CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

TOE Bijlage 17 Verkennend flora- en faunaonderzoek

Raadsvergadering 26 september 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Hommelsedijk-Nobisweg, Heeswijk-Dinther13.143 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

25

5

EFFECTEN VOORGENOMEN INGREPEN Dit hoofdstuk beschrijft de effecten van de voorgenomen ingrepen en het toekomstig gebruik in het plangebied op de (mogelijk) voorkomende beschermde soorten. Ook wordt aandacht besteed aan de gevolgen van de voorgenomen ingrepen op beschermde gebieden.

5.1

Beschermde soorten Uit hoofdstuk 3 is gebleken, dat binnen het plangebied beschermde soorten voorkomen of voor kunnen komen. Per soortgroep worden de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ingreep aangegeven. Op basis van de bronnenstudie konden de soortgroepen reptielen, vissen en overige ongewervelden worden uitgesloten. Deze worden verder ook niet meer behandeld in de rapportage.

5.1.1

Vogels

5.1.1.1

Jaarrond beschermde nesten van vogels Binnen het plangebied zijn in potentie vaste rust- en/of verblijfplaatsen van de volgende soorten met jaarrond beschermd nesten aanwezig: huismus en steenuil. De aanwezigheid van gierzwaluw en kerkuil worden niet verwacht, door het plangebied ongeschikt is voor de soort. Wel is het plangebied mogelijk onderdeel van het functioneel leefgebied, maar doordat gierzwaluw en kerkuil over grote afstanden foerageren kunnen effecten redelijkerwijs worden uitgesloten. Huismus Binnen het plangebied zijn ten tijde van het veldonderzoek huismussen verspreid waargenomen binnen het plangebied. Rondom de paardenstal (Hommelsedijk) en de stallen aan de Hommelsedijk 4a zijn gedurende het veldbezoek meerdere huismussen aangetroffen. Ook in de aangrenzende woonwijk zijn waarnemingen gedaan. Met de geplande sloop van deze bebouwing (stallen en loodsen) kunnen eventuele vaste rust- en verblijfplaatsen van huismussen ook niet worden uitgesloten. Dat geldt ook voor functioneel groen (erfbeplanting en tuin) rondom de bebouwing. Steenuil In de directe omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen bekend van steenuil. Het plangebied en de directe omgeving bestaat uit een geschikt leefgebied voor steenuil. Eventuele sporen en nestkasten zijn gedurende het onderzoek niet aangetroffen. In de stallen zijn meerdere wegkruipmogelijkheden aanwezig.

Ook zijn net buiten het plangebied enkele leegstaande geschikte stallen aanwezig. Daarbuiten kan het plangebied onderdeel zijn van het functioneel leefgebied (foerageergebied) van steenuil. Met de voorgenomen plannen kunnen effecten op een vaste rust- en verblijfplaats en eventueel foerageergebied van de steenuil niet worden uitgesloten. Hiervoor dient een soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden naar steenuil. Verblijfplaatsen van vogels, die hun verblijfplaats het hele jaar door gebruiken of elk jaar terugkeren naar hetzelfde nest, zijn permanent beschermd. Het vernielen van nesten tijdens het broedseizoen of van nesten met een permanente bescherming leidt tot overtreding van verbodsartikel 3.1, lid 2. Hiermee kunnen de werkzaamheden mogelijk leiden tot negatieve effecten op broedvogels, zoals het vernielen van het nest of de eieren (Wnb artikel 3.1 lid 2). Het is hiernaast ook mogelijk dat door de werkzaamheden vogels verstoord worden (Wnb artikel 3.1 lid 4).

5.1.1.2

Omgevingsscansoorten en algemene broedvogels Uit het uitgevoerde literatuuronderzoek blijkt verder het voorkomen van enkele omgevingsscansoorten (o.a. boerenzwaluw, zwarte roodstaart en spreeuw) in de omgeving. In het kader van het planvoornemen, biedt de omgeving ruim voldoende alternatief leefgebied voor deze soorten. Met de aanwezigheid van voldoende

26

alternatief leefgebied voor deze soorten, behoeven deze soorten niet als jaarrond beschermd beschouwd te worden, maar als algemene broedvogel. In gebruik zijnde nesten van algemene broedvogels zijn beschermd en mogen niet worden vernield ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming mogelijk. Er dient daarom voorkomen te worden dat nesten van algemene broedvogels vernield worden bij de werkzaamheden binnen het plangebied tijdens het broedseizoen. Het verwijderen van de opslag van bomen en overige begroeiing dient derhalve uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen. Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot half juli, afhankelijk van de weersomstandigheden en de betreffende vogelsoort kan het broedseizoen eerder aanvang nemen en/of langer doorlopen. De ontwikkeling van het plangebied leidt mogelijk tot negatieve effecten op algemene broedvogels, zoals het doden of verwonden van vogels (Wnb artikel 3.1 lid1) en het vernielen van nesten of eieren (Wnb artikel 3.1 lid 2). Het is hiernaast mogelijk dat als gevolg van de werkzaamheden vogels verstoord worden (Wnb artikel 3.1lid 4)

5.1.2

Grondgebonden zoogdieren

5.1.2.1

Das Binnen de NDFF zijn meerdere waarnemingen bekend van das. Er is een dassenburcht aanwezig in het bosgebied van de Hommelse Hoeven (Justitieweg) op 1,1 km noordoostelijk van het plangebied. Ook is een das op een wildcamera vastgelegd op 400 meter noordelijk langs de Hommelse Hoeve. Binnen het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen zichtbare sporen, wissels en of andere verblijf indicerende sporen aangetroffen. Ook zijn geen burchtlocaties aangetroffen aan de randen van het plangebied. Doordat er nog veel begroeiing aanwezig was is de bosschages rondom de stallen en deze nog deels in blad waren kan een vaste rust- en verblijfplaats (bijv. vluchtpijp) van das gemakkelijk worden gemist. De greppels en houtopstanden tussen de verschillende boerderijen zijn potentieel geschikt voor een burchtlocatie en om te migreren. Vervolgonderzoek naar eventuele verblijfssporen en eventueel foerageergebied van das is noodzakelijk.

