Toelichting
Tekst van het document
Zoggelsestraat ong (nabij 81) Toelichting Heesch
Herontwikkeling Vinkelsestraat 135, 139 en 139a
NL.IMRO.1721.ZoggelsestraatongGemeente ‘s-Hertogenbosch ON01 Gemeente Bernheze
Colofon Rapport: Zoggelsestraat ong (nabij 81) Heesch Rapportnummer: 2018.0398 Status: Ontwerp Datum: 6 april 2021 Projectlocatie Zoggelsestraat ongenummerd (naast 81) 5384 VD Heesch Opdrachtnemer Reland Bezoekadres: Burg. Verdijkplein 1 5835 AR Beugen Correspondentieadres: Postbus 186 5830 AD Boxmeer www.reland.nl Projectleiding Reland Ing. G. Peters Senior Adviseur 06 – 131 511 48 Giel@reland.nl
© april 2021 Reland
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Reland. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Reland verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving.
2
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding ................................................................................................................ 1 1.1
Aanleiding ............................................................................................................ 1
1.2
Begrenzing plangebied ........................................................................................ 1
1.3
Leeswijzer ............................................................................................................ 2
Hoofdstuk 2 Huidige situatie omgeving .................................................................................... 3 2.1
Inleiding ................................................................................................................ 3
2.2
Ligging in de gemeente Bernheze ....................................................................... 3
2.3
Ruimtelijke structuur ............................................................................................ 4
2.4
Functionele structuur ........................................................................................... 4
2.5
Geldend bestemmingsplan .................................................................................. 5
2.6
Huidige aanwezige bebouwing en gebruik plangebied ....................................... 6
Hoofdstuk 3 Planbeschrijving ................................................................................................... 7 3.1
Ontwikkeling ......................................................................................................... 7
3.2
Mogelijkheden bestemmingsplan ........................................................................ 7
3.3
Landschappelijke inpassing ................................................................................. 7
3.3.1 Stedenbouwkundige opzet ................................................................................. 7 3.3.2 Landschappelijke inpassing ............................................................................... 8 HOOFDSTUK 4 Beleidskader ................................................................................................ 10 4.1
Rijksbeleid .......................................................................................................... 10
4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ............................................................ 10 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening .................................................. 11 4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking ............................................................. 11 4.2
Provinciaal beleid ............................................................................................... 12
4.2.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening, Noord-Brabant ....................................... 12 4.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ............................................... 14 4.3
Gemeentelijke beleid ......................................................................................... 17
4.3.1 Structuurvisie Bernheze, gemeente Bernheze ................................................ 17 HOOFDSTUK 5 Omgevingsaspecten .................................................................................... 20 5.1
Milieu .................................................................................................................. 20
5.1.1 M.e.r. plicht ....................................................................................................... 20 5.1.2 Bodem .............................................................................................................. 20 5.1.3 Lucht ................................................................................................................. 21
3
5.1.4 Geur ................................................................................................................. 22 5.1.5 Geluid ............................................................................................................... 24 5.1.6 Externe veiligheid ............................................................................................. 25 5.1.7 Bedrijven en milieuzonering ............................................................................. 30 5.1.8 Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen ....................................................... 31 5.1.9 Volksgezondheid .............................................................................................. 31 5.1.10 Spuitzones gewasbescherming ..................................................................... 33 5.2
Water.................................................................................................................. 33
5.3
Natuur ................................................................................................................ 34
5.4
Archeologie ........................................................................................................ 36
5.5
Landschap en cultuurhistorie ............................................................................. 36
5.6
Verkeer............................................................................................................... 37
5.6.1 Mobiliteit ........................................................................................................... 37 5.6.2 Parkeren ........................................................................................................... 37 HOOFDSTUK 6 Uitvoerbaarheid ............................................................................................ 38
BIJLAGEN Bijlage I Bijlage II Bijlage III Bijlage IV Bijlage V Bijlage VI Bijlage VII Bijlage VIII
6.1
Economische uitvoerbaarheid ........................................................................... 38
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................... 38
– – – – – – – –
Landschappelijke inpassing Verkennend bodemonderzoek Akoestisch onderzoek Waterparagraaf QuickScan Flora en Fauna Stappenplan Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 Advies veiligheidsregio Omgevingsdialoog
4
Hoofdstuk 1.1
1 Inleiding
Aanleiding De initiatiefnemer is in het bezit van een aantal gronden ter plaatse van de Zoggelsestraat ongenummerd (naast 81) te Heesch, gemeente Bernheze. Oorspronkelijk was er de wens om de gronden in ontwikkeling te brengen door er ter plaatse twee Ruimte-voor-Ruimtewoningen te realiseren. Middels een principeverzoek is hiervoor om medewerking van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bernheze gevraagd. Op 8 oktober 2018 heeft het college hierop een gedeeltelijk positief principeakkoord op gegeven. In deze brief geeft de gemeente aan dat het verzoek in strijd is met het bestemmingsplan, maar op basis van de eerste beoordeling gedeeltelijk voorstelbaar is. De gemeente stelt dat de realisatie van twee Ruimte-voor-Ruimtewoningen op deze plek stedenbouwkundig niet akkoord is. De locatie ligt binnen het halfopen landschap, waar zich rondom de kruising van de Zoggelsestraat en de Raktstraat een klein bebouwingscluster bevindt. Het bebouwingscluster bestaat voornamelijk uit boerderijachtige woningen op grote percelen met doorzichten op het achterland. Het toevoegen van twee Ruimte-voor-Ruimtewoningen past volgens de gemeente niet binnen de bestaande structuur, doordat niet dezelfde ruime opzet in percelen, openheid en doorzichten naar het achterland behaald kan worden.
Het toevoegen van één Ruimtevoor-Ruimtewoning op deze plek is vervolgens wel akkoord bevonden. De gemeente stelt hieraan wel een aantal voorwaarden. De initiatiefnemer is met deze voorwaarden aan de slag gegaan en heeft op basis hiervan het oorspronkelijke perceel reeds gesplitst. De initiatiefnemer wenst dan ook één Ruimte-voor-Ruimtewoning te ontwikkelen op dit nieuwe perceel. Het realiseren van een Ruimte-voor-Ruimtewoning is alleen mogelijk via een nieuw bestemmingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient dan ook een bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen. Onderliggend document betreft de ruimtelijke onderbouwing, die als toelichting aan het bestemmingsplan wordt toegevoegd. In dit document wordt het plan toegelicht, gemotiveerd en onderbouwd.
