CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting BP Schoolstraat 38

Commissie Ruimtelijke Zaken 22 september 2021, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Schoolstraat 38, Heeswijk-Dinther'13.393 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Hoofdstuk 4

29

Indirecte hinder Voor een beoordeling van het woon- en verblijfsklimaat wordt aangesloten bij de richtwaarde van 50 dB(A) conform stap 2 uit bijlage B5.3 van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering. Omdat ruimschoots aan de richtwaarde wordt voldaan is sprake van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. Conclusie onderzoek Uit het onderzoek kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van alle onderzochte woningen in de omgeving sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat en dat aan de grenswaarden voor geluid uit het Activiteitenbesluit wordt voldaan. Hierbij is rekening gehouden met het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, het maximale geluidniveau en de indirecte hinder. Aan het aspect BBT wordt in voldoende mate invulling gegeven. Gelet op het voorgaande zijn er wat betreft geluid geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.8 Akoestiek Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van:  wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen;  wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Doorwerking plangebied Met onderhavige ontwikkeling wordt agrarische bedrijfsbebouwing herbestemd ten behoeve van een niet-agrarisch bedrijf waarvan de bedrijfsactiviteiten zich richten op de vestiging van kleine bedrijven, bijvoorbeeld een stukadoorsbedrijf en een tegelzetter. De units kunnen bijvoorbeeld gebruikt worden als werkplaats of voor de statische opslag van materiaal en materieel. Dit type bedrijfsgebouwen worden niet als een geluidgevoelig object aangemerkt in het kader van de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder legt dan ook geen restricties op aan onderhavige ontwikkeling.

4.9 Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wvg) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd. De Wgv vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven, de wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat.

Hoofdstuk 4

30

Doorwerking plangebied Dit bestemmingsplan voorziet in een bedrijfsverzamelgebouw met verschillende bedrijfsunits. Dit zijn geurgevoelige objecten in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij. Door De Roever Omgevingsadvies is een onderzoek uitgevoerd naar de geurhinder van de omliggende agrarische bedrijven4. Hier volgende de conclusies van dit onderzoek, de complete rapportage is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen. Het woon- en leefklimaat in een gebied wordt behalve door de geurbelasting per veehouderij (voorgrondbelasting) ook bepaald door de achtergrondbelasting, de geurbelasting ten gevolge van alle veehouderijen samen. Deze paragraaf is daarom opgesplitst in twee delen, een beschrijving van de voorgrondbelasting en een beschrijving van de achtergrondbelasting. Voorgrondbelasting Vanuit de Wgv is sprake van zogenaamde afstandsdieren (bijvoorbeeld melkkoeien) en dieren met een geuremissiefactor (bijvoorbeeld varkens). Voor deze laatste dieren dient een berekening te worden uitgevoerd om te kijken hoe groot de geurhinder bij geurgevoelige objecten is. Voor afstandsdieren geldt een vaste afstand. Conform de Wgv dient een veehouderijbedrijf te voldoen aan een geurhindercontour van maximaal 14 ouE/m³ (odeurunits). Dat betekent dat een individueel veehouderijbedrijf niet meer dan 14 ouE/m³ op geurgevoelige objecten mag uitstoten.

Naast geurnormen stelt de Wgv ook eisen aan de (vaste) afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. De afstanden gelden voor dieren waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt en worden gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van een stal waarin de betreffende dieren worden gehouden. De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid de standaardnormen aan te passen middels een gemeentelijke verordening. Op 12 december 2013 heeft de gemeente Bernheze de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Bernheze 2013’ vastgesteld. Deze is op 19 december 2013 in werking getreden. Ter plaatse van het plangebied heeft de gemeente Bernheze geen afwijkende afstand vastgesteld. De te ontwikkelen locatie ligt gedeeltelijk binnen de afstandscontouren van 50 meter vanaf het bouwvlak van de naastgelegen veehouderij (zie onderstaande afbeelding). Binnen de afstand van 50 meter is in principe geen sprake van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat.