5.1.2.2

Steenmarter Mogelijke rustplaatsen van steenmarter zijn aanwezig in de bebouwing (stallen) binnen het plangebied. Er kan worden aangenomen dat de steenmarter gebruik maakt van het plangebied. Op basis van het verkennend veldbezoek is onvoldoende inzichtelijk in hoeverre het plangebied van essentiële waarde is voor vaste rust- en verblijfplaatsen van de steenmarter en dat vervolgonderzoek noodzakelijk is of verblijfplaatsen aanwezig zijn in de gebouwen en stallen.

5.1.2.3

Kleine marterachtigen Mogelijke rustplaatsen van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) zijn binnen en grenzend aan het plangebied aanwezig in de vorm van greppels met ruigte, diepe achtertuinen, rommelhoekjes en opslagplaatsen. Muizenholen en ruimtes in opslagplaatsen prefereren kleine marterachtigen als potentiële verblijfplaats. Ook zijn binnen de NDFF meerdere waarnemingen bekend van hermelijn op korte afstand van het plangebied. Daarbij zijn rond de drie boerderijen veel opslagplaatsen (zand, stenen en materiaal) en groenstructuren aanwezig wat als geschikt leefgebied kan fungeren voor alle soorten. Marters zijn minder strikt gebonden aan een specifiek foerageerbiotoop, maar foerageren naar verwachting in de geruime omgeving van het plangebied, waar geschikt leefgebied aanwezig is. Een optimaal habitat met veel woelmuizen is minimaal 1 hectare groot (provincie Noord-Brabant, 2017). Binnen het plangebied is een diversiteit van biotopen en leefgebieden aanwezig en komen waarschijnlijk meerdere muizensoorten voor rond en op de boerderijen. Op basis hiervan betreft het plangebied een potentieel geschikt foerageergebied voor kleine marterachtigen. Er is sprake van mogelijk essentieel foerageerbiotoop dat verloren gaat tijdens de ontwikkeling van het gebied.

Hierdoor kan niet uitgesloten worden dat de werkzaamheden binnen het plangebied leiden tot een verlies aan verblijfplaatsen en geschikt leefgebied voor kleine marterachtigen. De ingreep kan een effect hebben op een deel van het leefgebied van deze kleine marterachtigen hebben, waardoor in het ergste geval holen en of nesten worden vernield. Door de geplande ingreep verdwijnt een groot deel van geschikt leefgebied

27

(<1ha) van de marterachtigen. Vervolgonderzoek naar het voorkomen van kleine marterachtigen dient te worden uitgevoerd om aan te tonen of het plangebied een essentieel leefgebied vormt voor kleine marterachtigen.

5.1.2.4

Algemeen voorkomende zoogdieren Het plangebied is geschikt als leefgebied voor algemeen voorkomende muizensoorten, vos, haas, konijn en egel. Voor deze soorten geldt dat deze door provincie Noord-Brabant voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld van de Wet natuurbescherming (bijlage 3). De omgeving van het plangebied biedt ruim voldoende alternatief leefgebied voor een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. Permanente negatieve effecten door de werkzaamheden worden daarom niet verwacht. De werkzaamheden zelf hebben mogelijk wel een negatief effect op individuen van voorkomende soorten. Kleine zoogdiersoorten kunnen mogelijk worden gedood of vaste rusten verblijfplaatsen worden vernield (Wnb artikel 3.10.1).

5.1.3

Vleermuizen Verblijfplaatsen In de aanwezige bebouwing (Hommelsedijk 4a en b, Nobisweg15), de paardenstal en bijgebouw aan de Hommelsedijk en het elektriciteitshuisje aan de Nobisweg zijn potentiële verblijfplaatsen door de aanwezigheid van ruimtes tussen dakpannen, open stootvoegen, dakranden, scheuren in de muren, enz. Met de voorgenomen sloop van de bebouwing valt daarom op voorhand niet uit te sluiten dat in de gebouwen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Met het slopen en ontwikkeling van de aanwezige bebouwing komen mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen te verdwijnen. Verblijfplaatsen en de functionele leefomgeving van vleermuizen zijn jaarrond beschermd conform artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming en de Europese Habitatrichtlijn, Bijlage IV. Verblijfplaatsen van vleermuizen mogen zonder ontheffing niet opzettelijk beschadigd, verstoord of vernield worden. Omdat door de ingreep meerdere potentiële verblijfsplaatsen verdwijnen, leidt de ingreep mogelijk tot een overtreding van artikel 3.5, lid 4 dient soortgericht onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden, indien er bebouwing gesloopt word. Foerageergebieden en vliegroutes Het plangebied is potentieel geschikt als foerageergebied voor meerdere soorten vleermuizen.

Het verdwijnen van het foerageerhabitat op de onderzoekslocatie zal hiermee naar verwachting geen aantasting van essentieel foerageerhabitat vormen. Daarnaast blijft buiten het plangebied volop kwalitatief foerageergebied aanwezig. Binnen het plangebied kan de aanwezigheid van essentiële vliegroutes niet worden uitgesloten in voornamelijk de noordwestkant van het plangebied. Hier zijn bomenrijen aanwezig langs de Koffiestraat, Dieppoel en de Hommelsedijk. Met de geplande ingreep blijven deze houtopstanden onaangetast, waardoor eventuele effecten op een vliegroute niet aan de orde is. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat het van belang is dat er tijdens de uitvoering van de werkzaamheden en in de toekomstige situatie geen toename van verlichting plaatsvindt ter plaatse van de naastgelegen houtsingels en bomenrijen. Als verstoring van verlichting is te voorkomen dient er vervolgonderzoek uitgevoerd te worden naar de daadwerkelijke aanwezigheid van een vliegroute.