1.2
Begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen aan de Zoggelsestraat ong. (naast 81) te Heesch, in het buitengebied van de gemeente Bernheze. Het plangebied ligt op circa 1.5 kilometer ten westen van de kern Heesch. De planlocatie ligt nabij het bebouwingscluster rondom de kruising van de Zoggelsestraat en de Raktstraat. Op de volgende pagina is op figuur 1 de ligging van het plangebied weergegeven. Het plangebied betreft het perceel aan de Zoggelsestraat dat kadastraal bekend staat als gemeente Heesch, sectie F, perceelnummer 1100 en heeft een oppervlakte van circa 3.000 m2.
1.3
Leeswijzer De toelichting van dit bestemmingsplan bestaat uit zes hoofdstukken en enkele bijlagen. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie. In hoofdstuk 3 wordt de gewenste situatie beschreven. Vervolgens is in hoofdstuk 4 een toets op het relevante Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid beschreven. Hoofdstuk 5 beschrijft de milieutechnische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Tot slot voorziet hoofdstuk 6 in de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
Figuur 1. Ligging plangebied (plangebied rood omkaderd).
2
Hoofdstuk 2.1
2 Huidige situatie omgeving
Inleiding In dit hoofdstuk is een beschrijving gegeven van de omgeving waarin het plangebied zich bevindt. De beschrijving richt zich op de huidige structuren, kenmerken, functies en waarden van de omgeving van het plangebied.
2.2
Ligging in de gemeente Bernheze Het plangebied is, zoals eerder aangegeven, gelegen naast de Zoggelsestraat 81 te Heesch in het noordoosten van het buitengebied van de gemeente Bernheze. Het is onderdeel van het bebouwingscluster ter plaatse van de kruising Zoggelsestraat en de Raktstraat ten westen van de kern van Heesch. In figuur 2 is de ligging van het plangebied in de gemeente Bernheze weergegeven.
Plangebied
Figuur 2. Ligging plangebied binnen de gemeente Bernheze.
3
2.3
Ruimtelijke structuur Het plangebied is gesitueerd op circa 1.500 meter ten westen van de kern van Heesch (zie figuur 3). Ten noorden van het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 800 meter de rijksweg A59. Het plangebied wordt direct ontsloten door de Zoggelsestraat. Deze weg leidt in oostelijke richting naar het centrum van Heesch. Richting het zuidoosten leidt de Zoggelsestraat naar de kern van Vinkel. De Zoggelsestraat heeft een landelijk en halfopen karakter met aan weerszijden laanbomen. Aan de Zoggelsestraat zijn met name woonboerderijen met paardenbakken en akkerbouwbedrijven met agrarische percelen ten behoeve van maisteelt en grasland gelegen.
Zoggelsestraat ri. Heesch
Zoggelsestraat ri. Vinkel
Figuur 3. Uitsnede topografische kaart (plangebied rood omcirkeld).
2.4
Functionele structuur De Zoggelsestraat wordt gekenmerkt door voornamelijk bebouwing ten behoeve van wonen (zie figuur 4 op de volgende pagina). In de omgeving zijn nog enkele agrarische bedrijven gevestigd. Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf ligt ten westen van de planlocatie op een afstand van circa 120 meter. Dit betreft een intensieve varkenshouderij met een vergunning voor maximaal 1809 varkens/biggen. Op circa 250 meter ten zuiden van het plangebied is tevens een intensieve veehouderij gelegen, de bijbehorende milieuvergunning is voor deze locatie echter ingetrokken. Middels een apart bestemmingsplan is deze locatie inmiddels omgezet naar de bestemming agrarisch. Ten noorden van het plangebied is op een afstand van circa 350 meter een kleinschalige melkveehouderij gevestigd. Naast de agrarische bedrijvigheid zijn er in de omgeving tevens drie bedrijven gevestigd die zijn gericht op detailhandel, transport en interieurbouw.
4
Figuur 4. Functionele structuur in de omgeving.
2.5
Geldend bestemmingsplan Voor het plangebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’ (vastgesteld 0810-2014) vigerend. In figuur 5 is een uitsnede van het bestemmingsplan weergegeven met daarop de planlocatie. Hierop is te zien dat ter plaatse de enkelbestemming ‘Agrarisch’ geldt. Binnen de bestemming agrarisch is het op dit moment niet mogelijk om hier een woning te realiseren en/of te wonen en zijn er ook geen wijzigingsbevoegdheden opgenomen om dit mogelijk te maken. Naast de enkelbestemming ‘agrarisch’ is ter plaatse van het plangebied tevens de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ opgenomen. Dit houdt in dat wanneer er bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 centimeter worden gerealiseerd, een archeologisch onderzoek plaats dient te vinden om eventuele archeologische waarden veilig te stellen. Voor het plangebied zijn daarnaast twee gebiedsaanduidingen opgenomen: ‘reconstructiewetzone extensiveringsgebied’ en ‘wro-zone-woonwerkontwikkelingsgebied. Dit houdt in dat intensieve veehouderijen worden beperkt in hun ontwikkelingsmogelijkheden en het beleid gericht is op de ontwikkeling van een aantrekkelijk en gevarieerd woon- en werkklimaat.
5
Figuur 5. Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Bernheze' (plangebied rood omcirkeld).
2.6
Huidige aanwezige bebouwing en gebruik plangebied Op het plangebied is momenteel geen bebouwing aanwezig (zie figuur 6). Het plangebied bestaat momenteel uit grasland wat wordt gebruikt om hobbymatig paarden te laten grazen.
Figuur 6. Luchtfoto plangebied - grondgebruik.
6
Hoofdstuk 3.1
3 Planbeschrijving
Ontwikkeling De initiatiefnemers wensen in het kader van de Ruimte-voor-Ruimteregeling een woning te realiseren op het perceel naast hun huidige woning. De woning zal aansluiten bij het bebouwingscluster. De woning zal landschappelijk worden ingepast en gesitueerd zoals wordt beschreven in hoofdstuk 3.3 ‘Landschappelijke inpassing’.
