CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c, Het Runneke Nistelrode - Verkennend flora- en faunaonderzoek

Raadsvergadering 8 mei 2025, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststelling TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c, Het Runneke Nistelrode *15.717 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

26

Ten aanzien van het voorkomen van reptielen binnen het onderzoeksgebied en de deelgebieden wordt het volgende geconcludeerd: Beschermde reptielen kunnen op voorhand worden uitgesloten.

3.2.3

Vissen Beschermde vissoorten Literatuur Binnen het onderzoeksgebied en de bijgaande deelgebieden en de directe omgeving van 1,5 kilometer komen geen waarnemingen van beschermde vissoorten naar voren. Veldbezoek Beschermde vissoorten hebben een beperkte verspreiding en zijn met name afhankelijk van (snel) stromend en zuurstofrijk water. Met het ontbreken van waterlichamen, kunnen de soorten worden uitgesloten op aanwezigheid binnen het onderzoeksgebied. Ten aanzien van het voorkomen van vissen binnen het onderzoeksgebied en de deelgebieden wordt het volgende geconcludeerd: Beschermde vissen kunnen binnen het onderzoeksgebied en de deelgebieden op voorhand worden uitgesloten.

3.2.4

Ongewervelden Beekrombout Literatuur Uit de NDFF-gegevens komen waarnemingen van de beekrombout naar voren op circa 1,2 kilometer ten noordwesten van het onderzoeksgebied. De soort komt voor in grotere beken en kleine rivieren. Ook komt de soort soms voor in grote rivieren en in kanalen. Veldbezoek De beekrombout is met name zijn met name afhankelijk van stromend en zuurstofrijk water. Met het ontbreken van waterlichamen, kan de beekrombout worden uitgesloten op aanwezigheid binnen het onderzoeksgebied. Overige soorten In verband met het ontbreken van voor overige beschermde ongewervelden geschikte ecotopen in het onderzoeksgebied en deelgebieden (o.a. oude eiken) kan het voorkomen van overige beschermde ongewervelden redelijkerwijs worden uitgesloten. Ten aanzien van het voorkomen van ongewervelden binnen het onderzoeksgebied en de deelgebieden wordt het volgende geconcludeerd: Beschermde ongewervelden kunnen op voorhand worden uitgesloten.

3.2.5

Rode lijst soorten Naast de wettelijk beschermde soorten is in zowel de literatuurstudie als het velbezoek onderzocht of er Rode lijst soorten aanwezig zijn binnen het plangebied en of het plangebied van significante waarde is als leefgebied voor deze soorten. Uit NDFF zijn een groot aantal rode lijst soorten gekomen die binnen anderhalve kilometer van het plangebied zijn waargenomen. Hiervan zijn de flora, schimmels en ongewervelden de grootste vertegenwoordigers. Tijdens het veldbezoek is onderzocht of het plangebied een wezenlijke bijdrage kan zijn voor rode lijst soorten. Het plangebied bestaat uit bebouwing, een braakliggend perceel en bosbiotoop. Het plangebied biedt voor rode lijst soorten geen waarde als geschikt of belangrijk habitat. Mede doordat ten noorden van het plangebied een groot natuurgebied aanwezig is, wat van grotere natuurwaarde is voor soorten. De werkzaamheden zullen daarom geen effect hebben op de instandhouding van deze soorten. Wel is de zorgplicht altijd van toepassing, zie ook paragraaf 6.1.

27

4

BESCHERMDE GEBIEDEN In dit hoofdstuk is aangegeven of het onderzoekgebied met de bijbehorende deelgebieden binnen of in de nabijheid van beschermde natuurgebieden gelegen is. Ook is nagegaan of binnen het onderzoeksgebied met de bijbehorende deelgebieden houtopstanden aanwezig zijn die vallen onder de bescherming van de Omgevingswet. Daarbij is gebruik gemaakt van gegevens van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de provincie Noord-Brabant en de gemeente Bernheze. In bijlage 1 is een korte toelichting van de Omgevingswet opgenomen.

4.1

Natura 2000-gebieden Het onderzoeksgebied is niet gelegen binnen of direct grenzend aan een gebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied. De ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden is weergegeven in afbeelding 20 in tabel 2. Tabel 2. Natura 2000-gebieden en de afstand tot het onderzoeksgebied. Natura 2000-gebied Rijntakken Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen Kampina & Oisterwijkse Vennen

Afstand tot het plangebied Circa 17.0 kilometer Circa 17.5 kilometer Circa 24.0 kilometer Circa 25.0 kilometer

Afbeelding 20. Ligging van het onderzoeksgebied (rode vierkant) ten opzichte van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden (bron: Natura2000-Viewer).

28

4.2

Provinciale gebiedsbescherming In afbeelding 21 is te zien dat het onderzoeksgebied niet is gelegen in of direct grenst aan een gebied aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN). In provincie Noord-Brabant het Natuurnetwerk Brabant genoemd (NNB). Het meest dichtstbijzijnde NNB gebied is gelegen op circa 30 meter ten noorden van het onderzoeksgebied.

Afbeelding 21. Ligging van het plangebied (rood gemarkeerd) ten opzichte van het Natuurnetwerk Brabant (groen gemarkeerd) (bron: Provincie Noord-Brabant, kaartbank Noord-Brabant).

4.3

Houtopstanden Bij de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen en de bijbehorende werkzaamheden worden op twee locaties in het bosbiotoop bomen gekapt ten behoeve van de waterbuffer en de bedrijventerrein (deelgebied 3). De houtopstanden/bomen binnen deelgebied 3 vallen binnen de bebouwde kom van gemeente Bernheze, waardoor deze onder het gemeentelijk kapbeleid vallen. Binnen het deelgebied is een monumentale boom aanwezig (afbeelding 22).

29

Afbeelding 22. Monumentale boom (donkergroene stip) in het plangebied. Bron: gemeente Bernheze, 2024. In gemeente Bernheze is voor het kappen van bomen in een bomenstructuur of monumentale bomen een omgevingsvergunning benodigd. De bomen in het bosbiotoop vallen voor een deel binnen een bomenstructuur. Het deel binnen de structuur is vergunningplichtig. Daarnaast is het kappen van de monumentale boom vergunningplichtig.

30

5

EFFECTEN VOORGENOMEN INGREPEN Dit hoofdstuk beschrijft de effecten van de voorgenomen ingrepen en het toekomstig gebruik van de deelgebieden binnen het onderzoeksgebied op de (mogelijk) voorkomende beschermde soorten. Op basis van de bronnenstudie en het veldbezoek kunnen de soortgroepen flora, vissen, reptielen en ongewervelden worden uitgesloten. Deze (soort)groepen worden dan ook niet verder behandeld in deze rapportage. Verder wordt aandacht besteed aan de gevolgen van de voorgenomen ingrepen voor de beschermde gebieden.

5.1

Beschermde soorten Uit hoofdstuk 3 is gebleken dat binnen en rondom het plangebied beschermde soorten voorkomen of voor kunnen komen. Per soortgroep worden de mogelijke effecten van de voorgenomen ingreep aangegeven.

5.1.1

Vogels

5.1.1.1

Jaarrond beschermde nesten Jaarrond beschermde nesten van gierzwaluw, huismus, kerkuil, ooievaar, steenuil, wespendief en zwarte wouw worden niet verwacht, door de deelgebieden ongeschikt zijn voor deze soorten. Wel is onderzoeksgebied en de deelgebieden mogelijk onderdeel van het functioneel leefgebied, maar doordat de bovenstaande soorten over grote afstanden foerageren kunnen effecten redelijkerwijs worden uitgesloten. Jaarrond beschermde nesten in bomen Ten tijde van het veldbezoek kon het dichte bladerdek van de bomen niet geheel geïnspecteerd worden. In de groenstructuren binnen en op de grenzen van de deelgebieden kunnen (aanvullend op een aangetroffen takkennest) ook grote takkennesten aanwezig zijn, die potentiële broedlocaties vormen voor vogels met een jaarrond beschermd nest zoals de buizerd, ransuil, boomvalk en/of sperwer. Met de voorgenomen plannen wordt een deel van de bosschage verwijderd en vinden werkzaamheden/ruimtelijke ontwikkelingen plaats grenzend aan de potentieel geschikte broedlocaties. Voor alle potentiële broedlocaties geldt dat de bouwwerkzaamheden plaatsvinden binnen de verstoringsafstand van 75 meter en/of de potentieel geschikte broedlocaties mogelijk worden verwijderd/vernietigd. Hierdoor is er zowel in de realisatie- als gebruiksfase sprake van verstoring en/of vernietiging van de nesten.

