CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting BP Schoolstraat 38

Commissie Ruimtelijke Zaken 1 december 2021, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Schoolstraat 38, Heeswijk-Dinther'13.393 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan Schoolstraat 38, Heeswijk-Dinther Gemeente Bernheze Vastgesteld

Bestemmingsplan Schoolstraat 38, Heeswijk-Dinther Gemeente Bernheze Vastgesteld

Rapportnummer:

P00555_6

IMRO-identificatienummer

NL.IMRO.1721.BPSchoolstr38HD-ow01

Datum:

22 juli 2021

Opdrachtgever:

Van Houtum Architecten B.V.

Projectteam BRO:

TA, JvdA, DvM

Concept:

september 2018, oktober 2018

Voorontwerp:

--

Ontwerp:

november 2019, februari 2020, juni 2020, augustus 2020, december 2020, mei 2021

Vastgesteld:

Juli 2021

Kaft:

Abstract 1

Trefwoorden:

--

Beknopte inhoud:

--

BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

Toelichting

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

3 3 3 5 6

2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Voorgenomen ontwikkeling

7 7 9

3. BELEIDSTOETS 3.1 Inleiding 3.2 Rijksbeleid 3.3 Provinciaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid

12 12 12 14 17

4. MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING 4.1 Inleiding 4.2 M.e.r.-beoordeling 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Natuurbescherming 4.5 Waterparagraaf 4.6 Bodem 4.7 Bedrijven en milieuzonering 4.8 Akoestiek 4.9 Geurhinder 4.10 Verkeer en parkeren 4.11 Luchtkwaliteit 4.12 Externe veiligheid 4.13 Kabels en leidingen 4.14 Gezondheid

20 20 20 21 23 24 25 26 30 30 33 34 35 37 37

5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de bestemmingen

38 38 38 39

6. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 6.1 Kostenverhaal 6.2 Financiële haalbaarheid

41 41 41

Inhoudsopgave

1

7. MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 7.1 Vooroverleg 7.2 Procedure 7.3 Beroep

42 42 42 42

BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Bijlage 2: Akoestisch onderzoek Bijlage 3: Geurhinderonderzoek Bijlage 4: Nota van zienswijzen

Inhoudsopgave

2

1.

INLEIDING

1.1 Aanleiding Aan de zuid-oost-zijde van de kern Heeswijk-Dinther is het dorpse bebouwingslint de Schoolstraat aanwezig. De Schoolstraat vormt de afronding van de kern richting het buitengebied en vormt van origine, samen met de Brouwersstraat, een gemengd bebouwingslint. Naast woningen is er agrarische en niet-agrarische bedrijvigheid aanwezig. Onderdeel van dit bebouwingslint is de voormalige intensieve veehouderij Schoolstraat 38. De locatie Schoolstraat 38 bestaat van oudsher uit de kadastrale percelen C 4199, 4543, 6141 en tot medio 2004 was op deze locatie een intensieve veehouderij gevestigd. Na de sanering van de veehouderij is de bedrijfswoning (percelen C 4199 en 4543) planologisch afgesplitst van de stallen (C 6141 en 3050). Door het saneren van de intensieve veehouderij hebben de stallen hun functie verloren en staan ze sindsdien leeg. Deze langdurige leegstand werkt verwaarlozing en verloedering in de hand. Om verdere verpaupering te voorkomen en dit scenario af te wentelen wil de eigenaar, de heer A. Hurkmans, de locatie (percelen C 6141 en 3050) herontwikkelen waarbij een nieuwe economische invulling voor de stallen wordt geïnitieerd. Concreet bestaat het plan uit het verbouwen en opknappen van de stallen tot 14 units.

De stallen hebben van zichzelf een heldere structuur die relatief eenvoudig verbouwd en opgedeeld kan worden in delen die vervolgens aan kleine bedrijven verhuurd kunnen worden voor algemene kleinschalige bedrijfsactiviteiten en opslag (bijvoorbeeld een stukadoorsbedrijf, een tegelzetter en/of andere soortgelijke beroepen). De locatie is op basis van het geldende bestemmingsplan bestemd als ‘Agrarisch met waarden – Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden’. Hierbinnen is het niet mogelijk om de voormalige stallen om te vormen tot units om te verhuren aan niet-agrarische bedrijven. Het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Bernheze heeft op 28 februari 2018 besloten om onder voorwaarden medewerking te verlenen aan de herontwikkeling van de Schoolstraat 38. Om de ontwikkeling juridisch planologisch mogelijk te maken is voorliggend bestemmingsplan (postzegelplan) ex artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgesteld. Hierin wordt aangetoond dat het plan in het kader van een goede ruimtelijke ordening voldoet aan de gestelde voorwaarden

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied beslaat een totale oppervlakte van circa 1,8 hectare. Het plangebied ligt op de grens van de dorpsrand van Heeswijk-Dinther en wordt aan de noord-, oost-, en westzijde begrenst door bebouwing (zowel woningen als (niet-) agrarische bedrijvigheid). Aan de zuidzijde grenst het stroomgebied van de Aa. De ligging en begrenzing van het plangebied is indicatief weergegeven op de figuur 1.1. De exacte begrenzing volgt uit de verbeelding.

Hoofdstuk 1

3

Figuur 1.1: Overzicht van het plangebied (Bron: PDOK Viewer)

Hoofdstuk 1

4

1.3 Geldend bestemmingsplan Voor het plangebied is bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’ het geldende juridische kader. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad van Bernheze op 26 juni 2012. Het plangebied (zie figuur 1.2) heeft hierin de bestemmingen ‘Agrarisch met waarden – Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden’. Tevens zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’, ‘Waarde – Archeologie 3’ en Leiding – Riool’ opgenomen en gelden de gebiedsaanduidingen ‘groenblauwe mantel’ en ‘reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’. Aan de oostzijde van het plangebied ligt het agrarisch bedrijf Brouwersstraat 2a. Het bouwvlak van dit bedrijf loopt voor een klein gedeelte in het kadastrale perceel C 3050. Dit is een omissie in het vigerende bestemmingsplan. Het bouwvlak is buiten het plangebied van dit bestemmingsplan gelaten zodat er geen frustraties ontstaan.

