Toelichting
Tekst van het document
4.5.3 Woon- en leefklimaat Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. In de handreiking ‘Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7’ is navolgende tabel opgenomen, welke de relatie tussen de voorgrondbelasting en het leefklimaat weergeeft.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
36
Bestemmingsplan ‘Nistelrodeseweg ong. nabij 69’ - Toelichting
Voorgrondbelasting
Achtergrondbelasting
Geurgehinderden (%)
Leefklimaat
≤1
≤3
<5
Zeer goed
1,5 - 3
3–7
5 - 10
Goed
4-6
7 – 13
10 - 15
Redelijk goed
7-9
13 – 20
15 - 20
Matig
10 - 13
20 – 28
20 - 25
Tamelijk slecht
14 - 18
28 - 38
25 - 30
Slecht
19 - 24
38 -50
30 - 35
Zeer slecht
≥ 25
≥ 50
35 - 40
Extreem slecht
Tabel 1: Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7
Hierna worden derhalve de voorgrond- en achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied inzichtelijk gemaakt.
4.5.4 Voorgrondbelasting 4.5.4.1
Inleiding
Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt (dominantie veehouderij), hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. De veehouderij aan Wijststraat 40 is wegens de omvang van de veehouderij en de afstand van de veehouderij tot het plangebied de dominante veehouderij. 4.5.4.2
Berekening van de voorgrondbelasting
Met behulp van het programma V-Stacks vergunning is de voorgrondbelasting van de veehouderij berekend op de hoekpunten van het bouwvlak. De voorgrondbelasting is indicatief op de hoek van het bouwvlak gelegd die zich het dichtst tot het plangebied bevindt. Hierna is de berekening opgenomen. Brongegevens: Berekende ruwheid: 0,45 m Meteo station: Eindhoven Brongegevens: Volg
BronID
X-coord.
Y-coord.
nr. 1
Wijststraat 30
165 838
EP
Gem.geb.
EP
Hoogte
hoogte
Diam. snelh.
6,0
6,0
0,50
414 950
EP Uittr. E-Aanvraag 4,00
40 904
Geur gevoelige locaties: Volgnummer
GGLID
Xcoordinaat
Ycoordinaat
Geurnorm
Geurbelasting
2
Nistelrodeseweg nw
165 936
415 236
10,0
4,7
3
Nistelrodeseweg no
165 969
415 259
10,0
4,2
4
Nistelrodeseweg zo
165 973
415 250
10,0
4,3
5
Nistelrodeseweg zw
165 946
415 223
10,0
5,1
Tabel 2: Berekening voorgrondbelasting (worst case) van het bedrijf aan Wijststraat 30 ten opzichte van het plangebied
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
37
Bestemmingsplan ‘Nistelrodeseweg ong. nabij 69’ - Toelichting
4.5.4.3
Beoordeling woon- en leefklimaat
De voorgrondbelasting bedraagt in een worst-case situatie maximaal 5,1 oue/m³. Op basis van de voorgrondbelasting is ter plaatse van het plangebied sprake van een ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat.
4.5.5 Achtergrondbelasting De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object verstaan. De achtergrondbelasting is door de omgevingsdienst inzichtelijk gemaakt op kaart. Navolgende figuur betreft een uitsnede van deze kaart waarbij het plangebied en de omgeving inzichtelijk zijn gemaakt.
Figuur 24: Achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied (Bron: https://atlas.odzob.nl/ 1-1-20)
De achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied bedraagt ingevolge bovenstaande figuur tussen de 3 en 7 oue/m³. Daarmee is in het kader van de achtergrondbelasting sprake van een ‘goed’ woon- en leefklimaat. 4.5.5.1
Beoordeling woon- en leefklimaat
Ter plaatse van het plangebied dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ter plaatse van het plangebied is zowel in het kader van de voor- en achtergrondbelasting sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. De herontwikkeling van de locatie is in het kader van het woon- en leefklimaat geen bezwaar.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
38
Bestemmingsplan ‘Nistelrodeseweg ong. nabij 69’ - Toelichting
4.5.6 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende veehouderijbedrijven De herontwikkeling van het plangebied mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen niet belemmeren. Er is geen sprake van overschrijding van een aan te houden vaste afstand. Tussen de veehouderijen met een emissiefactor in de omgeving en het plangebied zijn reeds enkele geurgevoelige objecten gelegen die de veehouderijen eerder belemmeren dan de beoogde Ruimte voor Ruimte woning. De beoogde Ruimte voor Ruimte woning in het plangebied wordt niet de eerst belemmerende woning voor deze veehouderijbedrijven. De beoogde herontwikkeling van het plangebied belemmert de omliggende veehouderijen daarmee dan ook niet meer in de ontwikkelingsmogelijkheden dan thans het geval is.
