Toelichting en regels vaststelling bestemmingsplan 'Graafsebaan 29, Heesch'
Tekst van het document
Hoofdstuk 4
28
De veiligheidsregio adviseert om de volgende maatregelen te nemen om de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in het plangebied te verhogen: Overweeg een gebruiksbeperking van de bestemming ten tijde van het uitvoeren van graafwerkzaamheden boven de gasleidingen. Indien geen mensen aanwezig zijn is het risico op slachtoffers ook nul. Informeer met name de BHV organisatie en eigenaar van de kinderdagverblijf actief over het aanwezig risico en handelingsperspectief. Adviseer hen om het beschreven scenario in het noodplan op te nemen en te beoefenen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmeringen voor de uitvoering van onderhavig initiatief.
4.8 Ecologie Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het projectgebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ en ‘Rijntakken’, liggen op respectievelijk circa 14,3 en 17,4 kilometer van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten.
Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van een kinderdagverblijf betreft, kan een toename aan stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Uit deze berekeningen blijkt dat bij de aanlegfase en gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Het stikstofonderzoek en de door AERIUS gegenereerde rapportages voor de aanlegfase en gebruiksfase zijn als bijlage opgenomen. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen depositieresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is
Hoofdstuk 4
29
een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuur-netwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt minstens 100 meter ten zuidoosten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wnb) Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wnb) Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom. Het plangebied ligt in het oosten aan de rand van de kern Heesch.
Aan de zuidkant / zuidoostkant van het perceel is het gebied de afgelopen jaren flink veranderd: hier is de nieuwbouwwijk De Hoef gerealiseerd en nog gedeeltelijk in ontwikkeling. Tevens is de Graafsebaan een belangrijke verbindingsweg tussen de kern Heesch en het knooppunt Paalgraven, de inrichting van deze weg is onlangs nog veranderd. Vogels In de opgaande beplanting binnen en rond het plangebied bevinden zich geen jaarrond beschermde nesten van vogels als buizerd, sperwer en ransuil. Wel kunnen mogelijk “algemene” soorten als merel, roodborst, heggenmus, zwartkop, winterkoning en houtduif tot broeden komen binnen de coniferen binnen de tuin. Wanneer er sprake is van verwijderen van opgaand groen in het plangebied, dient om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, ten aanzien van broedvogels het verwijderen
Hoofdstuk 4
30
van opgaand groen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Het globale broedseizoen loopt van maart tot half augustus Vleermuizen Voor wat betreft vleermuizen is er geen sprake van potentieel (essentieel) foerageergebied en/of vliegroutes, gezien het ontbreken van aspecten als grote hoeveelheden opgaand groen, oppervlaktewater en lijnvormige landschapselementen. Negatieve effecten voor deze soortgroepen zijn op voorhand uitgesloten met in acht name van de zorgplicht. Grondgebonden zoogdieren Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Vaarplanten, vissen, amfibieën, reptielen en overige ongewervelden Binnen het plangebied zijn geen zwaarder beschermde soorten vaatplanten te verwachten. Het voorkomen van vissen, amfibieën (voortplantingswater), reptielen en overige ongewervelden (zoals bijv. zeldzame dagvlinders en libellen) is binnen het plangebied uit te sluiten, vanwege de afwezigheid van geschikt habitat. Het perceel is een braakliggend perceel.
De voormalige aanwezige bebouwing is reeds gesloopt, waardoor er geen reden is om aan te nemen dat het aspect flora en fauna (soortenbescherming) nog een belemmering zou kunnen vormen voor de haalbaarheid van onderhavig planvoornemen. De waarde van het gehele plangebied zal door het plan niet worden aangetast. Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid en opgaand groen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten. In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Op basis van bovenstaande, met inachtneming van de zorgplicht voor (incidenteel) aanwezige individuen, wordt geconcludeerd dat dit aspect geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.
4.9 Bodem In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Doorwerking plangebied Bij nieuwe ruimtelijke plannen dient te worden beoordeeld of kwaliteit van de bodem geschikt is voor de toekomstige functie. In onderhavig geval is de huidige functie wonen en wordt deze gewijzigd naar
Hoofdstuk 4
31
maatschappelijk. De functie wonen is een gevoelige functie. Ten opzichte van de huidige functie wonen is de bestemming maatschappelijk geen gevoeligere functie. De locatie was voorheen al in gebruik als woning, zonder dat er bodemvervuilende activiteiten of functies hebben plaatsgevonden danwel aanwezig zijn geweest. Het formulier historische toets t.b.v. vrijstelling bodemonderzoek is ingevuld en opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Er wordt geen bodemverontreiniging verwacht. Dit formulier wordt ter toetsing aan de Omgevingsdienst Brabant Noord voorgelegd. De voormalige bebouwing op het perceel is reeds gesloopt. In het kader van de sloopt is een asbestinventarisatie uitgevoerd, deze rapportage is opgenomen als bijlage. De asbest is voorafgaand de sloop gesaneerd. Een schoongrondverklaring is nodig voor de gemeente om een omgevingsvergunning te kunnen verlenen. Voor de aanvraag van een omgevingsvergunning, onderdeel bouwen, is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 noodzakelijk. Het onderzoek kan zich, conform de Nota bodembeleid 2019 – 2024 beperken tot de bovengrond van de gesloopte bebouwing en voorafgaand aan nieuwbouw op dezelfde plek. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
4.10 Water Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschaps-beleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzaam watersysteem. Naast dit beleidskader is in het Provinciaal Milieu- en Waterplan NoordBrabant ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. Deze is recent vervangen door de Interim Omgevingsverordening in verband met de Omgevingswet die in werking gaat treden. De definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken.