3.2
Mogelijkheden bestemmingsplan Vanuit het bestemmingsplan worden geen mogelijkheden geboden om direct een woning te realiseren ter plaatse van het plangebied. Echter biedt de Ruimte-voorRuimteregeling van de provincie wel mogelijkheden voor nieuwvestiging. Elke nieuwe woning in het buitengebied vraagt om een nadere planologische afweging. Het bestemmingsplan biedt hiervoor geen rechtstreekse rechten. Buitenplans kan de beleidsregel ‘Ruimte-voor-Ruimte’ toegepast worden. Deze is gebiedsgericht begrensd, conform de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.
3.3
Landschappelijke inpassing In deze paragraaf wordt de landschappelijke inpassing van het initiatief in de omgeving beschreven. Allereerst wordt de stedenbouwkundige opzet kort verantwoord. Daarna zal de landschappelijke inpassing worden beschreven. In bijlage I (Ruimte voor Ruimte Zoggelsestraat Heesch- Stedenbouwkundig en landschappelijk voorstel) is het volledige rapport terug te vinden. De ligging van de nieuwe Ruimte-voor-Ruimtewoning wordt gelegitimeerd in de stedenbouwkundige opzet. Daarin worden uitgangspunten voor de nieuwe woning met het bijgebouw en de inrit vastgelegd. Met de landschappelijke inpassing wordt de stedenbouwkundige opzet ingepast in zijn omgeving. 3.3.1 Stedenbouwkundige opzet De woningen aan de Zoggelsestraat staan op diverse afstanden van de straat. De laan is onderbroken, daar waar de woning kort op de straat staat. De woningen staan verder van de straat als de laan doorloopt. Ter hoogte van het plangebied loopt de eikenlaan door, waardoor de nieuwe Ruimte-voor-Ruimtewoning verder van de straat wordt geplaatst. De afstand tot de rijbaan wordt zoals de woning aan de overkant 17m (zie figuur 7 op de volgende pagina). De woning staat uit het midden op de kavel, waardoor een zichtlijn vanaf de Zoggelsestraat ontstaat op het achterland. Hierdoor blijft het langgerekte karakter van het landschap behouden.
De nieuwe woning en het bijgebouw liggen in het bouwvlak. De woning is in bouwvolume 1 laag met kap. De kap ligt parallel aan de Zoggelsestraat. Het bijgebouw
7
staat achter de voorgevel ten oosten van de hoofdwoning. Hierdoor ontstaat achter de woning een warme hoek voor een mogelijk terras.
Figuur 7. Stedenbouwkundige opzet.
De inrit wordt ingepast tussen de bestaande eikenlaan conform voorstel stedenbouwkundige opzet en detaillering conform bijlage I. De locatie van de nieuwe inrit wordt afgestemd op de standplaats van de bomen. De bomen staan op onderlinge afstand van 10m. De 4m brede inrit staat op hartafstand van 3m uit de boom, waardoor men ruim buiten de kwetsbare zone van 1,5m uit het hart van de boom blijft (zie boomposter ‘Werken rond bomen’ uit Handboek Bomen 2018). In de bestaande waterloop wordt ter plaatse van de inrit een duiker geplaatst .De architectuur van de woning met bijgebouw zijn landelijk door de boerderijstijl. Het bijgebouw is ondergeschikt aan de hoofdwoning. De materialen zijn sober en natuurlijk, zoals rood-bruine baksteen in combinatie met houten details en elementen. Het dak bestaat ui gesmoorde pannen al dan niet in combinatie met riet. Mogelijk dat er eigentijdse details aan de bouw worden toegevoegd. 3.3.2 Landschappelijke inpassing Om de langgerekte kleinschalige kavelstructuur te benadrukken worden op de oost- en westgrens struweelhagen geplant. Deze hagen vormen een eigen groene kamer binnen de kleinschalige strucutuur aan de Zoggelsestraat. Tevens vormt de oostelijke haag een afscherming met het bestaande boerenerf van de buren met de nieuwe Ruimte-voor-Ruimtewoning.
8
De voortuin is afgeschermd met een ligusterhaag. Hierbij wordt rekening gehouden met de bestaande waterloop. Naast de inrit wordt een markante solitaire boom geplant. Er is ruimte voor 2 parkeerplaatsen achter de voorgevellijn. Het zicht op het achterland blijft ten westen van de woning behouden. Tussen de struweelhaag en tuin blijft een deel agrarische grond, bij voorkeur weiland. De haag vormt een visuele geleiding naar het achterland. Tevens vormt de struweelhaag het een landschappelijke afscheiding tussen de buren, waardoor een dichte erfafscheiding van de tuin minder noodzakelijk is. Het regenwater wat op daken en verharding valt (36m³, conform berekening) kan infiltreren in de nieuwe greppel aan de achterzijde van het perceel. Hier is ruimte voor 36m³ over een lengte van 45m conform onderstaand profiel. Greppel staat niet in verbinding met de overige waterlopen.
Figuur 8. Landschappelijk inpassingsplan.
9
HOOFDSTUK 4.1
4 Beleidskader
Rijksbeleid 4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze structuurvisie wordt een samenhangende visie gegeven op het Nederlands Rijk tot 2040. Kernwoorden in het SVIR zijn concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De belangrijkste verandering is het terugtreden van de Rijksoverheid op het gebied van ruimtelijke ordening. Lagere overheden, waaronder provincies en gemeenten krijgen een grotere rol volgens het principe ‘decentraal, tenzij…’. De gebruiker moet weer centraal komen te staan. Het Rijksbeleid richt zich daarom op het vereenvoudigen van de regelgeving. Hierdoor zal de bestuurlijke druk afnemen en ontstaat ruimte voor regionaal maatwerk. De verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal laat het Rijk over aan de provincies. Het Rijk versterkt de samenhang tussen de verschillende modaliteiten en tussen ruimtelijke ontwikkelingen en mobiliteit. Het Rijk heeft drie streefdoelen geformuleerd waaraan 13 nationale belangen zijn gekoppeld. Het Rijk heeft voor heel Nederland twee nationale doelen gesteld (nummer 4 en nummer 8).
