Toelichting BP 'T Dorp 54, Heesch
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN “’t Dorp 54 Heesch” NL.IMRO.1721.BPtdorp54HSC-VG01 Vastgesteld
Document:
Bestemmingsplan “’t Dorp 54, Heesch”
IDN:
NL.IMRO.1721.BPtdorp54HSC-VG01
Status:
Vastgesteld
Datum:
27 januari 2022
Aanvrager:
Gebr. Jonkergouw beheer B.V.
Auteur:
De heer ing. P.W.M. van de Ligt Mevrouw ing. N.A.H. van den Ekker
Bureau Leefomgeving B.V. Schoolstraat 7 5961 EE HORST 077 – 208 60 99 contact@bureauleefomgeving.nl www.bureauleefomgeving.nl
INHOUDSOPGAVE 1.
INLEIDING............................................................................................................................................................3 1.1
Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ................................................................................................................................... 3
1.2
Plangebied en begrenzing ........................................................................................................................................................................... 4
1.3
Vigerende bestemmingsplannen.............................................................................................................................................................. 4
2.
HUIDIGE SITUATIE ...........................................................................................................................................6
3.
BEOOGDE SITUATIE........................................................................................................................................9
4
5
6
7
8
3.1
Hoofdopzet ...................................................................................................................................................................................................... 9
3.2
Uitgangspunten en doelstellingen van het plan................................................................................................................................. 9
3.2
Stedenbouwkundige inpassing............................................................................................................................................................... 11
BELEIDSKADER ............................................................................................................................................... 13 4.2
Rijksbeleid....................................................................................................................................................................................................... 13
4.3
Provinciaal beleid......................................................................................................................................................................................... 15
4.4
Gemeentelijk beleid ................................................................................................................................................................................... 22
RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN.............................................................. 26 5.2
Milieuaspecten .............................................................................................................................................................................................. 26
5.3
Externe veiligheid........................................................................................................................................................................................ 31
5.4
Ecologie ........................................................................................................................................................................................................... 34
5.5
Water............................................................................................................................................................................................................... 37
5.6
Kabels, leidingen en straalpaden........................................................................................................................................................... 40
5.7
Archeologie en cultuurhistorie............................................................................................................................................................. 40
5.8
Verkeer en parkeren................................................................................................................................................................................. 42
5.9
Volksgezondheid ......................................................................................................................................................................................... 43
JURIDISCHE ASPECTEN ............................................................................................................................... 46 6.2
Toelichting op de verbeelding ............................................................................................................................................................... 46
6.3
Toelichting op de planregels .................................................................................................................................................................. 47
UITVOERBAARHEID...................................................................................................................................... 48 7.2
Economische uitvoerbaarheid............................................................................................................................................................... 48
7.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................................................................... 48
PROCEDURE..................................................................................................................................................... 49
Vastgesteld
1
BIJLAGEN Bijlage 1: Aerius–berekening Bijlage 2: Advies Veiligheidsregio Brabant Noord Bijlage 3: Vleermuizenonderzoek Separate bijlagen: ▪ ▪ ▪ ▪
Verkennend bodemonderzoek (Aeres Milieu) Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (K+) Quickscan natuurwetgeving (Aeres Milieu) Boomeffectanalyse (Pius Floris)
Vastgesteld
2
1. INLEIDING
1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Aan ’t Dorp, in het centrum van Heesch, is op huisnummer 54 een oude en vervallen woning gelegen. Het langgerekte perceel achter de woning, welke reikt tot aan de Binnenpas, ligt daarbij ook nog eens braak. Enerzijds gelegen in het centrum en anderzijds als onderdeel van het bebouwingslint van de Binnenpas, vraagt de locatie om een passende herontwikkeling. Gebr. Jonkergouw Beheer B.V. heeft het voornemen om de verouderde woning op de locatie te slopen en daarna op een passende wijze te herontwikkelen met een appartementencomplex aan de zijde van het centrum en twee halfvrijstaande woningen aan de zijde van het bebouwingslint van de Binnenpas. Niet alleen zal deze herontwikkeling een logische, stedenbouwkundige afronding van de locatie betekenen, maar tevens zullen er woningen worden gerealiseerd die veel beter aansluiten op de huidige woonvraag.
Afbeelding 1. Locatie ’t Dorp 54 in de bebouwde kom van Heesch
Op basis van het vigerende bestemmingsplan “Centrum Heesch” is de voorgenomen (her)ontwikkeling niet toegestaan. Bij de gemeente Bernheze is daarom een verzoek om medewerking ingediend om de herontwikkeling te kunnen realiseren. Gezien de grote kwaliteitswinst die behaald wordt in dit specifieke geval heeft de gemeente per brief van 9 oktober 2019 (kenmerk: 1394900 / 1429092) aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan de realisatie van het appartementencomplex en de halfvrijstaande woningen. Om de beoogde herontwikkeling van deze locatie vervolgens in een passend juridisch-planologisch kader vast te leggen is voorliggend nieuw bestemmingsplan, in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), opgesteld waarmee een passende woonbestemming aan de locatie wordt toegekend.
Vastgesteld
3
1.2 Plangebied en begrenzing Betreffende locatie (in het vervolg aangeduid als “het plangebied”) is gelegen midden in de bebouwde kom van Heesch, aan ’t Dorp 54. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Heesch, sectie A, perceelnummer 6383. Het perceel heeft een oppervlakte van circa 1.380 m2. Het plangebied ligt ingeklemd tussen ’t Dorp en de Binnenpas en maakt daarbij onderdeel uit van beide bebouwingslinten. Aan het historisch bebouwingslint van ’t Dorp liggen onder andere de centrumfuncties van Heesch. Ter hoogte van het plangebied is sprake van de aanwezigheid van een langwerpig plein, wat in gebruik is als parkeerterrein. De bebouwing aan de noordzijde van het plein bestaat voornamelijk uit kleinschalige winkels, afgewisseld met enkele woningen. De bebouwing aan de zuidzijde van het plein bestaat voornamelijk uit vrijstaande woningen op ruime kavels. Daarnaast liggen aan de zuidzijde enkele grote complexen met commerciële ruimtes op de begane grond en appartementen daarboven. De Binnenpas ligt evenwijdig ten noorden van ’t Dorp en maakt onderdeel uit van de planmatig opgebouwde woonwijk “Meurs en Maas”. De wijk Meurs en Maas is in de jaren ’90 van de vorige eeuw ontwikkeld. De wijk is gelegen tussen de straten ’t Dorp en de Maasstraat. In de woonwijk zijn voornamelijk identieke gezinswoningen aanwezig afgewisseld met groen.
