Toelichting en regels vaststelling bestemmingsplan 'Graafsebaan 29, Heesch'
Tekst van het document
Bestemmingsplan Graafsebaan 29, Heesch Gemeente Bernheze Vastgesteld
Bestemmingsplan Graafsebaan 29, Heesch Gemeente Bernheze Vastgesteld
Rapportnummer:
P02674
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.1721.BPGraafsebaan29HSC-VG01
Datum:
18 november 2022
Projectteam BRO:
MvDn, TAu
Concept:
15 juni 2021
Ontwerp:
9 december 2021, maart 2022
Vaststelling:
November 2022
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
Toelichting
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
3 3 3 5 6
2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Voorgestane ontwikkeling
7 7 8
3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
11 11 13 15
4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Verkeer en parkeren 4.2 Akoestiek (wegverkeerslawaai) 4.3 Luchtkwaliteit 4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.5 Geur agrarisch 4.6 Kabels en leidingen 4.7 Externe veiligheid 4.8 Ecologie 4.9 Bodem 4.10 Water 4.11 Archeologie en cultuurhistorie 4.12 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen 4.13Spuitzones gewasbescherming 4.14Duurzaamheid 4.15M.e.r.-plicht
16 16 17 19 20 23 24 24 29 31 32 35 36 37 37 38
5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Algemeen 5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de bestemmingen
39 39 39 39
Inhoudsopgave
1
5.4 Toelichting op de regels
40
6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid
41 41
6.1.1 Financieel economische haalbaarheid 6.1.2 Kostenverhaal 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
41 41 41
6.2.1 Omgevingsdialoog 6.2.2 Vooroverleg
42 42
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Schetsontwerp Bijlage 2: Verkeersgeneratie en parkeren Bijlage 3: Akoestisch onderzoek Wegverkeerslawaai Bijlage 4: Akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 5: Advies veiligheidsregio Bijlage 6: Stikstofonderzoek Bijlage 7: Formulier historische toets Bijlage 8: Asbestinventarisatie Bijlage 9: Omgevingsdialoog Bijlage 10: Nota van Zienswijzen
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Initiatiefnemers zijn eigenaar van het perceel Graafsebaan 29 in Heesch, gemeente Bernheze. Op het perceel was voorheen een woning aanwezig. Deze voormalige woning aan de Graafsebaan in Heesch is gebouwd in 1934 en had geen monumentale of waardevolle status. De woning was gedateerd er was een behoorlijke investering noodzakelijk om deze te moderniseren. Derhalve hebben initiatiefnemers de woning en bijgebouwen gesloopt. Initiatiefnemers zijn voornemens een nieuw gebouw op te richten ten behoeve van het realiseren van een kinderdagverblijf. Het planvoornemen om een kinderdagverblijf te realiseren past niet rechtstreeks binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan ‘De Hoef 2, fase 3’, zoals vastgesteld door de gemeente Bernheze op 11 december 2014. Derhalve hebben initiatiefnemers het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bernheze gevraagd medewerking te verlenen aan het bieden van de gewenste herontwikkelingsmogelijkheden voor de locatie Graafsebaan 29 en het oprichten van een kinderdagverblijf. Hierop heeft het college met inachtneming van enkele voorwaarden positief besloten. Om de ontwikkelingen mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan betreft het nieuwe juridisch-planologische kader voor het plangebied.
Er wordt aangetoond dat het initiatief haalbaar is en dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt aan de Graafsebaan 29 aan de oostkant van de kern Heesch, gemeente Bernheze. Het perceel staat kadastraal bekend als gemeente Heesch, sectie B nummer 2796 en heeft een totale oppervlakte van circa 1.280 m 2. De ligging en begrenzing van het plangebied is indicatief weergegeven op de volgende afbeeldingen. De exacte begrenzing volgt uit de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan.
Hoofdstuk 1
3
Figuur 1.1 Ligging en begrenzing plangebied (Bron: Google Maps)
Hoofdstuk 1
4
1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied is het vigerende bestemmingsplan ‘De Hoef 2, fase 3’, vastgesteld door de gemeente Bernheze op 11 december 2014. De gronden zijn deels bestemd als ‘Wonen’ met een bouwvlak en de bouwaanduiding ‘vrijstaand’. Daarnaast geldt de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3’. De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van (potentieel) aanwezige archeologische waarden. Tevens geldt voor een klein gedeelte de bestemming ‘Tuin’ met 'Waarde - Archeologie 3'.
Figuur 1.2: Uitsnede vigerend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Volgens het vigerende bestemmingsplan is ter plaatse één woning toegestaan. Het oprichten van een kinderdagverblijf is niet mogelijk middels het bestemmingsplan of via een wijzigingsbevoegdheid. Derhalve wordt er voor de voorgestane ontwikkelingen een nieuw bestemmingsplan in procedure gebracht. Om de deze nieuwe situatie juridisch-planologisch mogelijk te maken, is onderhavig bestemmingsplan opgesteld.
Hoofdstuk 1
5
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In het laatste hoofdstuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.
Hoofdstuk 1
6
2.