Figuur 1.2: Uitsnede vigerend bestemmingsplan (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)

In het vigerende bestemmingsplan is geen bouwvlak opgenomen ter plaatse van het plangebied, alsmede in het voorgaande bestemmingsplan ‘Buitengebied 1998’. Indien verder wordt gekeken in de bestemmingsplannen kan wel een agrarisch bouwblok worden geconstateerd uit het bestemmingsplan Buitengebied 1991 van de toenmalige gemeente Heeswijk-Dinther (zie figuur 1.3). Op deze plankaart is tevens te zien dat de huidige bebouwing grotendeels overeenkomt met de bebouwing op deze plankaart. Geconcludeerd kan worden dat de bebouwing destijds in 1991 binnen het agrarische bouwblok is gebouwd en derhalve legaal is opgericht en legaal aanwezig is. Het agrarisch bouwvlak is sinds 1998 (alsmede in de herziening van 2012) niet aanwezig. .

Hoofdstuk 1

5

Binnen de ter plaatse geldende bestemmingen ontbreken de juiste gebruiks- en bouwregels om het initiatief (functiewijziging van de stallen ten behoeve van realisatie units voor verhuur aan niet-agrarische bedrijven) te kunnen realiseren. Voorliggend bestemmingsplan betreft een partiële herziening van het geldende bestemmingsplan en voorziet in de nieuwe planologisch-juridische kaders voor het plangebied waarbinnen het initiatief gerealiseerd kan worden.

Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 1991.

1.4 Leeswijzer De toelichting bij dit bestemmingsplan bestaat uit 7 hoofdstukken. Na deze inleiding volgt een beschrijving van het plan in hoofdstuk 2. De beleidstoets is in hoofdstuk 3 van dit bestemmingsplan opgenomen. In hoofdstuk 4 worden alle relevante milieuonderwerpen behandeld en verantwoord. De juridische toelichting is in hoofdstuk 5 opgenomen en in hoofdstuk 6 is de economische uitvoerbaarheid beschreven. In hoofdstuk 7 is tenslotte de maatschappelijke haalbaarheid beschreven. Rapportages van uitgevoerde sectorale onderzoeken zijn als separate bijlage aan dit bestemmingsplan gevoegd.

Hoofdstuk 1

6

2.

PLANBESCHRIJVING

2.1 Huidige situatie Het plangebied ligt achter het bebouwingslint van de Schoolstraat. De Schoolstraat vormt de afronding van de kern richting het buitengebied en vormt van origine, samen met de Brouwersstraat, een gemengd bebouwingslint. In de directe omgeving zijn woningen, alsmede (niet-)agrarische bedrijvigheid aanwezig. Het plangebied hoort bij de locatie Schoolstraat 38 en wordt ontsloten via een met het naastgelegen autobedrijf gedeelde oprit. Het autobedrijf (Den Dolvert 1a) is ook in eigendom van initiatiefnemer. Nadat er al enkele jaren geen varkens meer werden gehouden is de milieuvergunning voor varkenshouderij aan de Schoolstraat 38 in 2004 ingetrokken. De intensieve veehouderij is destijds opgeheven waarbij de huidige bedrijfsbebouwing is blijven staan. Hierdoor hebben de stallen hun functie verloren en tot op heden is er nog geen nieuwe (rendabele) invulling gevonden. In totaal zijn er vier voormalige bedrijfsgebouwen aanwezig (totaal 1.766 m2). Tussen de bedrijfsbebouwing is erfverharding aanwezig. Het overige gedeelte van het plangebied is in gebruik als akkerbouwgrond.

Hoofdstuk 2

7

Figuur 2.1: Weergave van de bebouwing in het plangebied en de gedeelde oprit.

Hoofdstuk 2

8

2.2 Voorgenomen ontwikkeling Initiatienemer is voornemens de voormalige agrarische bedrijfslocatie te transformeren naar een nietagrarische bedrijfslocatie, ten behoeve van de verhuur van units aan niet-agrarische bedrijven. Door dit nieuwe economische perspectief wordt een nieuwe bestemming aan de gedateerde stallen gegeven en wordt verwaarlozing en verloedering van het plangebied voorkomen. De stallen hebben door de bouwconstructie een heldere structuur die relatief eenvoudig verbouwd en opgedeeld kan worden in units die vervolgens aan bedrijven verhuurd kunnen worden. De units zijn specifiek bedoeld voor de vestiging van kleine lokale bedrijven, bijvoorbeeld een stukadoorsbedrijf, een tegelzetter en/of andere soortgelijke beroepen. De units kunnen bijvoorbeeld gebruikt worden als werkplaats of voor de statische opslag van materiaal en materieel. Binnen het plangebied is voldoende ruimte ter plaatse om op eigen terrein in adequate parkeer- en manoeuvreerruimte te voorzien. In totaal worden er 14 units gerealiseerd in de bestaande bebouwing. Daarnaast wordt de meest noordelijk gelegen loods gesloopt. Onderstaande figuur geeft een weergave van de toekomstige situatie. De bestaande oprit, via het terrein van Den Dolvert 1, blijft gehandhaafd en dient ook in de toekomstige situatie als in- en uitrit voor het plangebied.

Alle in het plangebied aanwezige bebouwing alsmede het erf wordt opgeknapt. Dit leidt tot een verbetering van de ruimtelijke uitstraling van het plangebied. Daarnaast worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd.

Figuur 2.2: Weergave van de functionele indeling van de bebouwing.

Hoofdstuk 2

9

Kwaliteitsverbetering en landschappelijke inpassing Een voorwaarde voor planmatige ontwikkelingen in het buitengebied is dat de waardevermeerdering van de planlocatie deels wordt geïnvesteerd in landschappelijke kwaliteit. Deze kwaliteitsverbetering wordt beschreven in artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. Het artikel stelt dat ‘een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving’. In bijlage 1 van dit bestemmingsplan is de kwaliteitsverbetering uitgewerkt. Voor het voornemen wordt de agrarische bestemming deels omgezet naar een bedrijfsbestemming. Een vastgesteld percentage van 20 procent van de totale winststijging die hiermee gepaard gaat, dient te worden geïnvesteerd in landschappelijke en/of ruimtelijke kwaliteit. Voor onderhavig voornemen betreft het te investeren bedrag 33.647,80 euro (zie bijlage 1). In het plangebied worden verschillende maatregelen getroffen om een tegenprestatie te leveren. De bebouwing wordt namelijk landschappelijk ingepast door onder andere de aanleg van een fruitboomgaard met lage haag en de aanleg van een robuuste houtsingel met struweel. Tevens zal een deel van de bestaande bebouwing worden gesloopt.