4.6
Gezondheid in relatie tot veehouderijen
4.6.1 Inleiding De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. Op basis van de Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid 2.0 versie mei 2018 opgesteld door het ondersteuningsteam BPO speerpunt veehouderij kan worden afgewogen of een advies van de GGD nodig is voor het plan.
4.6.2 Toets van de ontwikkeling aan Handreiking In stap 1 van de handreiking wordt getoetst aan endotoxine. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. In de omgeving van het plangebied zijn geen varkens- of pluimveebedrijven gesitueerd. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Stap 2, toename emissies, is niet van toepassing omdat het plan geen uitbreiding van een veehouderij betreft. In stap 3 wordt getoetst aan geur. Bij 3b wordt voor geur getoetst aan de gezondheidskundige advieswaarden. Deze zijn maatgevend ten opzichte van stap 3a. Voor het buitengebied zijn deze waarden: −
5 ou/m3 voor de voorgrondbelasting. De norm wordt enkel in een worst case situatie marginaal overschreden.
−
10 ou/m3 voor de achtergrondbelasting. Deze norm wordt niet overschreden;
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
39
Bestemmingsplan ‘Nistelrodeseweg ong. nabij 69’ - Toelichting
−
100 meter voor de afstand tussen de rand van een bedrijf en de gevel van het geurgevoelige object. Er wordt wel voldaan aan de vaste afstand.
Zoals aangegeven wordt voldaan aan stap 3. Er zijn geen bedrijven in de omgeving waar bedrijfsmatig een combinatie van de volgende dieren worden gehouden: •
Varkens en pluimvee;
•
Rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten);
•
Kleine herkauwers onderling.
Aan stap 4 wordt voldaan. In stap 5 wordt getoetst aan de afstand tot een geitenhouderij en pluimveebedrijf. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 kilometer van het plangebied bevinden zich geen geitenbedrijven. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Er bevindt zich geen pluimveebedrijf binnen 1 kilometer van het plangebied. Een GGD-advies is hierom niet noodzakelijk. Er zijn tevens geen maatregelen op te leggen bij de omliggende veehouderijen in het kader van dit plan. Er bevindt zich geen zelfstandige mestbewerking of verwerking plaats. Ook is er geen ongerustheid bij omwonenden over de volksgezondheid. Aan stap 6 en 7 wordt daarmee voldaan.
4.6.3 Conclusie Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen vormt geen belemmering voor het plan.
4.7
Spuitzones
ln het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Binnen een afstand van 50 meter tot het plangebied zijn geen spuitzones aangeduid of is sprake van boomteelt. De nieuwe woning wordt opgericht te midden van bestaande woningen en is daardoor tevens niet de maatgevende woning in het kader van het activiteitenbesluit.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
40
Bestemmingsplan ‘Nistelrodeseweg ong. nabij 69’ - Toelichting
4.8
Bedrijven en milieuzonering
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en milieuzonering”. Hierin wordt per bedrijfssoort aangegeven van welke milieu-invloed (in de vorm van geur, stof, geluid en gevaar) kan worden uitgegaan en welke indicatieve afstand hierbij (minimaal) in acht wordt genomen. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een milieugevoelige functie die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. In de omgeving van het plangebied zijn geen niet-agrarische bedrijven gevestigd. Het meest dicht tot het plangebied gelegen agrarisch bedrijf bevindt zich op een afstand van meer dan 250 meter. De beoogde herontwikkeling van het plangebied is in het kader van Bedrijven en milieuzonering geen bezwaar.
4.9
Water
4.9.1 Inleiding Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van de initiatieven binnen het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijk optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas.
4.9.2 Beleidskader 4.9.2.1
Waterbeheerplan
Het waterbeheerplan van het waterschap is gericht op het streven naar een duurzame situatie op de lange termijn. Het beheer van de waterketen komt in beeld naast het tegemoet komen aan de wensen vanuit het bestaande grond- en watergebruik. In het waterbeheerplan wordt op hoofdlijnen aangegeven wat het waterschap de komende jaren gaat doen om het streefbeeld te bereiken, zoals verwoord in de nota Visie op water. De huidige situatie is daarbij het uitgangspunt. Een nadere invulling voor de beleidslijnen voor gebieden is niet opgenomen in het waterbeheerplan. Een gebiedsgerichte uitwerking dient plaats te vinden in nauwe samenwerking met betrokken partijen in een gebied. Afspraken over de door te voeren maatregelen kunnen worden vastgelegd in overeenkomsten.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
41
Bestemmingsplan ‘Nistelrodeseweg ong. nabij 69’ - Toelichting
4.9.2.2
Keur
Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de Keur Waterschap Aa en Maas van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Het plangebied is niet gelegen binnen een keurbeschermingsgebied. Direct ten zuiden en westen van het plangebied is wel een primaire waterloop gelegen. Navolgende figuur is een uitsnede weergegeven van de Keurkaart van Waterschap Aa en Maas.
