CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

TAMIMRO Mozartlaan-Verdilaan vastgesteld

Commissie Ruimte en Leefbaarheid 13 januari 2026, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststelling TAM-omgevingsplan ‘Hoofdstuk 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong. Heesch’34.362 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Bij de beoordeling vindt een afweging plaats tussen het beschermen van de fysieke leefomgeving en het benutten van een locatie. Daarbij houdt de gemeente rekening met alle betrokken belangen. Trillingen zijn aanvaardbaar als de standaardwaarden uit de artikelen 5.87 en 5.87a van het Bkl worden overgenomen (conform artikel 5.86 Bkl). In dat geval is een beperkte motivering van aanvaardbaarheid nodig. Bij het afwijken van de standaardwaarde op basis van artikel 5.86, lid 2, van het Bkl is een uitgebreidere motivering nodig. Uitgezonderd van de instructieregels in het Bkl zijn: • Trillinggevoelige gebouwen op een industrieterrein waarvoor een geluidproductieplafond is ingesteld (artikel 5.79, lid 2, onder a, Bkl); • De activiteit wonen; • Verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Er gelden hiervoor geen instructieregels van het Rijk. Echter, bij de ruimtelijke inpassing van trillinggevoelige functies dichtbij een (spoor)weg speelt het aspect trillingen wel een rol in het kader van artikel 4.2 van de Omgevingswet, ‘Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Zo veroorzaakt verkeer over een oneffen wegdek trillingen. Bij het passeren van vooral zware voertuigen, zoals vrachtwagens en bussen, kunnen trillingen ontstaan met een kortdurend karakter.

De aard van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig en de belading, de rijsnelheid en de vorm van de oneffenheden, zoals bij een brug. Ook treinverkeer (vooral goederenvervoer) kan leiden tot trillingen in trillinggevoelige gebouwen. Indien dit het geval is moet bezien worden of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies en zo niet, welke maatregelen eventueel getroffen kunnen worden. In deze situaties kan het bevoegd gezag gebruikmaken van de SBR-richtlijn. 6.7.2 Verantwoording Het planvoornemen maakt geen trillinggevoelige bebouwing waarin trillinggevoelige ruimten zijn geprojecteerd mogelijk. Trillingen afkomstig van (spoor)wegen of activiteiten vormen daarom geen belemmering voor het planvoornemen of andersom voor de bron. Het planvoornemen betreft ook geen activiteit die trillingen veroorzaakt, waardoor het planvoornemen wat dit betreft niet belemmerend is voor de omgeving. Trillingen door activiteiten vormen dan ook geen belemmering voor het planvoornemen. 6.7.3 Conclusie Trillingen door activiteiten vormen geen belemmering voor het planvoornemen. Ook trillingen van

TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 69 van 88

(spoor)wegen vormen geen belemmering voor het planvoornemen. Het planvoornemen vormt geen belemmering voor trillinggevoelige bebouwing waarin trillinggevoelige ruimten zijn geprojecteerd. 6.8

Bodem

6.8.1 Vitaliteit en historische verontreiniging Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl opgenomen. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, waarbij drie basisvormen van bodemgebruik worden onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De instructieregels regelen dat de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Bkl, het Bal en in de bruidsschat.

Het gaat om regels over: - nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel 5.89n Bkl); - graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal); - activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (subparagraaf 22.3.7.3 bruidsschat). Bij de wijziging van functies geldt dat aannemelijk moet zijn dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Voor de locatie is door Van Oort Bodemonderzoek een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het uitgevoerde onderzoek heeft plaatsgehad voordat de Omgevingswet in werking is getreden en is gebaseerd op wetgeving die inmiddels in de Omgevingswet is opgegaan. Onder de Omgevingswet zijn de normwaarden niet veranderd, ze hebben alleen een andere benaming gekregen. Met die reden is het uitgevoerde onderzoek voor het planvoornemen dat via dit omgevingsplan voor de locatie wordt mogelijk gemaakt nog steeds bruikbaar. Het onderzoek is bijgevoegd bij deze motivering (bijlage 3) en kent de navolgende samenvatting en advies. “Op de locatie aan de Mozartlaan (ong) te Heesch is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in verband met een bestemmingswijziging en nieuwbouw. Kadastraal staat de locatie bekend als; gemeente Heesch, sectie B, nummer 6429, 6431, 7755 (ged).

De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 4.200 m2. Het algemeen doel van het onderzoek is het vastleggen van de kwaliteit van grond en grondwater en te beoordelen of er met betrekking tot de bodemkwaliteit bezwaren zijn tegen een woonbestemming en nieuwbouw. Bij de uitvoering van het onderzoek is gebruik gemaakt van de NEN 5725 en NEN 5740. De strategie van het onderzoek is afgestemd op het vooronderzoek (historie). Gebruik is gemaakt van de onderzoeksopzet voor een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL). Het veldwerk is uitgevoerd op basis van de BRL SIKB 2000. De analyses (AS3000) zijn uitgevoerd door SGS Environmental Analytics BV uit Rotterdam. Zintuiglijk zijn tijdens de veldwerkzaamheden in de bodem geen verontreinigingen of andere bijzonderheden waargenomen. Met laboratoriumonderzoek is aangetoond dat de bovengrond niet TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 70 van 88

verontreinigd is (<Aw). De ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met PAK (>Aw). Het grondwater is niet verontreinigd (<Sw). Ter plaatse van de parkeerplaats met rijbaan is beneden het cunetzand van de klinker- en tegelverharding menggranulaat aangetroffen. Deze puinfundatie is aangebracht in 2015. Gezien het asbestverbod van 1993 en de toen al geldende wet- en regelgeving van het Besluit bodemkwaliteit (vanaf 2008) mag aangenomen worden deze niet asbesthoudend is. De resultaten van het onderzoek geven geen directe aanleiding tot een vervolgonderzoek. Voor de puinfundatie geldt dat alleen met een asbestonderzoek conform NEN 5897 (puingranulaat) de aan- of afwezigheid van asbest kan worden aangetoond. Met inachtneming van de aanwezige puinfundatie behoeft de bodemkwaliteit naar ons inziens geen belemmering te vormen voor een woonbestemming en het verlenen van een omgevingsvergunning. Geadviseerd wordt de resultaten van het bodemonderzoek voor te leggen aan de gemeente Bernheze. Als onderzoeksbureau hebben we een adviserende taak. Het bevoegd gezag bepaald of het onderzoek volstaat en/of aanvullend onderzoek noodzakelijk is.” De gemeente Bernheze is bevoegd gezag, het onderzoeksbureau heeft slechts een adviserende taak. Het bevoegd gezag bepaalt dan ook of het onderzoek volstaat en/of aanvullend onderzoek noodzakelijk is.