Waterschap Aa en Maas In het Waterbeheerplan (WBP) beschrijft het waterschap Aa en Maas haar doelstellingen voor de periode 2016 – 2021 en de wijze waarop deze doelstellingen bereikt moeten worden. Hiermee geeft het waterschap invulling aan de verplichting vanuit de Waterwet en de Verordening water Noord-Brabant om een waterbeheerplan op te stellen. In het waterbeheerplan wordt een indeling gemaakt in de volgende programma’s: Veilig en bewoonbaar; Voldoende water en robuust watersysteem; Schoon water; Gezond en natuurlijk water; Het leveren van maatschappelijke meerwaarde
Hoofdstuk 4
32
Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. De drie Brabantse waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben een gezamenlijke Keur opgesteld voor het beheer van de waterhuishouding (kwantiteit, kwaliteit en veiligheid). De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken en bijbehorende beschermingszones, heeft met de Keur te maken en moet een vergunning aanvragen. In sommige gevallen volstaat een melding. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels. Afhankelijk van de werkzaamheden in of nabij het oppervlaktewater kan een vergunning benodigd zijn. Het waterschap maakt bij het beoordelen van plannen met een toenemend verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Bij kleine plannen (<500 m 2) is geen compensatie verplicht.
Bij grotere planontwikkelingen is een hydrologisch onderzoek noodzakelijk om de impact van het planvoornemen af te stemmen en kan de Rekenregel als uitgangspunt voor het bepalen van de compensatie gebruikt worden. Gemeentelijke Rioleringsplan (GRP) 2016-2020 Goede riolering is nodig voor de bescherming van de volksgezondheid, het milieu en het tegengaan van wateroverlast. De gemeente heeft de taak om voor die riolering te zorgen: we hebben de zorgplicht voor stedelijk afvalwater, voor afvloeiend hemelwater en voor grondwatermaatregelen. Het wettelijk verplichte Gemeentelijke Rioleringsplan (GRP) 2016 tot en met 2020 geeft aan hoe de gemeente met deze drie zorgplichten omgaat. Het voorstel is om de komende jaren ook de stap te zetten naar adaptief rioleringsbeleid en beheer en daarmee te beginnen door op een innovatieve en vernieuwende wijze invulling te geven aan het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP). De afgelopen planperiode (2010-2014) is al breder gekeken, vooral door de verbinding te leggen met regenwater- en grondwaterbeheer. Met het nieuwe, meer adaptieve, GRP willen de gemeente verder gaan door: 1. nog nadrukkelijker te kijken naar ontwikkelingen die in de stedelijke omgeving plaatsvinden rond water, grondstoffen, energie en ruimtelijke ontwikkelingen; 2.
de zorgplicht nog breder in te bedden in de interne en externe processen, waardoor betere afstemming plaatsvindt op andere processen in de (openbare) ruimte. Grondwater Binnen het plangebied worden hoge zwarte enkeerdgronden verwacht bestaande uit een leemarm, zwak lemig, fijn zand. Hoge zwarte enkeerdgronden worden gekenmerkt door lage grondwaterstanden. Op basis van informatie uit het Dinoloket hoort bij het plangebied de grondwatertrapklasse VI 40 - 80 cm meer dan 120 cm. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) t.o.v. het lokale maaiveld is 60 - 80 cm. Uitgangspunt is hydrologisch neutraal bouwen, waarbij de huidige grondwaterstanden en het oppervlaktewatersysteem in het gebied worden gehandhaafd. Bij de nieuwbouw is geen kelder gepland waardoor ter plaatse geen grondwateroverlast te verwachten is. Geadviseerd wordt om het vloerpeil
Hoofdstuk 4
33
van de nieuwbouw gelijkaardig als bestaand of circa 20 cm boven de kruin van de weg aan te leggen zodat eventuele instroom in het pand vermeden wordt. Binnen of vlakbij het plangebied zijn geen grondwateronttrekkingen bekend. Het plangebied ligt niet in een (grond)waterbeschermingsgebied. De milieuhygiënische conditie van het grondwater vormt, geen belemmering voor de realisatie van het voorgenomen plan. Bij eventuele bemaling en lozing ten behoeve van de nieuwbouw wordt aangeraden de kwaliteit van het onttrokken water vast te stellen/te monitoren. Door het planvoornemen (realiseren van een kinderdagverblijf) is geen toekomstige (grond)waterverontreiniging te verwachten. Bij de nieuwbouw dient gebruik gemaakt te worden van duurzame of niet uitlogende bouwmaterialen. Voor het bestemmingsplan De Hoef 2, fase 3 (2014) is een infiltratieonderzoek uitgevoerd, waaruit blijkt dat de waterdoorlatendheid van de ondergrond als redelijk tot goed kan worden omschreven. Oppervlaktewater Binnen en nabij het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Hierdoor kan niet rechtstreeks aangesloten worden op het oppervlaktewater en is geen direct nadelig effect te verwachten door de planontwikkeling op het bestaande oppervlaktewaterstelsel. Afvalwater De bestaande bebouwing is aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel.