Daarnaast worden de belangen van de veehouderij geschaad, aangezien in een toekomstige situatie emissiepunten van dierenverblijven en opslagen van agrarische bedrijfsstoffen niet verder in westelijke richting kunnen worden verplaatst. Daarom raden wij aan geen geurgevoelige objecten toe te staan binnen 50 meter van het bouwvlak van de veehouderij. Dit kan middels een functieaanduiding in het bestemmingsplan.

4

Onderzoek geur veehouderijen wijziging inrichting Schoolstraat 38 Heeswijk-Dinther, De Roever Omgevingsadvies, kenmerk: 20190484.v01, d.d. 26 april 2019.

Hoofdstuk 4

31

Gelet op de totale geuremissie en de afstand tot het plangebied is de veehouderij aan AA-brugstraat 19 maatgevend voor de beoordeling van de voorgrondbelasting. Op basis van de omgekeerde werking van de Wet geurhinder en veehouderij is een geurberekening uitgevoerd. Dat wil zeggen dat uitgegaan is van één emissiepunt op de rand van het bouwvlak, zo ver mogelijk in de richting van het plangebied. Voor de overige parameters is ook uitgegaan van een worst-case situatie. Het plangebied (waarvoor een geurnorm van 8 ouE/m3 geldt) ligt buiten de worst-case geurcontour van 8 ouE/m 3. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat en de belangen van de veehouderij worden niet geschaad.

Figuur 4.5: Afstandscontour 50 meter rondom naastgelegen veehouderijen en daarnaast de contouren wordt-case voorgrondbelasting van AA-Burgstraat 19.

Achtergrondbelasting De achtergrondbelasting wordt gevormd door de geurbelasting van alle veehouderijen Samen. De geuremissie is afkomstig van dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een

Figuur 4.6: Weergave geurcontouren achtergrondbelasting

Hoofdstuk 4

32

omrekeningsfactor is vastgesteld, zoals varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten. Bij een onderzoek naar de achtergrondbelasting worden alle veehouderijen binnen een straal van twee kilometer van het plangebied betrokken. De achtergrondbelasting is berekend met het verspreidingsmodel VStacks Gebied. In onderstaande afbeelding zijn de geurcontouren voor de achtergrondbelasting weergegeven. De hoogst berekende geurbelasting ter plaatse van het plangebied bedraagt ongeveer 2,7 ouE/m3. Dit komt overeen met een ‘zeer goed’ woon- en verblijfsklimaat. De achtergrondbelasting vormt geen belemmering voor het plan. Conclusie Op de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan wordt de 50 meter contour van de naastgelegen veehouderij opgenomen. Hierbinnen is het niet mogelijk geurgevoelige objecten te realiseren. De veehouderij wordt daardoor niet in haar belangen geschaad. Daarnaast is er sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het aspect geur vormt derhalve geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

4.10 Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er op treden en of dit een effect heeft op de verkeersbewegingen en de parkeerbehoefte. De effecten op het aantal verkeersbewegingen wordt bepaald met de CROW-publicatie 317. De effecten op de parkeerbehoefte wordt bepaald met de Parkeernormennota gemeente Bernheze (2015). Deze nota is bedoeld om een inzicht te geven in de parkeercapaciteit die benodigd is voor de diverse functies. Doorwerking plangebied Verkeer In de huidige situatie is sprake van in totaal 1.766 m 2 aan loodsen. Voor dergelijke panden en activiteiten (met name opslag) zijn er slechts sporadisch personen aanwezig. Deze bedrijfsactiviteiten kunnen geschaard worden onder de functie ‘bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)’ met een gemiddelde verkeersgeneratie van 4,8 per 100 m2 bvo. De verkeersgeneratie van de huidige functies bedraagt 84,8 motorvoertuigen per etmaal. In de nieuwe situatie is sprake van zowel opslagactiviteiten als van algemene kleinschalige bedrijfsactiviteiten.

