CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bijlage 9 - Ecologisch onderzoek

Raadsvergadering 7 oktober 2021, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Herontwikkeling 't Dorp 116, 118 en 122 te Heesch' *2.408 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ecologisch onderzoek aan ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch ‘traject Heesch Holding bv

Opdrachtgever:

Opsteller: Datum: Kenmerk:

‘traject Heesch Holding bv t.a.v. dhr. P. broeksteeg ’t Dorp 122 5384 MD Heesch

Ecologisch adviesbureau Eceau Ing. T.J.P. den Otter 6 maart 2020 TRA-1QS200121 (2/2)

Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van de Wet natuurbescherming. Desondanks accepteert Ecologisch adviesbureau Eceau op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke ondernemingen die de opdrachtgever naar aanleiding van onderhavige rapportage uitvoert. Onderhavige rapportage of delen daarvan mogen niet zonder toestemming van zowel de opdrachtgever en Ecologisch adviesbureau Eceau gebruikt worden door derden of verspreid worden naar derden. Openbaarmaking, kopiëring en elke andere toepassing inbegrepen, het mag enkel gebruikt worden door de opdrachtgever voor wie het is ontwikkeld.

1. Inleiding en planlocatie De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de percelen aan ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch. Op de percelen aan ’t Dorp 116 en 118 zijn een tankstation en woning aanwezig. De ingreep heeft op het perceel aan ’t Dorp 122 enkel betrekking op het noordelijke deel, waar thans siertuin en een bijgebouw gesitueerd zijn. De initiatiefnemer is voornemens de gehele planlocatie te saneren ten behoeve van de realisatie van een appartementencomplex met circa 23 woningen. Tevens wordt een verbinding met het noordelijk gelegen park gerealiseerd. Het bestemmingsplan zal gewijzigd opgesteld worden ten behoeve van de ingreep. In figuur 1 is een globaal overzicht van de ligging van de locatie weergegeven. In totaal staan er 4 gebouwen binnen de grenzen van het plangebied. Het te saneren gebouw op het perceel aan ’t Dorp 122 is opgetrokken uit gemetselde muren en een pannendak, waarvan de spouw is geïsoleerd en het dak is afgewerkt met vogelschroot. De twee opstallen ten noorden van het tankstation hebben enkellaagse golfplaten daken. De westelijke opstal is opgetrokken uit steense muren en de oostelijke opstal uit hout. Het tankstation bestaat uit een aanbouw bij de woning aan ’t Dorp 116 en 118. Aan de noordzijde is tevens een uitbouw gedaan ten behoeve van een autowasserette. Het pand bestaat met name uit gemetselde muren met een spouw.

Het woonhuisgedeelte is voorzien van een pannendak, de overige delen met een plat bitumen dak. De directe omgeving wordt gekenmerkt door stedelijk gebied met woonwijken, winkels, infrastructuur en openbaar groen.

Figuur 1

Schematische weergave van de huidige situatie, de rode markering weergeeft de planlocatie (kaart: PDOK)

2. Doel en vraagstelling Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling kunnen alle eventueel aanwezige ecologische functies ter plaatse van de ontwikkeling vernietigd of ernstig verstoord worden, tevens zal er sprake zijn van (tijdelijke) verstoring van de directe omgeving. Flora en fauna die gebruik maken van het leefgebied op of nabij de ontwikkeling zullen negatieve effecten ervaren. In het kader van de beoogde ontwikkeling zullen middels het onderzoek onderstaande vragen beantwoord worden: Welke beschermde flora en fauna van de Wet natuurbescherming zijn (potentieel) aanwezig binnen de grenzen van het ontwikkelgebied? Is de voorgenomen ontwikkeling op basis van de gevonden resultaten in strijd met de Wet natuurbescherming en welke effecten worden verwacht? Dienen eventuele vervolgstappen genomen te worden alvorens de aanvang van de uitvoering om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen?

1

3. Methode Middels voorliggend onderzoek is de potentie voor beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Daarnaast is onderzocht of de beoogde ontwikkeling potentieel een negatief effect heeft op houtopstanden en nabijgelegen beschermde gebieden. Het onderzoek is op te delen in enkele stappen: oriëntatie locatiebezoek bureau-onderzoek rapportage

3.1.