Plangebied Figuur 25: Uitsnede Keurkaart Waterschap Aa en Maas waarop de ligging van het plangebied is aangeduid
De beoogde herontwikkeling heeft geen negatief effect op de nabijgelegen waterloop. Daartoe is de beoogde ontwikkeling te kleinschalig. Het hemelwater dat valt op daken en verhardingen wordt verwerkt op eigen terrein. In de Keur is vastgesteld dat wanneer er werkzaamheden verricht worden in of nabij de A-watergang, er een watervergunning aangevraagd dient te worden. Tevens is een verbod opgenomen om binnen 5,00 meter breedte uit de insteek aan beide zijden van een A-watergang obstakels te plaatsen of te hebben. Gelet op de waterhuishoudkundige belangen is het noodzakelijk om deze zone, de beschermingszone, vrij te houden van alle obstakels. Het oprichten van obstakels is alleen mogelijk als
deze
in
overeenstemming
zijn
met
de
keur.
De
dubbelbestemming
‘Waterstaat
-
Beschermingszone watergang’ is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
42
Bestemmingsplan ‘Nistelrodeseweg ong. nabij 69’ - Toelichting
4.9.3 Principes waterschap Aa en Maas 4.9.3.1
Inleiding
Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient de initiatiefnemer hier invulling aan te geven. Waterschap Aa en Maas hanteert navolgende principes: -
wateroverlastvrij bestemmen;
-
gescheiden houden van vuil en schoon hemelwater;
-
doorlopen van de afwegingsstappen hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer;
-
hydrologisch neutraal ontwikkelen;
-
water als kans;
-
meervoudig ruimtegebruik;
-
voorkomen van vervuiling;
-
waterschapsbelangen;
Deze uitgangspunten worden hierna puntsgewijs toegelicht. 4.9.3.2
Wateroverlastvrij bestemmen
Bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de norm uit het Nationaal Bestuursakkoord Water. In eerste instantie zal bij de locatiekeuze van een ontwikkeling gezocht moeten worden naar een plek 'die hoog en droog genoeg' is. Mocht dit echter niet mogelijk of wenselijk zijn, dan zal in de compenserende of mitigerende sfeer gezocht moeten worden naar maatregelen die het gewenste beschermingsniveau tegen wateroverlast helpen realiseren. Liever nog dan mitigeren of compenseren, wordt bij voorkeur gebouwd op locaties die als gevolg van hun ligging nu al voldoen aan de norm voor de toekomstige functie. 4.9.3.3
Gescheiden houden van vuil en schoon hemelwater
Het streefbeeld is het afvoeren van het vuile water via de riolering en het binnen het plangebied verwerken van het schone hemelwater. Afhankelijk van de omstandigheden ter plaatse kan een compromis gesloten worden, waarbij de minimale inzet (in bestaand bebouwd gebied) is om het vuile en het schone water gescheiden aan te bieden op het (reeds aanwezige) gemengde rioolstelsel. Het waterschap gaat echter niet akkoord met de aanleg van nieuwe gemengde rioolstelsels. 4.9.3.4
Doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer
In aansluiting op het landelijke beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij worden de afwegingsstappen ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’ (afgeleid van de trits ‘vasthouden-bergenafvoeren’) doorlopen. Hergebruik van hemelwater wordt voornamelijk overwogen bij grootschalige voorzieningen als scholen, kantoorgebouwen en dergelijke. Voor particuliere woningen wordt dit, ook gezien de landelijke ervaringen met grijswatersystemen, niet gestimuleerd.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
43
Bestemmingsplan ‘Nistelrodeseweg ong. nabij 69’ - Toelichting
Binnen
grondwaterbeschermingsgebieden
kunnen
door
de
grondwaterbeheerder
(provincie)
aanvullende kwalitatieve eisen gesteld worden in de Provinciale Milieu Verordening. Ook kan een vergunning nodig zijn van de grondwaterbeheerder. 4.9.3.5
Hydrologisch neutraal ontwikkelen
Nieuwe ontwikkelingen dienen te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie. Hierbij mag de natuurlijke GHG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand) niet verlaagd worden en mag bijvoorbeeld bij transformatie van landelijk naar bebouwd gebied de oorspronkelijke landelijke afvoer in de normale situatie niet overschreden worden. Het waterpeil sluit aan bij optimale grondwaterstanden en in poldergebieden worden seizoenfluctuaties toegestaan. 4.9.3.6
Water als kans
Het aspect water wordt door stedenbouwkundigen bij inrichtingsvraagstukken vaak benaderd als een probleem. Er moet ook ruimte voor water gecreëerd worden en m² zijn duur. Het aspect water kan ook een meerwaarde geven aan het plan, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de belevingswaarde van water. Zo is wonen aan het water erg gewild, een mooie waterpartij met bijbehorend groen wordt door vele inwoners gewaardeerd. 4.9.3.7