Zie figuur 2.3 voor de uitwerking van de landschappelijke inpassing en een weergave van de toekomstige situatie van het plangebied. Door het opknappen van de bebouwing en het realiseren van een landschappelijke inpassing ontstaat een representatief geheel. Uit de berekening in bijlage 1 blijkt dat de totale investering in het landschap 19.070,02 euro bedraagt. Het resterende deel wordt in het groenfonds gestort. Hiermee wordt de benodigde kwaliteitsbijdrage gecompenseerd en voorzien in een goede landschappelijke inpassing.

Hoofdstuk 2

10

Figuur 2.3: Landschappelijke inpassing

Hoofdstuk 2

11

3.

BELEIDSTOETS

3.1 Inleiding In dit hoofdstuk is een toets van het plan aan de verschillende beleidsdocumenten beschreven. Als eerste wordt het plan getoetst aan de landelijke regels, vervolgens zijn de provinciale randvoorwaarden beschreven en hoe het plan zich daartoe verhoudt en tenslotte is het pan getoetst aan de gemeentelijke beleidsstukken.

3.2 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (vastgesteld op 13 maart 2012) staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk stelt dat een aanpak dient te ontstaan waarmee Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig wordt gemaakt. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Daarnaast kan een Rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:  een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys;  over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of werelderfgoed;  een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bijvoorbeeld de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners.

Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):  het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;  het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;  het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Uit bovenstaande drie doelen zijn de dertien nationale belangen naar voren gekomen. Deze zijn geografisch weergegeven via de Nationale hoofdstructuur. Het plangebied is niet binnen een van de Nationale hoofdstructuren gelegen. Conclusie De SVIR heeft, gezien de aard en de beperkte omvang van het project, geen specifieke betekenis voor dit bestemmingsplan. Het project speelt zich af op lokaal niveau en er zijn geen nationale belangen in het geding.

Hoofdstuk 3

12

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Conclusie Zoals al in voorgaande paragraaf bij de SVIR is aangegeven, is er geen sprake van nationale belangen in het plangebied. Het Barro bevat daarom ook geen kaderstellende uitspraken voor het plangebied. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen.

De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (Artikel 3.1.6 lid 2 Bro).

Doorwerking plangebied Dit plan voorziet in de transformatie van een voormalig agrarische bedrijfslocatie naar een niet-agrarisch bedrijf met maximaal (of daaraan gelijk te stellen) milieucategorie 2. Er wordt een nieuwe passende invulling gegeven aan leegstaand agrarisch vastgoed waardoor verloedering nabij een dorpskern wordt voorkomen. Gezien de aard van de ontwikkeling is er geen sprake van een ‘stedelijke ontwikkeling’, zoals omschreven in artikel 1.1.1 van het Bro. Het initiatief heeft geen verdere verstedelijking tot gevolg, zodat geconcludeerd kan worden dat het initiatief past binnen het streven naar duurzaam ruimtegebruik. 1

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).

Hoofdstuk 3

13

3.3 Provinciaal beleid Structuurvisie Noord-Brabant 2010 (partiële herziening 2014) De Structuurvisie Ruimtelijke ordening (vastgesteld door Provinciale Staten d.d. 1 oktober 2010) geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). Voor het plangebied zijn twee uitsneden gemaakt welke hierna zijn weergegeven. Op 7 februari 2014 hebben de Provinciale Staten de Structuurvisie 2010, partiële herziening 2014 vastgesteld. Hierin is een aantal wijzigingen opgenomen ten aanzien van de Structuurvisie uit 2010. De ruimtelijke belangen en keuzes zijn in vier ruimtelijke structuren geordend. Binnen deze structuren worden de belangrijkste maatschappelijke ontwikkelingen opgevangen. Samen vormen deze structuren de provinciale ruimtelijke structuur. De structuren geven een hoofdkoers aan: een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De vier structuren zijn:  de groenblauwe structuur;  de infrastructuur;  het gemengd landelijk gebied;  de stedelijke structuur. Het plangebied maakt onderdeel uit van het landelijk gebied en is aangeduid als ‘Groenblauwe mantel’ en ‘Kernen in landelijk gebied’.

Groenblauwe mantel De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit gemengd landelijk gebied met belangrijke nevenfuncties voor natuur en water. Het zijn meestal gebieden grenzend aan het kerngebied natuur en water die bijdragen aan de bescherming van de waarden in het kerngebied. De provincie is er op gericht dat de belevingswaarde en de recreatieve waarde van het landschap toeneemt. De waarden in de groenblauwe mantel zijn vaak gekoppeld aan landschapselementen (zoals houtwallen en heggen), het watersysteem (zoals de aanwezigheid van kwel) en het voorkomen van bijzondere planten en dieren. Nieuwe ontwikkelingen binnen de groenblauwe mantel zijn mogelijk, als deze bestaande natuur-, bodem- en waterfuncties respecteren of bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van deze functies of het (cultuurhistorisch waardevolle) landschap. De versterking van de binnen de groenblauwe mantel aanwezige leefgebieden voor plant- en diersoorten vraagt daarbij specifieke aandacht. Kernen in landelijk gebied De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant. De provincie beschouwt de verschillen tussen de (middel)grote steden, suburbane kernen, dorpen en plattelandskernen, zowel in ruimtelijk, sociaal als economisch opzicht, als een belangrijke kwaliteit van Brabant.

De provincie wil dat de kansen voor functiemenging, inbreiding, herstructurering en zo nodig transformatie in het stedelijk gebied goed worden benut, inclusief de mogelijkheden voor intensivering en meervoudig ruimtegebruik. Hierdoor is uiteindelijk minder ruimte nodig voor stedelijke uitbreidingen. Door meer aandacht te schenken aan beheer en onderhoud van het bestaand stedelijke gebied worden in de toekomst ingrijpende herstructureringen voorkomen.