Oriëntatie en locatiebezoek

Bij de oriëntatie van het onderzoek wordt een eerste indruk verkregen van de locatie middels spreidingsdata van soorten, luchtfoto’s, kaarten en aangeleverde data vanuit de opdrachtgever. Gedurende het locatiebezoek wordt het ontwikkelgebied op potentiële verblijfslocaties en functionele onderdelen van leefgebieden gecontroleerd. Tevens wordt een momentopname gedaan van de thans aanwezige beschermde soorten, functies en locatiekenmerken. Buiten de individuen om wordt voornamelijk gelet op sporen of restanten van flora en fauna. Voorbeelden hiervan zijn veren, braakballen, prooiresten, geursporen, holen en uitwerpselen. Het locatiebezoek is uitgevoerd op 23 januari 2020. Ten tijde van het veldbezoek ware de weersomstandigheden als volgt: 4℃, 1-2 bft, 8/8 bewolking en geen neerslag.

3.2.

Bureau-onderzoek en rapportage

Nadat de locatie bezocht is wordt door middel van het raadplegen van naslagwerken, informatiebronnen, kaartdatabases en andere (externe) hulpmiddelen een beoordeling gemaakt van de potentie van het plangebied voor beschermde soorten, nabijgelegen gebieden en overige beschermde onderdelen vanuit de Wet natuurbescherming. Bij het uitwerken van de rapportage worden de vergaarde data bij de oriëntatie, de aangetroffen zaken tijdens het veldbezoek en de informatie uit het bureau-onderzoek vervolgens samen getoetst. Daaruit volgend wordt duidelijk of bij de uitvoering van de werkzaamheden sprake is van overtreding van de Wet natuurbescherming, indien er geen vervolgstappen worden genomen. Op basis van deze toetsing worden aanbevelingen gedaan voor een eventueel vervolgtraject, maatregelen ter voorkoming van overtreding of een combinatie van beide.

2

4. Bevindingen In onderhavige paragraaf wordt besproken welke beschermde soorten in de omgeving van de onderzoeklocatie voorkomen en wordt er dieper ingegaan op het leefgebied en belangrijke en functionele onderdelen daarvan. De daadwerkelijk aangetroffen habitatonderdelen worden vergeleken met bovenstaande om te bepalen of er sprake is van (negatieve) effecten. Aan de hand van de te verwachten effecten wordt bekeken of er vervolgstappen benodigd zijn ten behoeve van de betreffende soorten.

4.1.

Algemeen

De voorgenomen ingreep betreft het saneren van een tankstation, de bijbehorende bebouwing en woning, het saneren van het noordelijke deel van het westelijk belendend perceel en het realiseren van een appartementencomplex. Er is geen sprake van oppervlaktewateren of natuurlijke omstandigheden. De planlocatie is onderhevig aan een hoge mate van verstoring door een continue stroom aan verkeer en menselijke activiteit. Effecten op beschermde soorten van de soortgroepen vaatplanten, grondgebonden zoogdieren, vlinders, libellen, overige ongewervelde, amfibieën, reptielen en vissen kunnen op voorhand worden uitgesloten. Dit geldt echter niet voor vleermuizen en vogels. Binnen deze soortgroepen dienen enkel de vleermuizen van stedelijke gebieden, huismus en gierzwaluw nader besproken te worden. Behoudens algemene vogels en vrijgestelde soorten komen deze twee groepen voornamelijk voor in natuurlijkere omstandigheden, nabij water, in bosgebieden en/of andere habitattypen die niet aanwezig zijn binnen (dicht)bebouwd gebied. Voorbeelden hiervan zijn bever, steenmarter, kleine marterachtigen, noordse woelmuis, grote gele kwikstaart, ooievaar, havik en diverse anderen.

4.2.