Wanneer de verstoring/vernietiging plaatsvindt tijdens het broedseizoen kan dit ook leiden tot het sterven van (jonge) vogels. Negatieve effecten kunnen niet worden uitgesloten.

5.1.1.2

Omgevingsscansoorten Omgevingsscansoorten betreffen vogels met nesten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Dit betreffen binnen provincie Noord-Brabant categorie 5 -soorten. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Binnen en in de directe omgeving van het onderzoeksgebied en de deelgebieden is meer dan voldoende alternatief broedbiotoop aanwezig voor de omgevingsscansoorten. Deze vogelsoorten worden gezien als algemene broedvogels.

5.1.1.3

Algemene broedvogels Binnen het onderzoeksgebied en de deelgebieden vormen met name de bosschage binnen deelgebieden 2 en 3 en de groenstroken grenzend aan de zuidzijde van deelgebied 2 voor algemene broedvogels geschikt broedbiotoop (Wnb-beschermingsregime Vogelrichtlijnsoorten) tijdens het broedseizoen (globaal van half maart tot half juli). Ook de extensief beheerde graslanden en overige groenstructuren binnen het onderzoeksgebied en

31

de deelgebieden vormen geschikt broedbiotoop voor de algemene broedvogels. Als gevolg van de toekomstige inrichting van het onderzoeksgebied en de deelgebieden verdwijnt lokaal een deel van dit broedbiotoop en treedt er tijdelijk verstoring op. De omgeving biedt echter in ruime mate geschikt alternatief broedbiotoop voor deze vogelsoorten. Van permanente effecten door oppervlakteverlies is derhalve geen sprake. Wanneer de ruimtelijke ontwikkelingen uitgevoerd worden tijdens het broedseizoen, kunnen broedende vogels mogelijk gedood worden en broedsels verloren gaan. Negatieve effecten kunnen op voorhand niet worden uitgesloten.

5.1.2

Vleermuizen Verblijfplaatsen Uit de resultaten blijkt dat meerdere soorten vleermuizen binnen het onderzoeksgebied en de deelgebieden kunnen voorkomen. Grenzend aan deelgebied 2 en in de invloedssfeer van de werkzaamheden en/of ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk vaste rust- en voortplantingsplaatsen van boombewonende soorten aanwezig. Met het realiseren van het bedrijfsperceel binnen deelgebied 2 blijft de dode boom behouden. De potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen worden door de voorgenomen ontwikkelingen niet aangetast/verwijderd. Wel kan aanvullende verlichting, in de voorgenomen plannen en de werkzaamheden, mogelijk een negatief effect hebben op de potentiële verblijfplaatsen. In de voorgenomen plannen en werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met uitstraling van de aanvullende verlichting. Foerageergebied/vliegroutes Deelgebied 3 bestaat uit een bosschage die geleiding biedt in het landschap en hiermee mogelijk essentiële waarde biedt aan de aanwezige vleermuizen in de vorm van foerageergebied en/of vliegroutes. De voorgenomen ontwikkelingen en met name de exacte kap van de bomen binnen deelgebied 3 zijn nog niet bekend. Door het verdwijnen van (naar verwachting) een grotendeel van de bosschage kunnen negatieve effecten op de mogelijk essentieel voorkomende vliegroutes en/of foerageergebieden niet worden uitgesloten.

5.1.3

Grondgebonden zoogdieren

5.1.3.1

Algemeen voorkomende zoogdiersoorten Het onderzoeksgebied en met name deelgebieden 1,2 en 3 zijn geschikt als leefgebied voor algemeen voorkomende muizensoorten, vos, haas, konijn en egel. Voor deze soorten geldt dat deze door provincie NoordBrabant voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld van de Omgevingswet (bijlage 3). De omgeving van het onderzoeksgebied biedt ruim voldoende alternatief leefgebied voor een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. Permanente negatieve effecten door de werkzaamheden worden daarom niet verwacht. De werkzaamheden zelf hebben mogelijk wel een negatief effect op individuen van voorkomende soorten. Kleine zoogdiersoorten kunnen mogelijk worden gedood of vaste rust- en verblijfplaatsen worden vernield (Wnb artikel 3.10.1).

5.1.3.2

Das Rust- en/of verblijfplaatsen van de das kunnen niet worden uitgesloten in de bosschage binnen deelgebied 3. Ook kan niet worden uitgesloten dat deelgebied 2 mogelijk van waarde is voor de das (foerageergebied). Bij de aanleg,- en gebruiksfase van de ruimtelijke ontwikkelingen verdwijnt een deel van de bosschage en de holen in deze bosschage (potentiële verblijf,- en/of rustplaats). Mogelijk verdwijnt een deel van het leefgebied van de das binnen deelgebied 2. Negatieve effecten op de das zijn niet op voorhand uit te sluiten.

5.1.3.3

Kleine marterachtigen Mogelijke rust,- en/of voortplantingsplaatsen van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) zijn binnen, op de grenzen en direct grenzend aan deelgebieden 2 en 3 aanwezig in de vorm van bosschage, groenstroken, (oude) holen en extensief beheerd grasland. Kleine marterachtigen zijn minder strikt gebonden aan een specifiek foerageerbiotoop, maar foerageren naar verwachting in de geruime omgeving van de deelgebieden en het onderzoeksgebied, waar geschikt leefgebied aanwezig is. Een optimaal habitat met veel woelmuizen is minimaal 1 hectare groot (provincie Noord-Brabant, 2017). Binnen het gehele onderzoeksgebied en met name deelgebieden 2 en 3 is een diversiteit van biotopen en leefgebieden aanwezig en komen waarschijnlijk meerdere muizensoorten voor binnen en op de grenzen van

32

deelgebieden 2 en 3. Op basis hiervan betreft het onderzoeksgebied en deelgebieden 2 en 3 een potentieel geschikt foerageergebied voor kleine marterachtigen. Ook al worden de groenstroken op de grenzen van deelgebied 2 ontzien is er mogelijk sprake van mogelijk essentieel foerageerbiotoop/leefgebied dat verloren gaat tijdens de ontwikkeling in de bosschage van deelgebied 3 en het grasland binnen deelgebied 2. Ten slotte wordt binnen deelgebied 3 potentieel in gebruik genomen rust,- en/of voortplantingsplaatsen in de vorm van (oude) holen verstoord en vernietigd. Hierdoor kan niet uitgesloten worden dat de werkzaamheden binnen de deelgebieden leiden tot een verlies aan verblijfplaatsen en geschikt leefgebied voor kleine marterachtigen. Door de geplande ingreep verdwijnt een deel van geschikt leefgebied van de kleine marterachtigen. Negatieve effecten kunnen niet worden uitgesloten.

