CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Uitspraak rechtbank d.d. 24 oktober 2024

Commissie Ruimte en Leefbaarheid 7 oktober 2025, gemeente BernhezeBij agendapunt: Afgeven verklaring van geen bedenkingen Langenbergsestraat 7-9, Heeswijk-Dinther3.700 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

I

GEMEENTE T]ERNHEZE

INCIKOMIIN

de Rechtspraak Rechtbank Oost- Bra bant

2 5

0(ï

202\

zaak nr

oc. nr

g4.r..rrrr:xr:lr:r I l p[R pos'r' l I r:uAnhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bernheze BESTUURSRECHT

Postbus I9 5384 ZO Heesch bezoekadres Leeghwaterlaan 5223 BA's-Hertogenbosch

I

coíespondentreadres datum onderdeel contactpersoon

dooíkiesnummeí ons kenmerk uw kenme*

24 oklober 2024

Afdeling Il Zitting mevr M. Hoogers 088-36 t I 8ll zaaknummer SHE 2l / ll6;l WABOA V4l I 34379

bIlage(n) onderwerp

het bcroep van [..4.A. Heiiden te Heesw ij k-Dinther

Postbus 90125 5200 MA's-Hertogenbosch t 088-3621000 wu/w rechtspraak nl

Bij beantwoording de datum en ons kenmerk vermelden Wilt u slechts één zaak in uw brief behandelen

(ieaclrle heer/rrrevrourrC)ver het beroep met zaaknummer SHE 23 / I 16.1 WABOA V{ l l deel ik u het volgende rnee

De rechtbank heeft uitspraak gedaan. lk stuur u een kopie van de uitspraak. lndien in deze uitspraak *ordt veruezen naar een uitspraak met een ECL|-nummer. is de leksl van de betretÈnde uilspraak ondcr dat nummer gepubliceerd op wrvw.rechtspraak. n l. -Í'egen

deze uitspraak staat voor een belanghebbende en hel bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te rvorden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschriÍi en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Atdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019.2500 EA Den Haag. In urv beroepschrifi rnoet u vermelden waarom u het niet eens bent met de uitspraak. U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bii de AÍdeling besluursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op rrryu.r.r.r,lr.u)\r.rlc.rrl voor meer inÍormatie over het

indienen van digitaal beroep.

Als u naar aanleiding van dezc briefvragen hebt. kunt u contact opr'rcrnen met dc administratie van de rechtbank op het hierboven vermelde doorkiesnummer

Als u clc rcchtbank belt ol'schri.jft. verzoek ik u het zaaknunrmcr tc vcrmclden lloogachtcnci.

de griÍlicr

aË022

/l

I

Uw plrsoonsg.g.v.ns Gn rndl.n van lo€passmg dle van uw clÉnl woÍden. vooí zoveÍ nod'g. vooíèén go.dÈ pÍoc.svoeíng vèíw!Ítl n do rcgrslral163yslem6n van de Réchispraek

uitspraak RECHTBANK OOST.BRABANT Ziningsplaats's-Hertogenbosclr Bestuursrecht zaaknummer: SHE 23ll 164

uitspraak van de meervoudige kamer van 2rl oktober 2024 in de zaak lussen

L,A.A. r'an der Heijden, uit l{eesrr ijk-Dinther. eiser gemachtigde: mr. R.A.M. Verkoijen).

(

cn

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bernheze (hct college) gemachtigde: mr. [.. TLrna- Hasanagic ).

(

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant (hierna in enlelr oud ueergegeven als: GS). (gernachtigden: mr. P. van [-iempt en ing. W. Moonen).

Procesr erloop

L In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een omgevingsvergunning voor de wijziging van zijn bestaande geitenhouderij. l.l.

Het college van burgemeester en \aethouders heeft deze aanvraag met het besluit

van 7 maart 2024 afgewezen (het bestreden besluit).

1.2.