Hoofdstuk 3

14

Doorwerking plangebied De Groenblauwe mantel voorziet voornamelijk in behoud en versterking van aanwezige natuur-, water- en landschapswaarden. De Groenblauwe mantel biedt mogelijkheden voor onderhavig initiatief mits bestaande natuur-, bodem- en waterfuncties gerespecteerd en versterkt worden. Onderhavig initiatief betreft een herschikking van bestaande functies en een functiewijziging. De nieuwe situatie is niet belastend voor de natuur- milieu en landschapswaarden, deze worden daarnaast versterkt door de landschappelijke inpassing van het plangebied. In de kernen in het landelijk gebied met de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking wordt de lokale behoefte voor verstedelijking opgevangen (wonen, werken en voorzieningen). Het plan voorziet in efficiënt en zorgvuldig ruimtegebruik door het transformeren van leegstand agrarisch vastgoed nabij de kern voor de lokale kleine ondernemers. Het initiatief leidt niet tot een stedelijke uitbreiding. Het initiatief is daarmee in lijn met de structuurvisie. Interim Omgevingsverordening De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening. Provinciale Staten hebben op 25 oktober 2019 deze verordening vastgesteld.

Het is een ‘Interim’ omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. In de omgevingsverordening staan onderwerpen uit de provinciale omgevingsvisie, waarbij is aangegeven welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. Deze verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. De planlocatie ligt volgens de Interim Omgevingsverordening in de zone ‘landelijk gebied’. In artikel 3.73 zijn regels opgenomen voor de vestiging van een niet-agrarische functie in het landelijk gebied. Daarnaast stelt de verordening als eis dat ontwikkelingen binnen het ‘landelijk gebied’ samen dient te gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap (zie artikel 3.9). De volgende voorwaarden zijn van toepassing: Artikel 3.73 Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een nietagrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2.

welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. de vestiging heeft geen betrekking op:

Hoofdstuk 3

15

1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. Lid 2 Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang. Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c. een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. Artikel 3.9 Lid 1 Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a.

dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.

Hoofdstuk 3

16

Doorwerking plangebied De gewenste ontwikkeling voorziet in de sanering en herbestemming van verouderd agrarisch vastgoed. Aan de voorwaarde dat de vestiging van een niet-agrarische functie binnen een bestaand bouwvlak dient plaats te vinden, wordt formeel niet aan voldaan. Zoals in paragraaf 1.3 van onderhavige toelichting is toegelicht is het agrarisch bouwvlak in de herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 1998 wegbestemd. Nadat er al enkele jaren geen varkens meer werden gehouden is de milieuvergunning voor varkenshouderij aan de Schoolstraat 38 in 2004 ingetrokken. De huidige bebouwing is destijds wel binnen een agrarisch bouwblok is gebouwd en thans ook legaal aanwezig is. Het betreft in dit geval legaal opgerichte bebouwing die op passende wijze herbestemd dient te worden. Om deze mogelijkheid te bieden en ongewenste leegstand en/of verval tegen te kunnen gaan wordt deze situatie behandeld alsof sprake is van een bouwvlak. Daarnaast zal overtollige bebouwing worden gesloopt en vinden geen activiteiten plaats die in strijd zijn met de verordening. De strekking van het plan is in lijn met de voorwaarden van artikel 3.73 en voldoet hieraan met dien verstande dat geen bouwvlak aanwezig is. De ontwikkeling en met name de beoogde functie/activiteit is passend binnen de omgeving en de aanwezige functies.

De locatie is gelegen aan de rand van de bebouwde kom van Heeswijk-Dinther, aanliggende Aa-dal en nabij het bedrijventerrein van Bernheze. In dit aanloopgebied (in combinatie met de Brouwersstraat) is er de aanwezigheid aan verschillende (stedelijke) functies zoals maatschappelijk, bedrijvigheid, agrarisch, detailhandel en wonen. De locatie zelf betreft een voormalige intensieve veehouderij, waarbij de bedrijfsactiviteiten zijn gestaakt. De huidige bebouwing is daarmee verloederd en grondig toe aan renovatie. Om de gronden en ook de bebouwing een nieuwe economische invulling te geven is gekozen voor (kleinschalige) bedrijvigheid die gelet op de omgeving het woon-en leefklimaat niet aantasten. Daarnaast past de grootte en de schaal van de bedrijvigheid binnen de omgeving. In de regels is geborgd dat de activiteiten niet hoger mag zijn dan milieucategorie 2. De nieuwe functie (bedrijfsverzamelgebouw) leidt verder tot een kwaliteitsverbetering en versterking van de omgevingskwaliteit. Daarnaast is sprake van een in de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking van de functies. Het plan draagt bij aan het versterken van de landschappelijke aantrekkelijkheid (door middel van een landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering), een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk en gevarieerd aanbod aan voorzieningen en een natuurrijke omgeving.

Om te waarborgen dat de landschappelijke inpassing wordt uitgevoerd en in stand wordt gehouden, is in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. In bijlage 1 van onderhavig toelichting is uitgebreid de landschappelijke inpassing gemotiveerd, waarom de gekozen inrichtingsmaatregelen passend zijn gelet op het landschap. De inpassing en vormgeving van het perceel aan de Schoolstraat richt zich op de overgang van het perceel naar het achterliggende Aa-dal en de achterkanten van aanliggende percelen. Voor het overige wordt verwezen naar bijlage 1 van deze toelichting.

3.4 Gemeentelijk beleid Structuurvisie Bernheze 2010 Op 11 februari 2010 heeft de gemeenteraad van Bernheze de Structuurvisie Bernheze 2010 vastgesteld. De structuurvisie bestaat uit een ruimtelijk casco en een uitvoeringsprogramma. Het ruimtelijk casco. Het Ruimtelijk Casco beoogt de samenhangende structuren naar boven te halen en hieraan logische strategieën te koppelen, waarmee het een casco vormt voor concrete projecten

Hoofdstuk 3

17

en plannen. Het is een afwegingskader, maar tegelijkertijd ook een inspiratiekader voor ruimtelijke ontwikkeling. Het Ruimtelijk Casco geeft richting zonder te spreken over een programma. In het ruimtelijk programma zijn plannen en projecten van de gemeente gekoppeld, hoe deze gerealiseerd worden en welke termijn daaraan hangt. In dit geval is het ruimtelijk casco relevant als afwegingskader voor de ontwikkeling van het plangebied.