5.1.3.4

Steenmarter Rust-, en/of verblijfplaatsen van de steenmarter zijn mogelijk aanwezig in de groenstructuren en gebouwen grenzend aan de deelgebieden. Deze gebouwen en groenstructuren worden niet aangetast tijdens de aanleg,en gebruiksfase, waardoor de potentieel voorkomende rust-, en/of verblijfplaatsen van de steenmarter niet worden aangetast. De steenmarter is daarnaast minder strikt gebonden aan een specifiek foerageerbiotoop, maar foerageren naar verwachting in de geruime omgeving van het onderzoeksgebied en de deelgebieden. Er is derhalve geen sprake van essentieel foerageerbiotoop dat tijdelijk verloren gaat. In de gebruiksfase wordt ook meer als voldoende alternatief leefgebied gecreëerd middels de aanleg van meer groen (o.a. de waterbuffers). De steenmarter is voldoende flexibel om tijdens de werkzaamheden de deelgebieden te mijden, zodat ook tijdelijke negatieve effecten niet verwacht worden. Het overige deel van het onderzoeksgebied vormt geen essentieel leefgebied voor de steenmarter. Negatieve effecten kunnen door de aanleg,- en gebruiksfase op de steenmarter redelijkerwijs worden uitgesloten.

5.1.3.5

Eekhoorn Het voorkomen van de eekhoorn kan niet op voorhand worden uitgesloten. Het kappen van bomen kan daarom leiden tot het vernielen van nesten en/of leefgebied, wanneer sprake is van de aanwezigheid van eekhoorns ter plaatse. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van eekhoorn dient hierover uitsluitsel te geven.

5.1.4

Amfibieën

5.1.4.1

Algemeen voorkomende amfibieën Binnen het plangebied worden algemeen voorkomende en zwervende amfibieën verwacht die vanuit de wijde omgeving met name zwervend binnen het onderzoeksgebied en de deelgebieden terecht kunnen komen. De omgeving biedt voor deze soorten ruim voldoende alternatief leef- en foerageergebied. Hiermee kan een permanent negatief effect op algemeen voorkomende amfibieën worden uitgesloten. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden treden mogelijk wel negatieve effecten op. Zo kunnen individuen worden verwond of gedood of worden verblijfplaatsen vernield. Er dient derhalve rekening gehouden te worden met de zorgplicht.

5.2

Beschermde gebieden Binnen de grenzen van en in de omgeving van het plangebied zijn zoals beschreven in hoofdstuk 4 beschermde gebieden gelegen. Aangegeven wordt welke effecten deze gebieden (mogelijk) kunnen ondervinden van de voorgenomen ingrepen.

5.2.1

Natura 2000-gebieden Het Natura 2000-gebied welke het dichtste bij het onderzoeksgebied ligt is ‘Rijntakken’’ ten noorden van het onderzoeksgebied, op circa 17.0 kilometer van het onderzoeksgebied. Met de uit te voeren werkzaamheden zal er geen sprake zijn van geluid- en lichtoverlast. Deze leiden op een afstand van circa 17.0 kilometer niet tot verstoring in het Natura 2000-gebied. De ingreep draagt niet bij aan verreikende effecten zoals verontreiniging en verdroging. Effecten door stikstofdepositie in de aanlegfase kunnen echter niet op voorhand worden uitgesloten. Het plan heeft een verkeer aantrekkende werking en ook bij de

33

aanleg kan een effect als gevolg van stikstofdepositie niet op voorhand uitgesloten worden. Middels een Aeriusberekening dient berekend te worden in hoeverre het plan en de aanleg daarvan leidt tot een toename aan stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden.

5.2.2

Provinciale gebiedsbescherming Het onderzoeksgebied valt buiten de begrenzing van het NNB en is gelegen op circa 30 meter ten zuiden van het meest dichtbijzijnde gebied aangewezen als NNB. In lid 6 van art. 5.1 VR van de provincie Noord- Brabant staat de ’’externe werking‟ beschreven. Dit betekent wanneer een bestemmingsplan buiten het NNB ligt en leidt tot een aantasting van de ecologische kenmerken en waarden van het NNB anders dan door de verspreiding van stoffen in de lucht of water, deze negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieven effecten worden gecompenseerd. Door de korte ligging van het onderzoeksgebied en de ingreeplocaties (de deelgebieden) kunnen mogelijke negatieve effecten op het NNB op voorhand niet worden uitgesloten.

5.2.3

Houtopstanden In gemeente Bernheze is voor het kappen van bomen in een bomenstructuur een omgevingsvergunning benodigd. De bomen in het bosbiotoop (deelgebied 3) binnen het onderzoeksgebied vallen binnen een bosschage en betreft een bomenstructuur. Voor het kappen van de bomen binnen deelgebied 3 is een omgevingsvergunning van gemeente Bernheze benodigd. Zie hoofdstuk 4.3. voor meer toelichting.

34

6

CONCLUSIES Op basis van de resultaten uit dit verkennend flora- en faunaonderzoek blijkt dat het voornemen het plangebied te herontwikkelen een negatief effect kan hebben op enkele soorten. Voor de verschillende soort(groep)en wordt beschreven welke schadelijke handelingen uit de Omgevingswet worden overtreden en in hoeverre dit de realisatie van het voornemen in gevaar kan brengen. Eventueel te treffen vervolgstappen worden daarbij aangegeven.

6.1

Toetsing algemene en specifieke zorgplichtbepalingen Vanuit de zorgplichtbepalingen in de Omgevingswet, die met name bedoeld zijn als instrument om de in het wild levende planten en dieren (en habitats) in een gunstige staat van instandhouding te houden, moet gekeken worden naar mogelijke nadelige gevolgen op de staat van instandhouding op deze soorten en habitats. Nadelige gevolgen moeten zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt worden (art. 11.27, 1e lid Bal). In het tweede lid onder a staat aangegeven dat deze plicht in ieder geval inhoudt dat moet worden nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van een aantal type soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn. Deze soorten betreffen in Nederland van nature voorkomende Vogelrichtlijnsoorten (bijlage I Vrl en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, 2e lid Vrl), Habitatrichtlijnsoorten (bijlage II, IV en V Hrl), nationaal beschermde soorten (bijlage IX Bal), dieren of planten die staan opgenomen op de Rode Lijsten en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. De zorgplicht geldt altijd voor alle in het wild levende soorten, ongeacht een eventueel van toepassing zijnde vrijstelling, gedragscode of vergunning.

Er dient bij het uitvoeren van de werkzaamheden redelijkerwijs voorkomen te worden dat er zodoende schadelijke handelingen plaatsvinden op soorten (en relevante leefgebieden of natuurlijke habitats) die niet beschermd zijn onder de Omgevingswet. De wijze waarop hieraan invulling wordt gegeven dient door een ecoloog in afstemming met de opdrachtgever nader bepaald te worden. Daar waar de zorgplicht van toepassing is op beschermde soorten, wordt dit nader toegelicht in paragraaf 5.2.

6.2

Beschermde soorten

6.2.1

Jaarrond beschermde nesten – nadere controle nesten De bosschage en groenstroken binnen, op de grenzen en grenzend aan deelgebieden 2 en 3 kon tijdens het veldbezoek niet vastgesteld worden of er grotere nesten aanwezig zijn en mogelijk binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden en beoogde ontwikkelingen vallen. Indien jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn, kan er mogelijk sprake zijn van kap van nestbomen en directe aantasting van het nest en/of kan er sprake zijn van verstoring door de aanleg,- en gebruiksfase van de voorgenomen plannen, waardoor inzicht in de aanwezigheid van deze nesten noodzakelijk is. Middels een nader veldbezoek in het bladerloze seizoen dient vastgesteld te worden of er nesten aanwezig zijn in de bomen binnen en direct rondom deelgebieden 2 en 3. Dit betreft (afhankelijk van de weersomstandigheden) de periode januari- maart.

