocatie. Indien de werkzaamheden aanvangen binnen het broedseizoen dient de locatie door een deskundige onderzocht te worden op de aanwezigheid van nestlocaties en eventuele adviezen van de deskundige opgevolgd te worden. De grondgebonden diersoorten die verwacht worden in de directe omgeving van het plangebied zijn vrijgesteld middels de vrijstellingsverordening van de provincie Noord-Brabant, in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Onder andere de volgende soorten vallen onder deze vrijstelling: bruine kikker, gewone pad, huismuis en bruine rat.
4.4.
Houtopstanden en gebiedsbescherming
De beoogde ontwikkeling heeft geen betrekking of invloed op houtopstanden. Tevens is de ingreep dermate beperkt en op meer dan 10,0km afstand gelegen dat een effect op dichtstbijzijnde kwetsbare Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland per definitie uitgesloten is.
4
5. Conclusies Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling aan de Achterstraat 3 te Heesch is een ecologische onderzoek uitgevoerd. De sanering van de huidige bebouwing en inrichting ten behoeve van nieuwe bebouwing leiden, behoudens algemene broedvogels, niet tot aantasting van functionele leefomgevingen, vaste rust- en/of verblijflocaties, natuurgebieden of andere krachtens de Wet natuurbescherming beschermde zaken. Vleermuizen passeren aannemelijk de locatie en foerageren er opportunistisch. Mogelijk worden aanwezige individuen door (foutief toegepaste) bouwverlichting verstoord Ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en/of leefgebieden zijn geen verdere maatregelen of vervolgstappen benodigd Ten aanzien van algemene vogels kunnen broedsels en nesten verstoord worden gedurende het broedseizoen Voor vlinders, libellen, ongewervelde, grondgebonden zoogdieren, reptielen en vissen met een beschermde status krachtens de Wet natuurbescherming is geen geschikt leefgebied aanwezig Standplaatsen en geschikte omstandigheden ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn niet aanwezig Houtopstanden op particuliere percelen vallen niet onder bescherming van de Wet natuurbescherming, bovendien zijn geen ingrepen voorgenomen op de aanwezige bomen Gelet op de afstand tot beschermde gebieden en de aard van de werkzaamheden worden geen (negatieve) effecten verwacht Ten aanzien
van vrijgestelde soorten is enkel de Algemene Zorgplicht van toepassing
6. Vervolgstappen Er zijn geen aanleidingen aangetroffen die het noodzakelijk maken dat vervolgstappen of aanvullend onderzoek uitgevoerd moet worden. Voor een aantal soorten is het voldoende als er tijdens de uitvoering rekening wordt gehouden met de eventuele aanwezigheid.
6.1.
Nader onderzoek
Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek is geen aanvullend onderzoek benodigd
6.2.
Maatregelen bij de uitvoering
Voor vleermuizen dient rekening gehouden te worden met mogelijk foeragerende of passerende individuen middels het juist toepassen van bouwverlichting óf door te werken buiten de schemerende en donkere dagdelen. Beide zijn enkel van toepassing in de periode februari t/m november. Voorbeelden van juiste verlichting: amber-/roodkleurige verlichting, beperkte hoogte en verlichting naar beneden gericht en convergeren In verband met de potentie voor algemene vogelsoorten zoals de turkse tortel en kleinere zangvogels; werken buiten het broedseizoen, buiten medio maart t/m medio augustus. Indien de werkzaamheden opgestart en uitgevoerd worden binnen het broedseizoen dient de locatie ongeschikt gemaakt te worden alvorens de aanvang van het broedseizoen. Indien nodig kan ook binnen het broedseizoen gewerkt worden door de planlocatie te laten controleren op de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten In het kader van de Algemene Zorgplicht dient voorzichtig gehandeld te worden met alle aanwezige flora en fauna
5
Bronnen BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Juli 2017, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Juli 2017, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Juli 2017, Utrecht. Websites, geraadpleegd 2020: natura2000.eea.europa.eu pas.natura2000.nl kaartbank.brabant.nl wetten.overheid.nl www.floravannederland.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.rvo.nl www.sovon.nl www.telmee.nl www.vleermuis.net www.vogelbescherming.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl
6
Bijlage 1
Foto’s planlocatie
Het projectgebied betreft een woning en een bijgebouw aan de Achterstraat 3 te Heesch
Het zuidelijke deel van het terrein bestaat voornamelijk uit weid, hier zijn geen werkzaamheden voorzien
7
De zolder van het bijgebouw is deels afgedicht met glaswol
Op de noordelijke weide wordt een tweede woning gerealiseerd
8