CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Vaststelling TAM-IMRO Omgevingsplan 'Hoofdstuk 22R, Bedafse Hoeve, Vorstenbosch'

Raadsvergadering 2 juli 2026, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststelling TAM-IMRO Omgevingsplan 'Hoofdstuk 22R, Bedafse Hoeve, Vorstenbosch' *24.737 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

dit geval de bedrijfswoning, kan een effect hebben op archeologische waarden bij realisatie van de bedrijfswoning, terwijl het uiteindelijk resultaat (uiterlijk, plaatsing en inpassing van de bedrijfswoning) een blijvend effect kan hebben op cultuurhistorische waarden. Om die reden is ervoor gekozen om de cultuurhistorische waarden te behandelen bij het aspect landschap (paragraaf 5.4) en in deze paragraaf te richten op het aspect archeologie. Conform de archeologische beleidskaart van de gemeente Bernheze is de locatie gelegen in een gebied met een lage archeologische waarde (figuur 24). De gemeente Bernheze heeft de bescherming uit haar archeologisch beleid verankerd in het bestemmingsplan doormiddel van dubbelbestemmingen. In dit geval is vanwege de lage waarde geen dubbelbestemming toegekend. Daardoor kan geconcludeerd worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de voorgestane ontwikkeling.

Figuur 24 Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Bernheze met locatie rood omcirkeld

Doorwerking plangebied Vanuit de archeologische beleidskaart kan geconcludeerd worden dat er geen archeologische waarden zijn te verwachten. Daarom geldt geen onderzoeksplicht. Mochten er bij de graafwerkzaamheden toch archeologische relicten of grondsporen worden gevonden op de locatie, dan zal dit – in overeenstemming met de wettelijke meldingsplicht ex artikel 5.10 van de Erfgoedwet – per direct worden gemeld bij de minister (via de gemeente Bernheze).

62

6.1.4.3

Landschap en cultuurhistorie

Elke ontwikkeling in het buitengebied dient gepaard te gaan met een verbetering van de kwaliteit van het landschap. Afhankelijk van de omvang en impact van de ontwikkeling valt deze in categorie 1, 2 of 3. De historische, landschappelijke en natuurlijke kenmerken van de omgeving hebben de ontwikkeling bepaald. In bijlage II is daar uitgebreid op in gegaan. In deze paragraaf wordt daarbij aangehaakt en naar verwezen. Onderstaand is de samenvatting hiervan. Het projectgebied ligt op de overgang van dekzandrug naar een natte kom; een gebied met heide en bos. De dekzandruggen waren interessant gebied voor agrariërs. Deze werden als eerst ontgonnen en in gebruik genomen voor agrarische activiteiten. Gemeenschappelijke bouwlandcomplexen werden aangelegd op hoger gelegen terrein. Door intensieve plaggenbemesting heeft dit geleid tot geleidelijke ophoging van de akkers. Hierdoor liggen ze ‘bol’. De randen zijn vaak te herkennen aan hun begrenzing in de vorm van beplanting en een pad. Aan de randen van de dekzandruggen lagen vochtige laagten, rondom de huidige Leijgraaf ten zuiden van Vorstenbosch en aan de randen van de noordelijk gelegen heidegebieden. Rond 1300 ontstonden de eerste stuifzanden doordat de bossen plaats hadden gemaakt voor uitgestrekte heidevelden, die door boeren werden gebruikt om hun schapen te laten grazen.

Daarnaast werd de heide gebruikt voor het leveren van plaggen die werden gestoken om in de stallen te worden gebruikt om mest op te vangen. Door het voortdurend afplaggen van de heide kwam het zand op den duur bloot te liggen en ontstonden zandverstuivingen. Tot ca. 1900 ging dit proces door, daarna trokken de boeren hier weg en werden de heidevelden beplant met grove dennen. Het projectgebied ligt op het draaipunt van deze drie verschillende gebieden. Ten zuiden van het plangebied liggen de bolle akkers. De stuifduinen liggen ten oosten en de heide ten noorden. Door de jaren heen zijn is de randbeplanting veelal verdwenen, zijn de kavels vergroot en wegen meer logisch gemaakt. Vooral in de jaren 70 tijdens de ruilverkaveling zien we grote veranderingen in het landschap. Enkele houtwallen zijn nog zichtbaar in landschap. Daarnaast zijn nog restanten van oude bomen zichtbaar langs de Bergweg, waaronder de knotberk. De Bergweg, het oude zandpad, vormt de basis voor het plan. In de reeks van de drie bestaande woningen aan de Bergweg wordt de nieuwe bedrijfswoning gesitueerd. Alhoewel deze visueel de voorzijde aan de Bergweg heeft wordt de ontsluiting voor verkeer aan de Leeghandseweg gesitueerd, om de zandweg niet onnodig te belasten. Door de opstelling ontstaat een afwisselend karakter van verspreid staande landelijke woningen met natuur en agrarische grond.

Het verscharen van de schapen en paarden gebeurt zoveel mogelijk op eigen terrein. Door de aanleg van twee nieuwe karresporen parallel en haaks op de Bergweg ontstaat een nieuwe structuur, die de basis vormt voor de 63

erfinrichting. De bestaande inrit voor de ligboxenstal aan Lendersgat 15 blijft gehandhaafd als een functionele inrit voor tractorverkeer. Het aanzicht op het erf en de landelijke schuur vanuit ‘Bedafse Bergen’ is een belangrijk uitgangspunt voor het bezoekerscentrum. Recreanten moeten het goed kunnen vinden en het terrein moet toegankelijk voorkomen. Daarnaast wil men van en naar het bezoekerscentrum een logische verbinding naar de ‘Bedafse Bergen’ om als entree naar het natuurgebied te kunnen fungeren. De landelijke schuur is een multifunctionele accommodatie. De oriëntatie is richting de Leeghandseweg, waarbij de voorgevel een mooie uitstraling krijgt. Rondom de accommodatie komen diverse erffuncties, waaronder: • parkeren voor gasten; • terras (zoveel mogelijk op het zuiden en in de luwte); • een demonstratietuin voedselbos en boomgaard; • vanuit de landelijke schuur zicht op de landbouwgronden met de schapen en paarden. De oude ligboxenstal wordt opgeknapt voor de schapen en stalling van agrarische werktuigen. De vergunde loods die naast de ligboxenstal is gesitueerd wordt gebruikt als schapenstal/loods. De oriëntatie van deze stal is geënt op de nieuwe zandwegen. Rondom de stallen is voldoende manoeuvreerruimte voor trailers en tractoren. Ook is er ruimte voor het maken van enkele paddocks. De nieuwe paden zijn geïnspireerd op de Bergweg.