De percelen gelegen aan de Graafsebaan 29 t/m 33 voeren hun vuilwater af via een gemengd vrijvervalriool dat afstroomt via de Hoefstraat. Door de bouw van een kinderdagverblijf is een beperkte toename aan afvalwater te verwachten welke zonder aanpassingen in het bestaande stelsel verwerkt worden. Het hemelwater wordt bij voorkeur op eigen terrein verwerkt. Voor de aansluiting van de nieuwbouw op het gemeentelijk stelsel dient bij de gemeente Bernheze een aansluiting aangevraagd te worden. Hemelwater Bij nieuwe ontwikkelingen dient hemelwater, afkomstig van ‘schoon’ afvoerend oppervlak, waar mogelijk, ter plaatse geïnfiltreerd te worden en overloop vindt bij voorkeur op het oppervlaktewater plaats. Bij toename aan verharding dient een bui van 60 mm op eigen perceel verwerkt te kunnen worden. De voormalige woning, bijgebouwen en bestaande verharding zijn gesloopt. Er wordt nieuwbouw gerealiseerd ten behoeve van het kinderdagverblijf. Voor het kinderdagverblijf worden parkeerplaatsen aangelegd. Bruto (verharde) oppervlakten
Voormalige situatie m2
Toekomstige situatie m2
Dak, circa
155
220
Overige verharding, circa
150
400
Totaal, circa 305 Tabel 4.4 Huidige en toekomstige verharding
620
In tabel 4.4 is de huidige en toekomstige verharding opgenomen, de verhardingstoename is circa 315 m2. Omdat er bij onderhavige sprake is van een klein plan met een bijkomend verhard oppervlak kleiner dan 500 m2 geldt vanuit het waterschap een vrijstelling tot realisatie van compensatie. Het gemeentelijk beleid verplicht echter een hemelwaterneutrale ontwikkeling en dus is hemelwaterverwerking ter plaatse verplicht. Het gemeentelijk beleid is algemeen gericht op het zoveel mogelijk ter plaatse verwerken van hemelwater middels infiltratie. De benodigde hemelwaterretentie voor de toename aan verharding zoals opgenomen in tabel 4.4 bedraagt circa 18,9 m3 (bui van 60 mm).
Hoofdstuk 4
34
In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) van bebouwingen verhardingen niet op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten en separaat binnen de plangrenzen worden verwerkt. Dit betekent dat bij de verdere planuitwerking water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen en dat hemelwater op een duurzame wijze wordt verwerkt. De ontwikkeling zal daarmee hydrologisch neutraal zijn. Binnen het plangebied (1.280 m²) is voldoende ruimte aanwezig om deze waterbergingsopgave te kunnen bergen. Mogelijkheden boor waterberging zijn bijvoorbeeld, het aanleggen van infiltratiekratten of waterpasserende bestrating ter plaatse van de parkeerplaatsen, of hemelwater vasthouden in de tuin en infiltreren door de aanleg van een grindbed. Bij het definitieve bouwplan dient de uiteindelijke hemelwatervoorziening opgenomen te zijn. Door de geringe verhardingstoename, de ruimte op het perceel voor een hemelwatervoorziening en rekening te houden met de overige algemene aandachtspunten wordt hydrologisch gezien neutraal ontwikkeld en is geen wateroverlast te verwachten door de voorgenomen planontwikkeling. Bij het definitieve bouwplan dient de definitieve hemelwatervoorziening in relatie met het uiteindelijk verhard oppervlak uitgewerkt te worden in overleg met de gemeente.
Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels voor de waterberging.
4.11 Archeologie en cultuurhistorie De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Archeologie Het plangebied ligt volgens de gemeentelijke archeologische beleidskaart in een zone met een middelhoge archeologische waarde (zie figuur 4.3). Binnen deze gebieden geldt een onderzoeksplicht naar eventueel aanwezige archeologische waarden bij een verstoringsdiepte van dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld over een oppervlakte van meer dan 2500 m². Tevens geldt ter plaatse het bestemmingsvlak de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 3”.