PLANBESCHRIJVING 2.1
Huidige situatie
Het plangebied ligt in het oosten aan de rand van de kern Heesch. Aan de zuidkant / zuidoostkant van het perceel is het gebied de afgelopen jaren flink veranderd: hier is de nieuwbouwwijk De Hoef gerealiseerd en nog gedeeltelijk in ontwikkeling. Er is onlangs nog een goede verkeersaansluiting op de Graafsebaan gerealiseerd, in de vorm een rotonde. Op een afstand van circa 100 meter van de planlocatie is het bosrijke natuurgebied de Schaijkse Heide / De Maashorst gelegen. Aan de westzijde van de planlocatie grenst een motorservice-bedrijf en een caravanstalling. De voormalige woning aan de Graafsebaan in Heesch is gebouwd in 1934, de woning had geen monumentale of waardevolle status. De woning was gedateerd er was een behoorlijke investering noodzakelijk om deze te moderniseren. Overige gedeelte van de gronden was in gebruik als tuin en het perceel wordt ontsloten op de Graafsebaan, tussen het perceel en de Graafsebaan ligt een vrij liggend fietspad.
Figuur 2.1 Voormalige situatie Graafsebaan 29
Hoofdstuk 2
7
2.2 Voorgestane ontwikkeling Kinderopvang ‘het Beertje’ is in 1996 opgericht. Momenteel is deze kinderopvang gevestigd op twee locaties: aan de Potbeker 71-73 in Heesch en de Heesterseweg 5a in Geffen. Initiatiefnemers wensen het familiebedrijf voor te zetten. Echter, voldoet de locatie Potbeker 71-73 niet meer aan de wensen, met name gezien de beperkte buitenruimte. Initiatiefnemers zijn op zoek gegaan naar een locatie waar wij de bedrijfsactiviteiten van de Potbeker 71-73 naartoe kunnen verplaatsen. Derhalve is de locatie Graafsebaan 29 in Heesch aangekocht. De Graafsebaan 29 is een geschikte locatie om een kinderopvang te realiseren. Deze locatie biedt voldoende buitenruimte om met de kinderen buiten te spelen. Daarnaast is het realiseren van een kinderopvang een passende voorziening bij de nieuwbouwwijk De Hoef. In deze woonwijk wonen veel (jonge) gezinnen, waarvan de kinderen kunnen worden opvangen in de kinderopvang. Met het oprichten van een nieuwe kinderopvang aan de Graafsebaan 29 komt de locatie Potbeker 71-73 in Heesch te vervallen. Voorheen was er op het perceel een verouderde woning aanwezig, deze is gesloopt en hiervoor in de plaats wordt een nieuw gebouw ten behoeve van het kinderdagverblijf opgericht. Het kinderdagverblijf gaat bestaan uit 2 groepen van maximaal 16 kinderen per groep met kinderen in de leeftijd van 0-4 jaar.
Figuur 2.2 toont de voorgevel en figuur 2.3 de rechter zijgevel van het nieuwe gebouw ten behoeve van het kinderdagverblijf.
Figuur 2.2 Impressie voorgevel gebouw kinderdagverblijf
Hoofdstuk 2
8
Figuur 2.3 Impressie voorgevel gebouw kinderdagverblijf
Voor de realisatie van een kinderdagverblijf is de verkeersveiligheid belangrijk. Hierom heeft over het inrichtingsplan overleg plaatsgevonden met de gemeente Bernheze. De inrit blijft op dezelfde plaats als in de huidige situatie liggen. Het halen en brengen van kinderen genereert verplaatsingen van auto's en daarmee een vraag naar parkeerruimte bij kinderdagverblijven, al is het meestal maar voor een korte periode. Daarnaast moeten er parkeerplaatsen gerealiseerd worden het personeel van de kinderopvang. In het inrichtingsplan is rekening gehouden met voldoende parkeergelegenheid, zo worden er 12 parkeerplaatsen gerealiseerd op eigen terrein, en een goede verkeerstechnische inpassing. Het inrichtingsplan staat weergegeven in figuur 2.4 en is tevens opgenomen in de bijlagen. In paragraaf 4.1 wordt het aspect verkeer en parkeren nader beschreven.
Figuur 2.4 Inrichting voorzijde perceel kinderdagverblijf met parkeerplaatsen
Hoofdstuk 2
9
Aan de achterzijde van het perceel wordt een groenstrook aangelegd van 2 meter breed en ca. 16,5 meter lang. Figuur 2.5 toont de inrichting van het perceel waaronder ook de tuin, hierin is de groenstrook opgenomen. De realisatie van deze groenstrook is tevens vastgelegd in de verbeelding en planregels van voorliggend bestemmingsplan.
Figuur 2.5 Inrichtingsplan
Hoofdstuk 2
10
3.
BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.
3.1 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 juli 2023, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Welke per 11 september 2020 in werking is getreden. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. In het kader van de nahangprocedure kunnen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) nog opmerkingen en wensen van de Tweede Kamer worden verwerkt. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet (staat nu gepland voor 1 juli 2023) komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Ook worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving.
Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie 2. Duurzaam economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio's 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer sa-
Hoofdstuk 3
11
men en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig 2. Kenmerken & identiteit 3. Afwentelen voorkomen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht, welke ‘nationale belangen’ genoemd worden. De NOVI richt zich op 21 nationale belangen. Deze worden geografisch weergegeven via de Nationale hoofdstructuur. De verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen. Hierdoor kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt.
Doorwerking plangebied In de NOVI zijn de volgende nationale belangen genoemd die het project raken: • Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; • Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; • Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; • Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); • Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; • Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Voor wat betreft de volgende nationale belangen “Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en alle onderdelen van de fysieke leefomgeving”, “Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit” en “Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving” wordt verwezen naar hoofdstuk 2 en de milieuonderzoeken, zoals die in Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten aan de orde komen. Voor de nationale belangen “Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid “en “Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater” wordt verwezen naar paragraaf 4.10 Water.