De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser. de gemachtigde van eiser. vergezeld door ing. H.W.M. Cruijsen. adviseur van eiser, de gemachtigde van het college en de gemachtigden

van CS.

Beoordeling door de rechtban k

2.

De rechtbank beoordeelt de afu ijzing van de aanvraag van eiser voor de wrlziging van zijn bestaande geitenhouderij. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

J.

Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

zaalnurnnrcr: SllE ll/ I 161

-)

Overgungsr«ht Omgevingswet en h'efitlijk k det

3.

tlet bestreden besluit is gebaseerd op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Deze uet is vervallen met de inwerkingtreding van de Omgevingslvet op I januari 2024. Op grond van anikel 4.3 van de lnvoeringswet Omgevingswet blijft het oude recht van toepassing op een besluit op een aanvraag die voor de in» erkingtreding van de Omgevingswet is ingediend. Eiser heefl de aanvraag vtiór I januari 2024 ingediend. zodat het oude recht op de aanvraag van toepassing blUft. Het oude recht om!'at naast de Wabo onder andere ook de Wet ruimtelijke ordening en de

lnterim omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: IOV).

4.

De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. I n ltiling

5. Fliser heeft een aanvraag ingediend voor een omgev ingsvergunn ing voor het perceel aan de Langenbergsestraat 7-9 in tleesu ij k-Dinther (het perceel). De aanvraag heefr betrekking op het bouuen van een geitenstal met 800 dierplaatsen voor melkgeiten. Met de bouu van de extra geitenstal nord( niet beoogd om e\tra geiten te houden. De e\tra stal heeft tot doel om het leefoppen lak van de geiten te vergroten. 6.

Het college staat achter het plan van eiser. Het college heeft op 4juni 2020 een verzoek om een verklaring van geen bezwaar (hierna: vvgb) ingediend brj CS. GS heeft deze aanvraag beoordeeld op grond van aÍikel 2.71, vierde lid. van de ÍOV. De vvgb is door CS geweigerd. Hierna is op 22 april 2022 door het college een nieuw verzoek ingediend. Ook naar aanleiding van dit verzoek heefi GS geweigerd de l.vgb te verlenen. Dat heeft CS gedaan met het besluit van 22 nolember 2022. Omdat de vvgb door GS is gerveigerd. heeft het college op grond van artikel 2.20a van de Wabo de aanvraag voor de omgevingsvergunning geweigerd.

Bentepsgnmlcn

7. Eiser betoogt dat CS de vlgb niet had mogen ueigeren. De aanvraag voldoet namelijk aan aíikel 2.71. vierde lid. r'an de IOV en aan de looruaarden zoals die onder a en b van dat artikel zijn opgenomen. Eiser voert aan dat aanvullende rooruaarden op de tekst van anikel 2.71. vierde lid. van de IOV of de'Gedragslijn moratorium geitenhouderij en Verordening ruimte' niet mogen uorden gesteld. Dat betekent volgens eiser dat het gezondheidsbelang en of sprake is van een uitzonderlijk belang geen rol kunnen spelen in de afweging die CS moet maken. Verder voert eiser aan dat als deze aspecten wel een rol mogen spelen. GS onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de maatregelen die eiser treft om de emissie van frrjnstofen ammoniak te verminderen. Tot slot voert eiser aan dat het algehele verbod om de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor geiten toe te laten nemen. niet zo v€r kan gaan dat er nooit een vvgb kan worden verleend. 7 .1. GS stelt zich op het standpunt dar de vvgb terecht is geweigerd. In dit verband !oert CS aan dat artikel 2.71. vierde lid. van de IOV is geformuleerd als een discrelionaire bevoegdheid. CS wil slechts in uitzonderlijke gevallen gebruik maken van deze