5.1.4

Amfibieën

5.1.4.1

Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker In de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere vijvers aanwezig en zijn strikter beschermde amfibieën bekend uit de literatuur, zoals Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker. De vijvers in de tuin van Nobisweg 15 zijn potentieel geschikt als voortplantingswater en leefgebied (landbiotoop) voor amfibieën. Als deze vijvers op het perceel worden verwijderd dient er vervolgonderzoek te worden uitgevoerd naar Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker.

5.1.4.2

Algemene amfibieën Ook zijn deze vijvers potentieel geschikt voor vrijgestelde soorten groene kikker/bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Voor deze soorten geldt dat deze door provincie Noord-Brabant voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld van de Wet natuurbescherming (bijlage 3). De omgeving van het plangebied

28

biedt ruim voldoende alternatief leefgebied voor een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. Permanente negatieve effecten door de werkzaamheden worden daarom niet verwacht. De werkzaamheden zelf hebben mogelijk wel een negatief effect op individuen van voorkomende soorten. Algemene amfibieën kunnen mogelijk door de werkzaamheden worden gedood of vaste rust- en verblijfplaatsen worden vernield (Wnb artikel 3.10.1).

5.2

Invasieve exoot (Japanse duizendknoop) In de tuin van Nobisweg 15 is een grote groeiplaats aanwezig van Japanse duizendknoop. Dit is geen beschermde soort volgens de Wet natuurbescherming, maar is een invasieve exoot. Gedurende de werkzaamheden kunnen door bijvoorbeeld grondwerken de wortels van deze plant worden verspreid over een gorter gebied, waardoor de plant zich sneller verspreid in de omgeving. Er dient bij de ontwikkeling van Nobisweg 15 een plan bedacht te worden om deze groeiplaats te beheersen en mogelijk te kunnen saneren.

5.3

Beschermde gebieden In de omgeving van het plangebied zijn, zoals beschreven in hoofdstuk 4 beschermde natuurgebieden gelegen. Aangegeven wordt, welke effecten deze gebieden (mogelijk) kunnen ondervinden van de voorgenomen ingrepen.

5.3.1

Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ ligt op een afstand ruim 12,4 km van het plangebied gelegen (tabel 2). Het plan beoogt ter plaatse van en in de directe omgeving van drie voormalige agrarische bedrijven woningbouw te realiseren. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand van de omliggende Natura 2000-gebieden tot het plangebied (het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op een afstand van ruim 12 km) en de ligging van het plangebied in bebouwd gebied, zijn externe effecten zoals veranderingen in waterstanden, licht en geluid op deze afstand uitgesloten. Voor de gebruiksfase en aanlegfase is een stikstofdepositieonderzoek met het rekenprogramma Aerius Calculator uitgevoerd (Kragten, 2022). Met dit onderzoek is aangetoond dat er geen sprake is van een toename van stikstof en dat effecten op voorhand kunnen worden uitgesloten.

5.3.2

Provinciale gebiedsbescherming Uit paragraaf 4.2 blijkt dat het plangebied niet gelegen is binnen het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en de Ecologische verbindingszone (EVZ). Ongeveer 1 km zuidelijk en ongeveer 600 meter noordelijk liggen gebieden die zijn aangewezen als NNB. Het plangebied valt buiten de begrenzing van het NNB en ook is externe werking op de provinciale gebiedsbescherming niet aan de orde. Vervolgstappen in het kader van het NNB zijn daarom ook niet aan de orde.

5.3.3

Houtopstanden Uit paragraaf 4.3 blijkt dat er voor het onderdeel houtopstanden binnen het plangebied een vrijstelling geldt (Artikel 4.1 lid b), waardoor het onderdeel houtopstanden niet aan de orde is. Aan de rand van het plangebied (ten zuiden Hommelsedijk 4b) is een kleine houtopstand aanwezig langs de greppel. Met het huidige stedenbouwkundig ontwerp blijft deze houtopstand behouden. Indien de houtopstand toch wordt gekapt dient er een herbeoordeling worden gemaakt of het onderdeel houtopstanden hiervoor van toepassing is. Zie ook paragraaf 4.3.

29

6

CONCLUSIES Op basis van de resultaten uit dit verkennend flora- en faunaonderzoek, blijkt dat met de voorliggende werkzaamheden negatieve effecten veroorzaakt kunnen worden op een aantal beschermde diersoorten en beschermde gebieden. Voor de verschillende soort(groep)en wordt beschreven welke verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden en in hoeverre dit de realisatie van het voornemen in gevaar kan brengen. Eventueel te treffen vervolgstappen worden daarbij aangegeven. Tot slot is vermeld welke gevolgen de gebiedsbescherming heeft voor de uitvoering van dit project.

6.1

Beschermde soorten Uit de toetsing van de resultaten van het onderzoek aan de Wet natuurbescherming blijkt dat bij uitvoering van de ingreep mogelijk negatieve effecten te verwachten zijn op broedvogels, vleermuizen, amfibieën, en grondgebonden zoogdieren. Daarbij kan aanwezigheid van algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën binnen het plangebied niet worden uitgesloten. Binnen het plangebied is een groeiplaats aanwezig van de invasieve exoot, waar gedurende de werkzaamheden rekening mee moet worden gehouden.