In paragraaf 4.11 Archeologie en cultuurhistorie wordt aandacht besteed aan archeologie en cultuurhistorie. Dit raakt aan nationaal belang “Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang”. Gelet op het bovenstaande staat de Nationale Omgevingsvisie de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
Hoofdstuk 3
12
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Omgevingsvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de NOVI die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Barro. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. In de NOVI wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Doorwerking plangebied Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk waarbij nationale belangen gemoeid zijn. Het Barro heeft dan ook geen invloed op het bestemmingsplan. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt.
Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Dit plan voorziet in realiseren van een kleinschalig kinderdagverblijf. Gezien de aard van de ontwikkeling is er geen sprake van een ‘stedelijke ontwikkeling’, zoals omschreven in artikel 1.1.1 van het Bro.
Het doorlopen van de ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet noodzakelijk.
3.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie Noord-Brabant Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op 1
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
13
lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Doorwerking plangebied De beoogde ontwikkeling, het oprichten van een kinderdagverblijf heeft geen invloed op de vier opgestelde ambities. Wel moet deze ontwikkeling in lijn zijn met de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan. In hoofdstuk 4 wordt onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op deze drie aspecten en waarom deze aspecten anderzijds geen belemmering vormen voor de ontwikkeling zelf. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat deze omgevingsvisie geen belemmering vormt voor onderhavig plan. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 is de Interim Omgevingsverordening vastgesteld en op 8 december 2020 geconsolideerd. De Interim Omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is er gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een interim Omgevingsverordening. Het is een ‘interim’ Omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet.
De Interim Omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening. De Interim Omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening Ruimte 2014. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. De verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Doorwerking plangebied Het plangebied is in de Interim Omgevingsverordening aangeduid als ‘stedelijk gebied’ en ‘concentratiegebied’. Het volgende artikel uit de Interim Omgevingsverordening is van toepassing op de voorgestane ontwikkeling binnen het plangebied. Artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1. Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2.
Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden;
Hoofdstuk 3
14
c. d. e. f.
geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie.
Met onderhavige ontwikkeling wordt het mogelijk gemaakt om een reeds bestaande kinderopvang te verplaatsen naar de locatie aan de Graafsebaan. Met de ontwikkeling gaat heht dus niet om een nieuwe kinderopvang maar om de verplaatsing van een reeds bestaande kinderopvang. De achterblijvende locatie van de kinderopvang (Potbeker 71) heeft reeds een woonbestemming. Onderhavige ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied en betreft de verplaatsing van een bestaande kinderopvang derhalve is geen regionale afstemming nodig. Het plangebied ligt in bestaand stedelijk gebied waardoor stedelijke ontwikkelingen zijn toegestaan, mits er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik en een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving wordt geborgd. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de relevante (milieu)aspecten, hiermee wordt een goede omgevingskwaliteit geborgd. In de planuitwerking wordt rekening gehouden met duurzaamheid en energietransitie, zo wordt het gebouw gasloos gebouwd en voorzien van PV-panelen. De beoogde ontwikkeling is in overeenstemming met de regels uit de Interim Omgevingsverordening.
3.3 Gemeentelijk beleid Structuurvisie Bernheze De Structuurvisie Bernheze is vastgesteld op11 februari 2010. De planlocatie is gelegen in de gebiedsaanduiding ‘Dorpen’. Voor een dergelijke ontwikkeling als onderhavig initiatief is globaal het volgende opgenomen: Naast de taak om te voorzien in voldoende woningen heeft de gemeente de taak het voorzieningenniveau op peil te houden. Het doel is een evenwichtige verdeling van voorzieningen over de dorpskernen. Hierbij gaat het voornamelijk om buurt- c.q. wijkvoorzieningen, zoals scholen en speelvoorzieningen. De echte centrumvoorzieningen, zoals grootschalige maatschappelijke voorzieningen of detailhandel, horen niet thuis in het woongebied, maar in het centrum. Doorwerking plangebied Een kleinschalig kinderdagverblijf kan worden gezien als een buurt- c.q. wijkvoorziening en is daarom op onderhavige locatie nabij een groot (nieuw) woongebied voorstelbaar. De meeste kinderdagverblijven in Heesch zijn gelegen in het centrum en in de schil rondom het centrum. Onderhavige ontwikkeling voorziet een kinderdagverblijf in het oosten van de kern. Met het realiseren van het kinderdagverblijf aan de Graafsebaan 29 wordt bijgedragen aan een evenwichtige verdeling van voorzieningen over de dorpskern.
Hoofdstuk 3
15
4.
OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.
4.1 Verkeer en parkeren Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen een gewijzigde verkeers- en parkeersituatie tot gevolg hebben. De toegenomen verkeersgeneratie mag echter niet leiden tot significant negatieve gevolgen voor de omliggende wegen. De omgeving mag geen onevenredige overlast ervaren door een toegenomen verkeers- en parkeerdruk. Doorwerking plangebied Het realiseren van een kinderopvang genereert verkeer en vereist parkeerplaatsen. Er moeten parkeerplaatsen gerealiseerd worden voor de bewoners en het personeel van de kinderopvang. Daarnaast genereert het halen en brengen van kinderen verplaatsingen van auto's en daarmee een vraag naar parkeerruimte bij kinderdagverblijven, al is het meestal maar voor een korte periode. Aan de hand van de rekentool van CROW is een berekening gedaan. Deze rekentool bevat een methode om inzicht te krijgen in zowel het aantal verplaatsingen als de benodigde parkeerruimte en het moment van de dag dat deze optreden. Een veilige omgeving van een kinderdagverblijf kenmerkt zich (voor wat betreft parkeren) door onder andere een kiss & ride-locatie langs de doorgaande route en/of locatie(s) met kortparkeerplaatsen voor halen en brengen, parkeren voor ouders en verzorgers op enige afstand van de ingang van het kinderdagverblijf en aparte parkeervoorzieningen voor personeel. In de rekentool wordt uitkomsten getoond in 'parkeerruimte c.q.