Er wordt een karrespoorprofiel gerealiseerd door in de berm walnoot- en tamme kastanjebomen aan te planten. De entrees naar de weides worden geaccentueerd door een veldpoort. De zandwegen dienen voornamelijk voor het verscharen van de dieren, maar tijdens evenementen kunnen gasten via de paden de verschillende weilanden bekijken. Voorkeur is om 5 percelen nabij het erf te houden, waarvan 1 perceel jaarlijks wordt ingezaaid met een graanras (elk jaar een ander perceel). Dit graan wordt met een evenement gedorst en door de lokale molenaar gemalen tot meel. Het brood wat hiervan gemaakt wordt, kan weer geserveerd worden in het bezoekerscentrum. Dit is één van de voorbeelden wat de initiatiefnemers van plan zijn te gaan doen. Lokale gebruiken en cultuurlandschap combineren en presenteren in het bezoekerscentrum. 6.2

Besluit milieueffectrapportage De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet.

64

Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMBrichtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een planmilieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMBrichtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van een plan of programma waarvoor een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Voor plannen die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een planm.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen.

Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.

Planspecifiek Met het plan wordt de realisatie van een natuurboerderij met recreatieve/educatieve en horeca-activiteiten gerealiseerd. Specifiek betekent dit de voor dit planvoornemen, de uitbreiding van een agrarisch bedrijf met de exploitatie van een aantal nevenactiviteiten en de realisatie van één bedrijfswoning. Ten aanzien van de ontwikkeling is een vormvrije m.e.r.beoordeling uitgevoerd. Deze beoordeling is als separate bijlage IV bijgevoegd. De ontwikkeling heeft betrekking op J11 en A1 uit Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. De activiteit die betrekking heeft op J11 betreft een stedelijk ontwikkelingsproject. In het geval van een stedelijk ontwikkelingsproject, is direct een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk als de activiteit gaat om de bouw van 2.000 woningen of meer in een aaneengesloten gebied of als de activiteit een omvang heeft van 100 hectare. Met de realisatie van slechts één bedrijfswoning hoeft niet getoetst te worden aan een stedelijke ontwikkeling.

65

De activiteit die betrekking heeft op A1 uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit betreft het onderdeel ‘installaties voor intensieve veehouderij’. Specifiek gaat het om de volgende diersoorten en dieraantallen: • 840 stuks schapen • 12 volwassen paarden en 16 stuks jonge paarden De uitbreiding in dieraantallen blijft onder het aantal uit de grensnormering (85.000 mesthoenders, 60.000 hennen, 3.000 mestvarkens en 900 zeugen). Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling niet voorziet in een ontwikkeling met dieren met een grensnormering zoals opgenomen in het Omgevingsbesluit bijlage V. Echter wordt niet voldaan aan de drempelwaarden die zijn vastgelegd in kolom 2 (gevallen waarin de m.e.r.-plicht geldt). Er kan derhalve worden volstaan met een plan-m.e.r. beoordeling, indien voldaan wordt aan de onderdelen a en b van artikel 11.1 lid 2 van het Omgevingsbesluit. In een vormvrije plan-m.e.r.-beoordeling wordt getoetst of een activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Een informele planm.e.r.-beoordeling kan leiden tot twee conclusies: 1. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk; 2. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r..

De criteria waaraan moet worden getoetst zijn opgenomen in bijlage II van de SMB-richtlijn. De regels over het uitvoeren van een plan-m.e.r.-beoordeling staan in artikel 16.36, lid 5 Omgevingswet en artikel 11.1 Omgevingsbesluit. Het betreft de volgende drie algemene criteria met elk hun sub criteria: • kenmerken van het project: omvang van het project, cumulatie met andere projecten, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en risico op ongevallen; • plaats van het project: bestaand gebruik van de locatie, natuurlijke hulpbronnen en opnamevermogen/gevoeligheid van het milieu; • kenmerken van het potentiële effect: bereik, grensoverschrijdend karakter, orde van grootte en complexiteit, waarschijnlijkheid en duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect. Bovenstaande punten zijn nader uitgewerkt in bijlage IV. Uit de notitie blijkt dat in voldoende mate inzicht is verkregen in de milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling. De ontwikkeling heeft betrekking op één locatie en is daarmee relatief kleinschalig en heeft geen kenmerken die potentieel een risico op grote milieueffecten in zich hebben. Door de wijziging met betrekking tot de dieren is er per saldo sprake van een afname van de emissie fijnstof en ammoniak en een lichte toename van de emissie van geur.

De dierenaantallen blijven binnen de grenzen van de m.e.r.beoordelingsplicht. 66

Uit de beoordeling blijkt dat er geen onevenredige nadelige milieueffecten plaatsvinden. Deze beoordeling geeft dan ook geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure of m.e.r.procedure. Gelet op het bovenstaande wordt op basis van de notitie voorgesteld om te besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is. 6.3

Groen en natuur Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die waren opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

6.3.1

Groen Bomen en ander groen zijn belangrijke middelen om de kwaliteit van de leefomgeving en de biodiversiteit te behouden en zelfs te vergroten. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling is daarom een groenparagraaf vereist waarin aandacht is voor groen, bomen en natuur. Initiatiefnemers laten daarmee zien hoe zij voldoen aan de groennorm, hoe zij omgaan met waardevol bestaand groen en aanwezige flora en fauna en hoe zij met hun nieuwe inrichting en soortkeuze bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving en de biodiversiteit. Het initiatief is gestoeld op agrarisch natuurbeheer, heeft ook afspraken gemaakt met het Groenfonds Brabant m.b.t. het gebruik van de gronden (gen drijfmest, gene bestrijdingsmiddelen/pesticiden) en ingezet als Ondernemend Natuur netwerk Brabant. De initiatiefnemer heeft voor zijn bedrijf een uitgebreide landschapsontwerpschets gemaakt (Zie bijlage 1), die gebaseerd is op lokale groenstructuren, bodem en water en geomorfologie. Daarnaast wordt het bedrijf uiteraard landschappelijk ingepast. Bomen Naast de bijdragen aan landschappelijke kenmerken en groenstructuren, vraagt de gemeente specifiek aandacht voor bestaande bomen. Een ontwikkeling mag geen negatieve invloed hebben op de belangrijkste bomen in de omgeving.