Het braakliggende gedeelte van het plangebied grenst aan beide zijden aan deze gezinswoningen.
1.3 Vigerende bestemmingsplannen De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Centrum Heesch” (vastgesteld d.d. 9 oktober 2013). Aan de zuidzijde is het plangebied bestemd als ‘Centrum – 1’ en daarbij tevens voorzien van een bouwvlak. Aan de achterzijde van dit bouwvlak zijn de aanduidingen ‘maximum goothoogte: 4,5 m’ en ‘maximum bouwhoogte: 6 m’ opgenomen. Aan de noordzijde is het plangebied bestemd als ‘Wonen’ en gedeeltelijk voorzien van een bouwvlak. Daarnaast geldt voor de gehele locatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’.
Afbeelding 2. Huidige bestemmingen (rood omlijnd) ’t Dorp 54 te Heesch
Vastgesteld
4
Enkelbestemming ‘Centrum – 1’ De voor ‘Centrum – 1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor onder andere woongebouwen, al dan niet in combinatie met een aan-huis-verbonden beroep / aan-huis-verbonden bedrijvigheid. En tevens ook voor detailhandel, lichte horeca, dienstverlening, kantoor en maatschappelijke voorzieningen. Gebouwen dienen binnen een bouwvlak te worden opgericht. Binnen het bestemmingsvlak is een bouwvlak aanwezig. Aan de voorzijde van dit bouwvlak mogen gebouwen worden opgericht met een goothoogte van maximaal 6 meter en een bouwhoogte van maximaal 10 meter. Aan de achterzijde van dit bouwvlak mogen gebouwen worden opgericht met een goothoogte van 4,5 meter en een bouwhoogte van 6 meter. Enkelbestemming ‘Wonen’ De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woongebouwen, al dan niet in combinatie met een aan-huisverbonden beroep. Binnen het bestemmingsvlak is een bouwvlak aanwezig. Hoofdgebouwen (zijnde een woning) dienen binnen dit bouwvlak te worden opgericht. Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ De gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde.
Er dient een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd indien de grond voor een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,4 m wordt verstoord. Conclusie Het voorliggend initiatief past niet in het vigerend bestemmingsplan omdat wat betreft het beoogde appartementencomplex de maximale goot- en bouwhoogte op onderdelen wordt overschreden en het bouwvlak wat betreft de twee halfvrijstaande woningen alleen ruimte biedt aan een vrijstaande woning.
Vastgesteld
5
2. HUIDIGE SITUATIE De gemeente Bernheze is gelegen te midden van de gemeenten ’s-Hertogenbosch, Oss, Uden en Veghel. In het noorden wordt de gemeente strak begrensd door de A59. De zuidgrens van de gemeente wordt gevormd door de beekdalen van de Leijgraaf en de Aa. De gemeente is ontstaan in 1994 door de samenvoeging van de voormalige gemeenten Heesch, Heeswijk-Dinther en Nistelrode. Heesch is de grootste kern en de hoofdkern van de gemeente Bernheze. In de stedenbouwkundige structuur en de groenstructuur zijn de geschiedenis en ontwikkeling van het dorp afleesbaar. Heesch ligt op de overgang van de Peelhorst in het oosten, de jonge ontginningen in het zuiden en het dekzandlandschap in het noorden. De oudste bebouwing staat aan de noordrand van het dorp, met de slingerende Mgr. van den Hurklaan als centrale ontsluiting. Na de aanleg van de doorgaande wegen Bosschebaan, ‘t Dorp - Graafsebaan en de Nistelrodeseweg - Osseweg is Heesch sterk uitgebreid met woonwijken uit verschillende perioden. Ten westen van het dorp zijn bedrijventerreinen gerealiseerd. Het huidige dorpscentrum bevindt zich aan De Misse, het centrale plein in Heesch. De kern Heesch heeft uitgebreide winkel- en sportvoorzieningen. Het groen in de kern bestaat voornamelijk uit laanbeplanting langs de linten.
Afbeelding 3.Luchtfoto met ligging plangebied (rood omlijnd), ’t Dorp zichtbaar in het zuiden, de Binnenpas in het noorden
De noordrand van Heesch, tussen de kern en de A59, is een overgangszone, waar naast wonen met name agrarische gronden liggen. De randen van Heesch zijn vanaf het buitengebied nauwelijks waar te nemen. Andersom geldt ook dat het buitengebied vanuit de kern nauwelijks te ervaren is. Ten zuidoosten van de kern ligt het bosgebied van de Maashorst. Ten zuiden en westen van de kern liggen agrarische gronden. Het plangebied is gelegen midden in het centrum van Heesch. Het centrum van Heesch ligt decentraal, vrij noordelijk in de kern. De centrale as wordt gevormd door ’t Dorp. Een belangrijke concentratie van voorzieningen bevindt zich aansluitend aan de Schoonstraat en De Misse, ten westen van het plangebied.
Vastgesteld
6
In stedenbouwkundige zin zijn er samenhangende deelgebieden waar te nemen waarbij de inrichting van de openbare ruimte hierbij een belangrijke rol speelt. In het centrum zijn de volgende deelgebieden te onderscheiden: 1. Westelijke toegangsroute tot centrumgebied (winkelconcentratiegebied) 2. Schoonstraat – Misse (diensten-/cultuurplein) 3. Centrumgebied ’t Dorp (aanloopzone) 4. ’t Dorp – oostzijde (horecaconcentratiegebied) 5. Stationsplein en omgeving (horecaconcentratiegebied) Het plangebied is gelegen in het winkelconcentratiegebied en maakt hierdoor onderdeel uit van deelgebied 1. In dit deelgebied bevinden zich vooral woningen, soms gecombineerd met een winkel of bedrijfsruimten. De inrichting van de openbare ruimte bestaat uit een gescheiden rijbaan met daartussen parkeerplaatsen. Het profiel is breed.
Afbeelding 4. Vogelvluchtperspectief van het plangebied
Afbeelding 5. Impressie ’t Dorp
Vastgesteld
Afbeelding 6. Impressie Binnenpas
7
Evenwijdig aan ’t Dorp ligt de Binnenpas, een weg met voornamelijk een woonfunctie. Ten noorden van de Binnenpas is de woonwijk “Meurs en Maas” ontwikkeld, terwijl de zuidelijke zijde van de Binnenpas wordt gekenmerkt als een bebouwingslint, bestaande uit vrijstaande woningen op ruimere kavels. De Binnenpas wordt begeleid door een jonge (monumentale) opgaande wegbeplanting. Het langgerekte plangebied, ingesloten gelegen tussen ’t Dorp en de Binnenpas, is uitsluitend aan de zijde van ’t Dorp bebouwd. Hier staat een oude en vervallen woning, bestaande uit een begane grondlaag en tweede verdieping onder een mansardekap. Karakteristiek is de witte kleur van de woning. Achter de woning zijn twee bijgebouwen aanwezig. Het achterste gedeelte van het plangebied (aan de zijde van de Binnenpas) ligt als enige perceel in het bebouwingslint van de Binnenpas nog braak.