aantal parkeerplaatsen'. Hiermee wordt benadrukt dat het (met name bij de kiss & ride-locatie en/of de kortparkeerplaatsen) niet zo zeer om fysieke plaatsen gaat maar meer om de beschikbare ruimte om tijdelijk met een auto stil te staan/te parkeren. Volgens de CROW-rekentool tellen niet alleen aangelegde parkeerplaatsen hierbij mee, maar ook bijvoorbeeld de aanwezige ruimte langs de stoeprand kan onderdeel uit maken van de beschikbare parkeerruimte. De kinderopvang gaat bestaan uit 2 groepen van maximaal 16 kinderen per groep met kinderen in de leeftijd van 0-4 jaar. De brengtijden zijn: 07:00-09:00 / 12:30-13:00 De haaltijden zijn: 12:30-13:00 / 16:30-18:00 Per dag zijn er maximaal 5 pedagogische medewerkers aanwezig (minstens 2 per groep). Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie en parkeerplaatsen zijn met behulp van de CROW-rekentool berekend. Er is gerekend voor 2 groepen, met 16 kinderen en 2,5 medewerkers per groep. Van de kinderen blijft circa 50% de gehele dag. De uitvoer van de berekening met behulp van de CROW-rekentool is als bijlage opgenomen bij deze toelichting.
Hoofdstuk 4
16
De verkeersgeneratie van het kinderdagverblijf is in totaal berekend op 77 autoritten per openingsdag. De Graafsebaan is een belangrijke verbindingsweg tussen de kern Heesch en het Natuurpark de Maashorst en het knooppunt Paalgraven. Het knooppunt Paalgraven ligt op circa 1,5 kilometer ten oosten van het plangebied, dit knooppunt geeft toegang tot 4 belangrijke grote wegen, namelijk de Rijkswegen A59 en A50 en tevens de provinciale wegen N324 en N329. De verkeersintensiteiten zijn met de realisatie van een kinderopvang passend bij de inrichting van de weg. De stratenstructuur is onlangs nog verbeterd ten behoeve van de woonwijk De Hoef. Derhalve is de stratenstructuur van voldoende capaciteit voor het verwerken van de verkeersstroom inclusief de verkeersbewegingen door de beoogde ontwikkeling. Het omliggende wegennetwerk kan de verkeergeneratie goed verwerken. Parkeren Volgens de Parkeernomennota gemeente Bernheze geldt voor een kinderdagverblijf een parkeernorm van 0,8 parkeerplaatsen per arbeidsplaats. Voor 5 medewerkers dienen er dan 4 parkeerplaatsen gerealiseerd te worden. Daarnaast dienen er 4 haal- / brengplekken per lokaal/unit aanwezig te zijn. Voor 2 groepen dienen er dus 8 haal- / brengplekken te worden gerealiseerd op eigen terrein.
Omdat de parkeerruimte voor het hoofdgebouw beperkt is (hier is ruimte voor maximaal 4 parkeerplaatsen) wordt het nieuwe gebouw meer naar achteren op het perceel gesitueerd, zodat er ruimte ontstaat voor het aanleggen van parkeerplaatsen. Er is een inrichtingsplan (zie figuur 2.4) uitgewerkt waar de benodigde parkeerplaatsen zijn ingetekend. Dit inrichtingsplan is afgestemd met de gemeente Bernheze. In het inrichtingsplan staan 12 vaste parkeerplaatsen ingetekend. Hiermee worden er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd op eigen terrein conform de Parkeernomennota gemeente Bernheze. De parkeerplaatsen worden op een goede stedenbouwkundige en verkeerskundige manier ingepast. Zo wordt er één in- en uitrit aangelegd. Het parkeren is gemakkelijk en veilig gemaakt zodat ouders een praktische manier wordt geboden om de kinderen te brengen en halen. Bovendien worden niet alle kinderen tegelijk gebracht en gehaald, maar gebeurt dit gedurende de dag. Kinderen en personeel die op de fiets komen kunnen over het fietspad op de inrit rijden en hun fiets parkeren in de fietsenstalling bij de kinderopvang. Er is sprake van een aanvaardbare en veilige verkeers- en parkeersituatie.
4.2 Akoestiek (wegverkeerslawaai) In het kader van dit bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai. In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals (bedrijfs)woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Doorwerking plangebied Er is een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege wegverkeer uitgevoerd ten behoeve van de vestiging van kinderdagverblijf aan de Graafsebaan 29 in Heesch. In het kader van het be-
Hoofdstuk 4
17
stemmingsplan dient conform het gestelde in de Wet geluidhinder (Wgh) een onderzoek naar de geluidbelasting die door woningen alsmede door andere geluidsgevoelige gebouwen of door geluidsgevoelige terreinen, gelegen binnen de zone van een weg, vanwege deze weg wordt ondervonden. Het kinderdagverblijf is gelegen binnen de wettelijk vastgestelde zone van meerdere gemeentelijke wegen. Daarnaast is het gelegen in de directe nabijheid van 30 km/uur-wegen. Vanuit planologisch oogpunt (beoordeling van het woon- en leefklimaat op basis van de gecumuleerde geluidbelasting) is tevens een onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting vanwege deze wegen. Het volledige akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is opgenomen als bijlage, in deze toelichting volgen de belangrijkste conclusies. Rijksweg A59 De geluidbelasting bedraagt ter plaatse van de noordgevel zowel meer dan de voorkeursgrenswaarde, als (op de verdieping) meer dan de maximale ontheffingswaarde. Ook op een groot deel van de overige gevels bedraagt de geluidbelasting meer dan de voorkeursgrenswaarde, echter niet meer dan de maximale ontheffingswaarde. Vanwege de overschrijding zijn maatregelen onderzocht waarmee de geluidbelasting verlaagd kan worden. De voorgevel op de verdieping wordt ‘doof’ uitgevoerd omdat de maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor de Rijksweg A59 wordt overschreden.