Meervoudig ruimtegebruik
Door bij de inrichting van een plangebied ruimte voor twee of meer doeleinden te gebruiken, is het ‘verlies’ van m² als gevolg van de toegenomen ruimtevraag vanuit water te beperken. Zo is het in bepaalde gevallen mogelijk om het flauwe talud ook te gebruiken als onderhoudsstrook. Flauwe taluds geven veel ruimte voor buffering van water, maar zijn ook te gebruiken voor recreatieve doeleinden, bijvoorbeeld een fietspad dat af en toe niet te gebruiken is. 4.9.3.8
Voorkomen van vervuiling
Bij de inrichting, het bouwen en het beheer van gebieden wordt het milieu belast. Vanuit de wettelijke taak ten aanzien van het waterkwaliteitsbeheer streeft het waterschap ernaar om nieuwe bronnen van verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen. Deze bronaanpak is ook verwoord in het Emissiebeheersplan. Het waterschap besteedt hier reeds aandacht aan in de fase van de watertoets, zodat dit aspect als randvoorwaarde kan worden meegenomen in het verdere ontwerpproces. 4.9.3.9
Waterschapsbelangen
Er zijn 'waterschapsbelangen' met een ruimtelijke component. Dit betreft het volgende: -
ruimteclaims voor waterberging
-
ruimteclaims voor de aanleg van natte EVZ's en beekherstel
-
aanwezigheid en ligging watersysteem
-
aanwezigheid en ligging waterkeringen
-
aanwezigheid en ligging van infrastructuur en ruimteclaims ten behoeve van de afvalwaterketen in beheer van het waterschap.
Indien deze belangen een rol spelen in het ruimtelijke plan dan zou hieraan in de toelichting, de regels en de verbeelding aandacht besteed moeten worden.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
44
Bestemmingsplan ‘Nistelrodeseweg ong. nabij 69’ - Toelichting
4.9.4 Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², en verhard oppervlak met een grootte van 500 m² tot 10.000 m² en een verhard oppervlak van meer dan 10.000 m². Dit bestemmingsplan voorziet de realisatie van één Ruimte voor Ruimte woning met bijgebouwen hierbij. Verwacht wordt dat realisatie van de woning, bijgebouwen en bijbehorende erfverharding bijdraagt aan een toename in verhard oppervlak van maximaal 450 m².
Hiermee is de toename aan verharding altijd kleiner dan 500 m². Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². Het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat.
4.9.5 Gemeentelijk waterbeleid In verband met voorkomende wateroverlast binnen de gemeente Bernheze wordt door de gemeente in afwijking van de beleidsregel ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’, eveneens een compensatie verlangd voor het bergen van hemelwater bij een nieuw verhard oppervlak met een omvang van minder dan 500 m². De bergingsbehoefte wordt daarbij bepaald op basis van 60 mm. per m². Ter plaatse van het plangebied wordt maximaal 450 m² aan nieuwe verharding verwacht, bestaande uit verharding van een hoofdgebouw, bijgebouw en erfverharding. Ten behoeve van de beoogde nieuwe 450 m² verharding geldt een bergingsopgave van (450 x 0,06=) 27 m³. Er wordt zorg gedragen voor realisatie van deze waterberging binnen het plangebied.
4.9.6 Bodemgebruik en grondwater Het plangebied bestaat uit een hoge zwarte laarpodzolgronden, bestaande uit lemig fijn zand (cHn21). Binnen het plangebied vindt geen grondwateronttrekking plaats. De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) ter plaatse bedraagt tussen de 60 en 80 centimeter beneden maaiveld. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de kaart met de GHG, waarop het plangebied indicatief is aangeduid.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
45
Bestemmingsplan ‘Nistelrodeseweg ong. nabij 69’ - Toelichting
Plangebied
Figuur 26: Uitsnede kaart met GHG ter plaatse van het plangebied
4.9.7 Hydrologisch neutraal bouwen Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt in dat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruikfuncties. Dit geldt zowel voor het plan als het daaromheen gelegen gebied, waar de ingrepen hydrologische invloed kunnen hebben. Concreet betekent dit dat: −
de afvoer uit het gebied niet groter is dan in de referentiesituatie;
−
de omvang van grondwateraanvulling binnen het plangebied gelijk blijft of toeneemt;
−
de grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruikfuncties;
−
de (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied zelf;
−
het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving, niet leiden tot knelpunten (grondwater) binnen het plangebied.
