Toelichting bestemmingsplan 'Liniedijk en Hazelbergsestraat 2b'
Tekst van het document
Pagina 34 van 51
Toetsing Uit de Atlas voor de leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) blijkt dat in 2019 in de omgeving de concentratie fijnstof (PM10) tussen 19 en 21 µg/m³ bedraagt, en de concentratie stikstofdioxide (NO2) tussen 16 en 25 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 40 µg/m³. De waarden ter plaatse liggen ver onder de grenswaarde van 40 µg/m3 . De functieverandering van veehouderij naar een bedrijfsfunctie is daarmee in het kader van de Wet luchtkwaliteit geen probleem. Met de beoogde omschakeling neemt de fijnstofemissie vanuit beide locaties aanzienlijk af. Het initiatief draagt niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Figuur 4.3: Grootschalige Concentratiekaart fijn stof 2019 (Atlas leefomgeving)
Figuur 4.4: Grootschalige Concentratiekaart NO2 2019 (Atlas leefomgeving) Pagina 35 van 51
Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat zowel vanuit de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het onderhavige initiatief.
4.5
Externe veiligheid
Algemeen In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient zorg voor gedragen te worden dat er een scheiding in acht genomen wordt tussen gevoelige objecten (zoals woningen) en risico veroorzakende bedrijven en/of transportassen. Externe veiligheid gaat om het beperken van de kans op en het effect van een ernstig ongeval voor de omgeving door: • het gebruik, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); • het transport van gevaarlijke stoffen (buisleidingen, waterwegen en spoorwegen); • het gebruik van luchthavens. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beperken van de risico’s voor de burger door dergelijke activiteiten. Hiertoe zijn risico’s gekwantificeerd, namelijk door middel van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Toetsing Volgens de Risicokaart van de provincie bevinden zich in de omgeving van beide locaties geen objecten of terreinen met een extern veiligheidsrisico die belemmering vormen voor de beoogde opzet. In de omgeving van de locatie zijn evenmin inrichtingen die vallen onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) of gevaarlijke transporten. Het plangebied valt niet binnen de plaatsgebonden risico contour van gevaarlijke installaties of inrichtingen en in het plan worden geen nieuwe risicobronnen mogelijk gemaakt.
De dichtstbijzijnde installatie in de directe omgeving is een biogasopslag bij de inrichting op het adres Nieuwe Steeg 2 te Heeswijk-Dinther. Deze bevindt zich op meer dan 350 meter van beide locaties. Ook deze installatie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Verder is er de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Deze heeft een plaatsgebonden risico contour die binnen de eigen inrichting blijf. Het plan leidt niet tot de realisering van nieuwe risicobronnen die gevaar opleveren of de veiligheid van de omgeving aantasten. Ook is er geen sprake van nieuwe risicogevoelige objecten zoals woningen. Evenmin is er sprake van een verandering van het groepsrisico. De feitelijke situatie van de bedrijfswoningen blijft namelijk ongewijzigd. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat beide locaties niet binnen de plaatsgebonden risicocontour en/of het invloedsgebied van het groepsrisico van een risicovolle activiteit is gelegen. Een verdere uitwerking van de veiligheidsparagraaf is dan ook niet noodzakelijk. Pagina 36 van 51
Figuur 4.5: Uitsnede Risicokaart [risicokaart.nl]
4.6
Bodem
Algemeen Bij functiewijzigingen is in de planologische procedure van belang dat de beoogde functiewijziging plaats kan vinden op een locatie waar de milieuhygiënische bodemgesteldheid dit toelaat. De Wet bodembescherming en de Bouwverordening staan niet toe dat er gebouwd wordt op verontreinigde grond. Toetsing In de omgeving van het plangebied zijn geen bodem- of grondwaterbeschermingsgebieden aanwezig. Er hebben zich geen calamiteiten of activiteiten voorgedaan waardoor de bodem mogelijk verontreinigd is. De locatie kan derhalve als onverdacht aangemerkt worden. Het plan voorziet niet in de oprichting van nieuwe milieugevoelige objecten. Er worden geen belemmeringen verwacht ten aanzien van het milieuhygiënische bodemgebruik en het beoogde gebruik ter plaatse. Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor het onderhavige initiatief.