6.2.2

Algemene broedvogels – rekening houden met broedseizoen Het verdwijnen van een deel van het bosgebied en het verwijderen van het extensief beheerde grasland binnen het onderzoeksgebied en met name deelgebieden 2 en 3 leidt mogelijk tot negatieve effecten op broedvogels, zoals het doden of verwonden van vogels (Ow artikel 11.37.1a) en het vernielen van nesten of eieren (Ow artikel 11.37.1b). Het is hiernaast tevens mogelijk dat als gevolg van de werkzaamheden vogels verstoord worden (Ow artikel 11.37.1d). Doordat de staat van instandhouding van de te verwachten vogels binnen het plangebied gunstig is, als gevolg van een grote hoeveelheid geschikt leefgebied in de omgeving, leidt het verstoren van vogels niet tot een overtreding van de Omgevingswet.

35

In gebruik zijnde nesten zijn streng beschermd en mogen daarom niet worden vernield. Hiervoor is geen vergunning in het kader van de Omgevingswet mogelijk. Er dient daarom voorkomen te worden dat nesten van vogels vernield worden bij de werkzaamheden binnen het plangebied. Er dient derhalve gewerkt te worden buiten het broedseizoen. Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot half juli, afhankelijk van de weersomstandigheden en de betreffende vogelsoort. Indien het niet mogelijk is om te werken buiten het broedseizoen, kan middels een broedvogelschouw onderzocht worden of in gebruik zijnde nesten aanwezig zijn in de aanwezige vegetatie. Indien nesten afwezig zijn, kunnen de bomen en/of terreinen vrijgegeven worden voor de werkzaamheden. Door middel van zorgvuldig handelen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden kan een schadelijke handeling in het kader van de Omgevingswet voorkomen worden.

6.2.3

Vleermuizen – nadere beoordeling effecten a.d.h.v. het definitieve ontwerp Grenzend aan deelgebied 2 en in de invloedssfeer van de werkzaamheden en/of ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk vaste rust- en voortplantingsplaatsen van boombewonende soorten aanwezig. Met het realiseren van het bedrijfsperceel binnen deelgebied 2 blijft de dode boom behouden. De potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen worden door de voorgenomen ontwikkelingen niet aangetast/verwijderd. Wel kan aanvullende verlichting, in de voorgenomen plannen en de werkzaamheden, mogelijk een negatief effect hebben op de potentiële verblijfplaatsen. In de voorgenomen plannen en werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met uitstraling van de aanvullende verlichting. Momenteel is de exacte invulling van de deelgebieden niet bekend. Middels het definitieve ontwerp en (indien aanwezig) een lichtplan dient met een nadere beoordeling vastgesteld te worden of er negatieve effecten op de verblijfplaatsen optreedt. Dit geldt ook voor de ruimtelijke ingrepen met werkzaamheden binnen en rondom deelgebied 3.

6.2.4

Vleermuizen – rekening houden met verlichting in het ontwerp en tijdens de werkzaamheden Uit de resultaten blijkt dat binnen het onderzoeksgebied geen essentiële foerageergebieden en/of vliegroutes te verwachten zijn. Echter maken vleermuizen en andere dieren naar verwachting wel gebruik van de groenstructuren binnen de deelgebieden en het onderzoeksgebied. Om rekening te houden met de voorkomende vleermuizen en overige dieren kan tijdens de werkzaamheden en de gebruiksfase verlichting zo worden geplaatst dat voorkomen wordt dat de verlichting uitstraalt richting de naastgelegen bomen/heesters en opgaande groenstructuren. In het ontwerp dient het liefste rekening gehouden te worden met de te aanleggen verlichting binnen de deelgebieden, waarbij de verlichting niet kan uitstralen richting de groenstroken rondom het plangebied en/of dient gebruikt gemaakt te worden van (vleermuis/) diervriendelijke verlichting.

6.2.5

Algemeen voorkomende soorten – rekening houden met zorgplicht De deelgebieden (m.u.v. deelgebied 4) fungeert als leefgebied voor algemeen voorkomende soorten, zoals egel, konijn en algemene muizensoorten. Met name de groenstructuren binnen en grenzend aan deelgebieden 1 t/m 3. De omgeving van de deelgebieden bieden ruim voldoende alternatief leefgebied tijdens de werkzaamheden ter behoud van een gunstige staat van instandhouding van de algemene zoogdier,- en amfibiesoorten. Permanente negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden worden niet verwacht op de algemene zoogdier,- en amfibiesoorten. De werkzaamheden zelf hebben mogelijk wel een negatief effect op individuen van voorkomende soorten. Kleine zoogdiersoorten en amfibieën worden mogelijk gedood of vaste rust- en verblijfplaatsen worden mogelijk vernield (Ow artikel 11.54.1a en b). De mogelijk voorkomende zoogdier- en amfibiesoorten zijn in de provinciale verordening van de provincie Noord-Brabant vrijgesteld van ontheffing voor het vernielen van vaste rust- en verblijfplaatsen. Het doden van individuen van deze soorten blijft verboden, maar het vangen met als doel deze weer elders uit te zetten daarentegen is wel vrijgesteld van een vergunningplicht. Door middel van zorgvuldig handelen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden kan daarom een schadelijke handeling in het kader van de Omgevingswet voorkomen worden.

Dit houdt in dat aangetroffen individuen van de soort verjaagd dienen te worden of gevangen en vrijgelaten dienen te worden in het aanliggend gebied, buiten invloed van de werkzaamheden.

36

6.2.6

Das – nader soortenonderzoek Binnen deelgebied 3 is een potentiële verblijfplaats van de das aanwezig. Door de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkelingen kan de functionaliteit van de potentiële verblijfplaats van de das niet worden gegarandeerd. Momenteel is de exacte invulling van de deelgebieden niet bekend echter omdat het leefgebied van de das een groot oppervlakte kan omvatten, kunnen ingrepen verspreid over de deelgebieden mogelijk negatieve effecten uitoefenen op de das. Gezien de (gedeeltelijke) aanwezigheid van een raster rondom het onderzoeksgebied en een raster ten noorden van de Noorderbaan, dient allereerst middels een literatuuronderzoek en drie veldbezoeken de aanwezigheid van de das vastgesteld te worden in het onderzoeksgebied.

6.2.7

Kleine marterachtigen – nader soortenonderzoek Negatieve effecten op kleine marterachtigen kunnen niet op voorhand worden uitgesloten, omdat de bossen en extensief beheer grasland in potentie geschikt leefgebied bieden. Middels een nader soortenonderzoek naar deze soortgroep dient uitsluitsel verkregen te worden over het voorkomen hiervan.

6.2.8

Eekhoorn – nader onderzoek De aanwezigheid van eekhoorn in het plangebied is niet op voorhand uit te sluiten. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van deze soort dien uitsluitsel hierover te geven. Aan de hand daarvan dient, bij aanwezigheid van de soort, beoordeeld te worden of sprake is van een effect.

6.3

Beschermde gebieden

6.3.1

Natura 2000-gebieden – nader stikstofdepositieonderzoek Zoals beschreven in hoofdstuk 5 kan niet worden uitgesloten dat door stikstofdepositie (vermesting en verzuring) negatieve effecten optreden op omliggende Natura 2000-gebieden. Middels een Aeriusberekening dient berekend te worden in hoeverre het plan en de aanleg daarvan leidt tot een toename aan stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden.

6.3.2

Provinciale gebiedsbescherming – beoordeling a.d.h.v. het definitieve ontwerp Door de korte ligging van het onderzoeksgebied en de ingreeplocaties (de deelgebieden) kunnen mogelijke negatieve effecten op het NNB op voorhand niet worden uitgesloten echter is de exacte invulling van de deelgebieden (met name deelgebied 3) niet bekend. Middels het definitieve ontwerp dient vastgesteld te worden of er daadwerkelijk sprake is van negatieve effecten op het NNB.

6.3.3

Houtopstanden – aanvraag omgevingsvergunning voor kap In gemeente Bernheze is voor het kappen van bomen in een bomenstructuur een omgevingsvergunning benodigd. De bomen in het bosbiotoop binnen het onderzoeksgebied vallen binnen een bosschage en betreft een bomenstructuur. Voor het kappen van de bomen binnen deelgebied 3 is een omgevingsvergunning van gemeente Bernheze benodigd. Zie hoofdstuk 4.3. voor meer toelichting.