Een dove gevel hoeft niet getoetst te worden aan de normstelling uit de Wet geluidhinder. Het realiseren van een dove gevel is middels een voorwaardelijke verplichting geborgd in de planregels. Graafsebaan (50 km/uur) De geluidbelasting bedraagt ter plaatse van de noord- en oostgevel meer dan de voorkeursgrenswaarde, echter niet meer dan de maximale ontheffingswaarde. Vanwege de overschrijding zijn maatregelen onderzocht waarmee de geluidbelasting verlaagd kan worden. Overige 30 km/uur-wegen De voorkeursgrenswaarde (die enkel voor gezoneerde wegen van toepassing is) wordt niet overschreden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Cumulatief De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt grotendeels meer dan 50 dB met een maximum van 61 dB. Enkel aan de zuidzijde is op de begane grond de woon- en leefklimaat als goed aan te merken. Het is mogelijk aan deze geluidluwe zijde een buitenruimte te situeren. Tevens kan c.q. is bij de indeling van het gebouw rekening gehouden (worden) met de ligging van de geluidgevoelige vertrekken en kan middels een voldoende geluidwering een goed woon- en leefklimaat (geluidniveau van ten hoogte 33 dB) gewaarborgd worden.
Conclusie Voor het plan blijkt dat de geluidbelasting vanwege verkeer op zowel de rijksweg A59 als de Graafsebaan de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, waarbij ter plaatse van de noordgevel op de verdieping vanwege de rijksweg tevens de maximale ontheffingswaarde wordt overschreden. Vanwege de overige (30 km/uur)wegen is geen sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde (voor zover deze van toepassing is). Om vaststelling van het bestemmingsplan mogelijk te maken moeten hogere waarden worden vastgesteld. Dat kan alleen indien geluidmaatregelen zijn onderzocht. Gebleken is dat deze niet of beperkt
Hoofdstuk 4
18
mogelijk zijn en/of stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige aard. Nieuwbouw is alleen mogelijk als het bevoegd gezag, de gemeente Bernheze, hogere waarden vastgesteld voor de gevels met een overschrijding van de voorkeurswaarde vanwege de zowel de rijksweg A59 als de Graafsebaan. Voor het plangebied is sprake van een redelijk tot tamelijk slecht woon- en leefklimaat. Enkel aan de zuidzijde is op de begane grond de woon- en leefklimaat als goed aan te merken. Het is mogelijk aan deze geluidluwe zijde een buitenruimte te situeren. Tevens kan c.q. is bij de indeling van het gebouw rekening gehouden (worden) met de ligging van de geluidgevoelige vertrekken en kan middels een voldoende geluidwering een goed woon- en leefklimaat (geluidniveau van ten hoogte 33 dB) gewaarborgd worden.
4.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden dat luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriele regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. ‘Niet In Betekenende Mate’ De nieuwe regels maken onderscheid in projecten die wel en ‘Niet In Betekenende Mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Als een project NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven.
Doorwerking plangebied Om te bepalen of de luchtkwaliteit in de toekomstige situatie aan de normen voldoet is de NIBM-tool ingevuld. Onderhavig plan zal in 2020/2021 gerealiseerd worden. In paragraaf 4.1 is berekend hoeveel verkeerbewegingen het plan genereert. Uit deze berekening komt naar voren dat het aantal verkeersbewegingen met afgerond 77 verkeerbewegingen per etmaal toeneemt. Het vrachtverkeer is 0%. Door deze gegevens in te vullen in de NIBM-tool is te zien dat de luchtkwaliteit door de ontwikkeling niet in betekenende mate aangetast wordt en dat een luchtkwaliteitsonderzoek is niet noodzakelijk (zie tabel 4.1). Geconcludeerd wordt dat het plan niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Hoofdstuk 4
19
Tabel 4.1 NIBM-tool
Daarnaast moet aangetoond worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Dit kan bepaald worden met behulp van achtergrondwaarden die achterhaald kunnen worden met behulp van de NSL-monitoringstool. In tabel 4.2 zijn de achtergrondwaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden ruim onder de norm liggen en sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit. Dit aspect zorgt dan ook niet voor belemmeringen. Meetpunt 685162 692876 731066 733857 15631574 15631457 Norm
NO2 μg/m3 21.2 24.4 24.2 21.4 25.2 21.9 40
PM10 μg/m3 19.1 19.5 19.5 19.2 19.6 19.2 40
PM10 overschrijdingsdagen 6.9 7.2 7.2 7.0 7.3 7.0 35
PM2.5 μg/m3 11.6 11.8 11.8 11.6 11.8 11.7 25
Jaar 2020 2020 2020 2020 2020 2020
Tabel 4.2: Achtergrondwaarden (Bron: NSL-monitoringstool)
4.4 Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 2. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien
2
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
20
bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Doorwerking plangebied Het plangebied is gelegen in een ‘gemengd gebied’, er is immers sprake van een bebouwingslint met meerdere functies, zoals bedrijven, woningen en agrarische bestemmingen.