De gemeente heeft dit beschreven in haar bomenbeleidsplan en vastgelegd in de Kaart monumentale en toekomstbomen en op groenstructuurkaarten (zie figuur 25). De bomen rondom het bedrijf of plangebied zijn niet aangeduid op deze bomenkaart. De bomen hebben daardoor niet de status van monumentaal of toekomstboom. Desondanks heeft de initiatiefnemer rekening gehouden met deze bestaande bomen, door een bestaande inrit te gaan gebruiken (vergund en reeds aangelegd) en daardoor geen ingrepen hoeft uit te voeren die een mogelijk negatief effect kunnen hebben op de bomen.

67

Het is van belang om inzicht te krijgen of de nabijgelegen bomen (binnen een afstand van 20 meter van de plangrens) worden verstoord. Indien het plan dicht bij een boom wordt gerealiseerd dient deze te worden beschermd, zowel boven als onder de grond. Middels een Boom Effect Analyse (hierna: BEA) (deskundig rapport voorzien van een kwaliteitslabel) wordt inzichtelijk gemaakt wat nodig is voor een passende bescherming. Indien er werkzaamheden worden uitgevoerd binnen de boombeschermingszone (tot 1,5 meter buiten de kroonprojectie) dient er een plan van aanpak opgesteld te worden hoe met de boomwortels wordt omgegaan (BEA). Er mogen geen graafwerkzaamheden uitgevoerd worden in de buurt van de bomen. De inrit bevindt zich op ongeveer 2 meter van de bomen, welke een stamdoorsnede hebben van 20 centimeter. De bouwactiviteiten vinden op een afstand van minimaal 15 meter uit de bestemming verkeer plaats. De bomen aan Leeghandseweg bevinden zich binnen de bestemming ‘verkeer’, waardoor de minimale afstand rond 17 meter ligt. Tussen het plangebied en de bomen bevindt zich een sloot, waardoor een mogelijk effect op de wortels uitgesloten kan worden.

Figuur 25 Uitsnede kaart monumentale en toekomstbomen

68

Figuur 26 Foto's bomen bij de bestaande, vergunde inrit

69

Ecologische verbindingszone (EVZ) Tijdens de quickscan Flora en fauna is gekeken naar de bestaande waarde van de ecologische verbindingszone (het noordelijk deel van het plangebied). In rapportage ‘Onderzoek naar de natuurwaarden van het perceel Lendersgat 15 in gemeente Bernheze van 16 december 2019’ is ook een advies uitgebracht voor de waardevergroting van dit element. Dit advies is overgenomen. De bestaande houtwal is lange tijd niet onderhouden, zodat veel bomen hoog zijn opgeschoten. De bomen zijn gefaseerd teruggezet en enkele karakteristieke oude exemplaren, zoals ruwe berk wordt gespaard. De ondergroei is door stikstofdepositie vooral door bramen en Amerikaanse vogelkers overgroeid. Deze zijn teruggezet. Hierdoor wordt de zuidzijde van de houtwal aantrekkelijk voor hagedissen. De droge EVZ is versterkt door de aanleg van een 7m brede strook ten noorden van de bestaande houtwal. Om de houtwal aantrekkelijker te maken voor flora en fauna zijn enkele open plekken gemaakt in de houtwal, zodat er meer licht in de wal komt. In de nieuwe aangrenzende strook zijn andere soorten struiken aangeplant, die voor vogels en insecten aantrekkelijk zijn door de bloesem en de vruchten. Door enkele poelen in de nieuwe strook aan te leggen ontstaat een biotoop voor amfibieën en een drinkplek voor vogels en zoogdieren.

Deze poelen dienen ook als stapsteen voor amfibieën naar andere gebieden. De open delen bestaan uit kruidenrijk grasland. 6.3.2

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht zijn ongewijzigd gebleven. Het is van belang om inzicht te krijgen of voorgenomen plannen geen negatieve effecten hebben op (beschermde) flora en fauna. Middels een ecologische quickscan, welke jaarrond uitgevoerd kan worden, wordt een locatie beoordeeld of beschermde soorten aanwezig (kunnen) zijn. De Ecologische QuickScan Analyse dient door een deskundig bureau te zijn uitgevoerd. Blijkt uit de conclusie dat er schadelijke effecten voor beschermde soorten aanwezig is dan haakt de wet natuurbescherming aan. Door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek is een beoordeling gemaakt van de effecten die het plan zal hebben op beschermde natuurwaarden. Dit onderzoek is als bijlage X aan dit omgevingsplan toegevoegd. In deze paragraaf zijn uitsluitend de conclusies opgenomen. Zoogdieren: Behalve de rode eekhoorn worden er geen beschermde zoogdieren voor kilometervak 166-408 vermeld. Algemene soorten komen wel in de omgeving voor.