Pagina 37 van 51
4.7
Bedrijven en milieuzonering
Algemeen In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het wenselijk dat er tussen verschillende functies en bestemmingen voldoende afstand wordt gerealiseerd. Dit om te waarborgen dat er tussen bedrijven en woningen geen onnodige hinder wordt veroorzaakt. In de ruimtelijke ordening wordt de VNG brochure Bedrijven en milieuzonering, gehanteerd als referentie voor de afstand die tussen de verschillende functies en activiteiten in acht dient te worden genomen. In de VNG brochure worden hiervoor indicatieve richtafstanden gegeven. Toetsing Het plangebied is gelegen in het omgevingstype “gemengde omgeving“, waarmee de richtafstanden met 1 afstandsstap verkleind kan worden. Voor de functieverandering van beide locaties moet worden beoordeeld of dit inpasbaar is binnen een aanvaardbaar woonklimaat voor de bestaande woningen in de omgeving. Aan de Liniedijk 5 vestigt zich een reparatie en herstelbedrijf van bouwmaterialen, in combinatie met caravanstalling. Het bedrijf laat zich het best vergelijken met een algemeen bouwbedrijf, waarbij sprake is van opslag van bouwmateriaal en montage- en herstelwerkzaamheden. Op basis van de VNG brochure wordt een dergelijk bedrijf (met een bedrijfsoppervlak < 2.000 m2) aangemerkt als een categorie 3.1 bedrijf.
De richtafstanden voor een dergelijk bedrijf bedragen 10, 30 , 50 en 10 meter in verband met respectievelijk geur, stof, geluid en gevaar. In de omgeving van de locatie bevindt zich op 200 meter de meest nabij gelegen woningen aan de Hoge Broekstraat. Voor deze woningen vormt de ontwikkeling derhalve geen belemmering. Aan de Hazelbergsestraat 2b vestigt zich een groothandel in en een op- en overslag van akkerbouwproducten en veevoeders. Een dergelijk bedrijf wordt op basis van de VNG brochure aangemerkt als een categorie 3.1 bedrijf. Der richtafstanden bedragen hier 30, 30, 50 en 30 meter voor respectievelijk geur, stof, geluid en gevaar. De meest nabij gelegen woning (Hazelbergsestraat 4) in het buitengebied ligt op een afstand van ten minste 350 meter van de locatie. De overige aspecten (stof, geluid en gevaar) zijn niet relevant, vanwege deze afstanden tot woningen in zowel bebouwde kom als buitengebied. Conclusie Milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.8
Waterhuishouding
Beleid Met betrekking tot de waterhuishouding zijn diverse beleidsstukken relevant. Genoemd kunnen worden: Waterbeheersplan Waterschap Aa en Maas, Nationaal Bestuursakkoord Water, de Europese Kaderrichtlijn Water, Waterbeleid in de 21e eeuw WB21, Beleidsbrief regenwater en riolering. Centraal in het waterbeleid is dat water een belangrijk sturend element is in de Pagina 38 van 51
ruimtelijke ordening. De waterhuishouding legt daarmee een ruimteclaim waaraan voldaan moet worden. Daarbij zijn de volgende strategieën leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Sinds 1 november 2003 is de zogenaamde Watertoets verplicht. Dat wil zeggen dat in elk ruimtelijk plan gemotiveerd moet worden aangegeven hoe met het water in het gebied wordt omgegaan en wat de ruimtelijke veranderingen voor de waterhuishouding betekenen. Ook is het overleg met de waterbeheerder onderdeel van deze watertoets. Het advies van de waterbeheerder wordt als afzonderlijk schrijven bijgevoegd. Het plangebied valt onder het beheersgebied van het Waterschap Aa en Maas. Het beleid van het waterschap is gericht op duurzaam omgaan met water. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het waterschap de volgende acht beleidsuitgangspunten om te komen tot het duurzaam omgaan met water: • scheiding van vuil water en schoon hemelwater; • doorlopen van afwegingsstappen ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’; • hydrologisch neutraal ontwikkelen; • water als kans; • meervoudig ruimtegebruik; • voorkomen vervuiling; • wateroverlastvrij bestemmen; • waterschapsbelangen. Tevens dienen voor alle waterhuishoudkundige werken waarvoor op grond van de Keur ontheffing noodzakelijk is, dit aangevraagd te worden bij het waterschap.