zaaknummer: Sllt-. l3l I 164

bevoegdheid. llet geitenmoratorium is narrelijk met het oog op de beschenning van de volksgezondheid op grond van het vooÍzorgsbeg in sel opgenomen. Een belangrijke achterliggende reden voor het opnemen van het geitenmoratorium is dat uit onderzoek (VcO-onderzoek I en II) volgt dat het risico op longontsteking op een alstand tot 2 km van een geitenhouderij bijna drie keer groter is dan het risico op longontsteking tot een afstand van ongeveer I km rond een pluimveehouderij. De directe oorzaak hien'an kan door de onderzoekers niet $orden aangegeven. Uit voorzorg hebben Provinciale Staten daarom besloten dat opname van het geitenmoratoriurn noodzakelijk is. Deze voorgesc h ieden is brengt volgens CS met zich dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden wordt afgeweken van het verbod. Het belang van de volksgezorrdheid en of sprake is van een uitzonderlijk belang. betreffen volgens GS dr,rs geen nadere voorwaarden. maar aspecten die meegenomen moeten worden in de besluitvorming gelet op de achteÍgrond van het geitenmoratorium. De 'Gedragslijn nroratorium geitenhouderij en Verordening ruimte' is voor deze vooruaarden niet relevant. Dit betreft namelijk slechts een hulpmiddel voor initiatiefnenrers en de gemeente om een verzoek aan GS te onderbouwen.

7.2. Op grond van artikel 6.6. tu,eede Iid. van het Besluit orngevingsrecht kan GS de vvgb verlenen, wanneer de activiteit niet in strijd komt met de regels over afiijking die zijn opgenomen in artikel 2.71, vierde lid. van de IOV. Vast staat dat het verbod orn de bestaande oppervlakte dierenverblijfvoor geiten toe te Iaten nemen zoals dat is opgenomen in artikel 2.71. eerste lid. van de IOV ter plaatse van het perceel van eiser van toepassing is.

Van dit verbod kan worden aÍgeweken op grond van aíikel 2.71 . vierde lid. ran de IOV. Ter zitting is bevestigd dat tussen paíijen niet in geschil is dat aan die regels wordt Ioldaan, omdat de uijziging ran de inrichting ran eiser is ingegeren ranuir een d ierenu e lzij nsconcept. het aantal geiten niet toeneemt en per aansezige rnelkgeit ten minste I ,30 mr dierenverblijf aanwezig zal ziln in de n ieurve situatie.

1.3. De rechtbank stelt voorop dat de bevoegdheid om een vvgb te verlenen is geformuleerd als een discretionaire bevoegdheid. Bij de afweging die GS moet maken op grond van artikel 2.71. vierde lid. van de IOV heeft GS dus beleidsruinrte. In een dergelijk geval is het aan het bestuursorgaan overgelaten om op grond van een belangenafweging te bepalen of. en zo ja. hoe de bevoegdheid zal worden gebruikt. Om die reden volgt de rechtbank het standpunt van eiser niet dat een vvgb moet §orden verleend als aan artikel 1.7 l. r'ierde lid. van de IOV is voldaan. Ook bestaat geen aanleiding l.oor het oordeel dat de lvgb moet rlorden afgegeren als aan de 'Gedragslijn moratorium geitenhouderij en Verordening ruimte' is voldaan. Dit betreft immers geen vastgesleld beleid van CS en is slechts bedoeld als hulpmiddel voor indieners van een verzoek om een vvgb. 7.4.

Llit artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat in de aÍkeging die GS moet maken. alle rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen moeten worden afgewogen, voor zover niel uit een wettelijk voorschrifl of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking roortvloeit. Bij een dergelijke belangenafu eging moeten de algemene belangen die bij de specifieke bevoegdheidsu itoefening zijn gediend (in dit geval de bescherming r.an de rolksgezondheid en het dierenrrelzijn) uorden betrokken. evenals de door de uitoefening van de bestuursbevoegdheid geraakte belangen Ian derden (eiser). Het is dan aan het bestuursorgaan om aan de hand van die belangenafrveging vast te stellen welk belang ofbelangen prevaleren. In deze alweging kan CS in redelijkheid betrekken dat de achtergrond van het verbod is om de volksgezondheid te beschermen en het verbod op grond van het voorzorgsbeginsel is opgenomen. De rechtbank over\,,ecgt verder dat een