70

Vogels: Er worden 58 soorten van het kilometervak vermeld. Het perceel aan Lendersgat 15 is nog weinig aantrekkelijk voor vogels. Het inzaaien met kruidenrijkgrasland heeft de conditie verbeterd voor zaad- en insecteneters. Dagvlinders: Er worden 4 soorten dagvlinders vermeld voor dit kilometervak. Dit zijn algemene soorten. Op het perceel zijn waard- of nectarplanten aanwezig. In het onderzoeksgebied is kruidenrijk grasland ingezaaid. Er wordt op de verbindingsstroken gefaseerd gemaaid en tussen de struiken blijft de vegetatie staan. Hetzelfde beheer wordt uitgevoerd in de verbrede houtwal Planten: Er zijn geen beschermde planten aanwezig. In de houtwal zijn 14 bomen en struiken aanwezig; de grote variatie is tot stand gekomen door aanplant, maar ook door spontane vestiging door vogels zoals vlier en taxus. Adviezen voor de inrichting van de houtwal. De bestaande houtwal was lange tijd niet onderhouden, zodat veel bomen hoog zijn opgeschoten. Daarom zijn bomen gefaseerd teruggezet en zijn enkele karakteristieke oude exemplaren zoals ruwe berk gespaard De ondergroei was door stikstofdepositie vooral door bramen en Amerikaanse vogelkers overgroeid. Door deze terug te zetten is de zuidzijde van de houtwal aantrekkelijk gemaakt voor hagedissen. Aan de noordzijde is een strook van 7 meter toegevoegd.

Om de houtwal aantrekkelijker te maken voor flora en fauna zijn enkele open plekken gemaakt in de houtwal, zodat er meer licht in de wal komt. In de nieuwe aangrenzende strook zijn andere soorten struiken aangeplant, die voor vogels en insecten aantrekkelijk zijn door de bloesem en de vruchten. In de bijlage bij het onderzoeksrapport is een lijst toegevoegd. Door enkele poelen in de nieuwe strook aan te leggen is een biotoop voor amfibieën en een drinkplek voor vogels en zoogdieren ontstaan. Deze poelen dienen ook als stapsteen voor amfibieën naar andere gebieden. 6.3.3

Natuur - Gebiedsbescherming De Omgevingswet is sinds 1 januari 2024 de Nederlandse wet waarin onder andere de Wet natuurbescherming is opgenomen. In de Omgevingswet is zowel de bescherming van planten- en diersoorten, als de bescherming van natuurgebieden en houtopstanden geregeld. De Omgevingswet bestaat uit een algemene wettekst dat per procesonderdeel nader is uitgewerkt in vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) en de Omgevingsregeling.

71

Uit de natuurdoelanalasye blijkt dat de natuur in de Brabantse Natura 2000gebieden verslechtert. De verplicht Europese natuurdoelen kunnen met de huidige maatregelen niet worden behaald. De problemen worden veroorzaakt door een mix van verzuring, vermesting en verdroging, dat per gebied verschilt. Een diversiteit aan planten en bomen hebben hieronder te lijden en verdwijnen langzaam maar zeker uit de gebieden. Dat heeft onder meer tot gevolg dat het aantal insecten vermindert, waardoor in sommige gebieden bepaalde vogels en andere dieren niet meer kunnen leven. Als deze ontwikkeling zich verder voortzet, krijgen we een totale verschraling van de natuur. Dat heeft negatieve gevolgen voor klimaat, milieu, leefomgeving en gezondheid. Om te kijken of het plan een effect heeft op Natura 2000-gebieden is in eerste instantie bekeken op welke afstand het plangebied is gelegen van die Natura 2000-gebieden. Vervolgens is vanuit de effectenindicator onderzocht welke doelsoorten aanwezig zijn en waar deze gevoelig voor zijn. Vervolgens heeft nog een berekening plaatsgevonden met Aerius calculator. In eerste instantie is van belang op welke afstand het plangebied van de Natura 2000-gebieden zijn gelegen. In dit geval is Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek het gebied dat het dichtste bij ligt op ruim 17 kilometer afstand (zie figuur 27).

Het gebied de Oisterwijkse Vennen en de Kampina volgt daarna op een afstand van ruim 20 kilometer. Conform de effectenindicator zijn de doelsoorten in deze gebieden gevoelig voor een aantal aspecten (zie figuur 28), waaronder versnippering, verdroging en oppervlakteverlies. Het plan heeft wat dat betreft geen negatief effect op het Natura 2000-gebied gezien de afstand. Voor woningbouw is de stikstofdepositie niet als gevoeligheid opgenomen. Die is wel van toepassing vanuit de landbouw. Er kan vooraf niet uitgesloten worden dat het aspect stikstof vanuit deze ontwikkeling helemaal is uitgesloten. Daarom is een berekening uitgevoerd met Aerius calculator. Er is een berekening uitgevoerd om te bezien of de beoogde situatie ten opzichte van de huidige situatie een mogelijk negatief effect heeft op Natura 2000 gebieden. De volledige berekening is bijgevoegd in bijlage XI. Uit de resultaten blijkt dat er geen negatief effect is te verwachten. Daarom kan geconcludeerd worden dat het plan geen significant negatief effect heeft op natura 2000-gebieden.

72

Figuur 27 Afstand dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied

Figuur 28 Doelsoorten en gevoeligheid

73

6.4

Wegen, verkeer en parkeren Het is van belang om inzicht te krijgen of voorgenomen plan geen negatieve impact heeft op de verkeersveiligheid en belastbaarheid van de wegen in nabije omgeving. Het parkeren dient conform de parkeernormennota Bernheze. Indien parkeren niet of deels op eigen terrein kan plaatsvinden dient een parkeermeting worden uitgevoerd, waaruit moet blijken of de openbare ruimte in voldoende mate geschikt is. Het langzaam verkeer dient goed voorzien te worden doormiddel van een trottoir en waar nodig fietsverbinding. Bij voorkeur het langzaam verkeer de kortste en veiligste route naar de voorzieningen. Het is van belang om inzicht te krijgen waar de inrit komt, van welke materialen en obstakels, zoals een lantaarnpaal, nutsvoorzieningen, bestaande parkeerplaats(en), bestaand gemeentelijk groen en/of bomen. Er dient inzicht gegeven te worden in hoe die aansluiting ingericht wordt (in basis in een gelijkwaardig kruispunt plateau in een 30km/uur zone). Indien sprake is van een obstakel dient dit nader te worden gemotiveerd. Vanuit een goede ruimtelijke ordening dient inzichtelijk te worden gemaakt of de bestaande infrastructuur voldoende van omvang is om het toekomstig verkeer dat door de ontwikkeling tot stand komt, kan verwerken.