Waterhuishoudkundige situatie De planlocaties zijn gelegen in bodemtype pZg21 (beekeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand met grondwatertrap III. De gemiddeld hoogste grondwaterstand GHG bedraagt 2540 cm -mv. Rond de planlocatie is een stelsel van kavel- en bermsloten aanwezig. Bij de locatie Hazelbergsetraat 2b ligt op de zuidelijke perceelsgrens een primaire watergang. Deze watert af naar de Aa. Bescherming van deze waterlopen wordt via de Legger en Keur van het Waterschap geregeld. De beschermingszone ligt deels over de gronden van de planlocatie.
Pagina 39 van 51
Figuur 4.6: Leggerwatergang [Waterschap Aa en Maas]
Beoogde ruimtelijke ontwikkeling Het voorliggende plan ziet op de sanering van twee veehouderijen. Hierbij wordt aan de Liniedijk 5 circa 7.200 m2 stal gesloopt en aan de Hazelbergsestraat circa 5.400 m2. In de nieuwe situatie wordt aan de Liniedijk 5 een bedrijfsgebouw terug gebouwd van circa 1.400 m2 en aan de Hazelbergsestraat een bedrijfsgebouw van circa 1.800 m2. Per saldo is er derhalve een afname van circa 9.400 m2 aan verhard oppervlak op beide locaties. Bij beide locaties wordt een zonnepark opgericht van 2 en 3 hectare. Deze komen op momenteel grotendeels onverharde grond. Het water dat op de zonnepanelen valt watert echter direct af op de onderliggende onbebouwde gronden. Uitwerking uitgangspunten watertoets Scheiding van vuil water en schoon hemelwater Beide planlocaties zijn aangesloten op het drukrioleringstelsel. Hierop wordt het huishoudelijke afvalwater geloosd. Het schone hemelwater wordt afgekoppeld, dit mag niet geloosd worden op het rioleringstelsel. Daarmee wordt het vuile water en het schone hemelwater gescheiden. Afweging hergebruik-infiltratie-berging-afvoer Het hemelwater is afgekoppeld en spoelt af naar de aangrenzende eigen agrarische gronden. Het hemelwater wordt op die manier opgevangen, geïnfiltreerd en niet rechtstreeks geloosd op het watersysteem.
Hiermee wordt bijgedragen aan het duurzaam omgaan met water, passend binnen de beleidsuitgangspunten van het Waterschap. Pagina 40 van 51
Hydrologisch neutraal ontwikkelen Het waterschap heeft per 1 maart 2015 in de Keur, een nieuwe normering voor het gehele beheersgebied van het waterschap, die gehanteerd wordt voor alle watertoetsplichtige plannen. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt in dat de oppervlaktewaterstand en – stroming gelijk blijft, de grondwaterstand en –stroming gelijk blijft en er geen onaanvaardbare wateroverlast plaatsvindt. De Keur bevat een verbod op versnelde afstroming naar het oppervlaktewatersysteem als gevolg van een toename van het verhard oppervlak. Hierin wordt een onderscheid gemaakt in ontwikkelingen met minder dan 500 m2 toename verhard oppervlak, ontwikkelingen met een verhardingstoename tussen 500 m2 – 10.000 m2 en ontwikkelingen met een verhardingstoename van 10.000 m2 of meer. Verhardingstoename <500 m2 In de Keur zijn plannen met een toename van verhard oppervlak kleiner dan 500 m2 vrijgesteld van een compensatieverplichting. Verhardingstoename 500 m2 – 10.000 m2 Bij ontwikkelingen van 500 m2 of meer geldt er een compensatieverplichting. Als de verhardingstoename tussen de 500 m2 en 10.000 m2 ligt dan kan de minimale compensatie berekend worden volgens de rekenregel: benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m). De gevoeligheidsfactor is een waarde die aangeeft wat de infiltratiecapaciteit is van een bepaald gebied.