6.1.1

Japanse duizendknoop- - rekening houden op verspreiding met de werkzaamheden Er is een groeiplaats aanwezig van de Japanse duizendknoop (vaatplant en invasieve exoot) in de tuin van Nobisweg 15. Gedurende de werkzaamheden dient rekening worden gehouden dat bij bijvoorbeeld graafwerkzaamheden de soort niet verspreid mag worden.

6.1.2

Huismus – vervolgonderzoek De bebouwing binnen het plangebied valt waarschijnlijk binnen het broedgebied van huismus. De soort is tijdens het veldbezoek ook waargenomen binnen het plangebied. Vervolgonderzoek naar de huismus is dan ook noodzakelijk.

6.1.3

Steenuil– vervolgonderzoek Binnen het plangebied kan de aanwezigheid van een nestplaats en functioneel leefgebied van steenuil territorium aanwezig niet kan worden uitgesloten Hiervoor is soortgericht onderzoek noodzakelijk.

6.1.4

Omgevingsscansoorten en algemene broedvogels – rekening houden met het broedseizoen In gebruik zijnde nesten zijn streng beschermd en mogen daarom niet worden vernield ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming mogelijk. Er dient daarom voorkomen te worden dat in gebruik zijnde nesten van vogels vernield worden bij de werkzaamheden. De werkzaamheden dienen daarom uitgevoerd of op zijn minst aangevangen te worden buiten het broedseizoen van in de omgeving voorkomende broedvogels. Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot half juli. Deze periode is echter afhankelijk van de weersomstandigheden en de betreffende vogelsoort, waardoor het mogelijk kan zijn dat vogelsoorten eerder tot broeden komen binnen het plangebied of langer broeden dan half juli. Als broedtijd van vogels wordt de periode tussen de bouw van het nest en het uitvliegen van de kuikens beschouwd. Indien het niet mogelijk is om te werken buiten het broedseizoen, kan middels een broedvogelschouw onderzocht worden of in gebruik zijnde nesten aanwezig zijn in de vegetaties. Als in gebruik zijnde nesten afwezig zijn, kan de locatie vrijgegeven worden voor de werkzaamheden.

De ontwikkeling van het plangebied leidt mogelijk tot negatieve effecten op algemene broedvogels, zoals het doden of verwonden van vogels (Wnb artikel 3.1 lid1) en het vernielen van nesten of eieren (Wnb artikel 3.1 lid 2). Het is hiernaast mogelijk dat als gevolg van de werkzaamheden vogels verstoord worden (Wnb artikel 3.1 lid 4).

30

6.1.5

Vleermuizen – vervolgonderzoek verblijfplaatsen bebouwing en rekening houden met verlichting Mogelijk hebben meerdere vleermuissoorten een vaste rust- en/of verblijfplaats in de gebouwen die gesloopt gaan worden. Het is van belang om vast te stellen of in het te slopen bebouwing verblijfplaatsen aanwezig zijn. Als het gebouw in gebruik is als verblijfplaats voor vleermuizen, is er bij de sloop van het gebouw sprake van een vernietiging van een vaste verblijfplaats en is een ontheffing van de Wet natuurbescherming vereist (Wnb artikel 3.5 lid 4). Daarbij dienen bij de uitvoering van de werkzaamheden en bij toekomstige inrichting van het gebied negatieve effecten als gevolg van het gebruik van kunstmatige verlichting gericht op de naastgelegen bomen en struiken (noordelijk deel plangebied) voorkomen te worden. Als dit niet mogelijk blijkt is vervolgonderzoek naar vliegroutes noodzakelijk.

6.1.6

Das – vervolgonderzoek verblijfplaatsen en foerageergebied In de directe omgeving van het plangebied is een burchtlocatie aanwezig van de das. Ook zijn waarnemingen bekend op korte afstand tot het plangebied. Aanvullend onderzoek naar burchtlocaties en eventueel foerageergebied is noodzakelijk.

6.1.7

Steenmarter – vervolgonderzoek in te slopen bebouwing De bebouwing binnen het plangebied vormen mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen voor steenmarter. Door de geplande ingreep (sloop) is het mogelijk dat eventueel aanwezige nestplaatsen worden vernietigd. Vervolgonderzoek dient aan te tonen of steenmarters gebruik maken van de aanwezige te slopen bebouwing binnen het plangebied

6.1.8

Kleine marterachtigen – vervolgonderzoek Kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) hebben mogelijk verblijfplaatsen en/of foerageergebied binnen het plangebied. De ingreep kan een effect hebben op een deel van het leefgebied van deze kleine marterachtigen, waardoor in het ergste geval holen en of nesten worden vernield. Door de geplande ingreep verdwijnt waarschijnlijk een deel van geschikt leefgebied van de marterachtigen. Vervolgonderzoek naar kleine marterachtigen dient te worden uitgevoerd om aan te tonen of het plangebied een essentieel leefgebied is van kleine marterachtigen.

6.1.9

Amfibieën – vervolgonderzoek Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker Nobisweg 15 In de tuin aan de Nobisweg 15 is een goed ontwikkelde vijver aanwezig. In de directe omgeving zijn waarnemingen bekend van strikt beschermde amfibieën, zoals Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker. Voor deze soorten dient er vervolgonderzoek te worden uitgevoerd, als de vijver wordt aangetast. Voor de algemene soorten is de algemene zorgplicht van toepassing.