Daarin wordt gesteld dat efficiënt gebruik van de ondergrond van belang is (zorgvuldig ruimtegebruik) en het verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water), bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. De overige doelen en belangen zijn geografisch weergegeven in de Nationale hoofdstructuur. Het plangebied is binnen één onderdeel van de Nationale Hoofdstructuur gelegen. Hierdoor zijn in dit geval naast de algemene regels, ook de aanvullende regels vanuit dit nationale belang van belang. De planlocatie ligt in dit geval binnen het ‘Radar verstoringsgebied’, hierdoor zijn er in dit gebied beperkte mogelijkheden voor windmolens en hoge gebouwen. Conclusie Bij het realiseren van een Ruimte-voor-Ruimtewoning dienen de regels met betrekking tot zorgvuldig ruimtegebruik in acht te worden genomen. De provincie heeft in die lijn beleidsregels vastgesteld waarbinnen mogelijkheden zijn om de realisatie te voltrekken. Wanneer de ontwikkeling conform die regels wordt gerealiseerd is deze in overeenstemming met de SVIR. De voorgenomen ontwikkeling betreft geen hoogbouw welke van invloed zou kunnen zijn op het ‘radar verstoringsgebied’ waarbinnen het plangebied ligt. Het nationaal belang wordt dus geborgd en vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
10
4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'neetenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. In dit geval wordt gebruik gemaakt van een buitenplanse procedure, de ontwikkeling kan buiten het bestemmingsplan mogelijk gemaakt worden, omdat de ontwikkeling passend is binnen het provinciale beleid. Voor het overige worden er geen toevoegingen of overwegingen gemaakt om extra mogelijkheden of een gradatie in mogelijkheden op te nemen. Het Barro is dan ook niet relevant voor deze ontwikkeling.
Conclusie Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt in onderhavig bestemmingsplan die in strijd zijn met één van de nationale belangen. Daarnaast is de ontwikkeling van kleinschalige aard waardoor verdere toetsing aan het Barro niet noodzakelijk is. 4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Deze systematiek is opgenomen in artikel 3.1.6 Bro. De Ladder voor duurzame verstedelijking is in principe een uitwerking van Nationaal belang 4, efficiënt gebruik van de ondergrond, oftewel zorgvuldig ruimtegebruik. De Ladder is ervoor bedoeld dat zorgvuldig wordt nagedacht over nieuwe ontwikkelingen en de plek van nieuwe ontwikkeling. Zo gaat bijvoorbeeld inbreiding voor uitbreiding. Voor nieuwe stedelijke functies geldt daarom dat de ladder doorlopen dient te worden om te bepalen of sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. In eerste instantie is het van belang om te bepalen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Jurisprudentie heeft ervoor gezorgd dat dit begrip steeds verder gedefinieerd werd en zelfs in sommige gevallen kwantitatief kan zijn. De Ladder voor stedelijke ontwikkeling rekent een ontwikkeling van woningbouwlocaties vanaf twaalf
11
woningen als een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is, dit is voor de ontwikkeling van één woning dus niet het geval. Conclusie De realisatie van één Ruimte-voor-Ruimtewoning wordt niet gezien als Ladderplichtig. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet relevant voor deze ontwikkeling.
4.2
Provinciaal beleid 4.2.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening, Noord-Brabant Op 1 oktober 2010 hebben Provinciale Staten de structuurvisie ruimtelijke ordening voor de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Sinds de vaststelling van de Structuurvisie RO in 2010 hebben PS diverse besluiten genomen die een verandering brengen in de provinciale rol en sturing, of van provinciaal beleid. Deze besluiten zijn nu vertaald in de ‘Structuurvisie RO 2010 – partiële herziening 2014’ welke op 2 juli 2014 is vastgesteld. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De Structuurvisie is een uitvloeisel van de Wro en is één van de vier strategische plannen van de provincie. Hierin worden de provinciale ruimtelijke belangen benoemd en de wijze waarop de provincie deze belangen behartigt. Ook de instrumenten die de provincie inzet om deze doelen te bereiken, staan in de structuurvisie beschreven. De provincie heeft in de structuurvisie 14 ruimtelijke belangen geformuleerd: 1. Regionale contrasten; 2. Een multifunctioneel landelijk gebied; 3. Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; 4. Een betere waterveiligheid door preventie; 5. Koppeling van waterberging en droogtebestrijding; 6. Duurzaam gebruik van de ondergrond; 7. Ruimte voor duurzame energie; 8. Concentratie van verstedelijking; 9.
Sterk stedelijk netwerk: BrabantStad; 10. Groene geledingszones tussen steden; 11. Gedifferentieerd aanbod aan goed bereikbare recreatieve vrijetijdsvoorzieningen; 12. Economische kennisclusters; 13. (Inter)nationale bereikbaarheid; 14. Beleefbaarheid stad en land vanaf de hoofdinfrastructuur. De ruimtelijke belangen zijn voor een groot deel geografisch gevisualiseerd in de structurenkaart waardoor helder wordt welke belangen de provincie op welke plek plaatst.
12
Structurenkaart Onderhavige locatie is op de structurenkaart behorende bij de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening gelegen binnen de hoofdzone ‘Landelijk gebied’. De zone landelijk gebied is onderverdeeld in twee perspectieven, namelijk het ‘gemengd landelijk gebied’ en het ‘accentgebied agrarische ontwikkeling’. Uit de structurenkaart komt naar voren dat het plangebied gelegen is binnen het ‘Gemengd landelijk gebied’ (zie figuur 9). Daarnaast is het plangebied gelegen binnen het zogenaamde ‘Zoekgebied verstedelijking’.
Figuur 9. Uitsnede structurenkaart behorende bij de Structuurvisie 2010 Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant (plangebied rood omcirkeld).
De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is. In de gemengde plattelandseconomie is naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies, zoals toerisme, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties et cetera. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties. Rondom steden, dorpen en natuur is er in de meeste gevallen feitelijk sprake van een gemengde plattelandseconomie. In de gebieden rondom steden en dorpen is daarbij meer ruimte voor de ontwikkeling van functies die zich richten op de inwoners van die kernen. Ontwikkelingen zoals wonen, werken, (historische) landgoederen, recreatie en toerisme, passen qua aard, schaal en functie bij de omgeving en houden rekening met de omgevingskwaliteiten. Zolang binnen het zoekgebied verstedelijking nog geen verstedelijking heeft plaatsgevonden, is daar feitelijk het perspectief van gemengd landelijk gebied aanwezig. Conclusie Het plangebied ligt volgens de structuurvisie 2010 van de provincie Noord-Brabant binnen het gemengd landelijk gebied.