Binnen het plangebied wordt een nieuw verhard oppervlak verwacht van circa 450 m², bestaande uit een hoofdgebouw, bijgebouw en erfverharding. Deze omvang wordt gemiddeld genomen gehanteerd bij
de
vergelijkbare
woningbouwplannen.
Een
concrete
tekening
is
gedurende
deze
bestemmingsplanprocedure nog niet beschikbaar. Op basis van gemeentelijke voorwaarden wordt voor de nieuwe verharding een compensatie verlangd voor het bergen van hemelwater. Ten behoeve van de beoogde toevoeging van verharding geldt een bergingsopgave van 27 m³. In de nieuwe situatie zal de infiltratie worden bewerkstelligd door het schone hemelwater af te voeren naar een (ondergronds) infiltratie transportriool. Vanuit dit transportriool zal het water in eerste instantie zoveel mogelijk infiltreren in de ondergrond. Op het moment dat de capaciteit van het transportriool volledig is benut, zal deze het water afvoeren in of op een infiltratievoorziening.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
46
Bestemmingsplan ‘Nistelrodeseweg ong. nabij 69’ - Toelichting
Deze infiltratievoorziening wordt zodanig gedimensioneerd dat er een voldoende dynamische berging bij een extreme regenval is. In het grootste deel van het jaar zal het water echter in de infiltratiebuizen in de bodem infiltreren. De infiltratievoorzieningen worden boven GHG gerealiseerd. Een mogelijkheid voor infiltreren van hemelwater is het opvangen in infiltratiekratten of grindkoffers of het laten uitstromen in een wadi. Nadere uitwerking dient te geschieden in het kader van een concrete aanvraag. Manieren van infiltreren zijn weergeven in navolgende figuur.
Figuur 27: Voorbeelden van infiltratiemogelijkheden
4.9.8 Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt etcetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. In de nieuwe situatie wordt alleen het huishoudelijk afvalwater geloosd op de riolering. Het schoon hemelwater wordt afgekoppeld en wordt overwegend geïnfiltreerd in de bodem. Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.
4.9.9 Huishoudelijk afvalwater De beoogde Ruimte voor Ruimte woning wordt aangesloten op de riolering. Slechts het huishoudelijk afvalwater mag worden geloosd op de riolering. Afspraken aangaande aansluiting op het rioleringsstelsel worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
47
Bestemmingsplan ‘Nistelrodeseweg ong. nabij 69’ - Toelichting
4.10 M.e.r.-beoordeling 4.10.1 Inleiding De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof en het daarop aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). In het Besluit m.e.r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is.
In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient te beschouwen in de beslissing. Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling.
4.10.2 Toets aan drempelwaarden Op grond van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage dient een MER te worden opgesteld bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen dan wel de realisatie van een bedrijfsvloeroppervlakte met een omvang van meer dan 200.000 m². De beoogde ontwikkeling binnen het plangebied overschrijdt deze drempelwaarden niet.
4.10.3 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling wordt voor de beoogde ontwikkeling een vormvrije m.e.r.- beoordeling uitgevoerd. Uit deze toelichting blijkt dat de beoogde ontwikkeling zeer kleinschalig van aard is en geen aantasting van milieu en omgeving met zich meebrengt, waardoor geen MER dient te worden opgesteld. De Raad van State heeft geoordeeld dat enkele woningen geen stedelijk ontwikkelingsproject betreft waarmee geen meraanmeldnotitie noodzakelijk is.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
48
Bestemmingsplan ‘Nistelrodeseweg ong. nabij 69’ - Toelichting
5. NATUUR, CULTUURHISTORIE EN ARCHEOLOGIE 5.1 Natuur en ecologie 5.1.1
Inleiding
Natura 2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Dit netwerk verbindt bestaande natuurgebieden die vallen onder de Europese Vogelrichtlijn- of de Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving middels de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden.