De bedrijfsactiviteiten van opslag 571 m2 vallen volgens de CROW-publicatie onder de functie ‘bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)’ met een gemiddelde verkeersgeneratie van 4,8 per 100 m 2 bvo. In dit geval wordt gerekend met de minimale norm omdat het om units voor statische opslag betreft. De verkeersgeneratie van deze functie is daarmee 27,4 motorvoertuigen per etmaal. Voor de algemene bedrijfsactiviteiten geldt dat deze (worst case) als bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief gebruikt kunnen worden. Uitgaande van 830 m2 bvo (industrie, laboratorium, werkplaats) geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 10 per 100 m2 bvo. De verkeersgeneratie van deze functie is daarmee 83 motorvoertuigen per etmaal.

Hoofdstuk 4

33

In de nieuwe situatie zal de totale verkeersgeneratie 110,4 mvt/etmaal bedragen. Per saldo zal het verkeer van en naar de locatie met circa 26 mvt/etmaal toenemen. Parkeren In de Parkeernormennota van gemeente Bernheze valt voor de toekomstige functie van opslag van het plangebied onder ‘loods, opslag, transportbedrijf’ met een parkeernorm van 0,9 parkeerplaats per 100 m2 bvo. Dit betekent dat voor de opslagunits een parkeerbehoefte is van 5,1 parkeerplaatsen. Voor de overige units geldt op basis van de nota een parkeernorm van 2,5 parkeerplaats per 100 m 2 bvo. Dit betekent dat voor de overige units een parkeerbehoefte geldt van 20,8 parkeerplaatsen. De totale parkeerbehoefte bedraagt daarmee (afgerond) 26 parkeerplaatsen. In de inpassing van het gebied is dit meegenomen, zie hiervoor ook figuur 2.2.

4.11 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Een nieuw initiatief is niet relevant als aannemelijk kan worden gemaakt dat de luchtkwaliteit “niet in betekenende mate” aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Doorwerking plangebied De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling valt niet onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen. Om deze reden is de NIBM-tool ingevuld om te bepalen of de

Figuur 4.7: Ingevulde NIBM-tool

Hoofdstuk 4

34

ontwikkeling niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, zie figuur 4.7. De onderhavige ontwikkeling is niet in betekende mate van invloed op de omgeving. Dat betekent, dat een luchtkwaliteitonderzoek niet noodzakelijk is. Daarnaast zijn er geen relevante bronnen in de omgeving van het plangebied aanwezig waardoor overschrijding van de grenswaarden in het plangebied niet aan de orde is. Voor wat betreft luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.

4.12 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn:  Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);  Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb);  Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10- 6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zij om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

Hoofdstuk 4

35

Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor- en rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.

Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Beleidsvisie externe veiligheid De gemeente Bernheze beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (2008). Hierin wordt invulling gegeven aan de gemeentelijke omgang met externe veiligheid. De beleidsvisie bevat geen gebiedstypering of uitgangspunten die gehanteerd kunnen worden voor de verantwoording van het groepsrisico. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', enz. Doorwerking plangebied Met behulp van de nationale risicokaart is gekeken, welke risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Een uitsnede van de risicokaart met het plangebied is weergegeven in figuur 4.7.

Uit de risicokaart blijkt, dat in de omgeving van het plangebied geen buisleidingen, vaarwegen, spoorlijnen, wegen of inrichtingen aanwezig zijn, waarvan een risicocontour over het plangebied is gelegen. Het aspect externe veiligheid zal derhalve niet zorgen voor een belemmering van de voorgestane planontwikkeling.

Figuur 4.7: Uitsnede Risicokaart met het plangebied blauw omlijnd.

Hoofdstuk 4

36

4.13 Kabels en leidingen Uit de klic-melding blijkt dat er in het plangebied verschillende kabels en leiding liggen. Deze kabels en leidingen vereisen geen beschermingszone die in dit bestemmingsplan geregeld moet worden. Derhalve vormen deze geen belemmering. Wanneer graaf- en bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd dient hier wel rekening mee te worden gehouden.