Hoofdstuk 3

18

Doorwerking plangebied Het ruimtelijk casco is weergegeven op een kaart met een toelichting. In figuur 3.2 is een uitsnede van het kaartbeeld gemaakt. Daarin is te zien dat de legendaeenheid ‘halfopen landschap’ van toepassing is voor het plangebied. In de beekdalen en op de dekzandruggen rond de historische bebouwingsconcentraties heeft het agrarische gebruik van het open landschap geleid tot een halfopen landschap met oude bouwlanden, boscomplexen en kronkelende wegen. Het halfopen landschap wordt voor het grootste deel gebruikt als landbouwgrond. Door de variatie in dit halfopen landschap is er een coulisselandschap gevormd. Het voegt een kwaliteit toe aan het beeld van de gemeente Bernheze en dient geconserveerd te worden. Verandering aan dit landschap moet hier ook zoveel mogelijk worden voorkomen

Figuur 3.2: Uitsnede kaart Structuurvisie Bernheze (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Met onderhavig planvoornemen wordt een nieuwe invulling voor leegstand vastgoed geïnitieerd. Het voormalige agrarische erf wordt opgeknapt, getransformeerd en landschappelijk ingepast. Hierdoor wordt ruimtelijke kwaliteit toegevoegd aan de rand van een bebouwingsconcentratie. Door de landschappelijke inpassing wordt het halfopen coulisselandschap geaccentueerd. Derhalve is het initiatief in lijn met de Structuurvisie Bernheze 2010.

Hoofdstuk 3

19

4.

MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING

4.1 Inleiding Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een nieuwe ontwikkeling ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij moet worden gedacht aan onder meer het ruimtelijke beleid van de hogere overheden en de gemeente, milieuaspecten als geluid, bodem en hinder van bedrijven, archeologie en economische haalbaarheid. Ook onderhavig plan is getoetst voor wat betreft de uitvoerbaarheid ervan op bovengenoemde aspecten. In dit hoofdstuk is aangegeven wat de resultaten zijn van de toets aan de milieuhygiënische aspecten.

4.2 M.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in het Besluit m.e.r. bijlage D. Voor deze activiteiten bepaalt het bevoegd gezag of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Met dit bestemmingsplan wordt een voormalige agrarische bedrijfslocatie getransformeerd naar een niet-agrarisch bedrijf. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. overschrijdt. Doorwerking plangebied De vestiging van een niet-agrarisch bedrijf in het buitengebied valt niet onder categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r. (stedelijk ontwikkelingsproject).

Het kan echter zijn dat de ontwikkeling wel kan worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject. Volgens de Raad van State (201609536/1/A1) is het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. De concrete omstandigheden in dit geval is het herbestemmen van een voormalige intensieve veehouderij ten behoeve van de ontwikkeling van een niet-agrarisch bedrijf waarbij de bedrijfsactiviteiten bestaan uit de verhuur van units. De units worden dus in reeds bestaande bebouwing gerealiseerd en zijn specifiek bedoeld voor kleine bedrijven voor algemene kleinschalige bedrijfsactiviteiten en opslag

Hoofdstuk 4

20

(bijvoorbeeld een stukadoorsbedrijf, een tegelzetter en/of andere soortgelijke beroepen in milieucategorie 2). Voorts ligt de locatie niet in of nabij een beschermd natuurgebied en is er geen risico op verontreiniging en de ontwikkeling leidt niet tot hinder voor omliggende functies maar zelfs tot een verbetering voor de milieuomstandigheden en leefomgeving. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en/of –technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Ook blijkt uit dit bestemmingsplan dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu. Voorgaande maakt dat de ontwikkeling in het plangebied niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingstraject in de zin van categorie 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Derhalve is het niet noodzakelijk een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uit te voeren.

4.3 Archeologie en cultuurhistorie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een ruimtelijke onderbouwing dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het is daarmee dus verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Cultuurhistorie De provincie Noord-Brabant heeft haar cultuurhistorisch erfgoed verwerkt in de Cultuurhistorische Waardenkaart. Volgens deze kaart ligt het plangebied in regio ‘De Meijerij’, zie figuur 4.1.

Figuur 4.1: Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart

Hoofdstuk 4

21

De Meijerij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. Het water van de beken (Essche Stroom, Beerze, Dommel en Aa) stroomt in de richting van 's-Hertogenbosch, waar een doorgang in de dekzandrug aanwezig is. In het verleden leidde deze situatie hier en daar tot problemen met de waterafvoer, waardoor natte broekgebieden, vennen en kleine veengebieden ontstonden. De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. De Meierij wordt gekarakteriseerd door veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap. Ook zijn een aantal plattelandsdorpen uitgegroeid tot middelgrote steden of industriekernen. Het plangebied is reeds bebouwd, door onderhavig initiatief worden de functies duidelijk gekaderd en ingepast in het landschap. Het initiatief zal daardoor de cultuurhistorische waarden van de regio niet belemmeren. Daarnaast is de Schoolstraat aangemerkt als lijn van redelijk hoge waarden. Het initiatief heeft geen invloed op de situering en ruimtelijke aspecten van de Schoolstraat vanwege de afstand tot de weg en zal de cultuurhistorische waarden daardoor niet belemmeren. Archeologie De gemeente Bernheze heeft door het opnemen van dubbelbestemmingen mogelijke archeologische waarden in de bodem beschermd.

Voor het plangebied gelden de archeologisch waarden 2 en 3. Dit zijn gronden met een hoge archeologische verwachtingswaarden. Bij bodemingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 40 cm beneden het maaiveld moet een archeologisch onderzoek aantonen dat de ontwikkeling geen effect heeft op eventueel aanwezige archeologische waarden.