Afbeelding 7. Impressie huidige bebouwing binnen plangebied
Vastgesteld
8
3. BEOOGDE SITUATIE
3.1 Hoofdopzet De herontwikkeling van het plangebied voorziet in de twee aspecten; aan de zijde van ’t Dorp wordt een appartementencomplex gerealiseerd bestaande uit in totaal 6 appartementen met daarachter een eigen (gedeeltelijk overdekt) parkeerterrein en bergingen. Vanwege de ligging in het centrumgebied van Heesch, nabij alle noodzakelijke voorzieningen, wordt ingezet op eenpersoonshuishoudens, voor met name ouderen. Hiermee wordt invulling gegeven aan de vraag naar seniorenwoningen. Aan de zijde van de Binnenpas worden juist grondgebonden woningen gerealiseerd in de vorm van maximaal 2 halfvrijstaande woningen.
Afbeelding 8. Impressie herontwikkeling locatie
3.2 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan Bij de opstelling van het onderhavige bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ Het bestemmingsplan dient een adequate en duidelijke regeling te bevatten voor de realisatie van een appartementencomplex met zes appartementen en twee halfvrijstaande woningen binnen het plangebied. ▪ Het appartementencomplex dient te liggen op een minimale afstand van 3 meter vanaf de oostelijke perceelsgrens; ▪ Het appartementencomplex dient te liggen in dezelfde rooilijn als de ten westen gelegen woning; ▪ Het bouwvlak voor het appartementencomplex dient strak rond de bebouwingscontour te komen liggen, met een diepte van 15 m, zodat uitbreiding van het pand niet mogelijk is; ▪ Achter het appartementencomplex dienen acht bergingen te worden gerealiseerd, met daarvoor een overkapping; ▪ De twee halfvrijstaande woningen dienen te liggen in dezelfde lijn als de naastgelegen woningen; ▪ De afstand van de halfvrijstaande woningen tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt aan één zijde minimaal 3 meter;
Vastgesteld
9
▪ ▪
Het bestemmingsplan dient de aanwezige hoge archeologische verwachtingswaarde te borgen zodat bij bepaalde bodemverstoringen eerst archeologisch onderzoek dient plaats te vinden. Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Bernheze dient het onderhavige bestemmingsplan qua systematiek aan te sluiten bij het meest recente bestemmingsplan voor het centrum “Centrum Heesch”.
De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het planologisch mogelijk maken een appartementencomplex met zes appartementen op te richten aan de zijde van ‘t Dorp en twee halfvrijstaande woningen aan de zijde van de Binnenpas.
Afbeelding 9. Situatie / plattegrond van de nieuwe ontwikkeling
De uitgangspunten hebben geleid tot een bestemmingsplan waarin het voorste gedeelte van het plangebied niet langer bestemd is als ‘Centrum – 1’ maar als ‘Wonen’. Het reeds aanwezige bouwvlak is aanzienlijk verkleind ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan zodat uitsluitend het beoogde appartementencomplex gerealiseerd kan worden. Binnen dit bouwvlak is de bouwaanduiding ‘gestapeld’ opgenomen en zijn tevens de maatvoeringsaanduidingen ‘maximum aantal wooneenheden: 6’, ‘maximum goothoogte: 6 m’ en ‘maximum bouwhoogte: 10 m’ opgenomen. Achter het appartementencomplex is een vlak aangewezen met de aanduidingen ‘specifieke bouwaanduiding – bergingen’ en ‘specifieke bouwaanduiding – overkapping’. Het achterste gedeelte van het plangebied blijft bestemd als ‘Wonen’. Het reeds aanwezige bouwvlak is iets vergroot zodat de bouw van de twee halfvrijstaande woningen mogelijk wordt. Binnen dit bouwvlak is de bouwaanduiding ‘tweeaaneen’ opgenomen. Tevens zijn de maatvoeringsaanduidingen ‘maximum aantal woningen: 2’, ‘maximum goothoogte: 6 m’ en ‘maximum bouwhoogte: 9 m’ opgenomen. Het gehele plangebied is daarnaast voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’, zoals dat in het vigerende bestemmingsplan reeds het geval is.
Vastgesteld
10
3.2 Stedenbouwkundige inpassing Binnen het plangebied staat een oude en vervallen woning. De woning staat midden in het centrum van Heesch en draagt dan ook niet positief bij aan het straatbeeld van ’t Dorp en de omgeving. Herontwikkeling van de locatie zal de locatie en de omgeving een kwaliteitsimpuls geven. Met de herontwikkeling van het plangebied is sprake van inbreiding. Rond het plangebied is de omgeving de laatste decennia verder verdicht. Daardoor is vooral de open ruimte achterin het plangebied een onderbreking van de verder bebouwde omgeving. Door de herontwikkeling wordt nader invulling gegeven aan het straatbeeld en dit verder verfraaid. Daarbij worden de bestaande rooilijnen gerespecteerd. Het appartementencomplex zal worden opgericht aan de voorzijde van het plangebied aan ’t Dorp. Het appartementencomplex zal liggen in dezelfde rooilijn als de ten westen gelegen woning en zal worden ontsloten middels ’t Dorp. De massa van het hoofdgebouw zal bestaan uit twee bouwlagen, afgewerkt met een kap en doet zodoende dorps en niet-massaal aan. Daarmee zal het appartementencomplex qua typologie en vormgeving aan sluiten bij het aanwezige straatbeeld van de ’t Dorp. De voorzijde van het perceel vormt de entree van het appartementencomplex, hier wordt dan ook een oprit gerealiseerd.
Achter het appartementencomplex zullen twaalf parkeerplaatsen worden gerealiseerd en acht bergingen. Het appartementencomplex sluit aan op het historisch bebouwingslint van ’t Dorp. Aan dit bebouwingslint liggen onder andere woningen en winkels. In de directe omgeving van het plangebied overheerst de woonfunctie. Het appartementencomplex sluit in functioneel opzicht daarom goed aan bij de omgeving.