Vanwege de ligging in een bebouwingslint met woningen is het van belang in een vroeg stadium duidelijkheid te hebben over de milieuhygiënische haalbaarheid van het plan. Bedrijven in de omgeving kunnen milieuhinderlijk zijn voor de kinderopvang. Daarnaast is voor het realiseren van een kinderopvang het aspect ‘geluidhinder’ bepalend of de ontwikkeling doorgang zou kunnen vinden. Akoestisch onderzoek kinderdagverblijf Er is een onderzoek uitgevoerd naar de ruimtelijke inpasbaarheid van de vestiging van kinderdagverblijf aan de Graafsebaan 29 in Heesch. Het doel van dit akoestisch onderzoek is het inzichtelijk maken van de geluidimmissie ter plaatse van de dichtst bij de inrichting gelegen woningen, ten gevolge van de activiteiten die bij het kinderdagverblijf plaatsvinden. Hiertoe is de geluiduitstraling van de inrichting berekend op basis van de representatieve bedrijfssituatie en (akoestische) ervaringscijfers, opgedaan bij vergelijkbare inrichtingen. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Activiteitenbesluit milieubeheer Ter plaatse van woningen van derden bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten hoogste 31 dB(A) etmaalwaarde en het maximale geluidniveau ten hoogste 52 en 56 dB(A) in respectievelijk de dag- en nachtperiode.
Hiermee wordt voldaan aan de standaard normstelling uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Goede ruimtelijke ordening Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) ter plaatse van de woningen van derden bedraagt ten hoogste 43 dB(A) in de dagperiode (rekenhoogte 1,5 meter). De richtwaarde van stap 2 (50 dB(A) voor woningen gelegen in ‘gemengd gebied’) uit de VNG-publicatie wordt hiermee gerespecteerd. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woningen. Ook de geluidniveaus ter plaatse van de (afgeschermde) tuinen ruim lager zijn dan de normstelling die hoort bij stap 2, en zijn als acceptabel aan te merken.
Hoofdstuk 4
21
Het maximaal geluidniveau (LAmax) ter plaatse van de woningen bedraagt ten hoogste 64 dB(A) in de dagperiode en 56 dB(A) in de nachtperiode (66 dB(A) ‘etmaalwaarde). De richtwaarde van stap 2 (70 dB(A) voor woningen gelegen in ‘gemengd gebied’) uit de VNG-publicatie wordt hiermee gerespecteerd. Verkeersaantrekkende werking Het verkeer van en naar de het plan rijdt over de Graafsebaan. De geluidbelasting ten gevolge van verkeersaantrekkende werking is ter plaatse van de woningen in de directe omgeving berekend. In onderhavige situatie bedraagt de geluidbelasting ten gevolge van het verkeer van en naar het kinderdagverblijf 33 dB(A) etmaalwaarde. Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarde van stap 2 (50 dB(A) voor woningen gelegen in ‘gemengd gebied’) uit de VNG-publicatie. Tevens wordt voldaan aan de voorkeurswaarde van 50 dB(A) uit de Schrikkelcirculaire en aan de richtwaarde (50 dB(A)) van stap 2 uit de VNG-publicatie. Derhalve is ten aanzien van de verkeersaantrekkende werking is sprake van een akoestisch goed woon- en leefklimaat. Bedrijvigheid in de omgeving Daarnaast is de (agrarische) bedrijvigheid in de omgeving geïnventariseerd. Aan de Graafsebaan 29a is een reeds bestaand bedrijf gevestigd. Deze functie kan milieuhinderlijk zijn voor de kinderopvang.
Op het perceel aan de Graafsebaan 29a zijn enkel functies mogelijk in milieucategorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Het thans gevestigde bedrijf, Spierings motortuning, is gelijk te stellen aan ‘een handel in auto’s en motorfietsen, reparatie en het verrichten van servicewerkzaamheden’ en valt in milieucategorie 2. De grootste richtafstand is 30 meter (geluid). Doordat de locatie is gelegen in een gemengd gebied, kan de richtafstand met één stap worden verminderd tot 10 meter. Dat wil zeggen dat activiteiten die behoren tot deze categorie kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting dat zij bouwkundig afgescheiden van gevoelige objecten zoals woningen uitgevoerd moeten worden. In het onderhavige geval vinden de milieubelastende werkzaamheden inpandig plaats (keuren en repareren van motoren). Vanwege deze situering en het feit dat er een bouwkundige scheiding aanwezig is ontstaat er geen overlast voor het kinderdagverblijf. Aan de Graafsebaan 24 is op 60 meter van het plangebied is een bedrijf gelegen. Binnen deze bedrijfsbestemming is een ‘specifieke vorm van bedrijf – bouwmaterialen’ mogelijk. Voor dit bedrijf geldt gedeeltelijk milieucategorie 3.1, waarvoor de richtafstand tot ‘gemengd gebied’ respectievelijk 30 meter is. Dit bedrijf zorgt derhalve niet voor belemmeringen voor onderhavig planvoornemen.