De gevoeligheidsfactor wordt uitgerekend via een bepaalde formule en kent drie waarden: 1, 1/2 en 1/4. Verhardingstoename > 10.000 m2 Is de verhardingstoename meer dan 10.000 m2 dan dient er een watervergunning aangevraagd te worden. Bij een aanvraag die betrekking heeft op een toename van het verhard oppervlak hoort een waterhuishoudkundig plan. Hiervoor zijn enkele richtlijnen opgesteld.Het waterschap heeft per 1 maart 2015 in de Keur, een nieuwe normering voor het gehele beheersgebied van het waterschap, die gehanteerd wordt voor alle watertoetsplichtige plannen. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt in dat de oppervlaktewaterstand en – stroming gelijk blijft, de grondwaterstand en –stroming gelijk blijft en er geen onaanvaardbare wateroverlast plaatsvindt. Met de sloop van ruim 12.000 m2 stallen is sprake van een hydrologisch positieve ontwikkeling. Er worden derhalve geen eisen aan retentie gesteld. Water als kans/meervoudig ruimtegebruik Niet aan de orde. Voorkomen van vervuiling Verder is van belang dat bij de uiteindelijke uitvoering van de bouwplannen aandacht besteed zal worden aan het materiaalgebruik. Dit ter bescherming van de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem. Daarom zal zoveel mogelijk gebruik gemaakt worden van bouwmaterialen die niet uitlogen of uitspoelen. Pagina 41 van 51
Wateroverlastvrij bestemmen Gezien de situering van het perceel en de grondwaterstanden valt het plangebied niet in een mogelijk overstromingsgebied. Wateroverlast is dan ook niet aannemelijk. Waterschapsbelangen Het plangebied aan de Hazelbergsestraat 2b valt deels binnen de beschermingszone van de primaire watergang aan de zuidzijde. Met een dubbelbestemming wordt deze beschermingszone vastgelegd in het bestemmingsplan. Verder is van belang de aanwezigheid van de waterzuiveringsinstallatie van het Waterschap aan de Hazelbergsestraat. Deze installatie heeft een tweetal milieuzones die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Dit betreft een geluidzone en een geurzone. Deze beide milieuzones worden gerespecteerd en overgenomen in het bestemmingsplan. Aangezien het plan niet voorziet in de realisering van nieuwe milieugevoelige objecten, heeft dit geen consequenties voor de bedrijfsvoering of het functioneren van de RWZI. Overleg Waterschap De waterparagraaf wordt in het kader van het vooroverleg voor advies en ter beoordeling voorgelegd aan het Waterschap Aa en Maas.
4.9
Cultuurhistorie en archeologie
Uit de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie blijkt dat de locatie en directe omgeving geen bijzondere cultuurhistorische waarde heeft. Het plangebied zelf maakt geen deel uit van een gebied met bijzondere cultuurhistorische waarden. Alleen de Liniedijk wordt als historische geografische lijn aangeduid. Op de historische kaart van 1850 is ter plaatse van het plangebied een moeras “Hazelbergs Broek” en pas rond de eeuwwisseling ontgonnen en in de jaren na de oorlog gaan ontwikkelen voor de veehouderij. In de jaren 90 zijn er enkele agrarische intensieve veehouders gevestigd. Het plan wil de cultuurhistorische kenmerken van de open akkercomplex behouden door het historische erf zo compact mogelijk te houden en alleen van direct aansluitende beplanting te voorzien. Qua nieuwe bebouwing wordt aansluiting gezocht op de bestaande compacte erfindeling. Uitvoering van het plan leidt dan ook niet tot aantasting van deze waarden. De planlocatie Liniedijk 5 heeft een middelhoge tot hoge archeologische verwachtingswaarde. Per deelgebied gelden regels inzake bouwen en het roeren van de gronden. Deze zijn overgenomen in het bestemmingsplan buitengebied door de dubbelbestemming: waarde – archeologie – 2 en 3. De locatie Hazelbergsestraat 2b heeft geen archeologische verwachtingswaarde.