6.1.10

Algemene zorgplicht Het plangebied is geschikt als leefgebied voor algemeen voorkomende zoogdier- en amfibiesoorten. De omgeving van het plangebied biedt ruim voldoende alternatief leefgebied voor een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. Permanente negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden worden daarom niet verwacht. De werkzaamheden zelf hebben mogelijk wel een negatief effect op individuen van voorkomende soorten. Kleine zoogdiersoorten en amfibieën worden mogelijk gedood of vaste rust- en verblijfplaatsen worden mogelijk vernield (Wnb artikel 3.10.1). De mogelijk voorkomende zoogdier- en amfibiesoorten zijn in de provinciale verordening van de provincie Noord-Brabant vrijgesteld van ontheffing voor het vernielen van vaste rust- en verblijfplaatsen. Het doden van individuen van deze soorten blijft verboden, maar het vangen met als doel deze weer elders uit te zetten daarentegen is wel vrijgesteld van ontheffing. Door middel van zorgvuldig handelen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden kan daarom een overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen worden. Dit houdt in dat aangetroffen individuen van de soort verjaagd dienen te worden of gevangen en vrijgelaten dienen te worden in het aanliggend gebied, buiten invloed van de werkzaamheden.

31

6.2

Beschermde gebieden

6.2.1

Natura 2000-gebieden – negatieve effecten uitgesloten Zoals beschreven in hoofdstuk 5 kan worden uitgesloten dat door stikstofdepositie (vermesting en verzuring) in de aanleg- en gebruiksfase negatieve effecten optreden op omliggende Natura 2000-gebieden. Voor de overige verstoringsfactoren geldt dat hiervan geen negatieve effecten te verwachten zijn op omliggende Natura 2000gebieden.

6.2.2

Provinciale gebiedsbescherming – negatieve effecten uitgesloten Het plangebied valt buiten de begrenzing van het NNB. Vervolgstappen in het kader van het NNB zijn daarom ook niet aan de orde.

6.2.3

Houtopstanden – negatieve effecten uitgesloten Alle houtopstanden binnen het plangebied zijn onderdeel van boerenerven en tuinen. Voor dit onderdeel geldt er een vrijstelling geldt (Artikel 4.1 lid b) voor het vellen van Houtopstanden. Het onderdeel houtopstanden binnen de Wnb is niet aan de orde.

32

6.3

Conclusie samengevat In de onderstaande tabel 3 wordt voor de verschillende soort(groep)en beschreven welke verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden en in hoeverre dit de realisatie van het voornemen kan belemmeren. Eventueel te treffen vervolgstappen worden daarbij aangegeven. Tot slot is vermeld welke gevolgen de gebiedsbescherming heeft voor de uitvoering van dit project. Tabel 3. Samenvattende tabel flora en fauna onderzoeken. Soortgroep Effect Invasieve exoot Mogelijke verspreiding door Japanse duizendknoop grondwerken Vogels met jaarrond beschermde nesten Omgevingsscansoorten en algemeen voorkomende broedvogels Das

Doden of verwonden van vogels en/of het vernielen van eieren of nesten door de sloop van bebouwing Doden of verwonden van vogels en/of het vernielen van eieren of nesten Mogelijke verstoring en/of verdwijnen van verblijfplaatsen

Vervolgstappen Er dient rekening worden gehouden met het voorkomen van verspreiding van de soort door bijvoorbeeld grondwerken. Soortgericht onderzoek naar het voorkomen van huismus en steenuil Rekening houden met het broedseizoen (half maart tot half juli).

Steenmarter

Mogelijke verstoring en/of verdwijnen van verblijfplaatsen

Vervolgonderzoek uitvoeren naar mogelijke verblijfplaatsen en foerageergebied. Bij sloop van stallen vervolgonderzoek uitvoeren naar steenmarter

Kleine marterachtigen

Mogelijke verstoring en/of verdwijnen van verblijfplaatsen

Vervolgonderzoek uitvoeren naar het voorkomen van kleine marterachtigen.

Vleermuizen

Mogelijke verstoring en/of verdwijnen van verblijfplaatsen

Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker Algemeen voorkomende amfibieën-, zoogdieren, enz.

Mogelijke verstoring en/of verdwijnen van verblijfplaatsen

Nader onderzoek is nodig naar aanwezige verblijfplaatsen in alle gebouwen die worden gesloopt. Indien laanbomen worden gekapt aan de Koffiestraat, Hommelsedijk en Dieppoel dient vliegroute onderzoek te worden uitgevoerd. Rekening houden met de aanleg van verlichting Vervolgonderzoek naar amfibieën uitvoeren indien vijver aan de Nobisweg 15 wordt aangetast. Inachtneming van de algemene zorgplicht (Artikel 1.11)

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden NNB/EVZ Houtopstanden

De werkzaamheden hebben mogelijk een (tijdelijk) negatief effect op aanwezige algemeen voorkomende amfibieën-, zoogdieren- en leefgebied Effect Geen Geen Geen

Vervolgstappen Geen Geen Voor het kappen van de houtopstanden geldt er voor het onderdeel houtopstanden een vrijstelling

33

7

GERAADPLEEGDE LITERATUUR Chinery, M., 2004. Nieuwe insecten gids. Tirion Natuur, Baarn Diepenbeek, A. van, Twisk, P., 2013. Veldgids, Diersporen. KNNV Uitgeverij, Zeist. Dietz, C. en A. Kiefer, 2017. Veldgids, Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij, Zeist Kragten, 2022. Stikstofdepositieonderzoek woningbouwplan Heeswijk-Dinther Schauer, T., C. Caspari, en S. Caspari, 2016. Nieuwe plantengids voor onderweg. Kosmos Uitgevers, Utrecht. Stumpel, T. en H. Strijbosch 2017. Veldgids, Amfibieën en reptielen. KNNV Uitgeverij, Zeist Svensson, L., 2016. ANWB-vogelgids van Europa. ANWB B.V., Den Haag Twisk, P., A. van Diepenbeek en J.P. Bekker, 2016. Veldgids Europese zoogdieren. Stichting Uitgeverij KNNV, Zeist. Nationale Databank Flora en Fauna Nationale Databank Flora en Fauna: gegevensexport op 21-11-2022 Websites www.floron.nl www.minez.nederlandsesoorten.nl www.overheid.nl www.nvwa.nl www.ravon.nl www.rijksoverheid.nl www.sovon.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuis.net www.vlinderstichting.nl www.vogelbescherming.nl www.zoogdiervereniging.nl www.brabant.nl www.bernheze.nl