zaaknummer: SUE li/l 164

.l

belangenaÍieging tussen het algentene belang van de volksgezondheid en het belang van de geitenhouderij irnpliceen dat het belang van de geitenhouderij moet kunnen worden aangemerkt als een 'uitzonderlijk belang'om in die belangenaf* eging te kunnen prevaleren en redelijkeru ijs te kunnen leiden tot de conclusie dat een vvgb uordt verleend voor het af* ijken van het geitenmoratorium. 1 .5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft GS in het bestreden besluit echter onvoldoende getnotiveerd waarom de vvgb in dit geval redelijkerwijs niet kan worden verleend. Zij overrveegt daartoe als volgt.

'l.6.

GS heeft in het bestreden besluit opgenomen dat aan de criteria voor het indienen van een verzoek om een vvgb is voldaan. maar dat geen sprake is van een uitzonderlijk belang. CS vindt het onzeker ofde gezondheidsrisico's rnet de door het college gegeven onderbouw ing voldoende worden beschermd. Het is onzeker of het risico op longontsteking op basis van deze aanvraag afneemt. omdat het onderzoek naar de oorzaak van de verhoogde incidentie op longontsteking nog loopt. Zolang niet bekend is wat de oorzaak is en rvelke maatregelen getroflen kunnen worden om de risico's te verminderen. vindt CS de uitbreiding van d ierenverb lij ven onuenselijk. Naar het oordeel van de rechtbank bllkt uit de motivering van GS niet *at onder een 'uitzonderlijk belang' moet worden verstaan en uaarom hel dierenuelzijnsconcept van eiser en het economische belang van eiser bij het wijzigen van de inrichting niet een uitzonderlijk belang opleveí. Verder heefl GS op geen enkele manier inzichtelrjk gemaakt waarom de verbetering van het rvelzijn van de dieren in dit specifieke geval redehjkeru ijs niet aangemerkt kan worden als uitzonderlijk belang.

Uit het bestreden besluit blijkt niet dat daar een deugdelijke belangenafweging aan ten grondslag heelt gelegen, waarbij het algemeen belang van de volksgezondheid is aÍgewogen tegen het belang van eiser bij het u.ijzigen van de inrichting en het belang van dierenwelzijn. De laatstgenoemde belangen zijn in het bestreden besluit nanrelijk niel genoemd. Ook is de rechtbank van oordeel dat het aan GS is om in het kader ran deze belangenafweging concreter te moti!'eren waarom het belang van de volksgezondheid prevaleert. door aan te geven \\aarom uijziging van de inrichting leidt tot een voor de rolksgezondheid slechtere situatie. Uit het bestreden besluit blijkt bijvoorbeeld niet war de gevolgen zijn van de ligging van de stal en de emissiepunten in de nieuwe situatie voor de volksgezondheidsrisico's van omwonenden. Het komt er naar het oordeel van de rechtbank op neer dat GS met de in het bestreden besluit gegeven motivering heeft vastgehouden aan de redenen voor het instellen van het zogenoerrde geitenmoratorium. zonder in te gaan op de vraag ofer in dit geval aanleiding bestaat om daarvan af te rviiken. Daarmee heeft GS onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een redelijke toepassing van de afu ijkingsbevoegdheid niet mogelijk is.

7.7.

Deze beroepsgrond slaagt

Conclusie en gevolgen

8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat CS onvoldoende heelt gemotiveerd dat de vvgb niet kan worden verleend. Daarom zijn de vvgb en indirect ook de omgevingsvergunn ing geweigerd in strijd met het motiveringsbeginsel dat is opgenomen in artikel l:,16 van de Awb. 9.