Het bevoegd gezag heeft het uitgevoerde verkennende bodemonderzoek beoordeeld en heeft hiermee ingestemd. Sprake is van een voor de toekomstige functie geschikte bodemkwaliteit. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het wijzigen van het omgevingsplan ten behoeve van het planvoornemen. 6.8.2 Explosieven en oorlogsresten Ontplofbare oorlogsresten zijn niet-gesprongen explosieven en andere munitie, bijvoorbeeld uit de Eerste of Tweede Wereldoorlog. Ze leveren een gevaar op als ze verplaatst of aangeraakt worden bij graaf- of baggerwerkzaamheden. Voor ontplofbare oorlogsresten zijn geen Rijksregels opgenomen in de Omgevingswet. De Omgevingswet verplicht gemeenten ook niet tot het opstellen van regels voor ontplofbare oorlogsresten. De Omgevingswet biedt decentrale overheden wel de mogelijkheid zelf decentrale regels op te stellen voor de fysieke leefomgeving, zoals voor ontplofbare oorlogsresten. De gemeente Bernheze heeft geen eigen beleid voor ontplofbare oorlogsresten, maar stimuleert initiatiefnemers actief om hiernaar indien nodig onderzoek uit te voeren en eventuele in de bodem aanwezige niet-gesprongen explosieven op te ruimen. Voor het planvoornemen is geen onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd. Het is mogelijk dat op de locatie toevalsvondsten worden gedaan.

Bij het vinden van een artikel wat er uit ziet als een explosief of munitie is het protocol om werkzaamheden te stoppen en iedereen lopend het werkterrein te laten verlaten (i.v.m. trillingen door voertuigen en machines) en de politie te bellen op 0900-8844. De Explosieven Verkenner (EV) of Team Explosieven Veiligheid (TEV) van de politie komt op de locatie beoordelen of het om munitie gaat die moet worden geruimd. Zo ja, schakelt deze de Explosieven Opruimingsdienst van Defensie (EODD) in. Zo nee, dan kunnen werkzaamheden worden hervat. 6.9 Natuur 6.9.1 Bescherming van habitats Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Zo is het conform artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Omgevingswet verboden om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt: 1.

niet voor een Natura 2000-activiteit in gevallen aangewezen in een omgevingsverordening; 2. in gevallen aangewezen in een omgevingsverordening niet voor zover het gaat om gevolgen die samenhangen met een bij de omgevingsverordening bepaalde factor die een daarbij bepaalde drempel niet overschrijdt. TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 71 van 88

De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. De locatie is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Rijntakken dat op een afstand van 13 kilometer van de locatie is gelegen. Derhalve is het aannemelijk dat door het planvoornemen geen sprake is van optische verstoring, verlies van oppervlakte, verdroging, vernatting, vermesting en dergelijke van Natura 2000-gebieden. Wel kan eventuele door het planvoornemen vrijkomende stikstof effect hebben op Natura 2000-gebieden. Met die reden zijn aeriusberekeningen uitgevoerd voor zowel de aanleg- als gebruiksfase van het planvoornemen. De berekeningen met bijbehorende toelichting maken als bijlage 5 onderdeel uit van deze motivering. Uit de berekeningen blijkt dat zowel in de aanleg- als gebruiksfase geen sprake is van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied.

Uit voorgaande blijkt dat er geen vergunningplicht voor een Natura 2000-activiteit aan de orde is. Bescherming van habitats vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 6.9.2 Bescherming van soorten In de Omgevingswet wordt de bescherming en instandhouding van beschermde flora- en fauna die in het wild voorkomen geregeld. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden door het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Bij ingrepen in de fysieke leefomgeving moet daarom nagegaan worden of sprake is van een 'Activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten' (een flora- en fauna activiteit). Door deze strikte formulering moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: - er soorten aanwezig zijn; - welke soorten dat zijn, en; - in hoeverre deze soorten kunnen worden aangetast. In artikel 11.27 van het Bal is opgenomen dat degene die een flora- en fauna-activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen (bedoeld in artikel 11.23 Bal) is verplicht: a.

alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, en; c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Om te bepalen of het planvoornemen een activiteit betreft met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten is door adviesburo Eceau een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage 6 bij deze motivering gevoegd en kent de navolgende samenvatting en conclusie: “Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling aan de Mozartlaan en Verdilaan te Heesch is een ecologische quickscan uitgevoerd. Het herontwikkelen van een parkeerterrein tot een appartementengebouw en parkeerterrein, en alle bijbehorende werkzaamheden leiden, behoudens algemene broedvogels en vrijgestelde soorten, niet tot aantasting van functionele leefomgevingen en vaste rust- en/of verblijflocaties van beschermde soorten, beschermde gebieden of houtopstanden. • Ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren is enkel de Algemene Zorgplicht van toepassing TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 72 van 88

• • • • • • • •

Vleermuizen passeren en foerageren aannemelijk op of rondom de locatie en worden door (foutief toegepaste) bouwverlichting mogelijk verstoord. Ten aanzien van overige gebiedsfuncties zijn geen maatregelen benodigd Ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en/of leefgebieden zijn geen verdere maatregelen of vervolgstappen benodigd Ten aanzien van algemene vogels kunnen broedsels en nesten verstoord worden gedurende het broedseizoen Ten aanzien van algemene amfibieën wordt de aanwezigheid van vrijgestelde soorten verwacht, voor deze soorten dient de Algemene Zorgplicht in acht genomen te worden Voor vlinders, libellen, ongewervelde, reptielen en vissen met een beschermde status krachtens het Besluit activiteiten leefomgeving is geen geschikt leefgebied aanwezig Standplaatsen en geschikte omstandigheden ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn niet aangetroffen Er is geen sprake van effecten op houtopstanden onder bescherming van de Omgevingswet Gelet op de afstand tot beschermde gebieden, de aard van de werkzaamheden, de genomen maatregelen en de tussengelegen inrichting van het gebied worden geen (negatieve) effecten verwacht