Binnen het gemengd landelijk gebied wordt gestreefd naar een gemengde plattelandseconomie met ruimte voor functies als wonen. 13
Daarnaast is het plangebied gelegen binnen het zoekgebied verstedelijking waarmee de provincie aangeeft dat ze hier in de toekomst kansen ziet voor verstedelijking. Het toevoegen van één Ruimte-voor-Ruimtewoning past qua aard, schaal en functie bij de omgeving en houdt rekening met de omgevingskwaliteiten. 4.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant In de structuurvisie is het provinciale belang voor de verschillende gebieden en functies in de provincie Noord-Brabant aangegeven. Deze provinciale belangen worden geborgd door de regels die opgenomen zijn in de Interim Omgevingsverordening NoordBrabant. Deze regels zijn concreet en geven mogelijkheden voor ontwikkelingen in het buitengebied van Noord-Brabant. De Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant is vastgesteld op 25 oktober 2019. In deze verordening zijn de regels over de fysieke leefomgeving opgenomen en vervangt de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en Verordening wegen. De Interim omgevingsverordening maakt onderscheid in een aantal instructieregels voor gemeenten voor bepaalde thema’s, namelijk: • Stedelijke ontwikkeling en erfgoed; • Natuur en stiltegebieden; • Grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging; • Basiskaart Landelijk gebied; • Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen.
Om deze instructieregels voor gemeenten duidelijk weer te geven voor locaties, zijn er hoofdstructuren opgesteld: − Bestaand stedelijk gebied; − Natuur Netwerk Brabant; − Groenblauwe mantel; − Gemengd landelijk gebied. Op de ‘Integrale plankaart met structuren en aanduidingen’ behorende bij de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, is te zien dat het plangebied binnen de structuur ‘Gemengd landelijk gebied’ valt. Daarnaast ligt de aanduiding ‘Stalderingsgebied’ op de locatie. Aangezien het hier de realisatie van een Ruimte-voorRuimtewoning betreft, is de aanduiding ‘Stalderingsgebied’ niet van invloed op de beoogde ontwikkeling. In figuur 10 is een uitsnede van de basiskaart ‘Landelijk gebied’ met daarop de betreffende structuren en aanduidingen op het plangebied weergegeven.
14
Figuur 10. Uitsnede basiskaart landelijk gebied. Plangebied rood omcirkeld.
Zoals eerder beschreven in paragraaf 4.2.1 wordt er in het gemengd landelijk gebied een gemengde plattelandseconomie nagestreefd waarbinnen een menging van functies voorkomt. Binnen het gemengd landelijk gebied liggen naast agrarische ontwikkelingsmogelijkheden ook mogelijkheden voor de ontwikkeling van nietagrarische functies zoals recreatie, natuur, wonen en bedrijvigheid. De ontwikkeling betreft de ontwikkeling van een burgerwoning in het kader van de Ruimte-voorRuimteregeling. Voor voorgenomen initiatief zijn binnen de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant regels opgenomen die onder bepaalde voorwaarden de ontwikkeling mogelijk maken. Nieuwvestiging van woningen wordt onder bepaalde voorwaarden mogelijk gemaakt door de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Middels de zogenaamde ruimtevoor-ruimteregeling kan een woonkavel tot ontwikkeling worden gebracht binnen het Landelijk gebied.
In artikel 3.80 ‘ruimte-voor-ruimte’ is beschreven dat een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in een ruimte-voorruimtekavel ten behoeve van de bouw van één woning, indien: er sprake is van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit; de ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt; een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd; er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling behoudens in geval de locatie ligt binnen ‘Verstedelijking afweegbaar’. De ruimte-voor-ruimtewoning wordt ontwikkeld op de locatie aan de Zoggelsestraat ongenummerd, naast nummer 81. Hiervoor wordt een ruimte-voor-ruimtetitel aangeschaft, welke staat voor de bedoelde winst van de omgevingskwaliteit (sanering intensieve veehouderij). 15
Binnen het halfopen landschap ter plaatse van de Zoggelsestraat bevindt zich rondom de kruising van de Zoggelsestraat en de Rakstraat een klein bebouwingscluster. Het bebouwingscluster bestaat uit ongeveer zeven woningen die op enige afstand van elkaar liggen. Binnen dit bebouwingscluster is verdichting mogelijk zonder dat het inbreuk doet op het halfopen landschap. De toevoeging van één Ruimte voor Ruimtewoning zorgt voor een dergelijke beperkte verdichting in het bebouwingscluster, waarbij het zicht op het achterland niet ontnomen wordt. Omdat het halfopen landschap zich voornamelijk rondom het bebouwingscluster bevindt, is er dan ook geen sprake van een aantasting van het halfopen landschap. Het bebouwingscluster bestaat voornamelijk uit boerderij-achtige woningen op grote percelen met doorzichten op het achterland. De nieuwe Ruimte-voor-Ruimte woning zal hierbij aansluiten, waarbij eenzelfde ruime perceelopzet wordt gehanteerd met openheid en doorzichten naar het achterland. Om aan te sluiten bij de situering van ruime groene voortuinen in het bebouwingscluster, zal de woning minimaal 10 meter uit de voorste perceelgrens liggen. Om voldoende doorkijk te behouden op het landschap, wordt het hoofdgebouw aan de oostzijde van het perceel gesitueerd en wordt er op de westzijde van het perceel een zichtlijn gerealiseerd.