In dit geval dient er te worden bepaald of de veranderingen met betrekking tot het toevoegen van een bedrijfswoning, schapen- en paardenhouderij en het horeca-, recreatie- en educatiegedeelte belemmeringen met zich meebrengt ten aanzien van mobiliteit en parkeren. Doorwerking plangebied Inrit Het bedrijf van de initiatiefnemer kan ontsloten worden door drie reeds bestaande en vergunde inritten. De eerste inrit betreft de huidige inrit van het huidige bouwvlak aan Lendersgat. Deze inrit zal vooral gebruikt worden voor de agrarische bedrijfsmatige activiteiten van het bedrijf. Aan de noordkant van het toekomstige bouwvlak is een inrit gelegen die de basis vormt voor de nieuwe situatie op het bouwvlak. Deze inrit zal gebruikt worden voor de bewoners en de bezoekers(gasten) van het bedrijf. Tot slot is er nog een inrit via een oude weg, ten westen van het bouwvlak. Deze inrit betreft een oude, historische zandweg (Bergweg). Via dit zandpad is het bedrijf in theorie bereikbaar, maar vormt het geen ontsluiting. De laanbeplanting die is aangebracht is als veepad bedoeld. De schapen en paarden zullen via deze ontsluiting naar de gronden worden gebracht. Gemotoriseerd verkeer, met uitzondering van een sporadische tractor en eventueel hulpdiensten, is hier niet gewenst en bedoeld.

Mobiliteit Voor het bepalen van het aantal verkeersbewegingen afkomstig van de planlocatie, is de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ gehanteerd. 74

CROW-publicatie 381 kent geen kengetal voor de verkeersgeneratie van een "agrarisch bedrijf". Gebruikt is daarom een vuistregel voor deze bedrijven. Deze vuistregel maakt gebruik van de verkeersgeneratie van bedrijven (geen kantoren) zijnde uit deze CROW-publicatie. Deze bedrijven genereren ongeveer 4,5 ritten/etm per arbeidsplaats. Voor agrarische bedrijven wordt aangenomen dat deze 1 arbeidsplaats per 1.000 m² bvo hebben. In de huidige situatie is sprake van 745 m2 aan bebouwing ten behoeve van het agrarisch bedrijf. Dit betekent dat het agrarisch bedrijf 3 verkeersbewegingen genereert. Verkeersgeneratie huidige situatie conform CROW-publicatie Functie Norm (per etmaal) Aantal Totaal (per etmaal) 2 2 Agrarisch bedrijf 4,5/ 1.000 m 745 m 3* Totaal 3 (per etmaal) * Uitgaande dat 25% van de verkeersbewegingen ten behoeve van het agrarisch bedrijf bestaat uit vrachtverkeer.

In dit geval is in de beoogde situatie sprake van circa 3.753 m² aan bebouwing, 3.200 m² ten behoeve van de agrarische activiteiten en 553 m² (landelijke schuur werkatelier: 375 m², hooimijt: 178 m² en bakhuisje: 28m²) ten behoeve van de (verblijfs)recreatieve, horeca, educatieve en ondersteunende detailhandelsactiviteiten. Binnen de bestaande recreatieve bebouwing zijn horeca, educatie en (verblijfs)recreatie gemaximeerd op 400 m². Verblijfsrecreatieve activiteiten zijn bovendien beperkt tot maximaal 30 personen. Buiten de bebouwing is een terras toegestaan van maximaal 100 m². Ondersteunende detailhandel is binnen de bestaande bebouwing gemaximeerd op 100 m². De overige 53 m² aan bebouwing zijn ondersteunend van aard (opslag) of ten dienste van dagrecreatie en/of educatie. Naast de bedrijfsbebouwing wordt voorzien in een bedrijfswoning met bijgebouw. Voor horeca is, behoudens voor een discotheek en een fastfoodrestaurant, geen verkeersgeneratie opgenomen in de CROW-publicatie, waardoor is uitgegaan van algemeen bekende gegevens in een worst case situatie. Voor woningen en horeca zijn wel cijfers opgenomen in CROW-publicatie 381. In onderstaande tabel is de totale verkeersgeneratie per onderdeel opgenomen. De detailhandel is ondersteunend aan de hoofd- en nevenactiviteiten. Daardoor is deze niet relevant voor de verkeersgeneratie.

Verkeersgeneratie beoogde situatie conform CROW-publicatie

Functie

Norm (per etmaal)

Bedrijfswoning 8,6 per woning Agrarisch bedrijf 4,5/ 1.000m² Horeca/recreatie 15/ 100m² Totaal

Aantal

Totaal (per etmaal)

1 woning 3.200 m² 500 m²

9 14* 75 98 (per etmaal)

* Uitgaande dat 25% van de verkeersbewegingen ten behoeve van het agrarisch bedrijf bestaat uit vrachtverkeer.

75

In het worstcasescenario wordt uitgegaan van 98 verkeersbewegingen per etmaal (zie tabel). Ten behoeve van de ontsluiting van het perceel wordt aangesloten bij de bestaande infrastructuur aan de Leeghandseweg. De Leeghandseweg betreft een reeds verharde weg met asfalt. De weg is dan ook ingericht om een groot aantal verkeersbewegingen te kunnen verwerken. De bestaande infrastructuur behoeft geen aanpassingen.

Evenementen

Het voornemen is om een paar keer per jaar een evenement op de locatie te verzorgen. Denk aan een lammetjesdag of een Vorstenbosch/buitengebiedfair o.i.d. Bij het organiseren van een evenement komt maatwerk kijken met betrekking tot de ontsluiting en het regelen van het verkeer en zal dit apart geregeld moeten worden via een evenementenvergunning. Ten aanzien van sporadische evenementen worden geen aanpassingen aan de Leeghandseweg noodzakelijk geacht.