Afbeelding 10. Impressie appartementencomplex
Vastgesteld
11
De twee halfvrijstaande woningen zullen worden opgericht aan de achterzijde van het plangebied, aan de Binnenpas. Aan de voorzijde zullen drie parkeerplaatsen worden opgericht. De rest van het perceel zal worden ingericht als tuin behorende bij de woningen. Aan de voorzijde grenzen de halfvrijstaande woningen aan de monumentale bomenrij welke de Binnenpas begeleidt. Met het ontwerp én realisatie van deze twee woningen is rekening gehouden met de twee monumentale bomen die direct voor het plangebied staan. De inritten naar de woningen toe worden op een afstand van 3 meter uit de stam van betreffende bomen gerealiseerd zodat verharding en grondwerkzaamheden schadelijke effecten op deze bomen zoveel mogelijk minimaliseren, zoals zichtbaar op afbeelding 9. De woningen sluiten aan op het bebouwingslint van de Binnenpas en vullen als het ware het laatste gat in dit bebouwingslint. De woningen zijn beoogd tussen de woningen Binnenpas 17 en 25. Aan de Binnenpas en in de omgeving overheerst de woonfunctie en de woningen bestaan uit allerlei woningtypen. Het initiatief past dan ook functioneel gezien goed bij de omgeving.
Afbeelding 11. Impressie halfvrijstaande woningen
Ten aanzien van het stedenbouwkundige en ruimtelijke aspect kan geconcludeerd worden dat met de herontwikkeling geen sprake is van verslechtering van het stedenbouwkundige karakter. Vanuit stedenbouwkundig en ruimtelijk oogpunt is het bouwplan passend.
Vastgesteld
12
4 BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden de op het plangebied van toepassing zijnde beleidskaders behandeld. Gemeenten zijn immers niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincie geven met het door hen gevoerde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het van toepassing zijnde Rijksbeleid. In de daaropvolgende paragraaf komt het provinciaal beleid aan bod. In paragraaf 4.3 volgt ten slotte het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Bernheze.
4.2 Rijksbeleid 4.2.1 Nationale Omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie die is vastgelegd in artikel 3.1, lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van artikel 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ▪ ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; ▪ duurzaam economisch groeipotentieel; ▪ sterke en gezonde steden en regio’s; ▪ toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzen. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteiten van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig initiatief zijn als volgt: ▪ Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; ▪ Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; ▪ Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving;
Vastgesteld
13
▪
Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften.
Met de herontwikkeling van het plangebied wordt ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen. Bovendien geldt voor het plangebied dat er geen nationale belangen uit de NOVI in het geding in het geding zijn, mede gezien de kleinschaligheid en de aard van het initiatief. 4.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen daarvan in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken.
In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op Rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Nationaal Natuurnetwerk, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Met het initiatief worden geen van de genoemde belangen geschaad. Op en om de locatie is verder geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Kortom, het initiatief is niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 4.2.3 Ladder duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de Ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd.
De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Allereerst dient er sprake te zijn van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 december 2013, zaak nr. 201302867/1/R4), is het begrip woningbouwlocatie in de omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro niet nader gedefinieerd in het Bro. Voorts ontbreekt in de nota van toelichting bij deze bepaling (Stb. 2012, 388) een toelichting op de definitiebepaling van het begrip stedelijke ontwikkeling.
Vastgesteld
14
In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt dat in beginsel sprake is van een stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Indien niet meer dan 11 woningen binnen een bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, is er volgende de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geen sprake van de ruimtelijke ontwikkeling van een woningbouwlocatie of een andere stedelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i van het Bro (zie uitspraak ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). Met onderhavig initiatief worden zes appartementen en twee halfvrijstaande woningen in het centrum van Heesch opgericht. Gelet hierop kan zeker geconcludeerd worden dat het oprichten van in totaal acht woningen ter vervanging van een bestaande woning en een bouwvlak voor een nieuwe woning evenmin een stedelijke ontwikkeling betreft als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid Bro. Er hoeft dan ook niet aan de ladder getoetst te worden.
4.3 Provinciaal beleid 4.3.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben in hun vergadering van 14 december 2018 de Omgevingsvisie “De kwaliteit van Brabant” (met bijbehorend plan-MER) vastgesteld. Dit vooruitlopend en anticiperend op de inwerkingtreding van de nationale Omgevingswet in 2021. Met deze Omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Brabant wil bereiken en biedt daarmee handvatten voor haar handelen in de praktijk. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste provinciale ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Conform de Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De visie geeft daarbij richting aan deze opgaven vanwege de ingrijpende veranderingen waarmee zij gepaard gaan. Daarnaast geeft de Omgevingsvisie ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De Omgevingsvisie is verplicht, maar uitsluitend zelfbindend voor de provincie. De visie zal komende jaren nader worden uitgewerkt in diverse programma’s en een provinciale omgevingsverordening.
Om Brabant in de toekomst welvarend, verbonden en klimaatproof te laten zijn, onderscheid de provincie vier hoofdopgaven die nauw met elkaar samenhangen en die op elkaar inwerken als de tandwielen in een machine: ▪ Werken aan de Brabantse energietransitie; ▪ Werken aan een klimaatproof Brabant; ▪ Werken aan de slimme netwerkstad; ▪ Werken aan een concurrerende, duurzame economie. Transformatie van het stedelijk gebied wordt een belangrijke opgave. Het ‘up to date’ houden van het bestaand stedelijk gebied is essentieel voor een duurzame, sociale en economische ontwikkeling van de steden en dorpen van Brabant. Er ligt een forse woningbouwopgave voor de komende 10 jaar. Dit geldt zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin. Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt.
Vastgesteld
15
Uitbreiding van het bestaande stedelijk gebied in steden en dorpen is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag. De uitbreidingsopgave wordt steeds vaker binnen het bebouwd gebied gezocht (inbreiding in plaats van uitbreiding). Daarnaast is herbestemmen het nieuwe bouwen: als gevolg van economische, technologische en maatschappelijke ontwikkelingen staan de steden en dorpen van Brabant steeds vaker voor (omvangrijke) herbestemmings- en transformatieopgaven in hun bebouwde gebied. Hier liggen interessante kansen voor het toekomstbestendig maken van het stedelijk gebied en ook voor het creëren van ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen en voor woningbouw. De komende 10 jaar ligt er een forse woningbouwopgave (ca 120.000 woningen), daarna loopt de woningbouwopgave in omvang terug. Dat betekent dat de provincie Brabant de komende 10 jaar dé kans heeft om de kwaliteit van het stedelijk gebied op orde te brengen en de leegstand aan te pakken. De provincie brengt met haar partners de transformatiepotenties in beeld en onderzoekt gezamenlijk hoe deze opgaven kunnen worden aangepakt. We dragen bij aan de realisering van grote, complexe transformatieopgaven. Conclusie De onderhavige ontwikkeling zorgt voor een kwalitatieve impuls voor het centrumgebied van Heesch.