Deze dubbelbestemming beschermt mogelijk aanwezige archeologische waarden in de bodem. Nader onderzoek is noodzakelijk wanneer er bodemingrepen plaatsvinden met een verstoringsoppervlakte groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,4 meter. De omvang van de geplande bodemingrepen bedraagt ca. 220 m2, waarmee de vrijstellingsgrens voor de zone in categorie 3 niet wordt overschreden. Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk is.
Hoofdstuk 4
35
Figuur 4.3 Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Bernheze 2011
Ten behoeve van de bescherming van ingrepen in het archeologisch bodemarchief blijft de huidige archeologische dubbelbestemming ‘Waarde-archeologie 3’ uit het vigerende bestemmingsplan gehandhaafd. Met deze dubbelbestemming dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en een diepte van meer dan 0,4 meter onder maaiveld, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Derhalve vormt archeologie geen belemmering voor vaststelling van onderhavig bestemmingsplan. Cultuurhistorie Voor het aspect ‘cultuurhistorie’ is gekeken naar de Cultuurhistorische Waardenkaart van Provincie Noord-Brabant. De planlocatie bevindt zich aan een oud bebouwingslint in de Regio Peelrand. Regio Peelrand is een zwak golvend dekzandlandschap dat als een hoefijzer rond het voormalige veengebied van de Peel ligt. De Graafsebaan waaraan het plangebied is gelegen is aangeduid als lijn van hoge waarde. Onderhavig planvoornemen doet geen afbreuk aan waarden en kenmerken van de omgeving. Binnen de grenzen van het plangebied zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig.
Daarnaast liggen er ook geen monumentale bomen, natuurmonumenten, molenbiotopen, MIPpanden of beeldbepalende panden in het plangebied. De ontwikkelingen van het plangebied doen geen afbreuk aan omliggende cultuurhistorisch en geografisch waardevolle lijnen, omdat de omliggende wegenstructuren niet veranderen. Het initiatief heeft geen negatieve effecten op de cultuurhistorie in de omgeving.
4.12 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling.
Hoofdstuk 4
36
Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico, er wordt voldaan aan de endotoxinen richtafstanden voor varkens- en/of pluimveehouderijen (stap 1). De planlocatie is niet gelegen binnen de straal van 2 km van geitenhouderijen (stap 5a). De locatie is niet gelegen binnen een afstand van 1 km van een pluimveebedrijf en niet binnen 250 meter van overige veehouderijen (stap 5c). De ontwikkeling leidt niet tot een toename in emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak (stap 2). De planlocatie is gelegen in een gebied met een acceptabele geurbelasting en voldoet aan het wettelijk kader, zie ook paragraaf 4.5. De dichtstbijzijnde veehouderij met een bepaalde ‘geuruitstraling’ bevindt zich op 400 meter afstand van het plangebied. Gezien deze afstand is de voorgrondbelasting niet relevant. Tevens zijn er tussen het plangebied en deze veehouderij reeds andere geurgevoelige objecten gelegen. Deze andere geurgevoelige objecten zijn bepalend voor eventuele belemmering van de veehouderij in de bedrijfsvoering.
Om die reden is verdere toetsing hier niet noodzakelijk (stap 3). De afstand tussen de inrichtingsgrenzen van een varkensbedrijf en een pluimveebedrijf bedraagt meer dan 100 meter (stap 4). Er is geen sprake van een mestbewerking of mestverwerking als nevenactiviteit of zelfstandige activiteit (stap 6) en er is bij omwonenden geen ongerustheid over de volksgezondheid (stap 7). Het gehele stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) is doorlopen. Een advisering van de GGD hoeft niet te worden gevraagd voor dit plan. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico op deze locatie. Dit onderdeel zorgt dan ook niet voor belemmeringen.
4.13 Spuitzones gewasbescherming De afstand tussen de gronden binnen onderhavig plangebied waarop het kinderdagverblijf kan worden gerealiseerd en omliggende agrarischer grond waarop gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast, bedraagt minder dan 50 meter. Op de agrarische gronden is echter geen sprake van enige vorm van teelt die vraagt om bijzondere besproeiing met gewasbeschermingsmiddelen. Bovendien liggen er op kortere afstand van de akkers al diverse woningen die bepalend zijn voor de door het agrarisch bedrijf op basis van het Activiteitenbesluit te treffen drift reducerende maatregelen. Gezien het voorgaande kan daarom redelijkerwijs worden gesteld dat binnen het plangebied (op een afstand van 20 meter) en het bouwvlak (op een afstand van 40 meter) geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat zullen ontstaan en waardoor strijdigheid met een goede ruimtelijke ordening ontstaat
4.14 Duurzaamheid Het klimaat verandert; de neerslaghoeveelheid (en intensiteit) neemt toe, waardoor er meer kans is op wateroverlast. Daarnaast stijgt de gemiddelde temperatuur en neemt de kans op hittegolven toe, wat in de zomer onder andere kan leiden tot hittestress. In Nederland zijn de gevolgen van klimaatverandering waarschijnlijk te beheersen. Hoe groot de problemen straks worden, hangt af van de maatregelen die we nemen. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen zodat de
Hoofdstuk 4
37
opwarming beperkt blijft (mitigatie). Aan de andere kant is het verstandig dat we ons aanpassen aan een ander klimaat (adaptatie). Voor alle nieuwbouw geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Doorwerking plangebied Wat betreft duurzaamheid wordt er uitgegaan van de eisen volgens het bouwbesluit en BENG: Energiebehoefte indicator in Kwh/m 2 voor de buitenschil van het gebouw ( BENG 1) Primaire fossiele energie- indicator in Kwh/m2 (BENG 2) Het aandeel herwinbare energie in % (BENG 3) Het gebouw wordt gasloos gebouwd en voorzien van een zonnepanelen installatie (PV-panelen).