Conclusie Er zijn geen aanleidingen aangetroffen die het noodzakelijk maken dat vervolgstappen of aanvullend onderzoek uitgevoerd moet worden. Voor een aantal soorten is het voldoende als er tijdens de uitvoering rekening wordt gehouden met de eventuele aanwezigheid daarvoor gelden de navolgende maatregelen: - Voor vleermuizen dient rekening gehouden te worden met mogelijk foeragerende of passerende individuen middels het juist toepassen van bouwverlichting óf door te werken buiten de schemerende en donkere dagdelen indien in de periode april t/m oktober gewerkt wordt. Voorbeelden van juiste verlichting: amber-/roodkleurige verlichting, beperkte hoogte van lichtmasten en verlichting naar beneden gericht en convergeren; - In verband met de potentie voor algemene vogelsoorten zoals zwarte roodstaart, turkse tortel en overige kleine zangvogels werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren, buiten medio maart t/m medio juli. Indien de werkzaamheden opgestart en uitgevoerd worden binnen het broedseizoen dient de locatie ongeschikt gemaakt te worden alvorens de aanvang van het broedseizoen. Indien nodig kan ook binnen het broedseizoen gewerkt worden door de planlocatie vlak voorafgaand aan de werkzaamheden te laten controleren op de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten; - Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (puin, takken, stronken) gefaseerd verwijderen.

Dit om dieren die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te laten verplaatsen naar een schuilplaats buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden; - In het kader van de Algemene Zorgplicht dient voorzichtig gehandeld te worden met alle aanwezige flora en fauna.” Uit voorgaande blijkt dat geen sprake is van een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Soortenbescherming vormt derhalve geen belemmering voor het planvoornemen. 6.10 Toegankelijkheid van de openbare (buiten)ruimte Voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, wordt in het omgevingsplan rekening gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking (artikel 5.162 toegankelijkheid openbare buitenruimte). Het planvoornemen bevat openbare buitenruimte. Hierop zijn de toegankelijkheidseisen ingevolge artikel 5.162 van toepassing. Deze eisen zullen bij de verdere uitwerking van het planvoornemen meegenomen worden. 6.11 Water We wegen het belang van het water- en bodemsysteem in ruimtelijke afwegingen. Dat is belangrijk om het gebied minder kwetsbaar te maken voor klimaatverandering, en voor een gezonde en veilige leefomgeving voor inwoners van de gemeente Bernheze.

De Omgevingswet stelt in het Besluit kwaliteit TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 73 van 88

leefomgeving (Bkl) dat bij het vaststellen van een omgevingsplan het waterbelang moet worden gewogen. Bij de totstandkoming van het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De opvattingen van de waterbeheerder moeten daarbij worden betrokken. Bij het wegen van het waterbelang wordt de waterbeheerder benaderd voor een proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten die worden meegewogen zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. Het wegen van het waterbelang heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij het wegen van het waterbelang. Toetsing van de waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. 6.11.1 Waterkwaliteit Voor de waterkwaliteit van krw-waterlichamen, grondwaterlichamen en waterwinlocaties zijn door het Rijk omgevingswaarden vastgesteld in het Bkl (afd 2.2.2). Als het omgevingsplan invloed heeft op de waterkwaliteit van deze waterlichamen, moet hierop getoetst worden. Met het planvoornemen wordt nieuwe bebouwing toegevoegd. Ook is sprake van een nieuwe terreininrichting.

Er zal in de toekomstige situatie van meer bebouwing en verharding sprake zijn dan in de huidige situatie. Omdat op de locatie geen gebruik wordt gemaakt van (bouw)materialen die een uitlogende werking hebben heeft dit omgevingsplan geen invloed op de waterkwaliteit. Geen sprake is van andere activiteiten die invloed hebben op de waterkwaliteit. 6.11.2 Waterkwantiteit Goede riolering is nodig voor de bescherming van de volksgezondheid, het milieu en het tegengaan van wateroverlast. De gemeente Bernheze heeft de taak om voor die riolering te zorgen. Dat houdt in zorgen voor: • Stedelijk afvalwater • Afvloeiend hemelwater • Grondwatermaatregelen Het Gemeentelijke Rioleringsplan (GRP) 2020 tot en met 2023, en vanaf 2024 het Programma Omgevingswet Water & Riolering (POW&R), geeft aan hoe Bernheze met deze drie zorgplichten omgaat. Bernheze neemt doelmatige maatregelen om de leefomgeving aan te passen aan het veranderend klimaat. Daarnaast staat in het programma dat klimaatacceptatie en een gedragsverandering noodzakelijk is waarbij geaccepteerd moet worden dat extreme weersomstandigheden toenemen. Er zullen situaties voorkomen die ondanks alle doelmatige (klimaat)maatregelen nog steeds voor overlast zullen zorgen (denk aan hitte, droogte, wateroverlast en de kans op overstromingen).

In het Programma Omgevingswet Water & Riolering staat omschreven dat de gemeente Bernheze een niet-verplichtende - verwachting uitspreekt dat inwoners van de gemeente hemelwater zoveel mogelijk zelf opvangen en bergen. De hydrologische uitgangspunten van de Brabantse waterschappen zoals bovenstaand omschreven worden door de gemeente Bernheze in principe nageleefd maar zijn niet leidend; de gemeente Bernheze is het bevoegde gezag aangaande het verwerken van hemelwater. De ondergrens van de toename van het verharde oppervlak met 500 m2, waarbij volgens de Keur van de Brabantse waterschappen geen compensatie noodzakelijk wordt geacht, wordt door de gemeente Bernheze bijvoorbeeld niet gehanteerd. In Bernheze geldt conform het ‘Gemeentelijk Rioleringsplan 2020 t/m 2023’ dat bij (her)ontwikkeling in de vorm van ver- of nieuwbouw het gehele plan aan 70 mm berging dient te voldoen. Naast het Programma Omgevingswet Water & Riolering heeft de gemeente op 1 november 2021 de ‘Verordening fysieke leefomgeving’ vastgesteld. Hierin is met betrekking tot het onderwerp hemelwater opgenomen dat van de hemelwaterbergingsopgave (70 mm per m2 verharding) minimaal 20 mm berging op eigen terrein gerealiseerd worden. Door Amitec is op basis van het hierboven benoemde beleid en bijbehorende uitgangspunten een watertoets uitgevoerd. Deze is als bijlage 7 aan deze motivering toegevoegd.