5.1.2
Gebiedsbescherming
5.1.2.1
Natura-2000
De Wet natuurbescherming voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te weten de Natura-2000 gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. In de wijde omgeving van het plangebied zijn geen Natura-2000 gebieden gelegen. Het meest dichtbij gelen natura 2000 gebied betreft de ‘Rijntakken’ op een afstand van circa 15 kilometer. De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op de Natura-2000 gebieden. Hiermee is er geen sprake van een effect op een Natura-2000 gebied. 5.1.2.2
Natuurnetwerk
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het plangebied is niet gelegen in het Natuurnetwerk Nederland dan wel binnen het Natuurnetwerk Brabant. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de kaart met het Natuurnetwerk Nederland voor de omgeving van het plangebied.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
49
Bestemmingsplan ‘Nistelrodeseweg ong. nabij 69’ - Toelichting
Plangebied Figuur 28: Uitsnede kaart Natuurnetwerk Nederland voor de omgeving van het plangebied
5.1.2.3
Stikstof
Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) regelt sinds 2015 de ruimte voor economische ontwikkelingen die gepaard gaan met de uitstoot van stikstof nabij Natura 2000-gebieden. Enerzijds heeft het PAS tot doel het behoud en herstel van de Natura 2000-gebieden. Anderzijds creëert het PAS door de reductie van stikstof ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen, zoals de verbreding van een snelweg, woningbouw of de uitbreiding van een veehouderij. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State einduitspraken gewezen in enkele procedures tegen het Programma Aanpak Stikstof. De Afdeling komt tot de conclusie dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) daaraan stelt. De Afdeling heeft bepaald dat de PAS niet meer gehanteerd kan worden als toetsingskader voor projecten. Het Hof oordeelt dat zeker gesteld moet zijn dat een ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. Met AERIUS Calculator 2019 wordt de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden die het gevolg is van een ontwikkeling berekend. Door de Rijksoverheid is de ‘Handreiking woningbouw en Aerius’ opgesteld.
Uit deze handreiking blijkt samengevat dat bij maximaal 50 laagbouwwoningen, gebouwd op zandgrond op minimaal 7 km afstand van een Natura 2000-gebied, de stikstofdepositie onder gemiddelde omstandigheden nooit meer dan 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Bij herbestemming van het plangebied is sprake van de uitstoot van stikstof door toename van verkeersbewegingen en realisatie van het bouwplan. Met Aerius – Calculator is de consequentie hiervan op Natura 2000 gebieden in beeld gebracht. Realisatie van het plan leidt niet tot een toename
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
50
Bestemmingsplan ‘Nistelrodeseweg ong. nabij 69’ - Toelichting
van stikstof van meer dan 0,0 mol/ha/jaar. Een uitvoer van de Aeriusberekening is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. In de tussenuitspraak ‘ViA15’ van de ABRvS van 20 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:105) is geoordeeld dat AERIUS Calculator onvoldoende geschikt is om de bijdrage van vervoersbewegingen aan de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden op meer dan 5 kilometer afstand van de bron te berekenen. In de huidige opzet van het systeem wordt deze concentratiebijdrage tot op 5 km afstand van wegen berekend. De vervoersbewegingen voor onderhavig plan zijn beperkt en door menging met schonere lucht worden concentraties stikstof snel lager met de afstand van de bron. Gevoelige natuur ligt op een afstand van circa 15 km tot het plangebied. Het is niet aannemelijk dat de vervoersbewegingen ten behoeve van deze ontwikkeling bedragen aan een toename van stikstof van meer dan 0,0 mol/ha/jaar.
5.1.3 Soortenbescherming Het plangebied is thans in gebruik als hertenweide. In de huidige situatie is geen bebouwing of opgaande beplanting aanwezig. Met de beoogde ontwikkeling gaan geen flora- of faunawaarden verloren. Met de beoogde ontwikkeling wordt één woning toegevoegd die landschappelijk wordt ingepast met streekeigen soorten. Dit heeft mogelijk eerder een positief effect op de ontwikkeling van flora- en fauna waarden in de omgeving. De beoogde herontwikkeling is derhalve in het kader van de Wet natuurbescherming geen bezwaar.
5.2
Cultuurhistorie
5.2.1 Cultuurhistorische waarden in de omgeving De occupatie binnen de gemeente Bernheze is ontstaan op de rand van de beekdalen en de hoger gelegen zandgronden. In de periode tussen de 15e en 18e eeuw werden ten behoeve van de landbouw, woeste gronden ontgonnen grenzend aan de beekdalen. Vanaf het midden van de 19e eeuw heeft grootschalige heideontginning tot forse uitbreiding van de landbouwgronden geleid. Voor de ontwikkeling van de nederzettingen binnen de gemeente Bernheze is met name de ligging aan belangrijke doorgaande routes tussen grotere plaatsen in de omgeving van belang. De oorspronkelijke dorpslinten die aan deze routes zijn ontstaan zijn waardevol als historische structuur. Daarnaast liggen in het buitengebied ook enkele bebouwingsconcentraties die cultuurhistorisch van belang zijn. Binnen de gemeente Bernheze is de kern Heesch de hoofdkern en tevens de grootste kern. Heesch is gelegen op de overgang van de Peelhorst in het oosten, de jonge ontginningen in het zuiden en het dekzandlandschap in het noorden. Cultuurhistorisch waardevolle elementen in de kern zijn met name de oude dorpslinten. Vanuit de kern lopen er twee belangrijke wegen in zuidelijke richting naar Vinkel en naar Nistelrode. De overgang tussen dekzandrug en dekzandvlakte is duidelijk zichtbaar in het landschap door het verschil in landgebruik en de mate van beslotenheid.