Een verouderde woning wordt herontwikkeld naar moderne en duurzame appartementen en twee halfvrijstaande woningen. Er worden woningen toegevoegd om een bijdrage te leveren aan de forse woningbouwopgave in de gemeente Heesch. De nieuwe woningen worden duurzaam gebouwd, wat betekent dat ze volledig gasloos zijn. Hiermee levert het plan ook een bijdrage aan de energietransitie waar de provincie voor staat. Het onderhavige plan past hiermee binnen het beleid van de Omgevingsvisie Noord Brabant. 4.3.2 Structuurvisie ruimtelijke ordening Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben in hun vergadering van 7 februari 2014 de partiële herziening 2014 van de Structuurvisie RO 2010 vastgesteld. De provincie geeft in de structuurvisie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wro biedt. Deze partiële herziening richt zich alleen op het verwerken van besluitvorming die op provinciaal niveau al heeft plaatsgehad. De grootste wijzigingen ten opzichte van de vigerende provinciale structuurvisie hebben te maken met ‘De transitie van stad en platteland, een nieuwe koers’ en met ‘Brabant als onderdeel van de top van de Europese kennis- en innovatieregio’.
De provincie wil het denken en handelen van burgers en ondernemers vertrekpunt laten zijn voor ontwikkelingen. De overheid stuurt daarbij vanuit een heldere visie op randvoorwaarden, die burgers, ondernemers en hun organisaties invullen en realiseren. Maatschappelijke participatie wordt de focus, de overheid neemt het oplossen van maatschappelijke problemen niet over, maar ondersteunt deze. De provincie daagt burgers en ondernemers uit om bij te dragen aan een vitaal Brabant. Een onderdeel hiervan is de transitie naar een zorgvuldige veehouderij. Voor een top kennis- en innovatieregio op Europees niveau is onder andere een sterke agglomeratiekracht nodig. De provincie wil zich daarom meer gaan richten op het versterken van het stedelijk netwerk in Brabant (samen met alle overige betrokken partijen). Verder bevat de nieuwe structuurvisie zaken die de voormalige structuurvisie ook al bevatte. Zo geeft de provincie Noord-Brabant in haar structuurvisie nog steeds de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid weer, is de visie bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie en biedt het een basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wro biedt. De visie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant.
Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. Er wordt aandacht besteed aan zaken zoals concentratie van verstedelijking, zuinig ruimtegebruik, verantwoord omgaan met de natuurlijke basis, het streven naar robuuste en aaneengeschakelde natuurgebieden en de concentratiegebieden voor glastuinbouw en intensieve veehouderijen. Het plangebied is gelegen in de stedelijke structuur. De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in NoordBrabant. De verschillen tussen de (middel)grote steden, suburbane kernen, dorpen en plattelandskernen, zowel in ruimtelijk, sociaal als economisch opzicht, zijn een belangrijke kwaliteit van Brabant. De provincie wil binnen de stedelijke structuur het volgende bereiken:
Vastgesteld
16
▪
▪
▪
▪
▪
▪
Concentratie van verstedelijking; Rond de steden is de schaal van de verstedelijkingsopgave van een andere orde, dan in de gebieden aan de randen van Brabant. Door de verstedelijking te concentreren zijn er meer mogelijkheden om een hoog voorzieningenniveau in stand te houden en verder te ontwikkelen. Inspelen op demografische ontwikkelingen; Naar verwachting zal overal in Brabant de komende decennia de bevolkingsgroei afnemen en zullen steeds meer gemeenten te maken krijgen met een afname van de bevolking. Eerst vooral 'aan de randen' van de provincie en in het landelijk gebied, later ook elders. Zorgvuldig ruimtegebruik; Om het aansnijden van nieuwe ruimte in directe samenhang te bezien met de mogelijkheden voor inbreiden en herstructurering, heeft het Rijk de 'ladder voor duurzame verstedelijking' opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. De provincie gebruikt deze ladder voor haar afweging rondom zorgvuldig ruimtegebruik. Dit geldt zowel op strategisch niveau (programmering en locatieafweging) als op operationeel niveau, zoals bij ruimtelijke besluiten en uitgifte. Voor die gevallen waar het hanteren van de ladder leidt tot de keuze voor uitbreiding van verstedelijkingsruimte zijn in de Verordening ruimte zoekgebieden voor verstedelijking aangegeven. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit; Karakteristieke verschillen tussen dorpen en steden vervagen.
Uitbreidingswijken en werklocaties in steden en dorpen gaan steeds meer op elkaar lijken. De provincie wil dat nieuwe ontwikkelingen meer inspelen op het karakter en de kwaliteit van de plek. Betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur; Een betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan infrastructuur draagt bij aan een goede bereikbaarheid en daarmee aan het (inter)nationale vestigingsklimaat van Noord-Brabant. Verstedelijking en infrastructuur worden in onderlinge samenhang ontwikkeld. Versterking van de economische clusters; Door een vestigingsklimaat te bieden dat de uitwisseling van kennis tussen bedrijven, overheden en onderwijsinstellingen stimuleert, wordt de positie van de kennisclusters versterkt. Dit zorgt voor een sterkere positie in (inter)nationaal verband.
Binnen de stedelijke structuur onderscheidt de provincie twee perspectieven: ▪ Stedelijk concentratiegebied In het stedelijk concentratiegebied, inclusief de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking, wordt de bovenlokale verstedelijkingsbehoefte opgevangen. Ze liggen in en rond Eindhoven – Helmond, Waalwijk, 's-Hertogenbosch, Oss, Tilburg, Breda, Oosterhout, Etten-Leur, Uden, Veghel, Bergen op Zoom en Roosendaal. Binnen het stedelijk concentratiegebied is een aantal specifieke aanduidingen opgenomen die richting geven aan stedelijke ontwikkelingen, in relatie tot de infrastructuur. ▪ Kernen in het landelijk gebied De kernen in het landelijk gebied, met de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking, voorzien in de opvang van de lokale verstedelijkingsbehoefte (wonen, werken, voorzieningen).