Bovendien zijn er reeds veel burgerwoningen op kortere afstand van het bedrijf gelegen. Daarnaast is het plangebied op circa 100 meter van het buitengebied Bernheze en op 160 meter afstand van het buitengebied van Oss gelegen. Op 400 meter is een intensieve varkenshouderij gelegen. Een bedrijf gericht op het fokken en houden van varkens behoort volgens de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ in milieucategorie 4.1. Voor milieucategorie 4.1 geldt de grootste richtafstand van 200 meter. Bij een varkenshouderij is dit vanwege het aspect geur. De varkenshouderij ligt op een afstand van 400 meter van het plangebied en vormt hiermee in beginsel geen belemmering voor de ontwikkeling en vice versa. Tussen de varkenshouderij en de planlocatie liggen immers meerdere andere geur-gevoelige objecten. Omdat voor geur van veehouderijen een expliciet toetsingskader is opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij wordt dit aspect nader toegelicht in paragraaf 4.5.
Hoofdstuk 4
22
Overige bedrijven en voorzieningen in de omgeving liggen op voldoende afstand en vormen derhalve geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling en vice versa. Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat er gesteld kan worden dat er wat betreft de activiteiten die bij de kinderopvang plaatsvinden als de verkeersaantrekkende werking van de kinderopvang sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Geluidhinder van de kinderopvang op omliggende woningen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Tevens zijn er in de omgeving van het plangebied geen bedrijven gelegen die een belemmering kunnen vormen voor onderhavige ontwikkeling. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.5 Geur agrarisch Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend .De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. Doorwerking plangebied Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van een nieuw geurgevoelig object, namelijk een kinderdagverblijf. Zoals reeds in paragraaf 4.4 Bedrijven en milieuzonering is beschreven komen er geen veehouderijen in de directe omgeving van het plangebied voor, wel op een wat grotere afstand.
Aan de Heikampstraat in het buitengebied van Oss is een veehouderij gelegen met een bepaalde ‘geur-uitstraling’, deze bevindt zich op geruime afstand van het plangebied, namelijk 400 meter. Gezien deze afstand is de voorgrondbelasting niet relevant. Tevens zijn er tussen het plangebied en deze veehouderij reeds andere geurgevoelige objecten gelegen. Deze andere geurgevoelige objecten zijn bepalend voor eventuele belemmering van de veehouderij in de bedrijfsvoering. Om die reden is verdere toetsing hier niet noodzakelijk. Figuur 4.1 toont de indicatieve achtergrondbelasting, veroorzaakt door de aanwezigheid van intensieve veehouderijen in de omgeving van het plangebied. De figuur toont aan dat er ter plaatse van het plangebied (blauw omcirkeld) sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De planlocatie valt in een zone waarbij de achtergrondconcentratie tussen de 0 en 8 ouE/m3 is gelegen. Hiermee wordt de achtergrondconcentratie van 10 ouE/m3 van de Wgv niet overschreden. Tevens zit dit ruim onder de 13 ouE/m3 die in de ‘Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Bernheze 2013’ is opgenomen als grenswaarde voor woonkernen als een ‘voldoende’ woon- en leefklimaat voor het aspect geur. Het aspect geur vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
Hoofdstuk 4
23
Figuur 4.1 Uitsnede kaart Indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder (bron: Evaluatie geurverordening gemeente Bernheze, 2013)
4.6 Kabels en leidingen In het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen waarvoor een specifieke regeling nodig is of die zorgen voor een belemmering van het initiatief. Wanneer graafwerkzaamheden worden uitgevoerd zal een KLIC-melding worden aangevraagd om er voor te zorgen dat geen kabels worden beschadigd. Aanvragen hiervoor dienen rechtstreeks ingediend te worden bij de nutsbedrijven.
4.7 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Hoofdstuk 4
24
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.). Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.
(Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants3. Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Beleidsvisie externe veiligheid De gemeente Bernheze beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (2008). Hierin wordt invulling gegeven aan de gemeentelijke omgang met externe veiligheid. De beleidsvisie bevat geen gebiedstypering of uitgangspunten die gehanteerd kunnen worden voor de verantwoording van het groepsrisico. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', etc. Doorwerking plangebied Op basis van de risicokaart is geïnventariseerd of er risicovolle bronnen aanwezig zijn in de omgeving van het plangebied.
In figuur 4.2 is een uitsnede van de risicokaart opgenomen, het plangebied is blauw omcirkeld.
3
Zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
Hoofdstuk 4
25
Figuur 4.2 Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl)
Inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn geen relevante risicovolle inrichtingen gelegen. Transport Het plangebied ligt op circa 130 meter afstand van de A59 (knooppunt Hintham-Paalgraven, wegvak B78). Over deze transportweg worden onder andere gevaarlijke stoffen uit de categorieën GF2, GF3, LT1 en LT2 vervoerd4. GF2 heeft een invloedsgebied van 280 meter, GF3 van 355 meter, LT1 van 730 meter en LT2 van 880 meter5. Door AVV zijn tellingen transporten gevaarlijke stoffen (tellocatie B78: Kp Hintham - Kp Paalgraven) uitgevoerd. Het wegvak (B78) heeft geen 10-6 plaatsgebonden risicocontour heeft en ook geen plasbrandaandachtsgebied. Toetsing plaatsgevonden risico Wanneer de vuistregels uit de Handreiking externe veiligheid voor vervoer gevaarlijke stoffen worden toegepast, blijkt dat er géén PR 10-5-contour en géén PR 10-6-contour is. Toetsing groepsrisico Voor het toetsen van het groepsrisico zijn de volgende twee vuistregels vastgesteld: Vuistregel 1: Wanneer vervoersstromen gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevatten uit de categorieën LT3 (acroleïne), LT4 (methylisocyanaat), GT5 (chloor) of GT6 pas dan het risicoberekeningsmodel RBMII toe.