4.15 M.e.r.-plicht Met dit bestemmingsplan wordt een kinderdagverblijf gerealiseerd. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, hangt af van het feit of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Per 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Wanneer de voorgenomen de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet getoetst worden of er sprake is van nadelige milieugevolgen en moet wanneer hier sprake van is een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen worden. Doorwerking plangebied Het realiseren een kleinschalige kinderdagverblijf valt niet onder categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r. (stedelijk ontwikkelingsproject). Het kan echter zijn dat de ontwikkeling wel kan worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject. Volgens de Raad van State (201609536/1/A1) is het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.
De concrete omstandigheden in dit geval is het realiseren van een kleinschalig kinderdagverblijf. Voorts ligt de locatie niet in of nabij een beschermd natuurgebied en is er geen risico op verontreiniging. Ook leidt de ontwikkeling niet tot hinder voor omliggende functies. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en/of –technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Ook blijkt uit dit bestemmingsplan dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu. Voorgaande maakt dat de ontwikkeling in het plangebied niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingstraject in de zin van categorie 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Derhalve is het niet noodzakelijk een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
Hoofdstuk 4
38
5.
JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Algemeen Dit hoofdstuk bevat een korte toelichting op het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels).
5.2 Toelichting op de verbeelding Op de verbeelding is de enkelbestemming ‘Maatschappelijk’ opgenomen met een bouwvlak. Ook is één dubbelbestemming opgenomen, gericht op de bescherming van archeologische waarden.
5.3 Toelichting op de bestemmingen Hieronder volgt een beknopte beschrijving van de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen de opgenomen bestemming ‘Maatschappelijk’. Er is aangesloten bij de systematiek van het komplan ‘De Kommen van Bernheze’ en het bestemmingsplan ‘De Hoef 2, fase 3’. Maatschappelijk Binnen deze bestemming zijn maatschappelijke voorzieningen toegestaan, alsook in combinatie met ondergeschikte horeca, detailhandel, dienstverlening en kantoor ten dienste van de maatschappelijke voorziening. Daarnaast zijn de bij maatschappelijke bestemming behorende voorzieningen zoals tuinen, erven, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen etc. toegestaan. Ter plaatse van de functieaanduiding 'groen' zijn de gronden uitsluitend bestemd voor groenvoorzieningen, beplanting en erfafscheidingen. Het bouwvlak biedt de mogelijkheden voor het realiseren van hoofdgebouwen. De maximum goothoogte bedraagt 6 meter en de bouwhoogte bedraagt 11 meter. Bijgebouwen ten behoeve van de maatschappelijke voorzieningen en woning zijn toegestaan, mits de omvang niet groter is dan 100 m 2 tot een max. van 50% van het bouwperceel. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen zowel binnen als buiten het bestemmingsvlak gebouwd worden. De maximale hoogte bedraagt in beginsel 3 meter. Voor geluidwering en parkeren is een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming ‘Maatschappelijk’ te wijzigen in ‘Wonen’. Waarde – Archeologie 3 De gronden met deze dubbelbestemming zijn, behalve voor de enkelbestemming ook bestemd voor de bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden in de bodem. Vandaar dat bepaalde (bouw)werkzaamheden verboden zijn zonder vergunning, welke enkel verleend wordt als is aangetoond dat aan de archeologische waarden geen onevenredige afbreuk wordt gedaan.
Hoofdstuk 5
39
5.4 Toelichting op de regels Hieronder volgt een toelichting op hoofdstuk 1, 3 en 4 van de regels. Hoofdstuk 1. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van bouwwerken te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hoofdstuk 3. Algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze regel is verplicht overgenomen uit het Bro (art. 3.2.4.) en is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels Deze bepaling bevat algemene bouwregels. Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan een omgevingsvergunning tot afwijken kan worden verleend. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om af te wijken van de regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan.
Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht De overgangsregeling is overgenomen uit het Bro (art. 3.2.1 en 3.2.2). Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Slotregel Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
Hoofdstuk 5
40
6.
UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.1.1 Financieel economische haalbaarheid De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. De ontwikkeling is hiermee financieel uitvoerbaar. 6.1.2 Kostenverhaal Wanneer met een omgevingsvergunning een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. De uitvoering van de ontwikkeling is volledig voor rekening en risico van een particuliere initiatiefnemer. In voorliggend geval worden de planbegeleidingskosten via leges afgewikkeld op initiatiefnemer. Daarnaast is er een planschadeverhaalovereenkomst gesloten tussen gemeente en initiatiefnemer. Met die overeenkomst is verzekerd dat eventuele uit te betalen tegemoetkomingen in planschade niet voor rekening van het gemeentebestuur komen. Eventuele kosten voor de inrichting en overige voorzieningen zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Op grond daarvan kan de gemeenteraad afzien van het vaststellen van een exploitatieplan, omdat het verhaal van de kosten anderszins is verzekerd. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden: Vooroverleg; Vaststellingsprocedure.
Hoofdstuk 6
41
6.2.1 Omgevingsdialoog Er is getoetst of er maatschappelijk draagvlak is voor het planvoornemen. Op 18 maart is het initiatief besproken met direct omwonenden, in de bijlagen is een verslag opgenomen. De omwonenden zijn in de gelegenheid gesteld om kennis te nemen van het plan en eventuele bezwaren, wensen en belangen kenbaar te maken. De reacties zijn voornamelijk positief en de onderlinge verhoudingen zijn goed. Bewoners van het achterliggende aangrenzende woonperceel hebben om meer informatie gevraagd en tevens zorgen geuit over eventuele geluidsoverlast. Hierop is de mail beantwoord en na deze mailwisseling is er geen contact meer geweest. Met het akoestisch onderzoek industrielawaai is de ruimtelijke inpasbaarheid van het kinderdagverblijf getoetst. Het doel van dit akoestisch onderzoek is het inzichtelijk maken van de geluidimmissie ter plaatse van de dichtst bij de inrichting gelegen woningen, ten gevolge van de activiteiten die bij het kinderdagverblijf plaatsvinden. Hieruit is gebleken dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woningen.
6.2.2 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan worden geïnformeerd. 6.2.3 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure is het ontwerpbestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen. Gedurende deze periode is er één zienswijze ingediend. Naar aanleiding van deze zienswijze is het plan gewijzigd. Zo is er aan de zuidwestzijde / achterzijde van het plangebied een groenzone opgenomen. Deze groenzone dient als extra groene buffer zodat de kinderen niet bij de erfafscheiding kunnen spelen en mogelijke geluidsoverlast wordt beperkt bij de achtergelegen woning. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die ziet op het realiseren en in stand houden van het landschappelijk inpassingsplan. Als bijlage 10 bij deze plantoelichting is de Nota beantwoording zienswijzen opgenomen.
Het plan wordt ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad. 6.2.4 Beroep / hoger beroep Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal voor een periode van zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
Hoofdstuk 6
42
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Schetsontwerp Bijlage 2: Verkeersgeneratie en parkeren Bijlage 3: Akoestisch onderzoek Wegverkeerslawaai Bijlage 4: Akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 5: Advies veiligheidsregio Bijlage 6: Stikstofonderzoek Bijlage 7: Formulier historische toets Bijlage 8: Asbestinventarisatie Bijlage 9: Omgevingsdialoog Bijlage 10: Nota van Zienswijzen
Hoofdstuk 6
43
Regels
Bestemmingsplan Graafsebaan 29, Heesch
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
4 4 7
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4
Bestemmingsregels Maatschappelijk Waarde - Archeologie 3
8 8 11
Hoofdstuk 3 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels
13 13 14 15 16
Hoofdstuk 4 Artikel 9 Artikel 10
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
17 17 18
Regels
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1
Plan:
Het bestemmingsplan Bestemmingsplan Graafsebaan 29, Heesch met identificatienummer NL.IMRO.1721.BPGraafsebaan29HSC-VG01 van de gemeente Bernheze. 1.2
Bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij behorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3
Aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4
Aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5
ander-werk:
een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid. 1.6
bebouwing:
eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.7
bedrijfswoning:
een woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de bestemming of het toegelaten gebruik van het gebouw of terrein, noodzakelijk is. 1.8
bestaand:
a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp wijzigingsplan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald; b. bij gebruik: het gebruik dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp wijzigingsplan bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald; 1.9
bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak. 1.10
bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.11
bijgebouw:
een gebouw, dat in bouwkundig en visueel opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw;
1.12
bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.13
bouwgrens:
grens van een bouwvlak. 1.14
bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.15
bouwperceelsgrens:
de grens van een bouwperceel. 1.16
bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.17
bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.18
carport/overkapping:
een bouwwerk dat zowel feitelijk als in visueel ruimtelijke zin aan maximaal twee zijden, een gesloten, al dan niet eigen, wand kent. 1.19
dakoppervlak
de oppervlakte van de projectie van de buitenafmetingen van het dak met inbegrip van de randen en goten, op een horizontaal vlak. 1.20
detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan degene die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.21
dienstverlening:
het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij afnemers rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord worden gestaan en geholpen. 1.22
gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.23
gebruik:
het gebruiken, doen en laten gebruiken. 1.24
hoofdgebouw:
een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.