Vastgesteld
17
Afbeelding 12. Uitsnede structurenkaart met plangebied rood omcirkeld
Bij de opvang van de verstedelijkingsbehoefte wordt het accent sterker verlegd van nieuwe uitleg naar het bestaand stedelijk gebied, door in te zetten op herstructurering en onderhoud. Beheer en (her)ontwikkeling van de bestaande voorraad vragen specifieke aandacht. Er wordt ingezet op zorgvuldig ruimtegebruik door de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Om het aansnijden van nieuwe ruimte in directe samenhang te bezien met de mogelijkheden voor inbreiden en herstructurering, heeft het Rijk de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. De provincie gebruikt deze Ladder voor haar afweging rondom zorgvuldig ruimtegebruik. Conclusie Het plangebied ligt in de ‘stedelijke structuur’ in het ontwikkelingsperspectief ‘stedelijk concentratiegebied'. Binnen de stedelijke structuur wordt aangesloten bij principes als zorgvuldig ruimtegebruik. De provincie wil dat de kansen voor functiemenging, inbreiding, herstructurering en zo nodig transformatie in het stedelijk gebied goed worden benut, inclusief de mogelijkheden voor intensivering en meervoudig ruimtegebruik. Met onderhavig initiatief is zowel sprake van inbreiding als van herstructurering. Aan de voorzijde van het plangebied wordt een oude en vervallen woning gesloopt en hiervoor in de plaats wordt een appartementencomplex terug gebouwd (herstructurering).
Aan de achterzijde van het plangebied worden twee halfvrijstaande woningen opgericht die als het ware het laatste ‘gat’ van het bebouwingslint aan de Binnenpas vullen (inbreiding) als vervanging voor een bouwtitel voor een vrijstaande woning . Het initiatief is dan ook in lijn met het door de provincie Noord-Brabant voorgestane beleid, zoals omschreven in hun structuurvisie. De structuurvisie is vertaald in een verordening welke aangeeft wat op welke plekken in Noord-Brabant wel en niet kan. Zie hierna. 4.3.3 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is op 25 oktober 2019 vastgesteld. Op 1 januari 2021 treedt de Omgevingswet in werking. Vanwege de Omgevingswet moet de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening, waaronder de huidige Verordening ruimte.
Vastgesteld
18
De Interim omgevingsverordening (Iov) is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In hoofdstuk 3 van de Iov zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Hierin staan de regels die eerder waren opgenomen in de Verordening ruimte. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen. Ook zijn hier regels voor ontwikkelingen gekoppeld aan werkgebieden (structuren) en aanduidingen. Het plangebied ligt binnen het 'Stedelijk gebied' en is aangeduid als 'Concentratiegebied’. Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag krijgt ook vorm door eerst de mogelijkheden binnen de bestaande bebouwde omgeving optimaal te benutten. Dat betekent niet dat alle fysieke ruimte benut moet worden voordat nieuw ruimtebeslag mogelijk is.
Binnen stedelijk gebied is vanuit kwaliteitsoverwegingen bijvoorbeeld ook ruimte nodig voor groenvoorzieningen en voldoende opvang van water. Een verbijzondering voor stedelijke ontwikkeling is dat er toepassing gegeven moet zijn aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (zie ook paragraaf 4.1.3). Deze voorwaarde geldt rechtstreeks vanuit de nationale wetgeving.
Afbeelding 13. Uitsnede kaart Stedelijke ontwikkeling en erfgoed, plangebied rood omcirkeld
Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken en het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. Bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. Bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie en verouderde stedelijke gebieden; c. Geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. Houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water;
Vastgesteld
19
e. f.
Geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; Draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie.
Van belang in dit kader is dat sprake is van een binnenstedelijke inbreidingslocatie met veel oog voor ruimtelijke kwaliteit. Een oude en vervallen woning wordt gesloopt en hiervoor in de plaats wordt een appartementencomplex opgericht. Daarnaast wordt met het oprichten van de twee halfvrijstaande woningen als het ware het laatste ‘gat’ binnen het bebouwingslint van de Binnenpas gevuld. Onderhavig initiatief is dan ook een uitermate goed voorbeeld van zorgvuldig ruimtegebruik. Hiermee is dus geen bebouwingstoevoeging voorzien buiten bestaand stedelijk gebied. Dit is in lijn met het gestelde in artikel 3.6, lid 1 Interim omgevingsverordening. In paragraaf 4.1.3 is reeds ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking. Voor het overige is in deze toelichting gemotiveerd dat sprake is van een ontwikkeling die voldoet aan de voorwaarden voor een duurzame stedelijke ontwikkeling. 4.3.4 De bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant, actualisering 2020 Voor een actueel beeld van de toekomstige bevolkingsontwikkelingen, veranderingen in de leeftijds- en huishoudenssamenstelling en de hiermee samenhangende woningbehoefte in Noord-Brabant, actualiseert de provincie Noord-Brabant regelmatig de bevolkings- en woningbehoefteprognose. Met de prognose-actualisering van 2020 wordt de vorige bevolkings- en woningbehoefteprognose uit 2017 vervangen.
De Brabantse bevolking groeit tot 2050 nog met bijna 280.000 mensen, tot ruim 2,84 miljoen inwoners. Tegen het midden van de jaren ’30 krijgen de landelijke gebieden te maken met een geringe bevolkingskrimp. In het stedelijk gebied blijft de bevolking doorgroeien, al neemt de groei ook hier af. De Brabantse bevolking zal tot begin jaren '40 van deze eeuw nog groeien. Onder andere als gevolg van die groei kent de provincie, met name de komende 10 tot 15 jaar nog een flinke woningbouwopgave. Tot 2030 zal de woningvoorraad nog met ruim 120.000 woningen moeten toenemen, gemiddeld zo'n 12.000 woningen (netto) per jaar. Een dergelijk niveau is de afgelopen jaren niet gehaald, al vertoont de woningmarkt wel duidelijk tekenen van herstel. Het tempo van bouwen zal echter verder omhoog moeten om de verwachte huishoudensgroei op te kunnen vangen en bestaande woningtekorten terug te dringen. De bevolkings- en woningbehoefteprognose heeft de provincie opgesteld binnen de kaders van het eigen provinciale verstedelijkingsbeleid, gericht op het concentreren van de verstedelijking. Op provinciale schaal betekent dit, dat een belangrijk deel van de woningbouw gerealiseerd wordt in de stedelijke concentratiegebieden. De provincie heeft een indicatie per gemeente gemaakt van de verwachte toename van de woningvoorraad.