4.14 Gezondheid Met dit bestemmingsplan worden werk- en opslagplaatsen mogelijk gemaakt. Hierbij dient gekeken te worden naar mogelijke aspecten die van invloed kunnen zijn op de gezondheid van de toekomstige gebruikers. Doorwerking plangebied Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is in deze situatie. De uiteindelijke keuze is een afweging die de gemeente maakt. Dit onderdeel is relevant als bedrijven worden toegestaan waar personen aanwezig zijn, wat in een gedeelte van de beoogde bedrijfsbebouwing aan de orde is. Dit onderdeel wordt echter in paragraaf 4.9 van dit bestemmingsplan nader beschouwd. Hieruit blijkt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat en binnen een straal van 50 meter rond het bouwvlak van de naastgelegen veehouderij geen geurgevoelige functies worden gerealiseerd. Een advies van de GGD is niet noodzakelijk.

Varkens-en pluimveehouderijen Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Geitenhouderijen Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 kilometer van het plangebied liggen geen geitenhouderijen. Daarom is geen sprake van een verhoogd gevaar voor de volksgezondheid. Hoogspanningslijnen Op een afstand van ongeveer 2,5 kilometer ligt een hoogspanningslijn. Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering. Spuitzonesgewasbescherming Binnen 50 meter van het plangebied is geen (fruit)boomteelt aanwezig. Het plangebied ligt dan ook niet in de invloed van een spuitzone.

Hoofdstuk 4

37

5.

JURIDISCHE PLANOPZET

In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Toelichting op de verbeelding Bestemmingen Op de verbeelding is de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden’ en de dubbelbestemmingen, ‘Leiding – Riool’, ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’ opgenomen. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies) en de aan een gebied toegekende waarde. De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken. Aanduidingen Onderscheid wordt gemaakt in gebiedsaanduidingen, functieaanduidingen, bouwaanduidingen en maatvoeringsaanduidingen. Deze aanduidingen geven de feitelijk en juridisch te beschermen waarden weer. Deze aanduidingen met de toegekende waarden zijn met name van belang voor de toepassing van het stelsel van omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van werk, of van werkzaamheden, en de gebruiksverboden. Voor activiteiten die een aantasting betekenen van een waarde kan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, of van werkzaamheden worden verplicht gesteld. Ook kan voor dergelijke activiteiten een gebruiksverbod gelden.

Hoofdstuk 5

38

5.3 Toelichting op de bestemmingen Hieronder volgt een beknopte beschrijving van de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen de opgenomen bestemmingen ‘Agrarisch met waarden’. Hoofdstuk 1. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van bouwwerken te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hoofdstuk 2. Bestemmingen Agrarisch met waarden – Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden Deze gronden zijn bedoeld voor agrarisch grondgebruik met het behoud, bescherming en/of herstel van de aanwezige, landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische waarden met bijbehorende voorzieningen. Voor het toestaan van overige functies, zoals wonen en niet-agrarische bedrijvigheid, wordt in het bestemmingsplan gebruik gemaakt van aanduiding. Vandaar dat ter plaatse van Schoolstraat 38 een aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - bedrijfsverzamelgebouw' is opgenomen.