Figuur 4.2: Uitsnede Archeologische beleidskaart

Dit bestemmingsplan voorziet enkel in een functiewijziging. Er wordt niet voorzien in nieuwe bebouwing of activiteiten waarvoor bodemingrepen dieper dan 40 cm-mv en groter dan 250 m2 noodzakelijk zijn. Wel wordt een landschappelijke inpassing aangelegd. Volgens het beplantingsplan (zie bijlage 1) wordt slechts een klein gedeelte van de plantgaten dieper dan 40 cm-mv gerealiseerd. Dit betreft 52,88 m2. De overige aanplant blijft onder de 30 cm-mv. De ondergrens wordt derhalve niet overschreden waardoor een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Het archeologische beschermingsregime door middel van de dubbelbestemmingen wordt in dit bestemmingsplan overgenomen. De archeologische waarden zijn daardoor in voldoende mate beschermd. Conclusie Het aspect cultuurhistorie en archeologie vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan. Hoofdstuk 4

22

4.4 Natuurbescherming De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming Het meest nabijgelegen onderdeel van een Natura 2000-gebied is gelegen op circa 13 kilometer ten noordwesten van het plangebied. Het betreft het Natura 2000-gebied Vlijmens Ven & Moerputten. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van licht, geluid en trillingen uitgesloten. Voor wat betreft de depositie van stikstof heeft Antea Group in 2020 in opdracht van de gemeente Bernheze voor een tweetal scenario’s uitgerekend of daarbij sprake is van een toename van stikstofdepositie op daarvoor gevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. De scenario’s betroffen een woningbouwontwikkeling van 50 woningen en een bedrijfsontwikkeling van maximaal 5000 m2 tot milieucategorie 3 op elke willekeurige locatie binnen de gemeente. Daaruit blijkt dat, voor zowel de aanleg- als gebruiksfase, het scenario van 50 woningen maatgevend is.

In de doorgerekende scenario’s was geen sprake van een toename van stikstofdepositie op daarvoor gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. De voorgenomen ontwikkeling van onderhavig bestemmingsplan betreft de transformatie van een voormalige agrarische bedrijfslocatie naar een niet-agrarische bedrijfslocatie. De niet-agrarische bedrijfslocatie zal worden verhuurd aan kleine bedrijven voor algemene kleinschalige bedrijfsactiviteiten en opslag (bijvoorbeeld een stukadoorsbedrijf, een tegelzetter en/of andere soortgelijke beroepen). Aanlegwerkzaamheden zullen slechts in beperkte mate plaatsvinden, aangezien de huidige gebouwen worden gerenoveerd voor onderhavige ontwikkeling. Een nadere beschouwing van de activiteiten met betrekking tot aanleg en gebruik leert dat aannemelijk is dat deze niet zullen leiden tot een grotere stikstofuitstoot dan de door Antea berekende stikstofdepositie. De berekende verkeersgeneratie voor zowel de aanleg- en gebruiksfase van onderhavige ontwikkeling ligt een stuk lager dan die voor de aanleg- en gebruiksfase van 50 woningen binnen het grondgebied van Bernheze. Hiermee is redelijkerwijs aannemelijk dat onderhavige ontwikkeling niet zal leiden tot een toename van stikstofdepositie en niet zal leiden tot significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden.

Het plangebied is niet gelegen binnen een provinciale natuurzone, onderdeel van het Natuur Netwerk Nederland. De dichtstbijzijnde natuurzones zijn gelegen op ongeveer 230 m vanaf het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities nagenoeg gelijk blijven waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet zullen worden aangetast. Aangezien binnen het plangebied geen houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Soortbescherming Met dit planvoornemen wordt de bestaande bebouwing inpandig verbouwd. Er wordt geen bebouwing gesloopt. Negatieve effecten voor de huismus, gierzwaluw, andere gebouw bewonende broedvogels of vleermuizen zijn dan ook niet te verwachten en op voorhand uit te sluiten.

Hoofdstuk 4

23

Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaat geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Verder zijn geen negatieve effecten te verwachten op andere beschermde soorten vaatplanten, vissen, reptielen, amfibieën en overige ongewervelden niet te verwachten. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op beschermde soorten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

4.5 Waterparagraaf Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets te doorlopen. Hierin dient inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. Voor ieder ruimtelijk plan is een formele watertoets noodzakelijk. De watertoets is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem. Relevante beleidsstukken op het gebied van water is het provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 van de provincie Noord-Brabant, het Waterbeheersplan 2016-2021 van Waterschap Aa & Maas, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Watersysteem Bodem en grondwater Volgens gegevens uit PDOK zijn ter plaatse hoge zwarte enkeerdgronden met leemarm en zwak lemig fijn zand (zEZ21) te verwachten. In het plangebied is gronddwatertrap VII.

Hierbij hoort een gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) van 0,8 tot 1,4 m-mv en een gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) van >1,2 m-mv. Voor zover bekend bevindt zich in de directe omgeving van het plangebied geen (geval van een) ernstige grondwaterverontreiniging. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn bij de provincie Noord-Brabant en het Waterschap Aa en Maas geen grootschalige grondwateronttrekkingen bekend. Het plangebied bevindt zich niet in een beschermings- of attentiegebied behorend bij een waterwinplaats. Binnen het plangebied zullen geen industriële of andere milieubelastende activiteiten worden ontplooid. Het risico op grondwaterverontreiniging zal daarom minimaal zijn. Hemelwater In de huidige situatie loopt het hemelwater af naar de rond de verharding aanwezige weilanden waar het infiltreert. Daarnaast loopt een gedeelte van het hemelwater naar het aanwezige oppervlaktewater ten zuidoosten van het plangebied. Er is geen sprake van wateroverlast. Ten opzichte van de huidige situatie neemt het verhard oppervlakte in het plangebied met ca. 455 m2 toe. De neerslag die hierop valt, moet worden verzameld en geïnfiltreerd. Voor de bergingsbehoefte is

Hoofdstuk 4

24

uitgegaan van 60 mm conform het waterschapsbeleid. De benodigde bijkomende waterberging bedraagt ca. 27 m3. Deze waterberging wordt gerealiseerd in vorm van een greppel. Het hemelwater wordt afgevoerd naar deze greppel waar het wordt vastgehouden en kan infiltreren. De greppel wordt in de paardenweide in de oostzijde van het plangebied gerealiseerd. Ervan uitgaande dat ook het hemelwater van het dakoppervlakte naar deze greppel wordt afgevoerd dient deze voldoende groot te worden ingestoken. In de toekomstige situatie is er 1.766 m 2 dakoppervlakte aanwezig. Dit leidt tot een bergingsbehoefte van 106 m 3. De totale bergingsbehoefte bedraag worst-case dus 133 m3. In de praktijk zal dit lager liggen, daar hemelwater via daken ook kan infiltreren in de omliggende weilanden zoals in de huidige situatie. Daarnaast wordt zeer waarschijnlijk gebruikt gemaakt van halfverharding, wat de bergingsopgave ook zal drukken. Bij de concrete planuitwerking en vergunningaanvraag wordt dit nog nader beschouwd. Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig en wordt geen nieuw oppervlaktewater gerealiseerd. Aan de oostzijde van het plangebied is oppervlaktewater aanwezig. Met het planvoornemen worden geen ingrepen mogelijk gemaakt die invloed hebben op het bestaande oppervlaktewater of die de afwatering van de omliggende percelen en de openbare weg belemmeren.