In het gedeelte met deze bestemming vinden geen nieuwe werkzaamheden plaats die leiden tot het roeren van de ondergrond. De nieuwe loods die aan de Liniedijk wordt gebouwd valt binnen het gebied met waarde 2, maar er vinden geen graafwerkzaamheden dieper dan 50 cm plaats met een oppervlakte van meer dan 250 m2. De loods komt ter plaatse van waar nu al stallen staan met mestkelders en dus de grond diep is geroerd en afgevoerd. De constructie wordt geplaatst op een betonnen voet (poer van circa 1,2 bij 1,2 meter en 30 cm dik). Een Pagina 42 van 51
archeologisch onderzoek is daarmee niet noodzakelijk, omdat de ondergrond niet meer wordt verstoord.
Figuur 4.7: Cultuurhistorische waardenkaart [Provincie Noord-Brabant]
Voor het gehele gebied geldt de wettelijke zorgplicht en blijf de beschermende regeling uit het bestemmingsplan Buitengebied van kracht. Daarmee worden de archeologische belangen afdoende beschermd.
4.10 Verkeer en parkeren Het bestaande verkeersbeeld zal als gevolg van het plan niet wezenlijk veranderen. Een en ander is inpasbaar in de omgeving, waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande ontsluitingsroutes. Door de functieverandering op beide locaties zal er geen wezenlijke verandering optreden in het aantal verkeersbewegingen. Het aan en afvoeren van dieren alsmede de afvoer van mest komt te vervallen. Voor Liniedijk 5 komt tevens de aanvoer van voer te vervallen. Er zal dus geen sprake zijn van belemmeringen op het gebied van mobiliteit. Op de locatie zelf blijft voldoende manoeuvreerruimte voor de vrachtwagens en parkeergelegenheid voor zowel vrachtwagen als personenwagens. Derhalve is er geen overlast naar de omgeving te verwachten of problemen voor de verkeersafwikkeling. In figuur 2.6 en 2.9 is de rangeerruimtes voor de loodsen weergegeven. Vrachtverkeer kan op eigen terrein draaien.
Pagina 43 van 51
Op grond van de CROW normen geldt voor arbeids- en bezoekersextensieve bedrijven in het buitengebied een parkeernorm van 0,8-1,3 parkeerplaats per 100 m2 bvo. Dit betekent per locatie het volgende: • Liniedijk 5: 1.400 * 0,8-1,3 = 11,2-18,2 parkeerplaatsen • Hazelbergsestraat 2b: 1.800 * 0,8-1,3 = 14,4-23,4 parkeerplaatsen. Parkeren vindt plaats op eigen terrein. Op het eigen perceel is voldoende ruimte beschikbaar voor een parkeervoorziening voor bezoekers en personeel.
4.12 Kabels en leidingen De omgeving is aangesloten op gangbare technische infrastructuur zoals nutsvoorzieningen (riolering, water, gas en elektra). De uitbreiding van het plangebied wordt aangesloten op de bestaande infrastructuur. Hiervoor hoeven geen structurele aanpassingen plaats te vinden. In de omgeving van het plangebied is een riooltransportleiding aanwezig. Deze is duidelijk zichtbaar op figuur 1.5 van deze toelichting. Deze transportleiding ligt niet in het bestemmingsvlak, maar raakt slechts de landschappelijke inpassing. De bescherming van deze riooltransportleiding is privaatrechtelijk geborgd.
5. Uitvoerbaarheid 5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
In het kader van de openbare voorbereidingsprocedure wordt het plan in procedure gebracht en is er voor eenieder de gelegenheid om kennis te nemen van het plan. In het kader van deze procedure bestaat er de mogelijkheid om op de plannen te reageren via de gangbare bezwaaren beroepsprocedures. Het college is bij de voorbereiding van dit plan niets gebleken van planologische of maatschappelijke belemmeringen.
5.2
Economische uitvoerbaarheid
Het plan zal geheel in particuliere handen uitgevoerd worden. Voor de gemeente zijn er geen financiële consequenties aan verbonden.