Conclusie

Het aspect mobiliteit levert geen belemmeringen op. Parkeren Om het aantal benodigde parkeerplaatsen te bepalen is tevens de CROWpublicatie als basis gehanteerd. In onderstaande tabel zijn de aantal conform de publicatie weergegeven. Benodigd aantal parkeerplaatsen conform CROW-publicatie

Functie

Norm (minimaal)

Aantal

Totaal

Bedrijfswoning Agrarisch bedrijf Horeca/recreatie Totaal

2,0 per woning 1 per 1.000 m2 bvo 7/ 100 m2 bvo

1 woning 3.200 m2 bvo 500 m2 bvo

2,0 3,2 35 40

Voor de vrijstaande bedrijfswoning dient te worden voorzien in ten minste 2,0 parkeerplaatsen. De parkeerplaatsen voor de bedrijfswoning dienen op het eigen terrein te worden gerealiseerd. Bij de bedrijfswoning is voldoende ruimte om te voorzien in voldoende aantal parkeerplaatsen. Ten aanzien van de horeca zijn 35 parkeerplaatsen noodzakelijk. Deze zullen over het algemeen niet gelijktijdig gaan en komen. Normaliter wordt 50% van het aantal bezoekers gebruikt om het aantal parkeerplaatsen te bepalen. Echter gaan we hieruit van een worst-case situatie waardoor in totaal 40 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. In de landschappelijke inpassing (zie bijlage 1) is rekening gehouden met 21 vaste parkeerplaatsen, waarvan 2 bij de woning en 19 tussen de Vlaamse schuur en de bossingel. Daarnaast is een overloop voor parkeerruimte gecreëerd tussen de laanbomen die vanaf de inrit tot aan de familiestal paarden loopt (eigen terrein). Daar is ruimte voor 22 parkeerplaatsen, waardoor het totaal aantal parkeerplaatsen uit komt op 43, waarmee in ruime mate wordt voldaan aan de parkeeropgave.

76

Evenementen

Tijdens evenementen zijn meer parkeerplaatsen benodigd. Echter vinden deze evenementen slechts een paar keer per jaar plaats. Het realiseren van een permanente parkeergelegenheid ten behoeve van deze evenementen is gezien het ruimtebeslag niet gewenst en tevens niet praktisch. Daarom is gekeken naar alternatieven om tijdens evenementen voldoende parkeergelegenheid te creëren op korte afstand (loopafstand) van de locatie. Ten noorden van de landelijke schuur (ten noorden van de Leeghandseweg) is een stuk grasland gelegen. Dit stuk grond heeft een oppervlakte van circa 0,8 hectare. Het verwachte aantal bezoekers van een evenement is lastig in te schatten. Ten aanzien van vergelijkbare evenementen kan worden uitgegaan van 1000 tot 1500 bezoekers en werknemers op het evenement. Als wordt uitgegaan dat 80% van de bezoekers met ten minste twee personen in één auto komen, dient er te worden voorzien in 600 parkeerplaatsen. Het stuk grond van 0,8 hectare is groot genoeg om tijdens evenementen te voorzien in voldoende parkeergelegenheid.

Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren levert geen belemmeringen op. 6.5

Bedrijven en milieuzonering De uitgave "Bedrijven en milieuzonering 2009" (paarse boekje) wordt door de VNG niet meer geschikt bevonden om toe te passen onder de Omgevingswet. De Omgevingswet biedt meer mogelijkheden om een lokale afweging op maat te maken. Hiervoor heeft de VNG in 2019 een regel-systematiek gepubliceerd onder de naam "Milieuzonering nieuwe stijl". Deze nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën en de daarbij behorende richtafstanden. De nieuwe VNG-handreiking “Activiteiten en milieuzonering” vervangt de publicaties Bedrijven en milieuzonering uit 2009 en Milieuzonering Nieuwe Stijl uit 2019. In het kader van de Omgevingswet en de bijbehorende handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' van de VNG, wordt in dit omgevingsplan aandacht besteed aan de integratie van ruimte en milieu. Milieuzonering speelt hierbij een cruciale rol om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te waarborgen en om hinder en risico's voor de leefomgeving te minimaliseren. In paragraaf 1.4 van de milieuzonering nieuwe stijl is aangegeven, dat voor zover de huidige bestemmingsplannen nog van kracht zijn (dit geldt ook voor omgevingsplannen van rechtswege), bij inpassing van een (bedrijf-) activiteit of gevoelige functie, de VNG-systematiek uit 2009 nog van kracht blijft.

Voor (de beoordeling van) dit plan wordt daarom nog gebruik gemaakt van de VNGpublicatie 'Bedrijven en milieuzonering 2009’.

77

6.5.1

VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering In de brochure Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009) wordt een handreiking gegeven voor het verantwoord inpassen van bedrijfsactiviteiten in de omgeving. De handreiking geeft informatie over een aantal ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala van bedrijfsactiviteiten. In deze handreiking worden bedrijven ingedeeld in verschillende categorieën, al naar gelang de mate van hinder en inpasbaarheid. Ook maakt de handreiking onderscheid in verschillende gebiedstypen zoals een rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied. Aan de hand van de categorie-indeling kan bepaald worden of, en eventueel onder welke voorwaarden, een bedrijf inpasbaar is in de omgeving. Er zijn weinig functies in de omgeving en het plangebied is niet gelegen aan een hoof infrastructurele weg, de omgeving wordt derhalve gekenmerkt als een rustige woonwijk. In de omgeving van het plangebied zijn enkele milieubelastende activiteiten (bedrijven) aanwezig. Ten zuidwesten van het projectgebied op een afstand van circa 300 meter van de beoogde bedrijfswoning is een schutterij gelegen. Bij de schutterij wordt met geweren en met kruisbogen geschoten op een buitenbaan. Vanuit de VNG-publicatie dient 1500 meter (buitenbaan: geweerbanen) afstand gehouden te worden ten opzichte van gevoelige objecten.