Vuistregel 2: Wanneer GF3 minder is dan 10 maal de drempelwaarde van de tabel 1-4 (eenzijdige bebouwing, zoals in het HaRT is opgenomen) of in de tabel 1-5 (tweezijdige bebouwing, zoals in het HaRT is opgenomen) wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden.
4 5
Rijkswaterstaat (2019) Lijstwegvakken data tellingen& basisnet RIVM (2017) Handleiding risicoanalyse transport, pag. 19
Hoofdstuk 4
26
Wanneer de vuistregels uit de Handreiking externe veiligheid voor vervoer gevaarlijke stoffen worden toegepast blijkt dat het groepsrisico niet wordt overschreden tot een bevolkingsdichtheid van 65 inwoners per hectare (ongeacht de afstand van de bebouwing tot de weg). De woningdichtheid voor ‘De Hoef 2’ bedraagt circa 23,8 woningen per hectare. Uitgaande van 2,3 personen per woning resulteert dit in 55 personen per hectare. Er wordt dan ook geen overschrijding van het groepsrisico verwacht door de realisatie van het kinderdagverblijf. De verwachting is dan ook, mede ook gezien de afstand het plangebied ten opzichte van de A59, dat het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A59 géén belemmeringen voor de ontwikkeling oplevert. Gelet hierop zijn risicoberekeningen niet noodzakelijk en hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik binnen het plangebied. Buisleidingen Op circa 480 meter ten zuidoosten/oosten van het plangebied zijn twee aardgastransportleidingen aanwezig van de Gasunie. Voor de ene buisleiding (A-527) geldt een 100%- en een 1%-letaliteitsgrens van respectievelijk 210 meter en 540 meter. Voor de andere buisleiding (A-643) geldt een 100%- en een 1%-letaliteitsgrens van respectievelijk 220 meter en 580 meter. Met een afstand van 500 meter ligt het plangebied binnen de 1% letaliteitsgrens van beide buisleidingen.
Omdat het plangebied niet binnen de 100% letaliteitsgrens van de buisleidingen ligt, kan er conform art. 12 Bevb worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico Verantwoording groepsrisico Omdat de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in het invloedsgebied van de rijksweg A59 en de buisleidingen A-527 en A-643 dient conform art 7 Bevt en art 12 Bevb het groepsrisico te worden verantwoord. De relevante scenario’s i.r.t het plangebied zijn: een fakkelbrand, een BLEVE en een Toxische wolk. Fakkelbrand Vanwege (graaf)werkzaamheden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. De effecten van een fakkelbrand zijn hittestraling en rook. Hierdoor kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving ontstaan. BLEVE Een BLEVE wordt veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de tank doet oplopen. Hierdoor verzwakt en bezwijkt de tank. LPG komt vrij en ontsteekt. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. Toxische wolk Een toxische wolk wordt veroorzaakt door een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank. Hierdoor ontstaat een gat in de tank. waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreidt.
De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Bij al deze incidentscenario's is de kans op slachtoffers ten tijde van een incident reëel. De kans dat een incident plaatsvindt is erg klein.
Hoofdstuk 4
27
Zelfredzaamheid Voor het scenario BLEVE en fakkelbrand is vluchten het beste handelingsperspectief. Dit betekent dat aanwezigen op tijd gealarmeerd en geïnstrueerd moeten worden en er voldoende vluchtwegen van de risicobron aflopend aanwezig moeten zijn. voor het scenario BLEVE is dit via de Elzenloop het geval. Geadviseerd wordt om aan de achterzijde de nooduitgangen aan te sluiten op deze weg. Voor het scenario fakkelbrand kan via de Graafsebaan worden gevlucht. Voor het scenario toxische wolk is schuilen het beste handelingsperspectief. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe bouwwerken goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn redelijk. In het plangebied wordt een kinderdagverblijf gerealiseerd De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om samen met de begeleiding van de school te vluchtenconform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Om dit soepel en snel te laten verlopen is het noodzakelijk om dit regelmatig te beoefenen. Bestrijdbaarheid Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan.
Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. Voor het scenario fakkelbrand bij de buisleiding is de bestrijdbaarheid slecht. Bij een incident met een buisleiding kan de fakkelbrand alleen worden bestreden door de toevoer dicht te draaien. Hiervoor dient contact opgenomen te worden met de leidingbeheerder en dit kost veel tijd. De brandweer kan tot de leiding is afgesloten niet handelend optreden. De bestrijdbaarheid van een BLEVE is matig. Propaan wordt vervoerd in niet- geïsoleerde tankwagens. Als gevolg van externe hittestraling kan deze na ca.12 minuten ontploffen. De brandweer zal om deze reden defensief optreden en zich richten op het ontruimen van de omgeving. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als slecht beoordeeld. In de directe nabijheid zijn diverse posten van hulpdiensten gesitueerd, zoals in Oss, Rosmalen en Uden. De aanrijdtijd blijft hierdoor laag, minder dan 15 minuten. Advies Veiligheidsregio De Veiligheidsregio Brabant Noord dient ingevolge artikel 7-9 van het Bevt en art. 12 Bevb om advies gevraagd te worden over de zelfredzaamheid, bereikbaarheid en bestrijdbaarheid.
Zelfredzaamheid speelt in dit plan een belangrijke rol omdat het gaat om een kinderdagopvang (kwetsbaar object) voor kinderen van 0-4 jaar die worden gezien als verminderd zelfredzame personen. Het advies is verwerkt in deze paragraaf en tevens opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Initiatiefnemers zijn hiervan op de hoogte gesteld.