Afvalwater Eventueel afvalwater zal aangesloten worden op het gemeentelijk rioleringsstelsel en worden afgevoerd naar het RWZI. In de huidige situatie is nog geen afvalwatervoorziening aanwezig. Het plangebied wordt aangesloten op het riool van de Schoolstraat 38 of het riool van het autobedrijf, Den Dolvert 1. Conclusie Door het hemelwater van het verhard oppervlak af te koppelen en ter plaatse te verwerken, wordt hydrologisch neutraal ontwikkeld. Op de verbeelding en in de regels van dit bestemmingsplan is de realisatie van de noodzakelijke waterberging juridisch-planologisch geborgd door middel van een voorwaardelijke verplichting. Dit bestemmingsplan is in lijn met de uitgangspunten voor het aspect water.

4.6 Bodem Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Doorwerking plangebied Er is sprake van het wijzigen van het bestaande grondgebruik, het gaat hierbij echter om een vergelijkbare milieugevoelige functie (agrarisch bedrijf en niet-agrarisch bedrijf). Daarnaast worden er geen bodemingrepen voorzien met dit bestemmingsplan. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

Hoofdstuk 4

25

4.7 Bedrijven en milieuzonering Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering van de VNG 2. In de tabel behorende bij de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG, zijn functies opgenomen die zijn ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per functie is aangegeven wat de indicatieve afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan (enigszins) van afgeweken worden in situaties waarin geen sprake is van een rustige woonwijk, of waar door onderzoek is aangetoond dat geen sprake is van een overbelaste situatie. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden. De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur.

In de ruimtelijke ordening wordt onderscheidt gemaakt tussen milieuzoneringen met betrekking tot het aspect geur afkomstig van veehouderijbedrijven en alle andere aspecten. Voor het aspect geur geldt aparte wetgeving (Wet geurhinder en veehouderij en de Wro) en daardoor specifieke afstanden. Deze afstanden komen niet overeen met de afstanden die in de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG zijn opgenomen. Het aspect geur wordt daarom in deze paragraaf buiten beschouwing gelaten en behandeld in paragraaf 4.9. Doorwerking plangebied Met bedrijven en milieuzonering wordt onderscheid gemaakt in twee verschillende gebiedstypen, namelijk een rustige woonwijk en een gemengd gebied. De VNG-publicatie verstaat onder gemengd gebied het volgende: “Een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Daarnaast gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen.” De directe omgeving van het plangebied bestaat uit een woonwijk en lintbebouwing aan de dorpsrand van Heeswijk-Dinther. In de omgeving is sprake van functiemening. Naast woningen zijn er niet-agrarische als agrarische bedrijven aanwezig.

Zodoende kan de omgeving worden aangemerkt als gemengd gebied en mogen de richtafstanden van de VNG-publicatie met één stap worden verlaagd. Dit bestemmingsplan voorziet in het herbestemmen van de bestaande voormalige agrarische bedrijfsgebouwen in het plangebied. De functie van de locatie wordt daarbij gewijzigd van agrarisch naar een niet-agrarisch bedrijf. Er worden geen milieugevoelige functies, zoals een woning, mogelijk gemaakt. Dit betekent dat onderhavige ontwikkeling niet tot hinder van omliggende bedrijven (o.a. Den Dolvert 1) leidt. De ontwikkeling van de bedrijfsactiviteiten in het plangebied kan zelf wel leiden tot hinder bij omliggende milieugevoelige functies. De beoogde bedrijfsactiviteiten bestaan uit een combinatie van verhuur van units voor opslag en algemene bedrijfsvoering voor kleine bedrijven. De units zijn specifiek bedoeld voor kleine bedrijven voor algemene kleinschalige bedrijfsactiviteiten en opslag (bijvoorbeeld een stukadoorsbedrijf, een tegelzetter en/of andere soortgelijke beroepen). Dit type bedrijvigheid kan

2

Bedrijven en milieuzonering, editie 2009

Hoofdstuk 4

26

worden aangemerkt als ‘Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte)’ en/of ‘werkplaats b.o. <1000 m 2)’ met milieucategorie 2 en een grootste richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid. Gezien de ligging in gemengd gebied kunnen de afstanden met één stap worden verlaagd naar 10 meter. Uit onderstaande figuur valt op te maken dat binnen een straal van 10 meter geen milieugevoelige functies aanwezig zijn. De bedrijfsactiviteiten in het plangebied zullen dan ook niet tot hinder leiden bij de omliggende milieugevoelige functies.

Figuur 4.3: Uitsnede verbeelding met een rood omlijnde milieucirkel van 10 meter rond het toekomstige bouwvlak

Het plangebied wordt ontsloten via de bestaande uitrit van het bedrijfsperceel Den Dolvert 1. Deze ontsluiting maakt geen onderdeel uit van het plangebied maar wordt hier wel nader beschouwd. De uitrit van Den Dolvert 1 ligt namelijk op een afstand van ca. 3 meter van de woning Schoolstraat 38, zie figuur 4.4.