Uit deze watertoets blijkt dat de hemelwateropgave op de locatie kan worden opgelost (infiltratiekratten en eventueel een groen dak). Er is voldoende ruimte en de omstandigheden (GHG en waterdoorlatendheid bodem) zijn eveneens TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 74 van 88

toereikend. Voor wat betreft het wateraspect is dan ook sprake van een haalbaar plan. De uiteindelijke hemelwaterbergingsvoorziening dient bij de uitwerking van het bouwplan nog wel gedetailleerd uitgewerkt te worden. Een watervergunning is niet nodig. 6.11.3 Extreem weer en klimaatverandering Onderdeel in de afweging van planvoornemens is of een locatie in het kader van droogte, hitte, overstromingsrisico en wateroverlast geschikt is of anders geschikt is te maken. Op as50.klimaatmonitor.net is inzichtelijk wat hoe de locatie er op deze gebieden voor staat. Droogte Droogte wordt uitgedrukt in de gemiddeld laagste grondwaterstand. Droogte is aan de orde als sprake is van daling van de gemiddelde laagste grondwaterstand. Daling heeft mogelijk negatieve gevolgen voor zowel landbouw als natuur. Denk hierbij aan effecten als: daling van de gewasopbrengst in de landbouw, minder vitaliteit van (watergebonden) natuur, verminderde waterkwaliteit in stadsvijvers, verminderde toevoer van brongevoede beken en een verhoogde kans op natuurbranden. Op de afbeelding hieronder is zichtbaar hoe de locatie ervoor staat voor wat betreft het aspect verdroging. Er is sprake van 31 centimeter verlaging van de gemiddeld laagste grondwaterstand in 2025 t.o.v. de referentiesituatie in 2015.

Verdroging is niet goed, maar voor het planvoornemen dat bestaat uit de functie wonen vormt het niet direct een belemmering. Hitte Het aantal tropische zomers neemt naar verwachting tot 2050 verder toe. Het KNMI heeft in het "warmste" klimaatscenario berekend dat de zomertemperatuur zo'n 2,5 graad toeneemt vergeleken met het huidige klimaat. In 2085 zou het zelfs bijna 4 graden warmer worden in de zomer. Deze stijging wordt juist in het binnenland (oosten en zuiden) verwacht, dus ook in de regio Noordoost Brabant. Hitte heeft effect op de gezondheid van mens en dier. Door hitte lopen kwetsbare groepen zoals ouderen meer risico op uitdroging, en opwarmend oppervlaktewater is schadelijk voor flora en fauna. Hitte wordt uitgedrukt in de gevoelstemperatuur van een extreem warme dag, eentje die eens per 1000 zomerdagen voorkomt. De afbeelding hieronder geeft weer welke gevoelstemperatuur op zo’n dag op de

TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 75 van 88

locatie aan de hand is en wat de status van de leefbaarheid er is. Hierbij geldt dat rood overlast weergeeft en groen relatief koel is.

Op de locatie is zichtbaar dat er op warmere dagen relatief koelere plekken aanwezig zijn, dat komt omdat er veel groen en plekken zijn waar schaduw aanwezig is. Gezien voorgaande is op de locatie geen aanleiding voor het ontstaan van hittestress. Overstromingsrisico Diverse gebieden liggen lager dan de waterlopen. Dat maakt ze kwetsbaar voor overstromingen. Om overstromingen te voorkomen, hebben we in Nederland vele kilometers aan primaire en regionale waterkeringen om ons te beschermen. Als die dijken doorbreken kan er land overstromen. Op as50.klimaatmonitor.net is via een overstromingsbeeld in beeld gebracht waar het land overstroomt bij de meest extreme dijkdoorbraken van primaire en regionale keringen. Het gaat om een gecombineerd beeld van maximale waterdiepten door meerdere dijkdoorbraken. Afhankelijk van de hoogte en stabiliteit van de kering is de kans op doorbraak tussen eens in de 100 en eens in de 1000 jaar. Naast de risico's op dijkdoorbraken zijn ook de overstromingsdiepten van buitendijkse gebieden weergegeven. Het gaat dan om waterstanden die eens per 1000 jaar kunnen voorkomen, door afvoer vanuit hoger gelegen gebieden. Hieronder is een afbeelding weergegeven van het overstromingsbeeld ter hoogte van de locatie.

TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 76 van 88

De afbeelding laat zien dat de locatie niet in een overstromingsgebied ligt in geval sprake is van de meest extreme dijkdoorbraken van primaire en regionale keringen. Het planvoornemen op deze locatie aanvaardbaar. Wateroverlast Korte, hevige buien zullen naar verwachting vaker voorkomen. Het watersysteem en de riolering zijn niet ontworpen op zulke extreme buien. Dit zou onevenredig veel geld kosten. Als zo'n bui valt blijft het water dus op straat of op het land staan, met risico's op schade en overlast. Op as50.klimaatmonitor.net is voor het in beeld brengen van de gevolgen van deze extreme buien de landelijke standaard (vanuit het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie) gebruikt. Er is met het model 3Di een hevige bui doorgerekend die volgens het toekomstig klimaat in 2050 met een herhalingstijd van eens in de 100 jaar voor kan komen. Er is dus rekening gehouden met een nóg extremer klimaat in de toekomst. Dit geeft voor de locatie het volgende beeld.

Uit de afbeelding blijkt dat het planvoornemen nauwelijks wordt geraakt door wateroverlast bij hevige regenval. TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 77 van 88

6.11.4 Afvalwater In de openbare weg ten oosten en zuiden van het plangebied ligt een (gescheiden) rioolstelsel. De gemeentelijke riolering voert het water af naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). Bij de omgevingsaanvraag zullen de uitgewerkte rioleringstekeningen en de definitieve inrichting van het perceel worden gevoegd. 6.11.5 Waterbestemmingen Op de locatie of in de nabijheid ervan is geen sprake van de bestemming ‘Water’. Op de locatie wordt ook geen open water ontwikkeld waardoor de functie specifiek in het omgevingsplan aangeduid moet worden. 6.11.6 Conclusie Het wateraspect vormt geen belemmering voor het planvoornemen, het planvoornemen vormt geen belemmering voor de watersituatie ter plaatse. 6.12 Geur De regels met betrekking geur staan in paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl. Deze regels zijn, tezamen met het tijdelijk deel van het omgevingsplan en de regels van de bruidsschat het toetsings- en beoordeling kader voor geur bij omgevingsplanactiviteiten en wijzigingen van het omgevingsplan. Dan blijven nog veel geurveroorzakende activiteiten over, waarvoor geen specifieke instructieregels zijn vastgelegd. Daarvoor geldt het algemene vereiste dat sprake moet zijn van ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Beleidsneutraal over naar Omgevingswet Voor geur wordt in regionaal verband gewerkt aan (standaardisering van) beleid en regels.