34

BIJLAGEN

B1 NATUURBESCHERMING In deze bijlage vindt een beknopte toelichting plaats op de bescherming van planten- en diersoorten en Natura 2000-gebieden onder de Wet natuurbescherming. Daarnaast wordt een korte toelichting gegeven op beschermde natuur die valt onder het Natuurnetwerk Nederland, welke is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Daarnaast wordt aangegeven of sprake is van provinciale gebiedsbescherming binnen of nabij het plangebied.

B1.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is van kracht sinds 1 januari 2017 en regelt zowel de bescherming van planten- en diersoorten, als de bescherming van Natura 2000-gebieden en houtopstanden. Daarmee vervangt de Wet natuurbescherming de inmiddels vervallen Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Op grond van de Wet natuurbescherming zijn aan Gedeputeerde Staten van de provincies diverse bevoegdheden toegekend. De provincies zijn met ingang van de Wet natuurbescherming (in de meeste gevallen) bevoegd gezag voor ontheffingen, vergunningen en meldingen op grond van deze wet. De provincies hebben allen voor hun eigen provincie de bevoegdheden uitgewerkt in verordeningen of beleidsregels. In de provinciale regelingen komen de volgende thema’s aan de orde: faunabeheer, jacht, schadebestrijding, vrijstelling soorten, gebiedsbescherming, houtopstanden en natuurbeleid. Voor zover relevant, is in de onderstaande paragrafen aandacht besteed aan de provinciale uitwerking van de Wet natuurbescherming.

B1.1.1 Bescherming planten- en diersoorten Bescherming op grond van de Wet natuurbescherming Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van planten- en diersoorten. De wet maakt onderscheid tussen drie beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Vogelrichtlijnsoorten Voor Vogelrichtlijnsoorten zijn de relevante verbodsbepalingen, in het kader van een verkennend flora- en faunaonderzoek, opgenomen in artikel 3.1. Op grond van dit artikel is het verboden: Opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels te doden of te vangen. Opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Opzettelijk vogels te verstoren. Dit verbod is alleen van toepassing wanneer hierdoor een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding optreedt. Een ontheffing van de verbodsbepalingen voor Vogelrichtlijnsoorten kan worden verleend door Gedeputeerde Staten. Provinciale Staten hebben onder deze wet de bevoegdheid gekregen tot het verlenen van vrijstellingen, opgenomen in provinciale verordeningen. Ontheffingen of vrijstellingen worden alleen verleend wanneer is aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn en wanneer sprake is van (o.a.) een belang: In het kader van volksgezondheid of openbare veiligheid.

In het kader van de veiligheid van het luchtverkeer. In het kader van bescherming van flora en fauna. Daarbij wordt tevens getoetst of de staat van instandhouding van de soort niet verslechtert. Nest- en rustplaatsen van vogels – jaarrond beschermde nesten Voor een aantal vogelsoorten geldt dat het nest ook buiten het broedseizoen beschermd is. Hiertoe is door het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in 2009 een indicatieve lijst met soorten opgesteld. De provincies Limburg en Overijssel hebben hiervoor inmiddels eigen beleid ontwikkeld. Voor de andere 10

B1-1

provincies geldt dat de opgestelde lijst door het Ministerie van LNV gehanteerd wordt. Hierbij zijn vijf categorieën vaste nesten te onderscheiden: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, daarbuiten in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (bijvoorbeeld steenuil). 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De fysieke voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (bijvoorbeeld roek, gierzwaluw, huismus). 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die (vrijwel) elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De fysieke voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (bijvoorbeeld ooievaar, kerkuil, slechtvalk). 4. Nesten van vogels die jaar in, jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (bijvoorbeeld boomvalk, buizerd, ransuil). 5. Nesten van vogels die vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar tevoren hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (bijvoorbeeld oeverzwaluw, ekster en groene specht).

Een omgevingscheck door een deskundige dient uit te wijzen of in de omgeving voldoende gelegenheid is om zelfstandig een nieuw nest te bouwen of te zoeken. Habitatrichtlijnsoorten De relevante verbodsbepalingen, in het kader van een verkennend flora- en faunaonderzoek, voor Habitatrichtlijnsoorten zijn opgenomen in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Dit artikel stelt een verbod op het: Opzettelijk doden of vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IVonderdeel a van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern of bijlage I van het verdrag van Bonn. Opzettelijk verstoren van dieren van genoemde soorten. Opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren van genoemde soorten. Opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren van genoemde soorten. Opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV-onderdeel b van de Habitatrichtlijn, bijlage I van het Verdrag van Bern. Ook voor de verbodsbepalingen voor Habitatrichtlijnsoorten kunnen Gedeputeerde Staten een ontheffing verlenen en kunnen Provinciale Staten bij verordening vrijstellingen verlenen.