De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien.

zaaknummer: SHE 2ll I ló.1

5

omdat het aan het college (en CS via eerr gemoliveerde beslissing op het verzoek om een vvgb) is om opnieus te beslissen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. omdat dat geen doelmatige en eÍïciënte aldoeningswijze zou inhouden. De rechtbank zal het bestreden besluit daarorn vernietigen. 1'er zitting heefl CS toegelicht dat de uitkomsten van het vervolg van VGO III eind 2024 rvorden verwacht. De rechtbank zal het college met toepassing van artikel 8:72. vierde lid. onder b. van de Awb een termijn stellen van uiterlijk zes maanden na de dag van de uitspraak om opnieurv een beslissing te nemen op de aanvraag. zodat de resultaten van dat onderzoek nteegenonlen kunnen rvorden. De rechtbank overweegt ten overvloede dat het oude recht gelet op aÍikel ,1.3. onder a. van de lnvoerings*et omgevingsuet op de aanvraag van toepassing blijft. omdat de aanlraag voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend.

10. Omdat het beroep van eiser gegrond wordt verklaard. bepaalt de rechtbank dat het college aan eiser het door henr betaalde griffierecht (€ 184.-) voor het beroep vergoedt. I l. Daarnaast zal het college worden veroordeeld in de door eiser gemaakte proceskosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank deze proceskoslen voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750.- ( | punt voor het indienen van het beroepschrift en I punt voor het verschijnen ter zitting. nret een waarde per punt van € 875.- en wegingsfactor l).

zaaknulllrrcr: SI ltr 2i/l I6l

6

lleslissing De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond: - vernietigt het bestreden besluit lvan 7 maan 2024\: - draagt het college op om uiterlijk binnen zes maanden na de dag van deze uitspraak opnieuw te beslissen op de aanvraag van eiser: - bepaalt dat het college het griffierecht van € I84.- aan eiser moet vergoeden: - veroordeelt het college tot betaling van € I.750.- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.A.M.M. Delauu. voorzitter. en mr. J.A.W. Huijben en mr. M. Klerjn Hesselink. leden. in aanrvezigheid van mr. N. Duin. grifïier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2024.

a_p

-4- t

grifïer

vo()rlttter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan panijen op

2 q 0KÏ. 202{

Informatie over hoger beroep Len paíij die het niet eens is met deze uitspraak. kan een lrogerberoepschr if't sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad ! an State rvaarin rvordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrifi moet u.orden ingediend binnen zes ueken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten. omdat de zaak spoed heeft. dan kan de indiener de voorz ien ingen rechter van de Afïeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (eerr tijdelrjke maatregel) te trelfen.

/ilirkrunlllcr: SIltr l l1I I6l

1

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet ruirnteliike orden inÍl

Artikel 4.1 l. Indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. kunnen bij of krachtens provinciale verordening regels uorden gesteld omtrent de inhoud lan bestemm ingsplannen. van omgel ingsvergunn ingen rvaarbij met toepassing l'an artikel 2. I 2. eerste lid. onderdeel a, onder 2o of 3o. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemm ingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken. omtrent de daarbij behorende toelichting ofonderbouwing. alsmede omtrent de inhoud van beheersverorden ingen. Daarbij kan worden bepaald dat een regel slechts geldt voor een daarbij aanBegeven gedeelte van het grondgebied varr de provirrcie.

tt

3. Bij of krachtens een verordening als bedoeld in het eerste lid kunnen regels sorden gesteld die noodzakelijk zijn om te voorkomen dat in de verordening begrepen gronden of bouwwerken minder geschikt worden voor de verwezenlijking van het doel van de verordening zolang geen besternm ingsplan of beheersverordening als bedoeld in het tweede lid in werking is getreden. Bij de verordening kunnen regels worden gesteld mel inachtncrning waarvan bij een omgevingsvergunn ing kan worden aÍgerveken van bij die verordening aan te geven krachtens dit lid gestelde regels.