37

7

GERAADPLEEGDE LITERATUUR Chinery, M., 2004. Nieuwe insecten gids. Tirion Natuur, Baarn Dietz, C. en A. Kiefer, 2017. Veldgids, Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij, Zeist Provincie Noord-Brabant, 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Rapportnummer 2017.32. Oktober 2017. Schauer, T., C. Caspari, en S. Caspari, 2016. Nieuwe plantengids voor onderweg. Kosmos Uitgevers, Utrecht. Slagter, D., 2016. Winterflora bomen en struiken. Uitgeverij NatuurMedia, Amsterdam. Stumpel, T. en H. Strijbosch 2017. Veldgids, Amfibieën en reptielen. KNNV Uitgeverij, Zeist Svensson, L., 2016. ANWB-vogelgids van Europa. ANWB B.V., Den Haag Twisk, P., A. van Diepenbeek en J.P. Bekker, 2016. Veldgids Europese zoogdieren. Stichting Uitgeverij KNNV, Zeist. Nationale Databank Flora en Fauna Nationale Databank Flora en Fauna: gegevensexport op 26-06-2023 en nadere controle op 30-4-2024 in verband met omzetten rapportage naar Omgevingswet. Websites www.floron.nl www.minlnv.nederlandsesoorten.nl/soorten www.overheid.nl www.ravon.nl www.rijksoverheid.nl www.sovon.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuis.net www.vlinderstichting.nl www.vogelbescherming.nl www.zoogdiervereniging.nl www.noord-brabant.maps.arcgis.com

38

BIJLAGEN

B1 NATUURBESCHERMING In deze bijlage vindt een beknopte toelichting plaats op alle beschermde natuurwaarden in Nederland. Het overzicht geldt voor plannen en projecten in het kader van ruimtelijke ingrepen, zoals beheer, onderhoud en ruimtelijke ordening.

B1.1 Omgevingswet De Omgevingswet (Ow) is van kracht sinds 1 januari 2024. Met het aanvullingsspoor natuur is de Wet natuurbescherming (Wnb) (per 1 januari 2017 in werking getreden) geïntegreerd in de Ow. De Ow bevat hiermee ook de regels ter bescherming van de natuur, die gaan over:  het beschermen en ontwikkelen van natuur, en het behoud en herstel van de biologische diversiteit  het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur voor maatschappelijke functies  het verzekeren van een samenhangend beleid voor het behoud en beheer van waardevolle landschappen. Het bevoegd gezag is in de regel Gedeputeerde Staten van de provincie en in uitzonderingsgevallen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (voor een Natura 2000-activiteit en een flora- en fauna-activiteit van nationaal belang).

B1.1.1 Activiteiten die natuur betreffen De Omgevingswet kent enkele specifieke zorg- en meldplichten en welke bepalen of een vergunning nodig is (artikel 4.3 Omgevingswet). Noemenswaardige specifieke plichten in relatie tot natuur staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en zien op: 1. Flora- en fauna-activiteiten (Bal artikel 11.27); 2. Activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden of bijzondere nationale natuurgebieden (Bal artikel 11.6); en 3. Activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen (Bal artikel 11.126).

B1.2 Flora- en fauna-activiteit B1.2.1 Bescherming van dier- en plantsoorten In bijlage A bij de Omgevingswet staat de definitie van een flora- en fauna-activiteit: ‘Activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Door de Omgevingswet (Ow) zijn veel dier- en plantensoorten beschermd. Het gaat om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. En om bepaalde soorten van nationaal belang.

B1.2.2 Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit Voor een flora- en fauna-activiteit kan een omgevingsvergunning nodig zijn: artikel 5.1 lid 2 onder g Ow en Art. 11.37 Bal (vogels), Art. 11.46 Bal (strikt beschermde soorten) en Art. 11.54 jo. Bijlage IX Bal (andere soorten). De beoordelingsregels zijn opgenomen in Art. 8.74j Bkl (vogels), Art. 8.74l Bkl (strikt beschermde soorten) en Art. 8.74l (andere soorten). Het beoordelingskader sluit voor de Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten direct aan bij de strikte kaders voor afwijking van de verboden schadelijke handelingen die in de Europese richtlijnen zijn opgenomen.

B1-1

Schadelijke handelingen bij soorten Vogelrichtlijn Er geldt een vergunningplicht voor schadelijke handelingen bij vogels (artikel 11.37, eerste lid, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)). Het gaat om vogels die in Nederland in het wild leven en daar van nature voorkomen. Onder schadelijke handelingen Vogelrichtlijn vallen:  het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in art. 1 Vrl;  het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels;  het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels;  het opzettelijk storen van vogels;  het verbod op het opzettelijk storen van vogels, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort;  het verbod geldt niet als de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel. De mate van ‘verstoren’ hangt per soort af van de intensiteit, duur en frequentie van de verstoring. Verder is het effect van de verstoring op de staat van instandhouding van de soort van belang.

Schadelijke handelingen bij soorten Habitatrichtlijn en verdragen Er geldt een vergunningplicht voor schadelijke handelingen bij dier- en plantensoorten genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage I en II van het verdrag van Bern of bijlage I van het verdrag van Bonn (artikel 11.46, eerste lid, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)). Onder schadelijke handelingen Habitatrichtlijn vallen:  het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren Hrl bijlage IV, onder a, Bern bijlage II, Bonn bijlage I (ex. vogels art. 1 Vrl);  het opzettelijk verstoren van dieren;  het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren;  het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren;  het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b Hrl of bijlage I verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied;  Het verbod geldt niet als de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel. De mate van ‘verstoren’ hangt per soort af van de intensiteit, duur en frequentie van de verstoring. Verder is het effect van de verstoring op de staat van instandhouding van de soort van belang.

Schadelijke handelingen bij soorten die in het Bal staan (andere soorten) Er geldt een vergunningplicht voor schadelijke handelingen bij dieren van bijlage IX, onder A van het Bal (artikel 11.54, eerste lid, Bal). Het gaat om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers. Onder schadelijke handelingen andere soorten vallen:  het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A;  het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren;  het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B;  Het verbod geldt niet voor bosmuis, huisspitsmuis en veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden;

B1-2

Het verbod geldt niet als de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel.

Opzettelijk Onder 'opzettelijk' valt ook 'voorwaardelijke opzet'. Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of een plant. Zoals de vangst of de dood van dieren of het vertrappen of ontwortelen van planten.

Geen vergunningplicht vanwege andere wet of maatregel Er is geen omgevingsvergunning nodig voor schadelijke handelingen bij soorten als de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan. Als voorwaarde geldt dat die toestemming inhoudelijk voldoet aan de beoordelingsregels die normaliter zouden gelden voor de flora- en fauna-activiteit met gevolgen voor soorten van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en verdragen en soorten van het Bal. Er is ook geen omgevingsvergunning nodig als de activiteit voor het uitvoeren van een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel is (respectievelijk artikel 11.37, tweede lid, artikel 11.46, tweede lid en artikel 11.54, tweede lid en Bal).

B1.2.3 Vrijstellingen in de omgevingsverordening, de Omgevingsregeling en in een programma Provincies regelen in een programma (art. 11.41, 11.49, 11.55 Bal) en de Omgevingsverordening (art. 11.42, 11.50, 11.56 Bal) of en welke vrijstellingen van de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit van toepassing zijn. De Omgevingsregeling (art. 11.43, 11.51 en 11.57, Bal) kan dat ook doen. De precieze vergunningvrije gevallen staan in de Omgevingsregeling in paragraaf 4.7.1 (voor vogels), paragraaf 4.7.2 (voor soorten van de Habitatrichtlijn en verdragen) en in paragraaf 4.7.3 (voor andere soorten). Het hangt af van de ruimte die geboden wordt in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of en welke vrijstellingen gelden.