Tussen de schutterij en de beoogde bedrijfswoning is een gebied gelegen welke is bestemd voor natuur en zijn op korte afstand van de schutterij (circa 150 meter) reeds woningen gelegen. Hierdoor wordt de schutterij niet verder in hun handelingen belemmerd. Daarnaast zal de aangelegde natuur het geluid dempen en mogelijke gevaren opvangen van de schutterij. Hierdoor vormt dit geen belemmering voor de ontwikkeling. Daarnaast zijn er twee functies die in de verdere omgeving zijn gelegen die een milieucontour hebben. Het gaat om een agrarisch bedrijf dat op een afstand van ongeveer 500 meter is gelegen (Nistelrodesedijk 5 te Vorstenbosch) waar melkrundvee en jongvee wordt gehouden. Op een afstand van ruim 500 meter (vanaf de nieuwe bedrijfswoning) is aan Lendersgat 1 in Vorstenbosch een horecagelegenheid gelegen. Voor een melkrundveehouderij geldt een aan te houden afstand van 100 meter (rustige woonwijk) en voor een horecabedrijf geldt een aan te houden afstand van maximaal 30 meter (discotheken). Er wordt voldaan aan de indicatief aan te houden afstanden, waardoor geen sprake is van en een belemmering of onderzoeksplicht ten opzichte van de huidig bestaande functies. Andersom geldt dat de uitbreiding van het bouwvlak geen negatief effect mag hebben op bestaande of toekomstige gevoelige functies.

De dichtstbijzijnde woning bevindt zich aan Lendersgat 13 en bevindt zich op een afstand van circa 60 meter van de rand van het bestaande bouwvlak. Deze afstand wordt met de ontwikkeling niet verkleind. De uitbreiding gaat de andere kant uit, daardoor kan gesteld worden dat er geen negatief effect ontstaat op de huidige woning. Het recreatief/horecagedeelte bevindt zich aan de zijde van de Leeghandseweg en is begrensd op de verbeelding. Conform de VNG-brochure 78

geldt voor horeca en (verblijfs)recreatie de volgende indicatief aan te houden richtafstanden: functie

Indicatief aan te houden afstanden geur stof geluid gevaar

Hotels en pensions met keuken, conferentieoorden en congrescentra Kampeerterreinen, vakantiecentra e.d. (met keuken) Restaurans, cafetarie, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d. Cafe’s, bars Discotheken en muziekcafé’s Kantines Cateringbedrijven

10

0

10

10

Grootste afstand 10

30

0

50

30

50

10

0

10

10

10

0 0

0 0

10 30

10 10

10 30

10 10

0 0

10 30

10 10

10 30

Het is lastig om de activiteiten in een hokje te plaatsen. Er is sprake van een stukje horeca (terras), een stukje overnachten (hotel) en een keuken. Wanneer we uitgaan van de meest extreme vorm (vakantiecentra’s en kampeerterrein en (met keuken), dan geldt een indicatief aan te houden afstand van 50 meter. Deze afstand is gerelateerd aan het aspect geluid. in onderstaande tabel is de afstand van het aanduidingsvlak voor recreatie ten aanzien van de bestaande gevoelige functies in de omgeving weergegeven. adres

Lendersgat 13 Lendersgat 15 Bergweg 13

Afstand aanduidingsvlak 167 m 240 m 230 m

tot Indicatief aan te Voldoet? houden afstand (maximale variant 50 m Ѵ 50 m Ѵ 50 m Ѵ

Aangetoond is dat ruim wordt voldaan aan de indicatief aan te houden afstanden, zelfs als de maximale variant wordt toegepast. Onderzoek naar geluid is derhalve niet noodzakelijk. Het initiatief zorgt niet voor een overlast gevende situatie in de omgeving.

79

80

HOOFDSTUK 7.1

7 Juridische planopzet

Wijzigingsbesluit Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan. De ontwikkeling op deze locatie is in strijd met in het tijdelijke deel onderdeel uitmakende de vigerende bestemmingsplannen, waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden. Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22r van het omgevingsplan.

Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling aan (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling van. Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over de het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen.

Hoofdstuk 2 - functies en activiteiten

Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op de (nog tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Voor onderhavig voorbeeld-TAM-omgevingsplan voor de is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel omgevingsplan gemeente Bernheze. Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet.

81

Hoofdstuk 3: Algemene regels

Voor dit hoofdstuk zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels in die gelden voor het gehele grondgebied van de ontwikkellocatie.

Hoofdstuk 4: Overgangsrecht

In TAM-omgevingsplannen hoeven geen bepalingen te worden opgenomen voor het overgangsrecht. Echter, in onderhavig voorbeeld TAM-omgevingsplan wordt een nieuwe bedrijfswoning gerealiseerd. Daarnaast zullen de bedrijfsactiviteiten zich richten op landschaps- en natuurbeheer door begrazing (schapen), recreatie, educatie en fokken, africhten en berijden van paarden. Hiervoor zal een ontmoetingscentrum met horeca, educatieve doeleinden en overnachtingen voor maximaal 30 personen gerealiseerd worden samen met een nieuw verblijf voor het houden van dieren en opslag van agrarische materieel en voer en een nieuwe familiestal voor paarden. Daarom zijn er overgangsrechtelijke bepalingen opgenomen, zodat de bestaande functies mogen worden voortgezet zolang de nieuwe ontwikkeling nog niet is gerealiseerd.

Bijlagen bij de regels

Conform kernvereiste 1 wordt er zo min mogelijk gebruik gemaakt van bijlagen bij regels, om het plan zo overzichtelijk mogelijk te houden. Voor dit plan zijn er wel een bijlagen opgenomen bij de regels.

Verbeelding

De verbeelding die is opgesteld voor het voorbeeld TAM-omgevingsplan dient te worden opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat er op de verbeelding wel 'bestemmingen' zijn te zien, en dat specifieke functies alszijnde 'functieaanduidingen' worden benoemd. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijke plannen komt. Voor een weergave van de analoge kaart, zie 7.2.

82

7.2

Analoge kaart

Figuur 29 Analoge kaart

83

HOOFDSTUK

8 Uitvoerbaarheid

8.1

Economische uitvoerbaarheid In deze paragraaf wordt toegelicht hoe de economische uitvoerbaarheid is gewaarborgd.

8.1.1

Kostenverhaal Op grond van artikel 13.11 Ow is de gemeente verplicht kosten bij bouwactiviteiten en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. De gemeente maakt voor dit gebied verhaalbare kosten (conform de kostensoortlijst, bijlagen IV bij art. 8.15 Ob). Dit houdt in dat de een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow) moet afgeven om haar kostenverhaal publiekrechtelijk te waarborgen, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte en/of een anterieure overeenkomst, cofinanciering, subsidies, gemeentelijk krediet, de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn. Deze verhaalbare kosten worden verhaald middels een anterieure overeenkomst (zoals bedoeld in artikel 13.13 Ow). Het is daardoor niet noodzakelijk om kostenverhaalsregels op te stellen. Het verhaal van kosten is daarmee anderszins verzekerd.