1.25
huishouden:
één persoon of een aantal, aan elkaar door familieband of anderszins gerelateerde, personen, die alleen of gezamenlijk een eenheid vormt en als zodanig ook gebruik maakt van één woning. 1.26
kap
een geheel of gedeeltelijke niet horizontale dakconstructie gevormd door ten minste twee schuin hellende dakschilden. De dakschilden dienen tenminste 60% van het dak te bedekken 1.27
maatschappelijke voorzieningen:
culturele, educatieve, medische, sociale en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel, dienstverlening, kantoor en horeca ten dienste van deze voorzieningen. 1.28
peil:
a. voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang vermeerderd met maximaal 20 cm; b. in andere gevallen: de hoogte van de weg ter plaatse van de toegang tot het gebouw vermeerderd met 2 cm per meter afstand van het gebouw tot die weg (hemelsbreed gemeten); c. deze bepaling geldt niet voor bouwwerken geen gebouw zijnde; hiervoor wordt de hoogte gemeten vanaf het aansluitende maaiveld; 1.29
seksinrichting:
een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotische/pornografische aard plaatsvinden, waaronder in ieder geval worden verstaan een prostitutiebedrijf, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.30
voorgevel:
de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig dient te worden aangemerkt. 1.31
voorgevelrooilijn:
de virtuele lijn die samenvalt met de bestaande voorgevel van een woning of hoofdgebouw en het bouwvlak waarop de woning of het hoofdgebouw zich bevindt. 1.32
waterhuishoudkundige voorzieningen:
voorzieningen die het waterhuishoudingsbelang dienen, zoals watergangen, waterstaatkundige kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang e.d., voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterafvoer, waterinfiltratie en waterberging, vijvers en poelen; bijbehorende voorzieningen zoals bermen, paden, beschoeiingen. 1.33
woning:
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
Artikel 2 2.1
Wijze van meten
algemeen
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1.1 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is; 2.1.2 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.1.3 de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.1.4 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q.
de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met uitzondering van dakkapellen; 2.1.5 de horizontale diepte van een gebouw de diepte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de gevel waaraan wordt gebouwd; 2.1.6 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.1.7 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.1.8 de oppervlakte van een overkapping tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping. 2.2
ondergeschikte bouwonderdelen
Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt. 2.3
meten
Bij toepassing van deze regels wordt gemeten tot of vanuit het hart van een lijn op de kaart en op de schaal waarin het plan is vastgesteld. 2.4
afstemming peil
Bij de afstemming met het peil, zoals omschreven in artikel 1.28 peil: wordt bij nieuwe gebouwen de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer aangehouden.
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Maatschappelijk
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. maatschappelijke voorzieningen met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, inen uitritten, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven. b. ter plaatse van de functieaanduiding 'groen' uitsluitend voor groenvoorzieningen, beplanting en erfafscheidingen. 3.2
Bouwregels
3.2.1
Hoofdgebouwen
Hoofdgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken: a. gebouwd binnen het bouwvlak; b. afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens is bij vrijstaande gebouwen aan twee zijden minimaal 3 m; c. goot- en bouwhoogte maximaal respectievelijk 6 m en 11 m; d. hoofdgebouwen dienen te worden afgedekt met kap. 3.2.2
Bijgebouwen
Vrijstaande en niet-vrijstaande bijgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken: a. de gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande en niet-vrijstaande bijgebouwen bedraagt maximaal 100 m2, mits het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 50% is; b. onverminderd het bepaalde onder a bedraagt de oppervlakte per bijgebouw maximaal 50 m2; c. er zijn maximaal drie vrijstaande bijgebouwen toegestaan; d. bijgebouwen worden gesitueerd minimaal 3 m achter (het verlengde van) de voorgevelrooilijn; e. de goothoogte van niet-vrijstaande bijgebouwen mag maximaal 3,5 m bedragen; f. de goothoogte en bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen mag maximaal 3,5 m respectievelijk 5,5 m bedragen. 3.2.3
Carports
Carports bij hoofdgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken: a. b. c. d.
per hoofgebouw is maximaal 1 carport toegestaan; gesitueerd maximaal 1 m voor de (het verlengde van de) voorgevel van het hoofdgebouw; oppervlakte maximaal 20 m2; hoogte maximaal 3,25 m.