In het zuidoosten ligt het bosrijke landschap op de Peelhorst. Het water dat langs de rand van de Peelbreuk omhoog gestuwd wordt heet ‘wijstwater’. Wijstwater is water dat langs ondoorlaatbare lagen in de Peelhorst-ondergrond afvloeit en langs de Peelrandbreuk opgestuwd wordt. Rondom de kern liggen daarnaast ook nog enkele historische groenstructuren.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
51
Bestemmingsplan ‘Nistelrodeseweg ong. nabij 69’ - Toelichting
5.2.2 Cultuurhistorische waarden binnen het plangebied 5.2.2.1
Provinciale cultuurhistorische waardenkaart
Het plangebied is gelegen aan de Nistelrodeseweg. Op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart is deze weg weergegeven als een geografische lijn van redelijk hoge waarde. De beoogde herontwikkeling heeft geen invloed op deze geografische lijn. In de omgeving van het plangebied is geen cultuurhistorische bebouwing gelegen. De beoogde ontwikkeling tast geen cultuurhistorische waarden aan. 5.2.2.2
Gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart
Op de Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant zijn de belangrijkste cultuurhistorische kenmerken opgenomen: waardevolle structuren, patronen en objecten. Deze kaart is door de gemeente Bernheze nader gespecificeerd voor de gemeente. De cultuurhistorische identiteit van Bernheze wordt vooral bepaald door het voorkomen van de in zuidoost-noordwest stromende beekdalen, de Aa, de Leijgraaf en de Groote Wetering. Hiertussen bevinden zich oude cultuurgronden (akkers, landgoederen, oude bossen), evenals jonge heideontginningen (met grasland en bouwland). Navolgende figuur geeft een uitsnede uit de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Bernheze, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.
Plangebied
Figuur 29: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart waarop de ligging van het plangebied is aangeduid
Het plangebied is gelegen aan de Nistelrodeseweg. Dit betreft een oude hoofdverbinding. Verder is het plangebied niet nader aangeduid. De beoogde ontwikkeling tast geen archeologische waarden aan.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
52
Bestemmingsplan ‘Nistelrodeseweg ong. nabij 69’ - Toelichting
5.3
Archeologie
5.3.1 Inleiding In de Erfgoedwet is onder meer opgenomen dat er bij bouwwerkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 100 m² op locaties die zijn gelegen in een gebied dat is aangeduid met middelhoge- of hoge archeologische verwachtingswaarden, archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voorkomen moet worden dat archeologische waarden verloren gaan. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij realisatie van bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard.
5.3.2 Gemeentelijk archeologiebeleid De gemeente Bernheze heeft in navolging van het Rijksbeleid een eigen gemeentelijk archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid bestaat uit de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Bernheze’ en de ‘Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart Gemeente Bernheze’. Op basis van deze documenten, is de gemeente Bernheze in staat om op verantwoorde wijze een archeologiebeleid te implementeren. Met dit beleid wordt een juiste balans gevonden tussen een goede omgang met het archeologisch erfgoed en andere maatschappelijke belangen die bij planontwikkelingen moeten worden gewogen. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de ‘Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart Gemeente Bernheze’ waarop het plangebied is aangeduid.
Plangebied
Figuur 30: Uitsnede van de ‘Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart Gemeente Bernheze’
De woning wordt opgericht in een gebied zonder archeologische verwachting. Binnen het plangebied is ook geen archeologische dubbelbestemming aanwezig. Gesteld kan worden dat, ingevolge de beoogde ontwikkeling ter plaatse geen onderzoeksplicht geldt.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
53
Bestemmingsplan ‘Nistelrodeseweg ong. nabij 69’ - Toelichting
6. JURIDISCHE VORMGEVING 6.1 Inleiding Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.
6.2 De
Toelichting op de analoge verbeelding verbeelding
heeft
een
belangrijke
rol
bij
het
bepalen
van
de
gebruiks-
en
bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. Daartoe zijn op de verbeelding onder meer bestemmingsvlakken, functie-aanduidingen en bouwvlakken opgenomen. De analoge verbeelding bestaat uit een planverbeelding, getekend op een digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:500. De bestemming ‘Agrarisch’ is opgenomen, alsmede de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Beschermingszone watergang’. Op de verbeelding is de plangrens en een bouwvlak opgenomen en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – ruimte voor ruimte’.