8.1.2

Nadeelcompensatie Ingeval voor realisatie van het onderhavige initiatief een schadeveroorzakend besluit nodig is als bedoeld in artikel 15.1, eerste lid de Omgevingswet, kan dit tot voor vergoeding in aanmerking komende schade leiden. De gemeente verhaalt de kosten die zij hiervoor maakt middels de hiervoor genoemde anterieure overeenkomst. Zodoende is voor wat betreft nadeelcompensatie de uitvoerbaarheid van het initiatief geborgd (zoals bedoeld in artikel 13.3C Ow).

8.2

Maatschappelijk Deze onderbouwing evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt aan de gemeente Bernheze voorgelegd welk gedurende 8 weken de tijd heeft een besluit te nemen. Wanneer sprake is van benodigde afstemming met de Provincie zullen deze 8 weken verlengd worden tot 12 weken.

8.2.1

Procedure Voor het wijzigen van het tijdelijke Omgevingsplan van Bernheze dient de reguliere procedure, zoals beschreven in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te worden doorlopen. De aanvraag wordt ingediend via het DSO. De beslistermijn begint te lopen vanaf het moment van ontvangst van de aanvraag. Als het bevoegd gezag de beslissing op de aanvraag aanhoudt, begint de termijn te lopen op de dag waarop de aanhouding eindigt. De beslistermijn is normaliter 8 weken. Het bevoegd gezag kan de beslistermijn 1 maal met maximaal 6 weken verlengen. 84

Het bevoegd gezag maakt het besluit tot verlenging bekend aan de aanvrager binnen de beslistermijn (artikel 16.64, lid 1 en 2, Omgevingswet, en 4:14 Awb). Bij een besluit op aanvraag geeft het bevoegd gezag kennis van dat besluit tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking. Het geeft kennis in een zelf uitgegeven elektronische publicatie (gemeenteblad, provinciaal blad, et cetera) via DROP. In de kennisgeving (artikel 16.64, lid 3, en artikel 16.64a Omgevingswet) staat: • Een zakelijke weergave van de inhoud; • Dat geen omgevingsvergunning nodig is, als het bevoegd gezag vindt dat dit het geval is; • Dat het gaat om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, als dit het geval is. Een vergunning welke is voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure, treedt in werking met ingang van de dag na de dag waarop het bevoegd gezag het besluit bekend heeft gemaakt. 8.2.2

Bezwaar/beroep Na het verlenen van de vergunning kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank tegen de verleende vergunning. Tot slot kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

85

HOOFDSTUK 9.1

9 Belangenafweging en conclusie

Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL)? Tot voor kort woonden en werkten de initiatiefnemers in Odiliapeel, maar hun wortels liggen in Vorstenbosch. Ze hebben de mogelijkheid gekregen om een agrarisch bedrijf te kopen aan Lendersgat 15. Een plek die op de rand van agrarisch landschap, heide en stuifduinen is gelegen. Een ideale plek voor hun (gewenste) activiteiten met betrekking tot Natuurgrazers Landschapsbeheer, VDT horses in combinatie met een ontmoetingsruimte. De aangekochte gronden hebben niet alleen betrekking op het agrarisch bouwvlak, maar ook op de aangrenzende gronden. De bedrijfsactiviteiten van de initiatiefnemers richten zich op landschaps- en natuurbeheer door begrazing (schapen), recreatie, educatie en fokken, africhten en berijden van paarden. Alle activiteiten zijn gerelateerd aan natuur, landschap, cultuurhistorie en beleving. In de huidige situatie gebeurt dit veel op locatie en hebben de initiatiefnemers geen echte thuisbasis om die activiteiten te laten landen. De locatie aan Lendersgat 15 te Vorstenbosch is perfect gelegen voor hun gewenste bedrijfsactiviteiten. Aan de rand van de Bedafse Bergen, waar landschaps- en natuurontwikkeling een plek heeft, waar recreatieve routes lopen en ook een plek is voor agrarische activiteiten.

In feite is De Bedafse Hoeve een ontmoetingscentrum, waar verschillende onderdelen een logisch concept vormen. Om het bedrijfsconcept te laten landen is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk. Het huidige bouwvlak is te klein (0,5 hectare) en moet worden uitgebreid naar 1,5 hectare. Daarnaast bieden de huidige regels te weinig ruimte om het concept te kunnen laten functioneren. Onderhavige ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan binnen het huidige planologisch-juridische kader. Binnen de kaders van het geldende tijdelijke omgevingsplan zijn ook geen afwijkings- en/of wijzigingsregels opgenomen waarmee het initiatief kan worden toegestaan. Door het wijzigen van het tijdelijke omgevingsplan middels een WOP, kan het initiatief mogelijk worden gemaakt. De ontwikkeling wordt niet belemmerd door aanwezige, storende milieuaspecten en de benodigde voorzieningen zijn reeds in het projectgebied aanwezig. Bovendien zal, gezien de bestaande situatie, geen schade worden toegebracht aan natuur- of landschapselementen en -structuren. Conclusie Op basis van het voorgaande wordt door de initiatiefnemer dan ook geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling vanuit het oogpunt van een goede fysieke leefomgeving aanvaardbaar en haalbaar is. Derhalve is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 86

9.3

Verwerken TAM-omgevingsplan Vóór 2032 moet dit TAM-IMRO omgevingsplan worden omgezet naar het integrale omgevingsplan in STOP. Voor het omzetten moet een wijzigingsbesluit in STOP worden genomen. Het ministerie van BZK heeft de intentie uitgesproken om in de wet- en regelgeving vast te leggen dat regels in het STOP omgevingsplan die inhoudelijk gelijk zijn aan het TAM-IMRO plan niet opnieuw appellabel worden bij het overbrengen.

87

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=2d756a4a-b14a-4970-8d2d-79060ba5a2ad