\!'et alse nrene be oa lingen om sev inssrecht Artikel 2.20a Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit waarvoor voor het verlenen van de omgevingsvergunn ing een verklaring vereist is als bedoeld in artikel 2.27. eerste lid. wordt de omgevingsvergunn ing voor die activiteit geweigerd indien de verklaring is geweigerd.

Artikel 2.27 L ln bij wet ofalgemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een onr gev ingsvergunn ing niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen lraarin l.oor het verrichten van de betrokken activiteit een alzonderlijke toestemming van het aangeuezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit ofde verantr.r oorde lij kheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen w.aarin de verklaring niet is vereisl.

tl

3. De verklaring kan slechts uorden gegeven ofge*eigerd in het belang dat in de betrokken rret ofalgemene maatregcl \an bestuur is aangegeren.

/aaknurllrrer: SI Il: ] i1l l6l

rt orn

ll1

6

rcc ht

Artikel 6.6 I . Voor zover een aanvraag betrekking heeti op een activiteit als bedoeld in artikel 2. I.

eerste lid, onder c. lan de rvet. uordt de omgevingsvergunning. u.aarbij met toepassing van artikel 2.12. eerste lid. onder c. van de wet wordt afgeweken van regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid. of ,1.1. derde lid. van de Wet ruimtelrjke ordening, nier verleend dan nadat gedeputeerde staten hebben verklaard dat zij daaíegen geen bedenkingen hebben, onderscheiden lij k Onze Minister of Onze Minister wie het aangaat in overeenstemming met Onze Minister. heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heefl. 2. De verklaring kan slechts u,orden verleend indien de betrokken activiteiten niet in strijd komen met de regels inzake afrvijking die zijn opgenomen in de betrokken provinciale lerordening of algemene maatregel l,an bestuur.

lnterim omgev inqsverorden inq Noord-Brabant

Anikel 3.47 Tijdelijk verbod geitenhouderij Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt voor geitenhouderijen dat de vestiging van. de uitbreiding van. de omschakeling naar en een toename van de oppervlakte dierenverblij f voor geiten is uitgesloten.

Artikel 2. 7 I Tijdel ijk verbod geitenhouderijen Lid I Totdat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 3.47 Tijdelijk verbod geitenhouderij geldl. gelet op aíikel 4. l. derde lid. Wet ruimtelijke ordening. voor geitenhouderijen in Landelijk gebied dat een toename Ian de bestaande oppervlakte d ierenverblijf voor geiten is verboden.

t1 Lid 4

ln afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2. l. eerste lid. onder c. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunn ing verlenen, als a. de toename van de oppervlakte d ierenverblij f voor de geitenhouderij is ingegeven vanuit een dierenwelzijnsconcept zonder toename van het aantal geiten die de geitenhouderij krachtens een omgev ingsvergunning milieu. bedoeld in artikel 2. I. eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, ofde omgevingsvergunn ing beperkte milieutoets. bedoeld in artikel 2, eerste lid. onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of meld ing. bedoeld in artikel i . I 0 Acriviteitenbesluit m ilieubeheer. op 7 juli 20 I 7 mag houden: b. het dierenwelzijnsconcept per aanwezige melkgeit ten minste 1,30 m: dierenverblijf hanteert.

r sBR 2311164 RECHTBANK OOST.ERABANT Postbus 70584.520,tC2,S-HERTOGENBOSCH Tho Nèthertands

D

@

Aan eteken

o-A-1

Frankering betaald

GEMEENTE HEESCH

postbus i 9

3SGQYQ6279399 s3s4zGHEEScH NL

1ililil

À

s

\D

EË I à: ; §

§ &i o-Z

!3 dà<P; =

n

r!,riiii;; 3SGQ

IililililIilIil

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=2043826f-206c-47f7-aa05-3033961b582c