B1.2.4 Bescherming van soorten in het omgevingsplan Provincies en het Rijk kunnen met gemeenten afspreken om bepaalde aanvullende regels in het omgevingsplan op te nemen, bijvoorbeeld door het treffen van maatregelen. Te denken valt aan specifieke eisen waaraan gebouwen moeten voldoen, zoals nestmogelijkheden voor vogels.

B1.3 Natura 2000-activiteit Wanneer iemand een activiteit uitvoert die mogelijk nadelige gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied dan heet dit een Natura 2000-activiteit. In bijlage A bij de Omgevingswet staat de definitie van een Natura 2000-activiteit: Activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.

B1.3.1 Omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit Voor een Natura 2000-activiteit is meestal een omgevingsvergunning nodig (artikel 5.1 lid 1 onder e Omgevingswet), tenzij er sprake is van een ‘vergunningsvrij geval’ (art. 11.16 t/m 11.21 Bal). Het beoordelingskader voor Natura 2000-activiteiten geeft onder andere invulling aan de eisen van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. In artikel 11.6 (Bal) is opgenomen welke verplichtingen er gelden met betrekking tot het uitvoeren van een Natura 2000-activiteit, wanneer men redelijkerwijs weet of kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied. Provincies regelen in een omgevingsverordening of en welke vrijstellingen van de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit gelden. Het hangt af van de ruimte die geboden wordt in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of en welke vrijstellingen gelden. Dit is opgenomen in Artikel 11.50 (Bal).

B1-3

Voortoets Een voortoets betreft een globale effectenanalyse van een plan of project op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden in de invloedsfeer van het plan of project. Mitigerende maatregelen mogen niet meegenomen worden in de voortoets. Wel dient een globale cumulatietoets te worden uitgevoerd. Conclusie dient te zijn of er een kans is op significante gevolgen op Natura 2000-gebieden.

Passende beoordeling Is er sprake van een Natura 2000-activiteit dat niet vergunningsvrij is, dan is er een nader onderzoek nodig in de vorm van een passende beoordeling voordat een vergunning kan worden verleend. De regels waar een passende beoordeling aan moet voldoen staan in art. 16.53c Ow en art. 8.74b Bkl. Deze beoordeling moet met zekerheid uitsluiten dat de voor het gebied relevante natuurlijke kenmerken worden aangetast. In de passende beoordeling mogen mitigerende maatregelen worden betrokken om het netto effect te beoordelen. Mitigatie is gericht op het voorkomen of verzachten van effecten, aan de bron of op de plek waar het effect optreedt.

ADC-toets Is er ondanks mitigatie nog steeds sprake van een significant gevolg, dan kan het vaststellen van een plan of de vergunning voor het project worden verleend als de zogenaamde ADC-toets met succes is doorlopen (art. 8.74b, lid 2 en 3 Bkl):  er geen reële alternatieven voor de activiteit zijn,  er sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang, en  er vooraf en tijdig natuurcompensatie plaatsvindt.

B1.4 Bijzondere nationale natuurgebieden en bijzondere provinciale natuurgebieden/landschappen Momenteel zijn er nog geen bijzondere nationale natuurgebieden en/of bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aangewezen door de bevoegde gezagen.

B1.5 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk. Het is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van instandhouding van:  aanwezige dier- en plantensoorten,  typen natuurlijke habitats,  leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen. Alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Hiernaast behoren tot het NNN andere bos-/natuurgebieden, verbindingszones en oppervlaktewateren. De provincie wijst in de omgevingsverordening de NNN-gebieden aan.

Instructieregels Natuurnetwerk Nederland De regels (afdeling 7.3 van het Bkl) die in de omgevingsverordening komen verzekeren in ieder geval dat (artikel 7.8 Bkl, tweede lid):  de kwaliteit en oppervlakte van het NNN-gebied niet achteruitgaan,  de samenhang tussen de gebieden van het NNN,  tijdige compensatie van een bepaalde activiteit die negatieve gevolgen heeft. De regels in de omgevingsverordening kunnen ook gaan over herstel, verbetering en de uitbreiding van de NNNgebieden. Ook gaat het over de wezenlijke kenmerken en waarden daarvan (artikel 7.8 lid 2 Bkl). Provincies kunnen dus verdergaande regels opstellen dan opgenomen in afdeling 7.3 van het Bkl. In de

B1-4

Omgevingsverordening zijn (instructie)regels gesteld voor Omgevingsplannen van gemeenten en projectbesluiten (art. 7.8, 1e lid Bkl). Deze regels zijn gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

Wezenlijke kenmerken en waarden De wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN worden vastgesteld per Omgevingsverordening door de provincie conform artikel 7.7 Bkl. In de Omgevingsverordening is daartoe een natuurbeheerplan vastgesteld waar in de regel de bestaande natuurwaarden en het ambitieniveau zijn aangegeven middels natuurbeheertypen. Het hangt echter per provincie af hoe zij de wezenlijke kenmerken en waarden hebben gedefinieerd.

B1.6 Houtopstanden, hout en houtproducten In bijlage A bij de Omgevingswet staat de definitie van vellen: ‘Vellen: rooien of verrichten van andere handelingen die de dood of ernstige beschadiging van een houtopstand tot gevolg kunnen hebben’.

B1.6.1 Algemene regels voor het vellen en beheren van houtopstanden In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (Afdeling 11.3 Activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen) zijn algemene regels opgenomen over het beschermen van houtopstanden buiten de bebouwde kom. Hierin staat dat het vellen van houtopstanden is beschermd door een algemene meldplicht (art. 11.126 Bal) en herplantplicht (art. 11.129 Bal) voor houtopstanden vanaf 10 are of meer of bomenrijen bestaande uit meer dan 20 bomen buiten de zogeheten bebouwingscontour houtkap (art. 11.111, lid 2 Bal). De regels gelden niet voor: Houtopstanden kleiner dan 10 are; Bomenrijen bestaande uit 20 bomen of minder; Houtopstanden op erven of in tuinen; Bomen of struiken voor de teelt van vruchten of noten; Windschermen om boomgaarden; Kerstbomen niet ouder dan 20 jaar; Kweekgoed; Uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen of eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; Dunningen; Beplantingen van populieren, wilgen, essen of elzen voor productie van biomassa, die tenminste eens in de 10 jaar worden geoogst, bestaan uit minstens 10.000 stoven/ha/ beplantingseenheid en die zijn aangelegd na 1 januari 2013. Er kunnen maatwerkregels (over de herbeplantingsplicht) of maatwerkvoorschriften worden gesteld.

Deze worden dan door de provincie opgenomen in de omgevingsverordening. De regels over de meldings- en herbeplantingsplicht gelden niet als gewerkt wordt volgens een door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode.

B1.6.2 Bescherming van houtopstanden binnen de bebouwde kom Met andere instrumenten, zoals de omgevingsverordening en het omgevingsplan, kunnen regels binnen de bebouwde kom worden gesteld. In het omgevingsplan (art. 5.165b Bkl) (opgesteld door gemeenten) worden contouren van de bebouwde kom vastgesteld en is daarin terug te vinden (of een voorloper daarvan, bijv. de contour bebouwde kom Wet natuurbescherming of bebouwde kom Boswet). Hierbinnen gelden de algemene regels van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) ter bescherming van houtopstanden in het landelijk gebied niet (artikel 2.28 sub g Ow). Ook kan de gemeente in het omgevingsplan lokale regels over het vellen van bomen of houtopstanden opnemen.