In tabel 1 is de indicatie van de woningvoorraad voor de gemeente Bernheze opgenomen. Uit de tabel kan worden afgelezen dat in de gemeente Bernheze tot aan 2030 nog 1.615 woningen benodigd zijn. Tabel 1. Indicatie woningvoorraad
Gemeente Bernheze
Feitelijke woningvoorraad (2020) 12.715
Prognose van de woningvoorraad 2025 2030 2035 2040 13.575 14.330 14.950 15.215
Indicatie toename woningvoorraad (2020-2030) 1.615
Tot 2050 komen er in Noord-Brabant nog zo’n 185.000 huishoudens bij. Vooral het aantal alleenstaanden groeit sterk. Verwacht wordt dat in 2050 van alle huishoudens 43% een eenpersoonshuishouden is. In tabel 2 is de verwachte verandering is huishoudenstype binnen de gemeente Bernheze te zien. Het aantal samenwonenden blijft de komende jaren de grootste huishoudenscategorie gevolgd door de categorie eenpersoonshuishouden. Uit de tabel kan worden afgelezen dat het aantal eenpersoonshuishoudens en eenouderhuishoudens de komende jaren sterk toeneemt.
Vastgesteld
20
Tabel 2. Indicatie huishoudensontwikkeling binnen gemeente Bernheze
Huishoudenstype
2020
2025
2030
2035
2040
Eenpersoonshuishoudens Samenwonenden Eenouderhuishoudens Overige huishoudens
3.235 8.460 795 35
3.770 8.470 950 45
4.225 8.500 1.075 40
4.620 8.450 1.190 45
4.895 8.325 1.300 50
Indicatie toe/afname bevolkingsgroep (%) (2020-2030) + 30,6% + 0,5% + 35,2% + 14,3%
Conclusie De appartementen zijn uitermate geschikt voor eenpersoonshuishoudens. In de gemeente Bernheze neemt het aantal eenpersoonshuishoudens naar verwachting (flink) toe. De halfvrijstaande woningen zijn juist met name geschikt voor samenwonenden, van oorsprong het grootste huishoudenstype van de gemeente Bernheze. Dit zal de komende jaren zo blijven. Op basis van de bevolkings- en woningbehoefte prognose zijn er in de gemeente Bernheze tot aan 2030 nog 1.615 nieuwe woningen benodigd. Op basis van het gemeentelijke beleid (zie paragraaf 4.4.2) is het plan om voor de periode 2016 tot 2021 de woningvoorraad in Heesch uit te breiden met 395 woningen. Met onderhavig initiatief worden in totaal twee halfvrijstaande woningen en zes appartementen opgericht. Het oprichten van de in totaal acht woningen past binnen de verwachte woningbehoefte voor de gemeente Bernheze en binnen de woningbehoefte van de kern Heesch. De actuele gegevens uit de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose vormen belangrijke onderwerpen voor de Brabantse Agenda Wonen, zie hierna. 4.3.5 Brabantse Agenda Wonen Versnelling van de woningbouwproductie, vernieuwing en verduurzaming van de bestaande woningvoorraad en het ombouwen van leegstaand vastgoed naar woningen. Dat zijn belangrijke doelen van de Brabantse Agenda Wonen.
Met deze agenda geven Gedeputeerde Staten aan welke accenten er de komende jaren liggen bij het bouwen en wonen en hoe de provincie zich hiervoor gaat inzetten. De Brabantse woningmarkt kent grote uitdagingen. Zo moet de woningvoorraad de komende 10 tot 15 jaar met 11%, ofwel zo’n 120.000 woningen, toenemen. De afgelopen jaren zijn te weinig woningen gebouwd. Bovendien verandert de vraag naar woonruimte sterk. Zo bestaat ruim 40% van de huishoudens in 2040 uit eenpersoonshuishoudens en is er een grote behoefte aan kleinere, betaalbare woonruimten. Ook het bouwen van voldoende woningen voor het middensegment op de woningmarkt – betaalbare koop en middeldure huur – blijft punt van aandacht. Verder vragen initiatieven voor nieuwe woonvormen als flexwonen, tiny houses, tijdelijk wonen en nieuwe combinaties van wonen, werken en zorg steeds vaker van overheden om experimenteerruimte te bieden. Een beleid gericht op een duurzame verstedelijking en zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik biedt ruim baan voor ‘goede plannen’ binnen het bestaand stedelijk gebied van steden en dorpen. Ruim baan dus voor woningbouw op geschikte inbreidings-, herstructurerings- en transformatielocaties en in leegstaand vastgoed, die aansluit op een actuele vraag en snel in aanbouw kan worden genomen. Om ook langs deze lijn bij te dragen aan versnelling van de woningbouwproductie.
Inbreiding krijgt prioriteit Woningbouw is het enige type vastgoed waar de komende jaren nog een behoorlijke vraag naar is, in tegenstelling tot bijvoorbeeld winkels, kantoren en maatschappelijk vastgoed. Woningbouw kan daarom ook vrijwel als enige een substantiële bijdrage leveren aan maatschappelijke en ruimtelijke vraagstukken als verduurzaming en het terugdringen van leegstand. Na 2030 neemt de groei van de woningbehoefte sterk af, en verdwijnt ook de kans om werk te maken van inbreidingslocaties. Dus de urgentie om in de komende paar jaar de vraag naar woningen slim te benutten is heel groot.
Vastgesteld
21
In de regionale woningbouwafspraken wil de provincie daarom prioriteit geven aan plannen voor herbestemming van leegstaande gebouwen of plannen voor inbreidingslocaties. Een principe dat ook iets kan betekenen voor bestaande woningbouwplannen, die dan niet, pas later of na aanpassing kunnen worden gerealiseerd. De provincie geeft gemeente dus ruim baan bij (onder andere) inbreidingen. Conclusie Het initiatief betreft het oprichten van twee halfvrijstaande woningen en zes appartementen in het centrum van Heesch. Het planvoornemen sluit aan op de typologische behoefte aan onder andere eenpersoonswoningen. Het plangebied betreft een transformatie in bestaand stedelijk gebied. Hiermee wordt gehoor gegeven aan de prioritering van de provincie.