Specifieke soorten

Een aantal vleermuissoorten komen voornamelijk voor binnen stedelijk gebied. Dit betreft onder andere de ruige en gewone dwergvleermuis, laatvlieger, grootoorvleermuis en tweekleurige vleermuis. Waarvan de gewone dwergvleermuis en laatvlieger het meest algemeen zijn. De tweekleurige vleermuis verblijft op grotere hoogte. Naast bebouwing maken vleermuizen ook gebruik van holtes in bomen, zoals spechtenholen, holtes die ontstaan zijn door rotting of loshangende bast met voldoende dekking. Gelet op de diameter en grootte van de bomen op de locatie alsmede het ontbreken van holtes kunnen effecten op vleermuisverblijven in bomen uitgesloten worden. De bebouwing is gecontroleerd op openingen die potentieel toegang bieden tot geschikte verblijfslocaties. In het bijgebouw aan ’t Dorp 122 is vogelschroot aanwezig en de spouw is geïsoleerd. De twee opstallen hebben een zeer open karakter waarbij de golfplaten daken slechts uit een enkele laag bestaan, tevens is er geen open ruimte in de muren en wanden aanwezig. De open stootvoegen van woning aan ’t Dorp 116 en 118 zijn op enkele tientallen centimeters van de grond aanwezig en derhalve niet geschikt als invliegopening. Bij de woningen alsmede de aanbouwen sluiten de aluminium daklijsten bij de platte daken en de overstekken bij het pannendak nauw aan op de gevels waardoor er geen gleuven of openingen aanwezig zijn.

Verder zijn de kant- en nokpannen van het pannendak opgevuld en zijn de loodslabben sluitend. Voor vleermuizen zijn geen potentiële verblijfslocaties aanwezig binnen de grenzen van het plangebied. De locatie is voor een groot deel in gebruik als tankstation en is goed verlicht. De aanwezigheid van functioneel leefgebied of essentiële migratieroutes kan dan ook uitgesloten worden. Tevens worden geen negatieve effecten door de toepassing van bouwverlichting verwacht op opportunistisch passerende of foeragerende individuen ten tijde van de werkzaamheden, aangezien de locatie thans goed verlicht is. Effecten op vleermuizen worden niet verwacht. Binnen stedelijk gebied waar sprake is van vele particuliere tuinen is het habitat van de huismus rijkelijk aanwezig. Indien geschikte openingen aanwezig zijn voor de soort is de kans dan ook dat deze in gebruik genomen worden. De huismus broedt, net als de gierzwaluw, voornamelijk in bebouwing. Beide soorten maken met name gebruik van kleine openingen en pannendaken en gevels. Gezien de afwezigheid van openingen en gleuven in de gevels en overstekken, alsmede de opvulling van de kant- en nokpannen en hoekkepers zijn er geen nestmogelijkheden aanwezig op

3

deze plaatsen. Tevens zijn bij de onderste laag dakpannen geen openingen aanwezig, over de gehele breedte is een lat bevestigd die de vorm van de pannen volgt en afdicht. Bovendien gezien de aanvliegroute die gierzwaluwen nodig hebben om een nestlocatie te benaderen is het redelijkerwijs uit te sluiten dat gierzwaluwen op de locatie broeden. De soort benadert potentiële nestlocaties namelijk van onderaf en laat zich bij vertrek enkele meters vallen alvorens weg te vliegen. Voor zowel de gierzwaluw als de huismus zijn geen potentieel geschikte nestlocaties aangetroffen.

4.3.

Overige soorten

Alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op Europees grondgebied zijn beschermd middels de Vogelrichtlijn. Hierin is opgenomen dat het verboden is opzettelijk individuen te doden of te vangen, hun nesten of eieren vernielen, beschadigen of weg te nemen en om de vogels dermate (opzettelijk) te verstoren dat een broedsel mislukt. Dit laatste is voornamelijk van toepassing binnen de broedperiode (medio maart t/m medio juli) en geldt ook voor zeer algemene soorten zoals turse tortel, kauw en merel. In het kader van de Algemene Zorgplicht en de verbodsbepalingen van de Vogelrichtlijn binnen het broedseizoen wordt geadviseerd de werkzaamheden buiten deze periode aan te vangen óf alvorens de broedperiode de planlocatie ongeschikt te maken als nestlocatie. Indien de werkzaamheden aanvangen binnen het broedseizoen dient de locatie door een deskundige onderzocht te worden op de aanwezigheid van nestlocaties en eventuele adviezen van de deskundige opgevolgd te worden. Er zijn geen bij de Wet natuurbescherming beschermde vaatplanten aangetroffen op de planlocatie. De tuin op het perceel aan ’t Dorp 122 is goed onderhouden en het terrein aan ’t Dorp 116/118 is volledig verhard. Beschermde vaatplanten worden niet verwacht. Overige te verwachten dieren zijn vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen middels de vrijstellingsverordening van de provincie Noord-Brabant.

Onder andere de volgende soorten vallen onder deze vrijstelling: bruine rat, kleine watersalamander en bruine pad.

4.4.