De westzijde van het perceel zal hierbij tot 15 meter van de zijdelingse perceelsgrens geheel bebouwingsvrij zijn. Hiermee blijft het doorzicht op het achterland behouden en wordt er aangesloten bij de omliggende structuur. Volledigheidshalve wordt hier tevens verwezen naar de planbeschrijving in paragraaf 3.3 van deze toelichting. Daarnaast toont hoofdstuk 5 aan dat het een planologisch aanvaardbare plek betreft. De woning zal landschappelijk worden ingepast conform het inrichtingsplan zoals beschreven in hoofdstuk 3 en bijlage I. Het toevoegen van één woning geeft door de gekozen situering geen aanzet voor een stedelijke ontwikkeling. De ontwikkeling van de ruimte-voor-ruimtewoning op deze plek voldoet hiermee aan de voorwaarden behorende bij artikel 3.80 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Conclusie De ligging van het plangebied binnen het gemengd landelijk gebied, waar een mengeling van functies het streven is, biedt mogelijkheden voor de ontwikkeling van een woning. Ook de ligging binnen het gebied ‘verstedelijking afweegbaar’ bevestigt dat het een passende ontwikkeling op deze plek zou kunnen zijn. Artikel 3.68 ‘Wonen in Landelijk gebied’ van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant sluit nieuwvestiging van woningen in het buitengebied uit. Echter biedt artikel 3.80 ‘Ruimtevoor-Ruimte’ hier een uitzondering op.
Wanneer er sprake is van een aanzienlijke milieuen ruimtelijke kwaliteitswinst, het plangebied binnen een bebouwingsconcentratie is gelegen op een planologisch aanvaardbare plek, er geen sprake is van een aanzet voor een stedelijke ontwikkeling en de woning landschappelijk wordt ingepast, zou men in het kader van de Ruimte-voor-Ruimteregeling een woning kunnen ontwikkelen in het buitengebied van Brabant. De planlocatie voldoet aan de gestelde voorwaarden. Onderzoeken zullen aantonen dat de locatie op een planologisch aanvaardbare plek ligt. Het provinciaal beleid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
16
4.3
Gemeentelijke beleid 4.3.1 Structuurvisie Bernheze, gemeente Bernheze In de structuurvisie Bernheze, welke is vastgesteld op 11 februari 2010, staat beschreven wat de visie van de gemeente Bernheze is voor het ruimtelijk beleid en de wijze waarop zij dit tot uitvoering wil brengen in de komende periode. Bernheze wil de komende jaren nog steeds een groene gemeente zijn, met ‘rust’ en ‘ruimte’ als karaktertrekken daarbinnen. Daarvoor is het nodig dat er continu naar een balans gezocht wordt met betrekking tot die functies die Bernheze groen maken: de agrarische functies, de ecologische functies en de toeristisch-recreatieve functies. In de nabije toekomst zal steeds duidelijker worden dat vervlechting van deze functies noodzakelijk is om het kwaliteitsniveau van de groene gemeente op peil te houden. Daarbij gaat het niet zozeer om ‘meer’, maar juist om ‘meer variatie’. De kwaliteiten van de groene gemeente Bernheze zullen op deze wijze verder doorontwikkeld moeten worden. Bernheze wordt steeds meer de ‘voor- en achtertuin’ van de Bernheze omringende stedelijke gebieden, waar het prettig wonen en verblijven is.
En de ‘Bernhezer tuin’ loopt logisch door in andere groene gebieden (naar het oosten de Maashorst, gedeeltelijk in Bernheze gelegen; naar het westen de Hooge Heide Maasdonk, Rosmalen; naar het zuiden en zuidwesten het Groene Woud - Schijndel, Sint-Michielsgestel), die in samenhang ontwikkeld moeten worden, zodat de variëteit ook op regionaal niveau ontstaat. De agrarische sector blijft de drager van het landschap. Derhalve wordt ingezet op het behoud van de agrarische sector en het versneld leren omgaan met processen zoals schaalvergroting en verbreding. De aanwezige bedrijven krijgen de ruimte om zich binnen vooraf opgestelde kaders verder te ontwikkelen. Ook moet er ruimte worden geboden voor verbrede landbouw. Kleinschalige verblijfsrecreatie en/of andere activiteiten zijn een meerwaarde voor het gebied. Deze activiteiten vinden op natuurlijke wijze hun plek in het landschap, waardoor een mozaïek aan activiteiten ontstaat. De openheid van het landschap dient echter te allen tijde behouden te blijven. De ligging van de gemeente Bernheze tussen de Maashorst, de Bedafse Bergen en de Wamberg maakt het gebied ook interessant vanuit natuuroogpunt. De gemeente vervult naast natuur ook een draagfunctie voor recreatie en toerisme. Natuur en recreatie en toerisme lopen als draagfunctie deels in elkaar over, en versterken elkaar.
Een belangrijke kans wordt gevormd door het aanwezige landschap. Het landschap biedt ruimte en aanknopingspunten voor recreatief medegebruik. Het realiseren van nieuwe routestructuren en recreatieve voorzieningen op ‘knopen’ betekent een meerwaarde voor de recreant en biedt tevens een economische basis voor de instandhouding van het waardevolle landschap. Het behoud van de identiteit van het landschap en de gastvrijheid van de inwoners is van doorslaggevend belang om de recreatieve potenties optimaal te kunnen benutten. In sommige gevallen zal de drukte daarom gekanaliseerd moeten worden door slim om te gaan met concentraties, transferia, uitloopgebieden, etc. De gemeente Bernheze heeft in de structuurvisie een zogenaamde Ruimtelijk Casco kaart opgenomen welke het ontwikkelingskader voor de gemeente Bernheze betreft. Deze beleidskaart bundelt het bestaande beleid en de visie op hoofdlijnen en biedt het casco voor concrete projecten en plannen. Het vormt een afwegingskader, maar tegelijkertijd ook een inspiratiekader voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het Ruimtelijk Casco bestaat uit een kaartbeeld en toelichting. Deze twee zijn nadrukkelijk aan elkaar 17
gekoppeld. De toelichting kan beschouwd worden als een uitgeschreven legenda, waarbij per legenda-eenheid staat beschreven waar het element betrekking op heeft en welke ruimtelijke strategie erbij hoort. In figuur 11 is deze Ruimtelijke Casco kaart te zien met daarop het plangebied aangegeven.
Planlocatie
Figuur 11. Ruimtelijk Casco kaart behorende bij de Structuurvisie Bernheze.