4.4 Gemeentelijk beleid 4.4.1 Structuurvisie Bernheze In december 2003 heeft de gemeenteraad van Bernheze de Structuurvisie Plus ‘Bernheze op koers’ vastgesteld. Mede naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening in juli 2008, waardoor gemeenten verplicht zijn te beschikken over een gemeentelijke structuurvisie, is besloten om een nieuwe structuurvisie voor het hele gemeentelijke grondgebied op te stellen. Op 11 februari 2010 is de nieuwe structuurvisie ‘Structuurvisie Bernheze’ vastgesteld. De Structuurvisie bestaat uit een ruimtelijk deel en een uitvoeringsprogramma. De Structuurvisie moet helderheid verschaffen in het ruimtelijke beleid van de gemeente Bernheze en de wijze waarop zij deze tot uitvoering wil brengen. Deze helderheid is gewenst voor inwoners en ondernemers, als ook voor andere (semi-) overheden en maatschappelijke partners. De toekomstige ontwikkeling van de gemeente Bernheze vindt haar basis in twee kwaliteiten: enerzijds haar groene kwaliteiten, zowel in het grote middengebied, als in en rondom de kernen; anderzijds haar woonkwaliteiten, met een gevarieerd aanbod vanuit de vijf kernen. Bernheze wil de komende jaren nog steeds een groene gemeente zijn, met ‘rust’ en ‘ruimte’ als karaktertrekken daarbinnen.
Daarvoor is het nodig dat er continu naar een balans gezocht wordt met betrekking tot die functies die Bernheze groen maken: de agrarische functies, de ecologische functies en de toeristisch‐recreatieve functies. In de nabije toekomst zal steeds duidelijker worden dat vervlechting van deze functies noodzakelijk is om het kwaliteitsniveau van de groene gemeente op peil te houden. Daarbij gaat het niet zozeer om ‘meer’, maar juist om ‘meer variatie’. Het plangebied is in de structuurvisie aangewezen als ‘centrumgebied’. De strategie voor het centrum van Heesch is gericht op handhaving en waar mogelijk versterking van de functiemenging. Het centrum moet herkenbaar zijn en blijven als plek waar functies samenkomen en een grote mate van dynamiek ontstaat. Voor wat betreft de maatschappelijke voorzieningen is het wenselijk zoveel mogelijk te clusteren, zodat de voorzieningen elkaar kunnen versterken.
Vastgesteld
22
Afbeelding 14. Uitsnede ruimtelijke casco kaart behorende bij de structuurvisie met plangebied (rood omcirkel)
In de structuurvisie is opgenomen dat binnen het centrumgebied niet-woonfuncties getransformeerd kunnen worden naar wonen, indien de te transformeren functie overbodig is geworden en er geen sprake is van belemmeringen voor bestaande functies. Voldoende parkeervoorzieningen op korte afstand is van belang. Er dient ook aandacht besteed te worden aan de verblijfskwaliteit in het centrum. Binnen het centrumgebied is een hogere bebouwingsdichtheid mogelijk dan elders binnen de kern. De bebouwing dient qua maat en schaal echter wel passend te zijn in de omgeving. Specifiek ten aanzien van het centrum van Heesch is bepaald dat het centrum opgeschaald zal worden, maar wel dorps genoeg moet blijven, omdat dat het centrum juist onderscheidt van de stedelijke centra in de omgeving. Conclusie Met onderhavig plan wordt een oude en vervallen woning in het centrum van Heesch gesloopt en daarvoor in de plaats worden zes appartementen opgericht. Daarnaast worden aan de achterzijde van het perceel twee halfvrijstaande woningen opgericht die de afronding vormen van het bebouwingslint aan de Binnenpas. In de omgeving van het plangebied is een divers aanbod van type woningen en bouwstijlen.
De type woningen en maatvoering die met onderhavig plan mogelijk worden gemaakt sluiten perfect aan bij het divers aanbod aan woningen in de omgeving van het plangebied zonder daarbij schaal en maat van de omgeving uit het oog te verliezen. Het centrum van Heesch zal door de beoogde herontwikkeling een kwaliteitsimpuls krijgen. De ontwikkeling doet geen afbreuk aan de uitgangspunten uit de Structuurvisie die gelden voor het centrum van Heesch; er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en omliggende functies worden niet benadeeld. De voorgestane ontwikkeling is dus in lijn met het beleid uit de Structuurvisie. 4.4.2 Woonvisie 2016-2021 De afgelopen jaren is de woningmarkt als gevolg van diverse oorzaken sterk veranderd. Hierdoor sluit de vraag niet altijd aan bij het woningaanbod in Bernheze. Hierom heeft de gemeenteraad van Bernheze op 24 mei 2016 de Woonvisie 2016 - 2021 ‘Creatief naar een nieuw evenwicht’ vastgesteld. De woonvisie is in samenwerking met onder andere woningcorporaties, huurdersorganisaties, dorpsraden, zorg- en welzijnsinstellingen opgesteld. In de woonvisie worden drie belangrijke ontwikkelingen genoemd met het oog op de woningmarkt in de gemeente Bernheze. Ten eerste is er voor starters die in de gemeente Bernheze willen blijven wonen te weinig aanbod in de goedkopere koop- en huurvoorraad (huur < €710,= en koop < €185.000).
Daarnaast heeft de gemeente een sterke aantrekkingskracht op gezinnen, maar is het woningaanbod voor jonge gezinnen nog relatief duur. Tot slot neemt de
Vastgesteld
23
groep 55-plussers de komende jaren verder toe. Zij blijven ook steeds vaker en langer zelfstandig wonen. Kortom, de gemeente wil betaalbaar wonen realiseren voor jong en oud. Vanwege de huidige ontwikkelingen zet de gemeente Bernheze in haar woonbeleid in op een aantal zaken. Ten eerste zet de gemeente in op het vergroten van het aanbod in kleinere goedkope huur- en koopwoningen. Dit wordt gedaan om jonge gezinnen in de gemeente te behouden en nieuwe gezinnen naar de gemeente te trekken. Daarnaast vindt de gemeente het belangrijk om fijne woonplekken voor senioren te bieden. De ambitie is om de voorraad levensloopgeschikte woningen (in de huur- en koopsector) te vergroten. De combinatie van jonge gezinnen en senioren zorgt dat een evenwichtige bevolkingsopbouw behouden blijft in de gemeente Bernheze. Starters en senioren zijn voor de gemeente daarom de belangrijkste doelgroepen op het vlak van nieuwbouw. Voor allebei deze doelgroepen geldt dat het aanbod betaalbaar moet blijven. Tot slot zet de gemeente Bernheze in op het toevoegen van ruime woningen in het hogere segment. Het imago van de gemeente als woongemeente voor gezinnen wordt hiermee in stand gehouden. Deze woningen kunnen volgens de gemeente met name interessant zijn voor jongeren die in het verleden zijn vertrokken naar plaatsen buiten de gemeente, maar op termijn graag willen terugkeren naar Bernheze.