De beoordeling van het aspect geur zoals die voor 1 januari 2024 plaatsvond, beschouwen we dan ook vooralsnog als een beoordeling in het kader van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (beleidsneutraal). Waar mogelijk moet hierbij wel concreet worden ingegaan op het toetsingskader van het Bkl. 6.12.1 Geurgevoelig gebouw Het begrip geurgevoelig object, zoals dat is geformuleerd onder de voormalige wetgeving is vervangen voor het begrip geurgevoelig gebouw. De begrippen ‘geurgevoelig object’ en ‘geurgevoelig gebouw’ komen niet overeen en kennen verschillen in het beschermingsniveau. De werkingssfeer van het begrip ‘geurgevoelig gebouw’ is namelijk beperkter dan de werkingssfeer van het begrip ‘geurgevoelig object’. Dit leidt ertoe dat minder gebouwen geurgevoelig zijn, die nu wel zijn beschermd. We beschikken nog niet over een nieuw omgevingsplan met een ruimere reikwijdte van het begrip geurgevoelig gebouw dan nu is opgenomen in het Bkl.

Omdat we beleidsneutraal willen oversteken naar het nieuwe stelstel hanteren we voor het beoordelen van geur een ruimere reikwijdte voor het begrip geurgevoelig gebouw: een gebouw als bedoeld in artikel 5.91 van het Bkl en in aanvulling daarop: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt, waarbij onder «gebouw, bestemd voor menselijk wonen of menselijk verblijf» wordt verstaan: gebouw dat op grond van het omgevingsplan, of een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf, daarbij inbegrepen gebouwen die op basis van het omgevingsplan of een buitenplanse omgevingsplanactiviteit gebouwd mogen worden. De grondslag voor het hanteren van deze ruimere reikwijdte is gelegen in artikel 5.91, vierde lid, van het Bkl en nemen we bij wijzigingen van het omgevingsplan voor locaties waar geurgevoelige gebouwen onderdeel van uitmaken over. Het planvoornemen bevat op basis van voorgaande een nieuw geurgevoelig gebouw. Hierdoor is het nodig om te bezien of activiteiten in de omgeving hierdoor gehinderd worden.

6.12.2 Geur door specifiek benoemde activiteiten Artikel 5.92, tweede lid, van het Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Voor een drietal typen geurbronnen heeft het Rijk in het Bkl regels opgenomen ter invulling van de norm ‘aanvaardbaar’.

TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 78 van 88

Voor deze drie typen geurbronnen wordt concreet aangegeven op welke wijze voor daarbij beschreven situaties wordt voldaan aan de algemene instructieregel om rekening te houden met de geurbelasting. Hiertoe wordt aangegeven welke geurbelasting aanvaardbaar geacht wordt of welke afstand geacht wordt een voldoende bescherming te bieden tegen geur. Het gaat om de volgende drie bronnen: • Geur door zuiveringstechnische werken; • Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf; • Geur door andere agrarische activiteiten. De regels voor deze bronnen zijn gekoppeld aan de zogenaamde ‘bebouwingscontour geur’. Indien het omgevingsplan regels bevat voor zuiveringstechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf en andere agrarische activiteiten moet deze bebouwingscontour in het omgevingsplan worden aangewezen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet beschikken we echter nog niet over een omgevingsplan, waarin een afweging is gemaakt waar de bebouwingscontour geur moet komen te liggen. Het is ook niet de bedoeling dit per wijziging van het omgevingsplan waarbij niet het gehele grondgebied is betrokken te doen. Zoals hierboven is aangegeven staat dit voor later in regionaal verband op de agenda. Artikel 12.14 van het Bkl (overgangsrecht) geldt indien nog geen bebouwingscontour in het omgevingsplan is aangewezen.

Uit dit artikel volgt dat zolang in het omgevingsplan geen bebouwingscontour geur is aangewezen, de bebouwde kom als bebouwingscontour geldt. In de Nota van toelichting is aangegeven dat de begripsbepaling bebouwde kom hier wordt benut in de betekenis die het had in de Wet geurhinder en veehouderij en de geurregels in het Activiteitenbesluit. In het Bkl is verder nog een aantal specifieke voorwaarden opgenomen met betrekking geur, het gaat dan om artikelen over ‘waar waarden gelden’, ‘functionele binding’ en ‘voormalige functionele binding’. Artikel 5.93 (waar waarden gelden): in dit artikel is geregeld dat geur gemeten moet worden op de gevel van een geurgevoelig object of op de locatie waar een gevel mag komen. Uitgangspunt bij de berekening van geur naar aanleiding van een planologische ontwikkeling is dat uitgegaan moet worden van de maximale mogelijkheden. Aangezien er ook vergunningvrij geurgevoelige objecten kunnen worden gerealiseerd in het achtererf, betekent dit in de praktijk dat er gerekend moet worden met de geursituatie op de grens van het bouw- of bestemmingsvlak. Hiermee wordt uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Artikel 5.95 (functionele binding): het omgevingsplan bepaalt dat de waarden of afstanden niet van toepassing zijn op de geur door die activiteit op een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Het betreft hier bestaand beleid. Door het loslaten van het inrichtingsbegrip is het nodig om te regelen dat activiteiten die een onderlinge functionele binding hebben, geen ‘last’ van elkaar hebben. Zo heeft, als voorbeeld, een nevenactiviteit op een agrarisch bedrijf geen ‘last’ van de geur van het eigen agrarisch bedrijf. Artikel 5.96 (voormalige functionele binding) regelt dat een omgevingsplan kan bepalen dat die waarden of afstanden niet van toepassing zijn op de geur door die activiteit op een geurgevoelig gebouw dat eerder functioneel verbonden was met die activiteit. Wij toetsen dit op een manier die voor 1 januari 2024 gebruikelijk was. Geur door zuiveringstechnische werken In de nabijheid van de locatie is geen rwzi gelegen. Het is aannemelijk dat ter plaatse van het geurgevoelige gebouw gelegen buiten een bebouwingscontour geur voldaan kan worden aan de ter plaatse geldende grenswaarde. Gezien het planvoornemen niet het toelaten of vastleggen van een zuiveringstechnisch werk bevat hoeft geen bebouwingscontour geur in het omgevingsplan aangewezen te worden. Het overgangsrecht (artikel 12.14 Bkl) blijft overeenkomstig van toepassing, ook voor de bescherming van de geurgevoelige gebouwen (geurregels voor rwzi’s in de bruidsschat). Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf

TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 79 van 88

In paragraaf 5.1.4.6.3 staan de regels met betrekking tot geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De bruidsschat maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Bernheze heeft eigen geurregels opgesteld welke zijn opgenomen in de Verordening fysieke Leefomgeving (VFL) Bernheze 2021 2. Hierin is opgenomen dat de locatie is gelegen in de ‘bebouwde kom’. Hier geldt de voorgrondnorm van 3 Ou/m3 en een vaste afstand van 50 meter tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor op grond van de Wet geen geuremissiefactor is vastgesteld (zoals melkveebedrijven en maneges) en een geurgevoelig object. Vaste afstanden Binnen 50 meter rondom de locatie is geen veehouderij met dieren gelegen waarvoor een vaste afstand geldt. Voorgrondbelasting Voor het planvoornemen zijn de bedrijven met dieren waarvoor een geuremissiefactor geldt die binnen 2 kilometer zijn gelegen relevant. Op ca. 100 meter afstand van de locatie is een kinderboerderij gelegen waar hobbymatig geiten worden gehouden (Akkerveld 1 Heesch).

Gezien het kleinschalige karakter waarop dieren worden gehouden i.r.t. de afstand tot het planvoornemen is het niet relevant om i.v.m. het planvoornemen de voorgrondbelasting specifiek met een berekening in kaart te brengen. Het planvoornemen zal geen belemmering opleveren voor de bedrijfsvoering van deze kinderboerderij, aangezien er bestaande geurgevoelige objecten tussen de te ontwikkelen locatie en de kinderboerderij gelegen zijn. Andere objecten zijn daarmee bepalend voor de mogelijkheden van de kinderboerderij. Achtergrondbelasting Uit de achtergrondbelastingkaart van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant blijkt dat de beoordeling van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de locatie zeer goed is (0-3 OuE/M3). Dit is zichtbaar op onderstaande afbeelding.

Er zijn geen veehouderijen die door het planvoornemen in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Geur door andere agrarische activiteiten TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 80 van 88

Voor wat betreft geur van andere agrarische activiteiten wordt bedoeld: geur door het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen, mest, bijvoedermiddelen, het bereiden van brijvoer, composteren en het kleinschalig vergisten. Gezien deze activiteiten in de nabijheid van het planvoornemen niet worden uitgevoerd is het aspect geur door andere agrarische activiteiten niet aan de orde 6.12.3 Geur door overige activiteiten Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Bernheze heeft geen eigen industrieel geurbeleid.

Per situatie stelt de gemeente Bernheze vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. Via deze wijziging van het omgevingsplan wordt op de locatie een nieuw geurgevoelig gebouw (appartementencomplex voor 25 sociale huurwoningen) mogelijk gemaakt. Het planvoornemen zelf maakt geen activiteiten mogelijk die geurbelasting veroorzaken op geurgevoelige gebouwen. Het aspect geur door activiteiten is met die reden niet relevant. Geur door overige activiteiten vormt geen belemmering voor het planvoornemen, het planvoornemen vormt andersom geen belemmering voor die activiteiten. 6.12.4 Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Andersom vormt het initiatief ook geen belemmering voor de veehouderijen of andere activiteiten die geurbelasting veroorzaken in de nabijheid van de locatie. 6.13 Milieueffectrapportage (M.e.r.) De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een planmilieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van een plan of programma waarvoor een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 81 van 88

Voor plannen die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieueffecten worden verwacht. Een plan-m.e.r.beoordeling is ook van toepassing op plannen die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met aanzienlijke milieueffecten. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EUrichtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. Voor deze omgevingsplanwijziging is een mededeling m.e.r.-beoordeling opgesteld (bijlage 9). Hieruit blijkt dat de omgevingsplanwijziging geen aanzienlijke milieueffecten heeft. Het college van B&W van Bernheze heeft met die reden – voorafgaand aan de besluitvorming over de terinzagelegging van deze omgevingsplanwijziging - besloten dat voor de omgevingsplanwijziging geen milieueffectrapport opgesteld hoeft te worden.

TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 82 van 88

Hoofdstuk 7

Juridische opzet

Sinds 1 januari 2024 heeft elke gemeente een omgevingsplan van rechtswege (hierna: het omgevingsplan). In de fase direct na inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bestaande uit onder meer de voormalige bestemmingsplannen, beheersverordeningen, uitwerkings- en wijzigingsplannen en de Bruidsschat. Dit TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze. Het planvoornemen is in strijd met het ter plaatse geldende omgevingsplan waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden. Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat los staat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk (in casu 22m) toegevoegd. Dit TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is in de regels van dit TAM-omgevingsplan een preambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22m van het omgevingsplan. Hoofdstuk 1 – Algemene bepalingen Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze.

Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op dit planvoornemen (tenzij ze daarmee strijdig zijn en niet van toepassing worden verklaard). Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor het planvoornemen. Zo is er voor dt plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld de reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen. Hoofdstuk 2 – Functies en activiteiten Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten voor het plangebied beschreven. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP en er dus over functies en activiteiten wordt gesproken in plaats van bestemmingen, staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde ‘bestemming’. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op de (nog tijdelijk) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl.

Voor dit TAM-omgevingsplan is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze. Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet. Voor de functies en activiteiten is aangesloten op de bestemmingen in andere recente nieuwbouwplannen binnen de gemeente. Regels die niet van toepassing zijn, zijn hierbij niet overgenomen. Hoofdstuk 3 – Algemene regels Voor dit hoofdstuk zijn er algemene regels opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Denk aan algemene bouw- en functieregels. Hoofdstuk 4 – Regels ter bescherming van waarden en objecten Dit hoofdstuk bevat algemene bepalingen ter bescherming van archeologische (verwachtings)waarden. Deze regels hebben voorrang op de regels in de hoofdstukken 2 en 3. Hoofdstuk 5 – Kostenverhaalsregels In Bernheze is het bij TAM-omgevingsplannen gebruikelijk dat in hoofdstuk 5 de kostenverhaalsregels worden opgenomen. Deze zijn voor de locatie niet van toepassing, omdat het kostenverhaal anderszins verzekerd is (anterieure overeenkomst). Dit hoofdstuk is daarom wel opgenomen maar leeg gelaten.

TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 83 van 88

Hoofdstuk 8

Uitvoerbaarheid

8.1 Kostenverhaal en nadeelcompensatie Uitgangspunt is dat de kosten die gemaakt worden voor deze wijziging van het omgevingsplan voor rekening komen van de initiatiefnemer. 8.1.1 Kostenverhaal Met dit omgevingsplan wordt de mogelijkheid geboden voor bouwactiviteiten op de locatie. Hiervoor maakt de gemeente kosten, zoals voor het wijzigen van dit omgevingsplan, voor de aanleg van openbare voorzieningen en voor nadeelcompensatie. De gemeente is verplicht de gemaakte kosten te verhalen op een initiatiefnemer als deze nieuwe bouwactiviteiten wil uitvoeren (artikel 13.11 Omgevingswet). Dit kostenverhaal kan privaatrechtelijk of publiekrechtelijk worden geregeld. Het privaatrechtelijk kostenverhaal heeft de voorkeur boven het publiekrechtelijk kostenverhaal. Bij privaatrechtelijk kostenverhaal sluiten de gemeente en de initiatiefnemer van bouwactiviteiten een overeenkomst. Deze overeenkomst wordt gesloten voordat de gemeente besluit tot wijziging van de functie van de grond. Is het niet mogelijk om een overeenkomst te sluiten, dan past de gemeente de regeling van het publiekrechtelijk kostenverhaal toe. Publiekrechtelijk kostenverhaal vindt plaats bij: 1. Het publiekrechtelijk toelaten van kostenverhaalplichtige activiteiten, en; 2. Er geen overeenkomst met de initiatiefnemer is gesloten. Bij publiekrechtelijk kostenverhaal wordt het kostenverhaal geregeld in het omgevingsplan.

De gemeente mag de kosten alleen verhalen als ze voldoen aan drie criteria: profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid. Ook moet de locatie het kostenverhaal kunnend ragen. Dat houdt in dat er niet meer kosten worden verhaald dan dat er opbrengsten zijn. In het geval van de ontwikkeling op de locatie Mozartlaan-Verdilaan worden de kosten door de gemeente via een anterieure overeenkomst verhaald. Hierin zijn afspraken gemaakt over allerlei soorten kosten. Onder andere over de financiële compensatie van bestaand groen dat door het planvoornemen verdwijnt, welke in onderhavige situatie 1 op 1 gecompenseerd moet worden tegen een tarief van € 85,- per m2. 8.1.2 Nadeelcompensatie Nadeelcompensatie gaat over de schade die de gemeente rechtmatig veroorzaakt bij bijvoorbeeld vergunningverlening of uitvoering. De basisregeling voor nadeelcompensatie staat in titel 4.5 van de Awb. In deze titel staan grondslagen, inhoudelijk eisen en procedurele bepalingen over de toekenning van nadeelcompensatie. Omdat deze regeling niet zonder meer kan worden toegepast op besluiten uit de Omgevingswet voorziet de Omgevingswet in een regeling voor nadeelcompensatie in de afdelingen 1 en 2 van hoofdstuk 15. Afdeling 1 van hoofdstuk 15 wijst een aantal besluiten of maatregelen aan, die als oorzaak van de schade kunnen optreden.

Alleen de schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De belangrijkste zijn: 1. het (gemeentelijk) omgevingsplan; 2. een omgevingsvergunning; 3. een projectbesluit voor realisatie van een project van het Rijk, provincie of waterschap, en; 4. rechtstreeks werkende regels in een verordening van provincie of waterschap. In projecten van derden bedingt de gemeente via een anterieure overeenkomst of schadevergoedingsovereenkomst, dat de initiatiefnemer van het plan uiteindelijk verantwoordelijk is voor de kosten met betrekking tot de schade/ nadeelcompensatie. Op grond van de Omgevingswet zal de gemeente naast de netto uit te keren schadevergoeding, ook de met de schadevergoeding samenhangende kosten verhalen op de initiatiefnemer. Hierbij kan gedacht worden aan de wettelijke rente, de deskundigenkosten van de aanvrager en de kosten van het bestuursorgaan bestaande uit bijvoorbeeld de ambtelijke kosten, eventuele onderzoekskosten en kosten voor de schadecommissie. Over het verhaal van de kosten die gepaard gaan met eventuele uit te keren compensatie van nadeel (schadevergoeding) en de daarmee samenhangende kosten zijn in de tussen de initiatiefnemer en gemeente gesloten anterieure overeenkomst afspraken gemaakt.

TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 84 van 88

8.2 Procedure TAM-omgevingsplan Deze motivering van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is onderdeel van de wijziging van het omgevingsplan voor de locatie. 8.2.1 Participatie & omgevingsdialoog De initiatiefnemer heeft op 7 maart 2023 overleg gevoerd met de omwonenden van de locatie. Daarnaast is op 14 maart 2023 een bredere bijeenkomst georganiseerd. Tijdens de bijeenkomst zijn diverse vragen gesteld en opmerkingen gemaakt door aanwezigen. De plannen zijn naar aanleiding van deze bijeenkomst niet aangepast, wel is aanvullend parkeeronderzoek uitgevoerd. Dat onderzoek heeft geleid tot nieuwe inzichten ten opzichte van de eerdere resultaten en conclusies en is verwerkt in deze wijziging van het omgevingsplan. Per brief van 24 mei zijn de omwonenden geïnformeerd over de stand van zaken op dat moment. Vervolgens is op 2 juli 2025 nogmaals een brede bijeenkomst georganiseerd. De verslaglegging van dit alles is bijgevoegd als bijlage 8 bij deze motivering. 8.2.2 Afstemming met ketenpartners In het kader van het wettelijk vooroverleg is het planvoornemen dat met de wijziging van dit omgevingsplan wordt mogelijk gemaakt aangeboden aan waterschap Aa en Maas en de provincie NoordBrabant. Het plan is via het e-formulier bij de provincie aangemeld, hieruit kwamen geen bijzonderheden naar voren (groen scherm). Het vooroverleg met de provincie is daarmee afgerond.