Ontheffingen of vrijstellingen worden alleen verleend, wanneer is aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn en wanneer sprake is van (o.a.) een belang: In het kader van bescherming van flora en fauna of de instandhouding van natuurlijke habitats. In het kader van volksgezondheid, openbare veiligheid of andere redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Daarbij wordt tevens getoetst of er afbreuk gedaan wordt aan het streven om de populaties binnen het natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Andere soorten Tot slot zijn een aantal planten- en diersoorten in de Wet natuurbescherming aangewezen als nationaal beschermde soorten. Deze soorten zijn alleen beschermd op grond van de Nederlandse wet en zijn niet genoemd in Europese richtlijnen of verdragen. De relevante verbodsbepalingen, in het kader van een verkennend flora- en faunaonderzoek, voor de nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.10 van de wet. Het is verboden: Opzettelijk in het wild levende dieren van de nationaal beschermde soorten te doden of te vangen. Opzettelijk vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren van nationaal beschermde soorten te beschadigen of vernielen.

B1-2

-

Opzettelijk planten van de nationaal beschermde soorten te plukken, verzamelen, af te snijden, ontwortelen of te vernielen.

Wederom is Gedeputeerde Staten bevoegd ontheffing te verlenen van de verbodsbepalingen en kunnen Provinciale Staten bij verordening vrijstellingen verlenen. Hiervoor gelden dezelfde regels als voor Habitatrichtlijnsoorten, waarbij de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling aanvullend ook verband kan houden met (o.a.): Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van een gebied en het daaropvolgend gebruik van het gebied. Bestendig beheer of onderhoud in landbouw en bosbouw. Bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen of in het kader van natuurbeheer. Bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een gebied. Algemeen belang. Daarbij wordt tevens getoetst of er afbreuk gedaan wordt aan het streven om de populaties binnen het natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

Gedragscodes De verboden die in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 zijn neergelegd, zijn niet van toepassing wanneer wordt gehandeld volgens een door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode. Gedragscodes kunnen worden opgesteld voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud, bestendig gebruik en ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Toepassing van een goedgekeurde gedragscode waarborgt dat zorgvuldig wordt gehandeld.

Provinciale verordeningen Op grond van de Wet natuurbescherming hebben Provinciale Staten de bevoegdheid om in provinciale verordeningen algemene vrijstellingen te verlenen van de verbodsbepalingen genoemd in de wet. Van deze bevoegdheid hebben de verschillende provincies gebruik gemaakt. Dit betekent, dat de bescherming die soorten genieten, kan verschillen tussen provincies. De consequenties van de verordening van de provincie NoordBrabant voor de bescherming van planten- en diersoorten zijn hieronder kort beschreven. De provincie Noord-Brabant heeft de Verordening natuurbescherming vastgesteld. In hoofdstuk 3 van deze verordening zijn vrijstellingen opgenomen voor beschermde soorten. Voor verschillende nationaal beschermde diersoorten verleent Provinciale Staten vrijstelling van het verbod op het vangen van dieren en het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen van dieren ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud (zie bijlage 3). Deze vrijstellingen gelden alleen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. De verordening stelt daarnaast dat het opzettelijk verontrusten van overwinterende ganzen in door GS aangewezen ganzenrust- en foerageergebieden moet worden beschouwd als van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de ganzensoort.

B1.1.2 Bescherming natuurgebieden Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijngebieden). Deze gebieden vormen, samen met Natura 2000-gebieden in andere Europese landen, een samenhangend geheel van natuurgebieden voor behoud, ontwikkeling en herstel van de Europese biodiversiteit. In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. De ecologische doelen (instandhoudingsdoelstellingen) die in deze gebieden worden nagestreefd, zijn vastgelegd in de Aanwijzingsbesluiten. In paragraaf 2.3 van de Wet natuurbescherming zijn regels opgenomen voor de beoordeling van effecten van plannen, projecten en andere handelingen op Natura 2000-gebieden.

B1-3

Voor het realiseren van projecten of verrichten van andere handelingen – ongeacht of zij plaatsvinden binnen of buiten de begrenzing van een Natura 2000-gebied – is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming nodig, wanneer zij de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen of de habitattypen van soorten kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor het gebied is aangewezen. De instandhoudingsdoelstellingen die voor het gebied zijn opgesteld zijn leidend bij de beoordeling van de effecten. Gedeputeerde Staten van de provincie zijn bevoegd om een vergunning te verlenen voor projecten die kunnen leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Bij vergunningaanvraag dient de initiatiefnemer een zogenaamde “passende beoordeling” in te dienen. Vergunning wordt verleend, wanneer uit deze passende beoordeling blijkt dat de natuurlijke kenmerken van het gebied met zekerheid niet worden aangetast óf wanneer, indien wel sprake is van aantasting van de natuurlijke kenmerken, wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: Er zijn geen alternatieve oplossingen. Er is sprake van dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. Er worden compenserende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-gebied behouden blijft.

B1.1.3 Bescherming houtopstanden Tot slot regelt hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming de bescherming van houtopstanden. Het hoofdstuk ziet alleen toe op houtopstanden van minimaal 10 are of rijbeplantingen van meer dan twintig bomen, gelegen buiten de door de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Houtopstanden op erven en in tuinen, fruitbomen, windschermen om boomgaarden, kerstbomen en kweekgoed en populieren- en wilgenopstanden langs (water)wegen en landbouwgronden en ten behoeve van biomassaproductie (onder voorwaarden) vallen niet onder de werking van de Wet natuurbescherming. Kap van (delen van) houtopstanden dient vooraf gemeld te worden bij Gedeputeerde Staten. De provincie stelt bij verordening eisen aan de manier waarop deze melding moet worden gedaan. De gevelde houtopstand moet binnen drie jaar na kap worden herplant op deze locatie. Ook aan de wijze van herplant kunnen provincies bij verordening eisen stellen. Tevens kunnen provincies vrijstelling verlenen van de herplantplicht. Daarnaast stellen gemeenten veelal aanvullende regels op ten aanzien van de kap van bomen (kapvergunningplicht). Deze regels betreffen meestal alleen de kap van bomen binnen de bebouwde kom en/of de kap van waardevolle of monumentale bomen.