Zoals te zien is op de Ruimtelijk Casco kaart behorende bij de Structuurvisie Bernheze, is de planlocatie gelegen in het halfopen landschap. Daarnaast duidt de Ruimtelijk Casco kaart de planlocatie aan als bebouwingscluster. Op de volgende pagina is de visie van de gemeente Bernheze beschreven voor dit landschapstype en het bebouwingscluster waar het plangebied onderdeel van is. Halfopen landschap: In de beekdalen en op de dekzandruggen rond de historische bebouwingsconcentraties heeft het agrarische gebruik van het open landschap geleid tot een halfopen landschap met oude bouwlanden, boscomplexen en kronkelende wegen. Het halfopen landschap wordt voor het grootste deel gebruikt als landbouwgrond. Door de variatie in dit halfopen landschap is er een coulisselandschap gevormd. Het voegt een kwaliteit toe aan het
18
beeld van de gemeente Bernheze en dient geconserveerd te worden. Verandering aan dit landschap moet hier ook zoveel mogelijk worden voorkomen. Bebouwingsclusters: De oorspronkelijke dorpslinten, die aan de oude routes zijn ontstaan, zijn waardevol als historische structuur. Deze zijn uitgegroeid tot een kern of zijn beperkt gebleven tot een bebouwingscluster. Strategie voor de bebouwingsclusters is het hergebruik van voormalige agrarische bedrijfslocaties voor niet-agrarische functies alsmede (beperkte) toevoeging van nieuwbouwvolume. Belangrijke randvoorwaarde voor de verruimde mogelijkheden is een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in brede zin. Een voorbeeld hiervan is sloop van bebouwing als compensatie voor verruimde mogelijkheden al dan niet in combinatie met Rood voor groen, het behoud van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of een versterking van natuur- en landschapswaarden in de omgeving. Verdichting van de bebouwingsclusters is dus in bepaalde gevallen toegestaan, indien dit tot een ruimtelijke verbetering leidt. Ook door verdunning kunnen bebouwingsconcentraties in kwalitatieve zin worden versterkt, doordat de open relaties met het landschap worden hersteld. De bestaande waardevolle doorzichten naar het buitengebied dienen gehandhaafd te blijven. Nieuwbouw dient qua maat en schaal passend te zijn in de omgeving.
Conclusie Door het realiseren van slechts één Ruimte-voor-Ruimtewoning wordt het halfopen landschap ter plaatse van het plangebied behouden. Daarnaast zal dit door de landschappelijke inpassing tevens worden versterkt. De ligging van de planlocatie binnen het bebouwingscluster biedt tevens meer mogelijkheden voor de ontwikkeling van een woning, zeker wanneer dit gepaard gaat met ruimtelijke kwaliteitswinst zoals het geval is bij de Ruimte-voor-Ruimteregeling. Het gemeentelijk beleid zal dan ook geen beperkingen opleveren voor de ontwikkeling.
19
HOOFDSTUK 5.1
5 Omgevingsaspecten
Milieu In deze paragraaf wordt ingegaan op de relevante milieuaspecten en bekeken in hoeverre er sprake is van belemmeringen voor de voortgang van het plan. 5.1.1 M.e.r. plicht Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. In het plangebied wordt één woningbouwmogelijkheid toegevoegd. Het realiseren daarvan komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen bevat, of; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Volgens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r. kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om “bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan”.
Aangezien in dit geval sprake is van een gebied dat aanzienlijk kleiner is dan 100 ha en het plan aanzienlijk minder dan 2.000 woningen omvat, is geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Aanvullend op het voorgaande is op 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt. Woningbouw kan vallen onder onderdeel D (11.2): “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Het voorliggende initiatief betreft slechts de nieuwbouw van één Ruimte-voor-Ruimtewoning. Een dergelijk kleinschalig initiatief betreft geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Als gevolg hiervan hoeft voor de ontwikkeling van de woning dan ook geen vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen. 5.1.2 Bodem In het kader van de Wro dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijzing. Omdat met de 20
voorgestane ontwikkeling (realiseren van een Ruimte-voor-Ruimtewoning) langer dan twee uur kan worden verbleven op deze plek, is in het kader van het aspect bodem, sprake van een gevoelige bestemming. Een bodemonderzoek dient aan te tonen dat sprake is van een acceptabel kwaliteit van de bodem. In bijlage II (Verkennend Bodemonderzoek Zoggelsestraat 81 te Heesch – 17215) van deze onderbouwing is het rapport opgenomen dat het bodemonderzoek beschrijft. In deze paragraaf is uitsluitend de conclusie opgenomen. Conclusie Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel Zoggelsestraat 81 te Heesch, kadastraal bekend als gemeente Heesch, sectie F, nummer 445, blijkt dat zowel de vaste bodem als het grondwater niet noemenswaardig verontreinigd zijn met de onderzochte parameters. Op basis van deze resultaten dient de hypothese, zoals verwoord in paragraaf 2.4 van het bodemonderzoek, in principe verworpen te worden. De gevolgde strategie is echter als voldoende te beschouwen. De uitvoering van een aanvullend of nader onderzoek is, ons inziens, niet zinvol. Tegen de eventuele bebouwing van de onderzoekslocatie zijn, ons inziens, geen zwaarwegende milieuhygiënische bezwaren aan te voeren. Indien grond afgevoerd moet worden van de locatie, dient rekening gehouden te worden met gebruiksbeperkingen van de vrijkomende grond.
Conform de Regeling bodemkwaliteit mag de grond slechts onder voorwaarden worden hergebruikt. Eventueel vrijkomende grond mag echter wel op de locatie worden hergebruikt. Grond die binnen de regionale bodemkwaliteitskaart wordt hergebruikt kan op basis van dit rapport hergebruikt worden. Indien de grond buiten de grenzen van de bodemkwaliteitskaart toegepast zal worden, dient een partijkeuring conform het BRL SIKB 1000 VKB protocol1001 uitgevoerd te worden of dient de grond naar een erkende verwerker afgevoerd te worden. Het aspect bodem zal geen belemmering opleveren voor de ontwikkeling. 5.1.3 Lucht Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en daarin staan de hoofdlijnen voor regeling rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen.
Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a) er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b) een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c) een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d) een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling valt onder de in de Regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen die niet in betekenende mate bijdragen 21
aan de luchtverontreiniging (het 3% criterium: de realisatie van < 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg). Daarom kan gesteld worden dat de ontwikkeling niet in betekende mate van invloed is op de kwaliteit van de lucht. Om te bepalen of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat is de achtergrondwaarde voor fijnstof en stikstofdepositie bepaald met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN). In tabel 1 zijn de achtergrondwaarden en de normen weergegeven. Tabel 1: Achtergrondwaarden en normen op basis van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland ter plaatse van het plangebied.