Het plan is verder toegestuurd aan het waterschap. Die hebben de navolgende reactie gestuurd: “Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van oppervlaktewater, en er zijn verder geen bijzondere water(schaps-)belangen in het plangebied. Het gemeentelijk waterbeleid is hier leidend. Een kleine tekstuele suggestie: Bij waterparagraaf 4.10 van de concept-plantoelichting geven we in overweging bij de aangehaalde eis uit de Verordening fysieke leefomgeving Bernheze bovenaan p. 43, voor de duidelijkheid toe te voegen ‘minimaal 20 mm/m2’ i.p.v. kortweg 20. In de watertoets van Amitec is nl. uitgegaan van 60 mm/m2 (wat uiteraard positief is vanuit het oogpunt van waterconservering en verdrogingsbestrijding). Daarnaast is in de watertoets van Amitec geanticipeerd /gecorrigeerd op de wateropgave i.v.m. realisatie van een groen dak, waarmee minder ruimte nodig zou zijn voor infiltratiekratten onder de verharding. Ook dit is positief voor de klimaatbestendige uitvoering van het project. Het komt overigens (nog) niet terug in de plantoelichting. Het is verder aan de gemeente om dit te toetsen bij de aanvraag omgevingsvergunning (bouwen).” De tekstsuggestie van het waterschap is overgenomen in deze motivering. Het groene dak is een optionele oplossing, welke nog nader onderzocht wordt.

Nadat het waterschap de beoordeling heeft uitgevoerd is het beleid van de gemeente aangepast, waardoor de hemelwaterbergingsopgave van 60 naar 70 mm per m2 is gegaan. Hierop is deze toelichting en de watertoets van Amitec aangepast. 8.2.3 Inspraak Omdat een omgevingsdialoog is gevoerd is ervoor gekozen om deze wijziging van het omgevingsplan niet voor inspraak aan te bieden. 8.2.4 Zienswijzen en vaststelling Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 17 juli t/m 27 augustus 2025 voor zienswijzen ter inzage gelegen. De ingebrachte zienswijzen zijn via een Nota van zienswijzen door de gemeenteraad van een reactie voorzien (bijlage 10). Ten opzichte van het ontwerp is de toelichting van dit TAM-omgevingsplan naar aanleiding daarvan aangepast. De gemeenteraad heeft het TAM-omgevingsplan op 22 januari 2026 vastgesteld. Na besluitvorming door de gemeenteraad is het vastgestelde TAM-omgevingsplan voor een periode van vier weken ter inzage gelegd. Binnen deze periode kan tegen het plan beroep worden ingesteld bij de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 85 van 88

Hoofdstuk 9 Belangenafweging en conclusie Bij het nemen van een besluit op een aanvraag tot wijziging van het omgevingsplan gelden in ieder geval de volgende criteria: 1. de doelen van de Omgevingswet (zie artikel 1.3 en 2.1, lid 1, Omgevingswet) 2. de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (zie artikel 4.2, Omgevingswet) 3. de instructieregels over het omgevingsplan uit hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) 4. de instructieregels over het omgevingsplan uit de omgevingsverordening Redenen voor de gemeente om het omgevingsplan niet te wijzigen zijn dan bijvoorbeeld: 1. De gewenste ontwikkeling past niet binnen gemeentelijk beleid. Dit kan blijken uit bijvoorbeeld de omgevingsvisie en programma's van de gemeente. Dan is er geen sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties of is er strijd met andere doelen van de Omgevingswet. 2. Voor de gewenste ontwikkeling zijn regels nodig die in strijd zijn met de doelen van de Omgevingswet. 3. Er is geen bereidheid bij de gemeenteraad om het omgevingsplan aan te passen. Hierbij kunnen ook financiële overwegingen meespelen. De aanvrager dient bij zijn aanvraag de gegevens aan te leveren die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en die hij redelijkerwijs kan krijgen.

De gemeente Bernheze mag besluiten de aanvraag niet te behandelen indien de aangeleverde stukken (ook na aanvulling) onvoldoende zijn. Zie de artikelen 3:10, derde lid, 4:2, tweede lid en 4:5 en Awb. 9.1 Doelen van de wet (Omgevingswet artikel 1.3) De maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (artikel 1.3 Omgevingswet) geven richting over welke belangen in deze afweging mee te nemen. Bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet de gemeente in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet) en een aantal aspecten uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hiervoor zijn algemene instructieregels opgesteld. Het planvoornemen doet geen afbreuk aan, maar draagt juist bij aan de balans tussen het beschermen van de leefomgeving (veiligheid, gezondheid, goede omgevingskwaliteit en intrinsieke waarde natuur) enerzijds en het benutten van de leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften (doelmatig beheer, gebruik en ontwikkeling) anderzijds. Namelijk door de realisatie van het planvoornemen wordt de behoefte aan sociale huurwoningen vervuld. Op een plek die daar geschikt voor is (nabij voorzieningen). Geen sprake is van de aantasting van waarden of iets degelijks. Zo worden bestaande bomen/ groenstructuren behouden en worden geen archeologische waarden aangetast.

9.2 Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vast waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen. Uit artikel 1.2 van de Omgevingswet volgt welke activiteiten in elk geval tot de fysieke leefomgeving behoren. Alle regels in het omgevingsplan samen moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Hoe dit evenwicht er precies uitziet, hangt af van de wijze waarop de betrokken belangen worden gewogen. Net als bij de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening heeft het bevoegd gezag beleidsruimte bij het bepalen welke belangen bij botsing prevaleren. De gemeente Bernheze beoordeelt aan de hand van de gegevens of er voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie hoofdstuk 6). Gelet op het beleidskader en de effecten op de fysieke leefomgeving is er voor de wijziging van het Omgevingsplan gemeente Bernheze waarmee dit initiatief wordt mogelijk gemaakt sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Een in het centrum van Heesch goed passende functie wordt toegevoegd. De behoefte aan de functie is aangetoond. Het planvoornemen wordt in lijn met de eigenschappen van de locatie, omgeving en het gemeentelijke beleid voor deze locatie mogelijk gemaakt. TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong., Heesch

Pagina 86 van 88

De conclusie is dat alles overwegende de ontwikkeling aanvaardbaar is. 9.3 Verwerken TAM-omgevingsplan Vóór 2032 moet dit TAM-IMRO omgevingsplan worden omgezet naar het integrale omgevingsplan in STOP. Voor het omzetten moet een wijzigingsbesluit in STOP worden genomen. Het ministerie van BZK heeft de intentie uitgesproken om in de wet- en regelgeving vast te leggen dat regels in het STOP omgevingsplan die inhoudelijk gelijk zijn aan het TAM-IMRO plan niet opnieuw appellabel worden bij het overbrengen. In dit TAM-omgevingsplan is aangesloten bij de bestaande systematiek van het onderliggende omgevingsplan (regels e.d. Bestemmingsplan Buitengebied Bernheze), waardoor het in vorm en inhoud aansluit op het integrale omgevingsplan in STOP.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=871ef6eb-07ee-48ff-ae1d-ef93fb2e3a36