6.3
Algemene toelichting op de regels
De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt: -
Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen);
-
De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingen);
-
Algemene regels (Hoofdstuk 3 Aanvullende regels);
-
Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels).
Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd: -
Bestemmingsomschrijving;
-
Bouwregels;
-
Nadere eisen;
-
Specifieke gebruiksregels;
-
Afwijking van de gebruiksregels;
-
Omgevingsvergunning voor het aanleggen.
De specifieke afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden zijn zoveel mogelijk per bestemming opgenomen. Hierdoor wordt direct per bestemming inzicht geboden in de eventuele afwijkingsmogelijkheden en de toegankelijkheid van het bestemmingsplan bevorderd.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
54
Bestemmingsplan ‘Nistelrodeseweg ong. nabij 69’ - Toelichting
6.4
Toelichting op de bestemmingen
6.4.1 Agrarisch De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarisch grondgebruik, een Ruimte voor Ruimte woning ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – ruimte voor ruimte’, water en waterhuishoudkundige doeleinden, groenvoorzieningen, extensieve dagrecreatie en doeleinden van openbaar nut. Binnen de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – ruimte voor ruimte’ wordt een Ruimte voor Ruimte woning toegestaan met een inhoud van maximaal 1.000 m³ met bijbehorende bijgebouwen tot maximaal 100 m².
6.4.2 Waterstaat - Beschermingszone watergang De voor 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming (basisbestemming), met voorrang mede bestemd voor de bescherming en het onderhoud van de in deze zone gelegen dan wel daaraan grenzende watergang. Binnen deze dubbelbestemming mag niet worden gebouwd.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
55
Bestemmingsplan ‘Nistelrodeseweg ong. nabij 69’ - Toelichting
7. UITVOERBAARHEID 7.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel dat mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Bernheze zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. Dit wordt met de initiatiefnemer kortgesloten middels een anterieure overeenkomst. In deze overeenkomst zijn onder andere de verplichtingen van initiatiefnemer met betrekking tot het planschadeverhaal opgenomen.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het bestemmingsplan wordt conform de wettelijke vereisten kenbaar gemaakt. Naar aanleiding van zienswijzen op het bestemmingsplan zal een heroverweging op deze onderdelen plaatsvinden en kan besloten worden dit bestemmingsplan op een aantal punten gewijzigd vast te stellen.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
56
Bestemmingsplan ‘Nistelrodeseweg ong. nabij 69’ - Toelichting
8. OVERLEG, INSPRAAK, ZIENSWIJZEN EN PROCEDURE 8.1 Overleg Het waterschap Aa en Maas en de provincie Noord-Brabant worden in het kader van dit bestemmingsplan betrokken in het vooroverleg.
8.2
Zienswijzen
Na publicatie van het ontwerpbestemmingsplan wordt in deze paragraaf uiteengezet of er zienswijzen zijn ontvangen en of deze zienswijzen hebben geleid tot wijziging van dit bestemmingsplan.
8.3
Procedure
De bestemmingsplanprocedure conform de Wet ruimtelijke ordening wordt beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de Wet ruimtelijke ordening zijn hierop nog enkele wijzigingen beschreven. Samengevat is de bestemmingsplanprocedure als volgt: -
het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende 6 weken ter inzage;
-
gedurende deze periode kan een ieder schriftelijke of mondelinge zienswijzen naar voren brengen aan de gemeenteraad;
-
binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan vast;
-
de vaststelling van het bestemmingsplan dient binnen twee weken na de vaststelling bekend gemaakt te worden behoudens de hieronder genoemde uitzonderingen; -
Gedeputeerde Staten hebben een zienswijze ingediend en deze zienswijze is niet of niet volledige door de gemeenteraad meegenomen in het vastgestelde bestemmingsplan.
-
De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan - met uitzondering van het overnemen van de zienswijzen van Gedeputeerde Staten wijzigingen aangebracht.
Is één van bovenstaande twee gevallen aan de orde, dan mag het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan
pas
bekend
worden
gemaakt
nadat
zes
weken
zijn
verstreken.
Het
bestemmingsplan wordt dan voor zes weken ter inzage gelegd waartegen beroep kan worden ingesteld.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
57