B1-5

B1.7 Algemene en specifieke zorgplichten B1.7.1 Algemene zorgplichten De algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving wordt door artikel 1.6 en artikel 1.7 Ow gevormd. Artikel 1.6 Ow verplicht eenieder om zorg te dragen voor de fysieke leefomgeving. In artikel 1.7 Ow is bepaald dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving kan hebben, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, moeten die gevolgen zoveel mogelijk worden beperkt of ongedaan worden gemaakt. Als blijkt dat die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, moet de activiteit achterwege worden gelaten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd. De algemene zorgplicht blijft (net als onder de Wnb) een belangrijke vangnetfunctie vervullen zonder dat daar een groot juridisch effect of toename in procedures mee gepaard zal gaan.

B1.7.2 Algemeen verbod Nieuw onder de Omgevingswet is het algemeen, strafrechtelijk handhaafbaar verbod in artikel 1.7a op basis waarvan het eenieder verboden is om een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan. Evenals de algemene zorgplicht is dit verbod een vangnet voor gevallen die niet onder specifieke regels vallen.

B1.7.3 Specifieke zorgplichten De specifieke zorgplichten staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het Besluit bouwactiviteiten leefomgeving (Bbl) genoemd en kennen een specifiekere reikwijdte dan de algemene zorgplicht. Activiteiten die door het verrichten of nalaten aanzienlijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving, zijn verboden volgens artikel 1.7a Ow. Deze activiteiten zijn nader begrensd, ter uitvoering van de richtlijn milieustrafrecht, in artikel 1.3 van het Omgevingsbesluit en betreft onder meer het verbod op het in water, lucht of bodem brengen van stoffen, trillingen, warmte of geluid met o.a. gevolgen voor landschappen of natuur, en het onder andere verwaarlozen van een beschermd landschap of beschermde natuur met aanzienlijke gevolgen.

B1-6

B2 BESCHERMDE SOORTEN Naast de bescherming van Vogelrichtlijnsoorten bevat de Omgevingswet schadelijke handelingen voor de soorten opgenomen in Bijlage IV onderdeel a en b van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage I van het verdrag van Bonn. De betreffende soorten zijn in de onderstaande tabel opgenomen. De nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in de tweede tabel in deze bijlage. Tabel 2 Soorten Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Zoogdieren

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Ruige dwergvleermuis

Pipistrellus nathusii

Baardvleermuis

Myotis mystacinus

Spitsdolfijn van Gray

Mesoplodon grayi

Bechsteins vleermuis

Myotis bechsteini

Tuimelaar

Tursiops truncatus

Bever

Castor fiber

Tweekleurige vleermuis

Vespertilio murinus

Bosvleermuis

Nyctalus leisleri

Vale vleermuis

Myotis myotis

Brandts vleermuis

Myotis brandti

Watervleermuis

Myotis daubentoni

Bruinvis

Phocoena phocoena

Walrus

Odobenus rosmarus

Bultrug

Megaptera novaeangliae

Witflankdolfijn

Lagenorhynchus acutus

Butskop

Hyperoodon ampullatus

Witsnuitdolfijn

Lagenorhynchus albirostris

Dwergpotvis

Kogia breviceps

Witte dolfijn

Delphinapterus leucas

Dwergvinvis

Balaenoptera acutorostrata

Wolf

Canis lupus

Franjestaart

Myotis nattereri

Amfibieën

Gestreepte dolfijn

Stenella coeruleoalba

Boomkikker

Hyla arborea

Gewone dolfijn

Delphinus delphis

Geelbuikvuurpad

Bombina variegata

Gewone dwergvleermuis

Pipistrellus pipistrellus

Heikikker

Rana arvalis

Gewone grootoorvleermuis

Pletocus auritus

Kamsalamander

Triturus cristatus

Grijze grootoorvleermuis

Plecotus austriacus

Knoflookpad

Pelobates fuscus

Grote hoefijzerneus

Rhinolophus ferrumequinum

Poelkikker

Rana lessonae

Grote rosse vleermuis

Nyctalus lasiopterus

Rugstreeppad

Bufo calamita

Gewone spitsdolfijn

Mesoplodon bidens

Vroedmeesterpad

Alytes obstetricans

Gewone vinvis

Balaenoptera physalus

Reptielen

Griend

Globicephala melas

Dikkopschildpad

Caretta caretta

Grijze dolfijn

Grampus griseus

Gladde slang

Coronella austriaca

Hamster

Cricetus crisetus

Kemp’s zeeschildpad

Lepidochelys kempii

Hazelmuis

Muscardinus avellanarius

Lederschildpad

Dermochelys coriacea

Ingekorven vleermuis

Myotis emarginatus

Muurhagedis

Podarcis muralis

Kleine hoefijzerneus

Rhinolophus hipposideros

Soepschildpad

Chelonia mydas

Kleine zwaardwalvis

Pseudorca crassidens

Zandhagedis

Lacerta agilis

Laatvlieger

Eptesicus serotinus

Vissen

Lynx

Lynx lynx

Houting

Coregonus oxyrinchus

Meervleermuis

Myotis dasycneme

Steur

Acipenser sturio

Mopsvleermuis

Barbastella barbastellus

Dagvlinders

Narwal

Monodon monoceros

Apollovlinder

Parnassius apollo

Noordse vleermuis

Eptesicus nilssoni

Boszandoog

Lopinga achine

Noordse woelmuis

Microtus oeconomus

Donker pimpernelblauwtje

Phengaris nausithous

Noordse vinvis

Balaenoptera borealis

Grote vuurvlinder

Lycaena dispar

Orca

Orcinus orca

Moerasparelmoervlinder

Euphydryas aurinia

B2-1

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Otter

Lutra lutra

Pimpernelblauwtje

Phengaris teleius

Potvis

Physeter catodon

Tijmblauwtje

Maculinea arion

Rosse vleermuis

Nyctalus noctula

Zilverstreephooibeestje

Coenonympha hero

Bronslibel

Oxygastra curtisii

Drijvende waterweegbree

Luronium natans

Gaffellibel

Ophiogomphus cecilia

Geel schorpioenmos

Hamatocaulis vernicosus

Gevlekte witsnuitlibel

Leucorrhinia pectoralis

Groenknolorchis

Liparis loeselli

Groene glazenmaker

Aeshna viridis

Kleine vlotvaren

Salvinia natans

Mercuurwaterjuffer

Coenagrion mercuriale

Kruipend moerasscherm

Apium repens

Noordse winterjuffer

Sympecma annulata

Liggende raket

Sisymbrium supinum

Oostelijke witsnuitlibel

Leucorrhinia albifrons

Tonghaarmuts

Orthotrichum rogeri

Sierlijke witsnuitlibel

Leucorrhinia caudalis

Zomerschroeforchis

Spiranthes aestivalis

Rivierrombout

Gomphus flavipes

Overige soorten

Libellen

Planten

Kevers

Bataafse stroommossel

Unio crassus

Brede geelrandwaterroofkever

Dytuscus latissimus

Oeveraas

Palingenia longicauda

Gestreepte waterroofkever

Graphoderus bilineatus

Platte schijfhoren

Anisus vorticulus

Juchtleerkever

Osmoderma eremita

Teunisbloempijlstaart

Proserpinus proserpina

Vermiljoenkever

Cucujus cinnaberinus

Tabel 3. Andere soorten. Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Zoogdieren