Ter plaatse van deze aanduiding mogen de gronden en bouwwerken ten behoeve van een bedrijfsverzamelgebouw gebruikt worden. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – bedrijfsverzamelgebouw’ is statische opslag toegestaan. De maximale oppervlakte, goot- en bouwhoogte van de bedrijfsgebouwen is opgenomen in de bouwregels en sluit aan bij de huidige oppervlakte en maximale hoogte. Bouwen is alleen toegestaan binnen het bouwvlak. De gronden die niet zijn aangeduid als ‘specifieke vorm van bedrijf - bedrijfsverzamelgebouw' zijn grotendeels opgenomen in het landschappelijke inrichtingsplan. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarin is bepaald dat binnen twee jaar na aanvang van het gebruik van de gronden ten behoeve van een bedrijfsverzamelgebouw, de landschappelijke inpassing aangelegd moet zijn conform het inrichtingsplan. Daarnaast is een geurzone op de verbeelding opgenomen. Binnen deze zone mogen geen geurgevoelige objecten worden opgericht. Waarde – Archeologie en Leiding – Riool De bestemmingen Waarde –Archeologie en Leiding – Riool zijn gericht op, respectievelijk, de bescherming van archeologische waarde en de rioolleiding. Vandaar dat beperkende bouwmaatregelen en een omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van bepaalde werken- en werkzaamheden is opgenomen. Hoofdstuk 3.

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze regel is verplicht overgenomen uit het Bro (art. 3.2.4.) en is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Hoofdstuk 5

39

Algemene aanduidingsregels De bepalingen bij de algemene aanduidingsregels hebben betrekking op zones waarvoor specifieke regels gelden, zoals een zone ‘groenblauwe mantel’ en de ‘milieuzone – geurzone’. Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan een omgevingsvergunning tot afwijken kan worden verleend. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om af te wijken van de regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Ook is een regeling opgenomen voor zend- en ontvangen/of sirenemasten. Algemene wijzigingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarbij een wijzigingsbevoegdheid kan worden toegepast. Overige regels Bij de overige regels wordt aangegeven dat de wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van de inwerkingtreding van het plan. Ook is hier bepaald dat waar een enkelbestemming samenvalt met een dubbelbestemming, primair het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming geldt. Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht De overgangsregeling is overgenomen uit het Bro (art. 3.2.1 en 3.2.2). Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels.

De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Slotregel Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 5

40

6.

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

6.1 Kostenverhaal Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkeling is dat deze voor de gemeente budgetneutraal worden ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met artikel 6.12 lid 4 Wro is de gemeenteraad van Bernheze verplicht om de kosten te verhalen en een exploitatieplan vast te stellen gelijktijdig met het besluit (het bestemmingsplan) waarop het exploitatieplan betrekking heeft. Niet in alle gevallen is de gemeenteraad verplicht een exploitatieplan vast te stellen. Op grond van artikel 6.12 lid 2 kan de gemeenteraad van de gemeente Bernheze besluiten geen exploitatieplan vast te stellen als aan de cumulatieve bepalingen van artikel 6.12, lid 2 sub a, b en c is voldaan. Met onderhavig bestemmingsplan wordt geen bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. De kosten die de gemeente Bernheze maakt blijven beperkt tot de kosten van de ruimtelijke procedure. Deze kosten worden verhaald op basis van de legesverordening. Er wordt geen anterieure overeenkomst gesloten.

6.2 Financiële haalbaarheid De ontwikkelaar beschikt over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkeling te kunnen realiseren. De planologische ontwikkeling leidt tot een waardevermeerdering van de grond. De kosten die initiatiefnemer maakt zijn een investering ten einde de waardevermeerdering te kunnen realiseren. Wanneer de kosten en opbrengsten naast elkaar worden gelegd is er sprake van een positief saldo. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

Hoofdstuk 6

41

7.

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan opgestart.

7.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan plan worden geïnformeerd. De reacties van deze instanties worden in dit plan verwerkt.

7.2 Procedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode kan een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Zienswijze Het ontwerpbestemmingsplan heeft vervolgens van 18 februari 2021 tot en met 1 april 2021 ter inzage gelegen. In deze periode zijn in totaal vier zienswijzen ingediend. In de bijlage is de Nota van zienswijzen opgenomen. Wijzigingen naar aanleiding van de zienswijzen zijn eveneens in de nota opgenomen. Voor een overzicht van de zienswijzen en de beantwoording daarvan wordt verwezen naar de bijlagen.

7.3 Beroep Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

Hoofdstuk 7

42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=d0e916c8-2f98-4f51-b696-527db0b0c47c