Houtopstanden en gebiedsbescherming

In het kader van de ontwikkeling worden enkel bomen gekapt binnen de bebouwde kom en op particuliere terreinen. Dergelijke bomen vallen niet onder het beschermingsregime Houtopstanden van de Wet natuurbescherming. De ingreep is dermate beperkt dat een effect op dichtstbijzijnde kwetsbare Natura 2000-gebieden (meer dan 10,0km) en het Natuurnetwerk Nederland per definitie uitgesloten is. Bovendien zal de nieuwe bebouwing ter vervanging van een tankstation gerealiseerd worden, waardoor de aantallen verkeersbewegingen op de locatie aanzienlijk verminderen.

4

5. Conclusies Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling aan ’t Dorp 116, 118 en 122 te Heesch is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Het saneren van het noordelijke deel van ’t Dorp 122 en het gehele perceel aan ’t Dorp 116/118 en alle bijbehorende werkzaamheden leiden, behoudens algemene broedvogels, niet tot aantasting van functionele leefomgevingen, vaste rust- en/of verblijflocaties, natuurgebieden of andere krachtens de Wet natuurbescherming beschermde zaken. Ten aanzien van vrijgestelde soorten is enkel de Algemene Zorgplicht van toepassing Vleermuizen passeren aannemelijk de locatie en foerageren er opportunistisch.

Door de huidige inrichting met veel verlichting is het aannemelijk dat ten tijde van de werkzaamheden weinig tot geen verstoring door bouwverlichting op zal treden Ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en/of leefgebieden zijn geen verdere maatregelen of vervolgstappen benodigd Ten aanzien van algemene vogels kunnen broedsels en nesten verstoord worden gedurende het broedseizoen Voor vlinders, libellen, ongewervelde, reptielen en vissen met een beschermde status krachtens de Wet natuurbescherming is geen geschikt leefgebied aanwezig Standplaatsen en geschikte omstandigheden ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn niet aanwezig Houtopstanden binnen de bebouwde kom en op particuliere terreinen vallen niet onder bescherming van de Wet natuurbescherming Gelet op de afstand tot beschermde gebieden en de aard van de ruimtelijke ontwikkeling worden geen (negatieve) effecten verwacht

6. Vervolgstappen Er zijn geen aanleidingen aangetroffen die het noodzakelijk maken dat vervolgstappen of aanvullend onderzoek uitgevoerd moet worden. Voor een aantal soorten is het voldoende als er tijdens de uitvoering rekening wordt gehouden met de eventuele aanwezigheid.

6.1.

Nader onderzoek

Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek is geen aanvullend onderzoek benodigd

6.2.

Maatregelen bij de uitvoering

In verband met de potentie voor algemene vogelsoorten zoals duiven en kleine zangvogels werken buiten het broedseizoen, 15 maart t/m 15 juli. Indien de werkzaamheden opgestart en uitgevoerd worden binnen het broedseizoen dient de locatie ongeschikt gemaakt te worden alvorens de aanvang van het broedseizoen. Indien nodig kan ook binnen het broedseizoen gewerkt worden door van tevoren de planlocatie te laten controleren op de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten In het kader van de Algemene Zorgplicht dient voorzichtig gehandeld te worden met alle aanwezige flora en fauna

5

Bronnen BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Juli 2017, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Juli 2017, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Juli 2017, Utrecht. Websites, geraadpleegd 2019: kaartbank.brabant.nl natura2000.eea.europa.eu pas.natura2000.nl wetten.overheid.nl www.floravannederland.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.rvo.nl www.sovon.nl www.telmee.nl www.vleermuis.net www.vogelbescherming.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl

6

Bijlage 1

Foto’s planlocatie

De initiatiefnemer is voornemens het tankstation en de tuin van naastgelegen perceel te saneren ten behoeve van een appartementencomplex

De binnenzijde van de opstallen ten noorden van het tankstation zijn afgewerkt met een enkellaags dak en enkellaagse wanden/muren

7

De overstekken van de bebouwing op de locatie sluiten naadloos aan op de gevels

Het bijgebouw op het perceel aan ’t Dorp 122 is volledig voorzien van vogelschroot en de spouw is geïsoleerd. De tuin wordt onderhouden met een hoog kwaliteitsbeeld

8

Onder de onderste laag dakpannen bij de woning aan ’t Dorp 116/118 is een lat bevestigd.

9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=2ad04f5b-ef4f-4439-ba14-9f746959c074