Hoofdstuk 4

27

Nr. 38

Figuur 4.4: Weergave in- en uitrit bedrijfsperceel

Ten opzichte van de milieucategorie van de bedrijfsactiviteiten wordt niet aan de hierboven genoemde richtafstand van 10 meter voldaan. Waardoor er mogelijk sprake is van hinder. In de huidige situatie is de inrit bestemd als ‘Bedrijf’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – handel en reparatie motorvoertuigen’. Dit is een categorie 2 bedrijf met eveneens een richtafstand van 30 meter, die gezien de ligging kan worden verlaagd naar 10 meter. Dit betekent dat er reeds in de huidige situatie al theoretisch sprake is van hinder. De vraag is dan of de extra motorvoertuigbewegingen die in het plangebied gegenereerd worden en langs de woning Schoolstraat 38 worden ontsloten, tot onevenredige hinder zullen leiden. Om deze reden is door De Roever Omgevingsadvies een akoestisch onderzoek uitgevoerd3. In het onderzoek wordt de geluidbelasting, ten gevolge van het verkeer op de in-/uitrit en de openbare weg, op de gevels van de woningen aan de Schoolstraat 38, Den Dolvert 1a en Den Dolvert 2 bepaald. Het volledige rapport is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen, in navolgende paragraaf volgen de belangrijkste resultaten.

Akoestisch onderzoek industrielawaai Langtijd beoordelingsniveau Voor een beoordeling van het woon- en verblijfsklimaat wordt aangesloten bij de richtwaarde van 45 dB(A) etmaalwaarde conform stap 2 uit bijlage B5.3 van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering, zie paragraaf 2.1. De richtwaarde van 45 dB(A) etmaalwaarde wordt op alleen overschreden op de zijgevel en achtergevel van de woning aan Schoolstraat 38. De zijgevel bevat echter geen te openen delen, waardoor in principe geen sprake is van een toetspunt (dove gevel). Om toch een beoordeling van het woon- en verblijfsklimaat te maken, wordt aangesloten bij de eis voor het binnenniveau in een woning, die volgt uit het Bouwbesluit 2012 (bij nieuwbouw). Die eis bedraagt 35 dB(A). Bij een geluidbelasting van (in dit geval) 53 dB(A) moet de gevel over een karakteristieke geluidwering van 18 dB(A) beschikken. Uit het Bouwbesluit 2012 volgt dat een gevel van normale bouwkundige opzet over een geluidwering van op zijn minst 20 dB(A) beschikt. Daarom is een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat in de woning geborgd. 3

Onderzoek industrielawaai opslagunits Schoolstraat 38, De Roever Omgevingsadvies, kenmerk 20191211.v03, d.d. 13 augustus 2020

Hoofdstuk 4

28

De geluidbelasting op de achtergevel van de woning bedraagt 47 dB(A). Met deze geluidbelasting wordt de grenswaarde conform stap 3 uit bijlage B5.3 van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (50 dB(A)) niet overschreden. Deze grenswaarde kan worden gehanteerd als wordt gemotiveerd waarom het deze geluidbelasting in deze concrete situatie acceptabel wordt geacht, waarbij tevens de cumulatie met eventueel reeds aanwezige geluidbelasting moet worden betrokken. Ter plaatse van de achtergevel van de woning zal geen sprake zijn van een relevante geluidbelasting door andere bedrijven (aangezien deze gevel niet wordt aangestraald door andere bedrijven) of door wegverkeerslawaai (aangezien deze gevel niet wordt aangestraald door de maatgevende wegen Schoolstraat en Den Dolvert). Er is daarom geen sprake van een relevante verhoging van de geluidbelasting door cumulatie. Om toch een beoordeling van het woon- en verblijfsklimaat te maken, wordt aangesloten bij de eis voor het binnenniveau in een woning, die volgt uit het Bouwbesluit 2012 (bij nieuwbouw). Die eis bedraagt 35 dB(A). Bij een geluidbelasting van (in dit geval) 47 dB(A) moet de gevel over een karakteristieke geluidwering van 12 dB(A) beschikken. Uit het Bouwbesluit 2012 volgt dat een gevel van normale bouwkundige opzet over een geluidwering van op zijn minst 20 dB(A) beschikt.

Daarom is een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat in de woning geborgd. Om bovenstaande redenen kan een geluidbelasting van 47 dB(A) (3 dB(A) onder de grenswaarde) nog aanvaardbaar worden geacht. Bij alle overige toetspunten wordt aan de richtwaarde van 45 dB(A) conform stap 2 uit bijlage B5.3 van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering voldaan en is sprake van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. Maximaal geluidniveau Voor een beoordeling van het woon- en verblijfsklimaat wordt aangesloten bij de richtwaarde van 65 dB(A) conform stap 2 uit bijlage B5.3 van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering. Deze waarde wordt overschreden om meerdere toetspunten. De hoogste waarde doet zich voor op de zijgevel van de woning aan Schoolstraat 38. Deze gevel bevat echter geen te openen delen, waardoor in principe geen sprake is van een toetspunt (dove gevel). Om toch een beoordeling van het woon- en verblijfsklimaat te maken, wordt aangesloten bij de grenswaarde voor geluidniveau door piekgeluiden in aanpandige gebouwen, die volgt uit het Activiteitenbesluit. Die eis bedraagt 55 dB(A). Bij een geluidbelasting van (in dit geval) 80 dB(A) moet de gevel over een karakteristieke geluidwering van 25 dB(A) beschikken. Uit het Bouwbesluit 2012 volgt dat een gevel van normale bouwkundige opzet over een geluidwering van op zijn minst 20 dB(A) beschikt.

Maar de praktijk beschikt een gevel van normale bouwkundige opzet over een geluidwering van minstens 25 dB(A). Voor de zijgevel van de woning aan Schoolstraat 38 kan dit zonder meer worden gesteld, vanwege het zeer beperkte oppervlak aan glas en het feit dat er geen ventilatieroosters en kieren vanwege te openen delen aanwezig zijn. Een berekening van de geluidwering van de gevel is hier overdreven, omdat op voorhand gesteld kan worden dat de waarde van 25 dB(A) gehaald zal worden. Die waarde is overigens alleen nodig voor het geval een aanhanger met materiaal over de oneffenheid tussen de straat en de oprit rijdt. Voor overige piekgeluiden volstaat een geluidwering van 10 dB(A) lager. Daarbij merken we op dat dit piekgeluiden door laden en lossen in de dagperiode zijn, welke volgens het Activiteitenbesluit worden uitgesloten, zie paragraaf 2.2 van het akoestisch onderzoek (bijlage 2 van de toelichting). Bovendien zijn het piekgeluiden die zich buiten de inrichtingsgrens voordoen, omdat het daar openbare ruimte betreft. Gezien al het bovenstaande kan worden gesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=d0ae63f2-5ece-4d4c-927f-4f316e760c14