2016 2025 Norm
Totale concentratie (µg/m³) NO2 19.23 11.97 40
Totale concentratie (µg/m³) PM10 18.64 16.24 40
Totale concentratie (µg/m³) PM2,5 11.76 9.47 25
Uit tabel 1 blijkt dat nu en in de toekomst de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) ruim beneden de norm liggen. Hiermee kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit in het plangebied nu en in de nabije toekomst aanvaardbaar is. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling van de realisatie van één Ruimte-voor-Ruimtewoning valt onder de in de Regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. De ontwikkeling is dan ook niet in betekenende mate van invloed op de kwaliteit van de lucht. De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland tonen daarnaast aan dat de achtergrondwaarden nu en in de toekomst ruim beneden de norm blijven. Daarmee kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit in het plangebied aanvaardbaar is. 5.1.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd en vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven.
De wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. 22
De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (in dit geval een Ruimte-voor-Ruimtewoning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met een verspreidingsmodel. In de Wgv is een definitie opgenomen voor geurgevoelige objecten. Deze definitie in combinatie met verschillende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [1] heeft tot gevolg dat gesteld kan worden dat alle bebouwing waar mensen kunnen verblijven en ook als zodanig bestemd is als gevoelig object beschouwd kunnen worden. Hierdoor kan gesteld worden dat de te realiseren Ruimte-voor-Ruimtewoning als geurgevoelig aangemerkt kan worden. In dit geval wordt er een geurgevoelig object toegevoegd. Ten westen van het plangebied, op een afstand van circa 120 meter, is de enige veehouderij gelegen. Dit betreft een varkenshouderij. De varkenshouderij is momenteel omgeven door burgerwoningen, waardoor de ontwikkeling geen belemmering kan vormen voor deze veehouderij. Desondanks is toch een onderbouwing in deze paragraaf opgenomen. Het woon- en leefklimaat is wel van belang omdat een nieuwe functie wordt toegevoegd en aangetoond dient te worden of voor deze nieuwe functie wel sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.
Vanuit de Wgv is sprake van zogenaamde afstandsdieren (bijvoorbeeld melkkoeien) en dieren met een geuremissiefactor (bijvoorbeeld varkens). Voor deze laatste dieren geldt naast een vaste afstand ook een geurnorm. Voor afstandsdieren is enkel de vaste afstand van belang. In de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Bernheze 2013’ is vastgelegd dat in het buitengebied de afstand tussen een geurgevoelig object en een veehouderij ten minste 25 meter moet bedragen. Hieraan wordt voldaan. Naast toetsing op basis van de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderij, dient er ook aangetoond te worden dat ter plaatse van het plangebied een acceptabel woonen leefklimaat heerst. In de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Bernheze 2013’ is vastgelegd dat in de zogenaamde woon-werk ontwikkelingsgebieden (waarbinnen het plangebied ligt) de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het buitengebied 8 Ou/m 3 98 percentiel mag bedragen. In figuur 12 is een uitsnede van de geactualiseerde geurkaart (03-2019) behorende bij de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Bernheze 2013’ weergegeven. Op deze kaart is te zien dat ter plaatse van het plangebied een achtergrondbelasting van 5-10 OUE/m3 bedraagt. Daarnaast is te zien dat de reeds aanwezig gevoelige objecten als ‘goed’ zijn bestempeld.
Er kan dus gezegd worden dat het woon- leefklimaat ter plaatse van het plangebied goed zal zijn.
[1]
Waaronder Zaaknr:200909701/1/R1, Datum:1 september 2010
23
Figuur 12. Uitsnede geactualiseerde geurkaart 'Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Bernheze 2013' (plangebied rood omcirkeld).
Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening voor wat betreft het aspect geur, tevens zorgt de ontwikkeling niet voor extra beperkingen van veehouderijen in de omgeving. 5.1.5 Geluid In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, aangetoond dient te worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect akoestiek. Wanneer dat aan de hand is dient een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met een uitzondering van: − −
Wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; Wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.
In dit geval wordt er een nieuw geluidsgevoelig object toegevoegd, namelijk een Ruimte-voor-Ruimtewoning. Er is dan ook een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hieronder is de conclusie van dit onderzoek opgenomen. Het volledige rapport van dit onderzoek is te vinden in bijlage III (Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai – Zoggelsestraat ong. naast 81 - Rapportnr. 17773). Conclusie De nieuwe geprojecteerde woonbestemming is gelegen in de wettelijke geluidzone (=akoestisch aandachtsgebied) van de Zoggelsestraat in Heesch, gemeente Bernheze. De geluidbelasting op de maatgevende gevels van de woonbestemming vanwege het verkeer op de Zoggelsestraat inclusief de correctie ex art. 110g van de Wet geluidhinder, bedraagt ten hoogste 42 dB. Bij deze locatie wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van wegverkeerslawaai van 48 dB. Een procedure voor een hogere waarde voor de nieuwe bestemming is niet van toepassing. Met de berekende
24
geluidbelastingen tot ten hoogste 47 dB is het woon- en leefklimaat in de woning zonder nader onderzoek gewaarborgd. 5.1.6 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit.
Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten weten bij het maken van ruimtelijke keuzes.
Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of 25
moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen1. Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.
In artikel 7 van het Bevt is opgenomen dat bij het toevoegen van nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidverhogende maatregelen genomen zijn. Beleidsvisie externe veiligheid De gemeenten Lith, Maasdonk, Bernheze en Landerd hebben de Beleidsvisie externe veiligheid opgesteld met als doel het verduidelijken en nader invullen van het beleidsthema externe veiligheid. De centrale ambitie is dat de gemeenten streven naar het optimaliseren van externe veiligheid in de gemeenten. Deze ambitie is uitgewerkt in 6 deelambities: 1. In ruimtelijke plannen de bestaande veiligheidssituatie zoveel mogelijk te optimaliseren en te beheren en het ontstaan van nieuwe externe veiligheidsknelpunten te vermijden. 2. Dit wordt bereikt door allereerst de signalering van EV-relevante situaties te verbeteren door het maken van een signaleringskaart. 3.