3.2.4
Ondergeschik te delen van het hoofdgebouw
De voorgevelrooilijn van hoofdgebouwen mag naar de wegzijde toe uitsluitend worden overschreden door ondergeschikte onderdelen van hoofdgebouwen (erkers) die voldoen aan de volgende kenmerken: a. horizontale diepte maximaal 1,5 m;
b. breedte maximaal 60% van de breedte van de totale voorgevel (exclusief overkapping boven de voordeur); c. afstand tot de voorste perceelsgrens minimaal 1,5 m; d. goothoogte maximaal 0,25 m boven de bovenzijde van de verdiepingsvloer van het hoofdgebouw; e. met dien verstande dat het doortrekken van een erker aan de voorgevel tot voorbij en aan één zijgevel is toegestaan mits: 1. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 2 m bedraagt; 2. de breedte aan de zijgevel niet meer dan 1,5 m uit de zijgevel van het hoofdgebouw bedraagt; 3. de diepte aan de zijgevel maximaal gelijk is aan de diepte van het hoofdgebouw. 3.2.5
Overkappingen boven de voordeur en entree
Overkappingen boven de voordeur en entree zijn toegestaan en voldoen aan de volgende kenmerken: a. breedte maximaal 120% van de breedte van de entreepartij, tenzij de overkapping één constructie vormt met een erker; b. horizontale diepte maximaal 1,5 m; c. open constructie zonder tot de constructie behorende wanden. 3.2.6
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal: a. vlaggenmasten: 6 m; b. erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn van de woning: 1 m; c. erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw: 2 m, met dien verstande dat in hoeksituaties (de zijgevel van het hoofdgebouw grenst aan een straat, openbaar groen of water) de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vanaf (het verlengde van) de voorgevel tot 4 m. daarachter maximaal 1 m. bedraagt; d. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 3 m. 3.2.7
Voorwaardelijke verplichting
a. De volgens de NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied mag aantoonbaar niet kleiner zijn dan het verschil tussen de hoogst berekende cumulatieve geluidsbelasting uit het geluidrapport "Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Graafsebaan 29 Heesch", met kenmerk 20210311-BRO093-RAP-AKO-WVL-1.0, opgesteld door Kragten op 11 maart 2021 en 33 dB. b. De uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte heeft volgens de NEN 5077 een bepaalde karakteristieke geluidwering die maximaal 2 dB lager is dan karakteristiek geluidwering bedoeld in artikel 1. 3.3
Specifieke gebruiksregels
3.3.1
Strijdig gebruik
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a. hoofdgebouwen, niet zijnde woningen en vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning.
3.3.2
Voorwaardelijke verplichting - parkeren
Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de gronden en gebouwen binnen deze bestemming is alleen toegestaan indien: a. voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd, conform het gemeentelijke parkeerbeleid en de daarbij behorende Parkeernormennota gemeente Bernheze; b. de afmeting van een parkeerplaats ten minste 2,5 meter breed en 5 meter lang is; c. een garage niet wordt meegeteld bij de bepaling van het aantal parkeerplaatsen; d. indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het bijbehorend bouwperceel; e. gerealiseerde voorzieningen als bedoeld in sub a en b, dienen na de realisering in stand te worden gehouden; f. burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in sub a, b en d: 1. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit;of 2. voor zover op andere wijze in de nodige parkeerruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien. 3.3.3
Voorwaardelijke verplichting - waterberging
Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de gronden en gebouwen binnen deze bestemming is alleen toegestaan indien er op het perceel regenwaterberging met een omvang van 60 mm per m² verharding, dat regenwater vertraagd afvoert, werkend aanwezig is.
3.3.4
Voorwaardelijke verplichting - landschappelijke inpassing
Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de gronden ter plaatse van het bestemmingsvlak conform de bestemming Maatschappelijk is alleen toegestaan indien de landschappelijke inpassing binnen maximaal 12 maanden na oplevering van het kinderdagverblijf is aangelegd en aldus in stand wordt gehouden conform het als bijlage aan de regels toegevoegde landschappelijke inpassingsplan.
3.4
Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd middels een wijzigingsplan de bestemming “Maatschappelijk” te wijzigen in de bestemmingen “Wonen”, met dien verstande dat: a. de uitvoerbaarheid van de bestemming wordt aangetoond; b. de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad; c. het aantal te realiseren woningen in overeenstemming is met het gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid; d. er geen onevenredig nadelige gevolgen ontstaan voor het woonmilieu; e. het parkeren in overeenstemming is met het gemeentelijk parkeerbeleid en de daarbij horende parkeernormen; f. er een planschadeverhaalovereenkomst is gesloten; g. er geen afbreuk wordt gedaan aan het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse; h. geen sprake is van aantasting van cultuurhistorische waarden;
Artikel 4 4.1
Waarde - Archeologie 3
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden van archeologische waarde en gronden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. 4.2
Bouwregels
4.2.1
Omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen
Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 centimeter, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van de vergunningverlener in voldoende mate zijn vastgesteld, waarbij advies wordt ingewonnen van een archeoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek.
4.2.2
Voorwaarden
Indien uit het in 4.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen of kunnen worden verstoord, kan de vergunningverlener één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door de vergunningverlener bij de vergunning te stellen kwalificaties. 4.2.3
Bouwverbod
Indien uit het in artikel 4.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in lid 4.2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de vergunning geweigerd. 4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.3.1