B1.2 Provinciale gebiedsbescherming Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)), is een netwerk van in Nederland bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Hierin is onder andere opgenomen dat provincies het opgestelde rijksbeleid verder vorm moeten geven via een provinciale verordening en daarbij verdere verantwoording dragen voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Binnen de provincie Noord-Brabant is deze begrenzing uitgewerkt in Verordening Ruimte 2014. Op grond van artikel 2.10.3 Barro zijn door de provincies de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNNgebieden vastgelegd, welke erop gericht zijn de gebieden te ontwikkelen, herstellen en behouden. Tevens geldt er een algemeen beschermingsregime voor NNN-gebieden (artikel 2.10.4 Barro). Dit betreft het ‘nee, tenzij'regime. Volgens dit regime dient allereerst vastgesteld te worden of de geplande ingreep significant negatieve effecten heeft op de in het NNN-gebied aanwezige wezenlijke kenmerken en waarden, en of de geplande ingreep leidt tot een significante vermindering van de oppervlakte van of samenhang tussen gebieden. Wanneer dit zo is, geldt in principe dat de ingreep geen doorgang kan vinden.

Uitzondering geldt alleen voor ingrepen waarbij sprake is van groot openbaar belang, ingrepen waarbij geen reële alternatieven voor de plannen beschikbaar zijn en wanneer de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, de oppervlakte en de samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit et al., 2007).

B1-4

B2 JAARROND BESCHERMDE VOGELNESTEN In onderstaande tabel zijn de jaarrond beschermde vogelnesten in de provincie Noord-Brabant opgenomen. Nederlandse naam

Bescherming

Nederlandse naam

Bescherming

Boomvalk

Categorie 4

Ekster

Categorie 5

Buizerd

Categorie 4

Gekraagde roodstaart

Categorie 5

Gierzwaluw

Categorie 2

Glanskop

Categorie 5

Grote gele kwikstaart

Categorie 3

Grauwe vliegenvanger

Categorie 5

Havik

Categorie 4

Groene specht

Categorie 5

Huismus

Categorie 2

Grote bonte specht

Categorie 5

Kerkuil

Categorie 3

Hop

Categorie 5

Oehoe

Categorie 3

Huiszwaluw

Categorie 5

Ooievaar

Categorie 3

IJsvogel

Categorie 5

Ransuil

Categorie 4

Kleine bonte specht

Categorie 5

Roek

Categorie 2

Kleine vliegenvanger

Categorie 5

Slechtvalk

Categorie 3

Koolmees

Categorie 5

Sperwer

Categorie 4

Kortsnavelboomkruiper

Categorie 5

Steenuil

Categorie 1

Oeverzwaluw

Categorie 5

Wespendief

Categorie 4

Pimpelmees

Categorie 5

Zwarte wouw

Categorie 4

Raaf

Categorie 5

Blauwe reiger

Categorie 5

Ruigpootuil

Categorie 5

Boerenzwaluw

Categorie 5

Spreeuw

Categorie 5

Bonte vliegenvanger

Categorie 5

Tapuit

Categorie 5

Boomklever

Categorie 5

Torenvalk

Categorie 5

Boomkruiper

Categorie 5

Zeearend

Categorie 5

Bosuil

Categorie 5

Zwarte kraai

Categorie 5

Brilduiker

Categorie 5

Zwarte mees

Categorie 5

Draaihals

Categorie 5

Zwarte roodstaart

Categorie 5

Eidereend

Categorie 5

Zwarte specht

Categorie 5

Categorieën 1: Jaarrond gebruikte nesten (steenuil) 2: Zeer honkvaste koloniebroeders of afhankelijk bebouwing 3: Zeer honkvaste broeders of afhankelijk bebouwing (geen kolonie) 4: Vogels die ieder jaar terugkeren naar specifiek nest 5: Honkvaste broeders, maar voldoende flexibel

B2-1

B3 PROVINCIALE VRIJSTELLING Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Ten behoeve van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud heeft de provincie Noord-Brabant een vrijstelling verleend voor de soorten zoals opgenomen in de onderstaande tabel. Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Periode vrijstelling

Aardmuis

Microtus agrestis

Onbeperkt

Bosmuis

a sylvaticus

Onbeperkt

Dwergmuis

Micromys minutus

Onbeperkt

Dwergspitsmuis

a minutus

Onbeperkt

Egel

Erinaceus europaeus

Onbeperkt

Gewone bosspitsmuis

Sorex araneus

Onbeperkt

Haas

Lepus eauropaeus

Onbeperkt

Huisspitsmuis

Crocidura russula

Onbeperkt

Konijn

Oryctolagus cuniculus

Onbeperkt

Ondergrondse woelmuis

Microtus subterraneus

Onbeperkt

Ree

Capreolus capreolus

Onbeperkt

Rosse woelmuis

Myodes glareolus

Onbeperkt

Tweekleurige bosspitsmuis

Sorex coronatus

Onbeperkt

Veldmuis

Microtus arvalis

Onbeperkt

Vos

Vulpes vulpes

Onbeperkt

Wild zwijn

Sus scrofa

Onbeperkt

Woelrat

Arvicola amphibius

Onbeperkt

Bruine kikker

Rana temporaria

Onbeperkt

Gewone pad

Bufo bufo

Onbeperkt

Kleine watersalamander

Lissotriton vulgaris

Onbeperkt

Meerkikker

Rana ridibunda

Onbeperkt

Middelste groene kikker

Rana esculenta

Onbeperkt

Zoogdieren

Amfibieën

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=4f41bb3b-eaf5-42d4-a5ce-0db87b38a846