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Woelrat

Arvicola amphibius

Aardmuis

Microtus agrestis

Amfibieën

Boommarter

Martes martes

Alpenwatersalamander

Triturus alpestris

Bosmuis

Apodemus sylvaticus

Bruine kikker

Rana temporaria

Bunzing

Mustela putorius

Gewone pad

Bufo bufo

Damhert

Dama dama

Kleine watersalamander

Lissotriton vulgaris

Das

Meles meles

Meerkikker

Rana ridibunda

Dwergmuis

Micromys minutus

Middelste groene kikker

Rana klepton esculentus

Dwergspitsmuis

Sorex minutus

Vinpootsalamander

Lissotriton helveticus

Edelhert

Cervus elaphus

Vuursalamander

Salamandra salamandra

Eekhoorn

Sciurus vulgaris

Reptielen

Egel

Erinaceus europaeus

Adder

Vipera berus

Eikelmuis

Eliomys quercinus

Hazelworm

Anguis fragilis

Gewone bosspitsmuis

Sorex araneus

Levendbarende hagedis

Zootoca vivipara

Gewone zeehond

Phoca vitulina

Ringslang

Natrix natrix

Grote bosmuis

Apodemus flavicollis

Vissen

Grijze zeehond

Halichoerus grypus

Beekdonderpad

Cottus rhenanus

Haas

Lepus eauropaeus

Beekprik

Lampetra planeri

Hermelijn

Mustela erminea

Elrits

Phoxinus phoxinus

Huisspitsmuis

Crocidura russula

Gestippelde alver

Alburnoides bipunctatus

Konijn

Oryctolagus cuniculus

Grote modderkruiper

Misgurus fossilis

Molmuis

Arvicola scherman

Kwabaal

Lota lota

Ondergrondse woelmuis

Microtus subterraneus

Dagvlinders

Ree

Capreolus capreolus

Aardbeivlinder

Pyrgus malvae

Rosse woelmuis

Myodes glareolus

Bosparelmoervlinder

Melitaea athalia

B2-2

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Steenmarter

Martes foina

Bruin dikkopje

Erynnis tages

Tweekleurige bosspitsmuis

Sorex coronatus

Bruine eikenpage

Satyrium ilicis

Veldmuis

Microtus arvalis

Donker pimpernelblauwtje

Phengaris nausithous

Veldspitsmuis

Crocidura leucodon

Duinparelmoervlinder

Argynnis niobe

Vos

Vulpes vulpes

Gentiaanblauwtje

Phengaris alcon

Waterspitsmuis

Neomys fodiens

Grote parelmoervlinder

Argynnis aglaja

Wezel

Mustela nivalis

Grote vos

Nymphalis polychloris

Wild zwijn

Sus scrofa

Grote vuurvlinder

Lycaena dispar

Grote weerschijnvlinder

Apatura iris

Groensteel

Asplenium viride

Iepenpage

Satyrium w-album

Groot spiegelklokje

Legousia speculum-veneris

Kleine heivlinder

Hipparchia statilinus

Grote bosaardbei

Fragaria moschata

Kleine ijsvogelvlinder

Limenitis camilla

Grote leeuwenklauw

Aphanes arvensis

Kommavlinder

Hesperia comma

Honingorchis

Herminium monorchis

Pimpernelblauwtje

Phengaris teleius

Kalkboterbloem

Ranunculus polyanthemos

Sleedoornpage

Thecla betulea

Kalketrip

Centaurea calcitrapa

Spiegeldikkopje

Heteropterus morpheus

Karthuizer anjer

Dianthus carthusianorum

Veenbesblauwtje

Plebejus optilete

Karwijselie

Selinum carvifolia

Veenbesparelmoervlinder

Boloria aquilonaris

Kleine ereprijs

Veronica verna

Zilveren maan

Boloria selene

Kleine schorseneer

Scorzonera humilis

Libellen

Kleine wolfsmelk

Euphorbia exigua

Beekrombout

Gomphus vulgatissimus

Kluwenklokje

Campanula glomerata

Bosbeekjuffer

Calopteryx virgo

Knollathyrus

Lathyrus linifolius

Donkere waterjuffer

Coenagrion armatum

Knolspirea

Filipendula vulgaris

Gevlekte glanslibel

Somatochlora flavomaculata

Korensla

Arnoseris minima

Gewone bronlibel

Cordulegaster boltonii

Kranskarwij

Carum verticillatum

Hoogveenglanslibel

Somatochlora arctica

Kruiptijm

Thymus serphyllum

Kempische heidelibel

Sympetrum depressiusculum

Lange zonnedauw

Drosera anglica

Speerwaterjuffer

Coenagrion hastulatum

Liggende ereprijs

Veronica prostrata

Moerasgamander

Teucrium scordium

Muurbloem

Erysimum cheiri

Naakte lathyrus

Lathyrus aphaca

Kevers Vliegend hert

Lucanus cervus

Planten Akkerboterbloem

Ranunculus arvensis

Naaldenkervel

Scanix pecten-veneris

Akkerdoornzaad

Torilis arvensis

Pijlscheefkelk

Arabis hirsuta

Akkerogentroost

Odentites vernus

Roggelelie

Lilium bulbiferum

Beklierde ogentroost

Euphrasia officinalis

Rood peperboompje

Daphne mezereum

Berggamader

Teucrium montanum

Rozenkransje

Antennaria dioica

Bergnachtorchis

Platanthera montana

Ruw parelzaad

Lithospermum arvense

Blaasvaren

Cystopteris fragilis

Scherpkruid

Asperugo procumbens

Blauw guichelheil

Anagallis arvensis

Schubvaren

Asplenium ceterach

Bokkenorchis

Himantoglossum hircinum

Schubzegge

Carex lepidocarpa

Bosboterbloem

Ranunculus polyanthemos

Smalle raai

Galeopsis angustifolia

Bosdravik

Bromopsis ramosa

Spits havikskruid

Hieracium lactucella

Brave hendrik

Chenopodium bonus-henricus

Steenbraam

Rubus saxatilis

Brede wolfsmelk

Euphorbia platyphyllos

Stijve wolfsmelk

Euphorbia stricta

Breed wollegras

Eriophorum latifolium

Stofzaad

Monotropa hypopitys

Bruinrode wespenorchis

Epipactis atrorubens

Tengere distel

Carduus tenuiflorus

B2-3

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Dennenorchis

Goodyera repens

Tengere veldmuur

Minuartia hybrida

Dreps

Bromus secalinus

Trosgamander

Teucrium botrys

Echte gamander

Teucrium chamaedrys

Veenbloembies

Scheuchzeria palustris

Franjegentiaan

Gentianopsis ciliata

Vliegenorchis

Ophrys insectifera

Geelgroene wespenorchis

Epipactis muelleri

Vroege ereprijs

Veronica praecox

Geplooide vrouwenmantel

Alchemilla subcrenata

Wilde averuit

Artemisia campestris

Getande veldsla

Valerianella dentata

Wilde ridderspoor

Consolida regalis

Gevlekt zonneroosje

Tuberaria guttata

Wilde weit

Melampyrum arvense

Glad biggenkruid

Hypochaeris glabra

Wolfskers

Atropa belladonna

Gladde zegge

Carex laevigata

Zandwolfsmelk

Euphorbia seguieriana

Groene nachtorchis

Dactylorhiza viridis

Zinkviooltje

Viola lutea calaminaria

Zweedse kornoelje

Cornus suecica

Overige soorten Europese rivierkreeft

Astacus astacus

B2-4

B3 PROVINCIALE VRIJSTELLING Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet. Ten behoeve van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud heeft de provincie Noord-Brabant een vrijstelling verleend voor de soorten zoals opgenomen in de onderstaande tabel. Nederlandse naam Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Huisspitsmuis Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wild zwijn Woelrat Amfibieën Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker Middelste groene kikker

Wetenschappelijke naam

Periode vrijstelling

Microtus agrestis Apodemus sylvaticus Micromys minutus Sorex minutus Erinaceus europaeus Sorex araneus Lepus eauropaeus Crocidura russula Oryctolagus cuniculus Microtus subterraneus Capreolus capreolus Myodes glareolus Sorex coronatus Microtus arvalis Vulpes vulpes Sus scrofa Arvicola amphibius

Onbeperkt Onbeperkt Onbeperkt Onbeperkt Onbeperkt Onbeperkt Onbeperkt Onbeperkt Onbeperkt Onbeperkt Onbeperkt Onbeperkt Onbeperkt Onbeperkt Onbeperkt Onbeperkt Onbeperkt

Rana temporaria Bufo bufo Lissotriton vulgaris Rana ridibunda Rana esculenta

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=8796bae6-a62d-4e03-8159-a5bbc572c562