Pagina 44 van 51
5.3
Grondexploitatie
Op grond van artikel 6.12 Wro is de gemeente verplicht een exploitatieplan vast te stellen bij bouwplannen, zoals vastgelegd in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op grond van artikel 6.12, lid 2 Wro kan de gemeente besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is. Tussen gemeente en de initiatiefnemer wordt daartoe een zogenaamde anterieure overeenkomst inzake de grondexploitatie gesloten. In deze overeenkomst zijn bepalingen over onder meer de plankosten, grondexploitatie, landschappelijke inpassing, civieltechnische kosten en planschade tussen gemeente en initiatiefnemer opgenomen. Met deze overeenkomst is het verhaal van de kosten van grondexploitatie voldoende verzekerd en hoeft er geen exploitatieplan vastgesteld te worden.
5.4
Conclusie
Er is sprake van een uitvoerbaar plan omwille van de volgende redenen: • tussen gemeente en initiatiefnemer is een planschade overeenkomst afgesloten, waarin door initiatiefnemer eventuele planschade voor zijn rekening zal worden genomen; • de kosten voor uitvoering van het plan komen voor rekening van de initiatiefnemer; • de gronden waarop de bestemmingswijziging ziet zijn in eigendom van initiatiefnemer; • er is niets gebleken van reële financiële, planologische of maatschappelijke belemmeringen.
6. Juridische toelichting 6.1
Aanleiding
Dit plan betreft een partiële herziening van het bestemmingsplan “Buitengebied” (en de daarna volgende herzieningen) van de gemeente Bernheze voor de locaties Liniedijk 5 en Hazelbergsestraat 2b te Heeswijk-Dinther. Aanleiding is de noodzaak om de herbestemming van deze locaties planologisch correct te regelen, vanwege deelname aan de Subsidieregeling Sanering Varkenshouderijen. Dit houdt in dat met de beëindiging van de varkenshouderij de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ wordt verwijderd, en de locaties van een passende herbestemming worden voorzien.
6.2
Regels
De herbestemming voor de locaties voorziet in een bestemmingsregeling voor een bedrijfsbestemming. De planregels bevatten regels met betrekking tot het bouwen en Pagina 45 van 51
gebruiken van grond en gebouwen. Met de planregels wordt aangesloten op de regels van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Bernheze.
6.3
Verbeelding
Op de verbeelding wordt de locatie Liniedijk 5 voorzien van een bedrijfsbestemming voor een bouwbedrijf algemeen en caravanstalling. De locatie Hazelbergsestraat 2b wordt voorzien van een bedrijfsbestemming voor een groothandel. Het agrarische bouwvlak van deze locaties komt daarmee te vervallen, alsmede de functie aanduiding ‘intensieve veehouderij’. De oorspronkelijke bouwvlakken worden in omvang verkleind tot een bij de bestemming passende omvang. Het resterende deel van het oorspronkelijk agrarisch bouwvlak dat niet wordt omgezet, behoudt de agrarische bestemming, maar dan zonder bouwmogelijkheden. Alle dubbelbestemmingen en aanduidingen uit het vigerende bestemmingsplan worden overgenomen en blijven van kracht.
7. De procedure 7.1
Vooroverleg
In het kader van het wettelijk vooroverleg wordt het plan aangeboden aan provincie en waterschap. Daarnaast heeft op donderdag 1 juli 2021 een omgevingsdialoog plaatsgevonden met de buurt. Middels een persoonlijke brief zijn de volgende adressen in de buurt uitgenodigd; Groenstraat 1 en 3, Hazelbergsestraat 2a, 2b, 4, 6 en 8, Hekkenweg 1, Hoge Broekstraat 1, 2, 3a, 3b, 4, 5, 5a, 6, 7, 7a, 9 en 11 en Schanseweg 4. Van deze bewoners waren 17 personen aanwezig. Hiervan en van de gestelde vragen en antwoorden is verslag opgemaakt en met de betrokkenen gedeeld.
7.2
Te volgen procedure
Het ontwerp bestemmingsplan is gedurende 6 weken ter inzage gelegd met bijbehorende stukken. Gedurende de termijn van de ter inzage legging wordt eenieder de gelegenheid Pagina 46 van 51
geboden een zienswijze in te dienen. De eventuele zienswijzen worden beoordeeld en aanvullend in dit plan opgenomen.
7.3
Verslag procedure
Verslag procedure PM
Pagina 47 van 51
Pagina 48 van 51