CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c, Het Runneke Nistelrode - Nader soortenonderzoek 't Runneke

Raadsvergadering 8 mei 2025, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststelling TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c, Het Runneke Nistelrode *3.633 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Opdrachtgever: Projectnr: Datum:

Gemeente Bernheze BEH026 13 november 2024

Opdrachtgever: Projectnr: Rapportnr: Status: Datum:

Gemeente Bernheze BEH026 20241113-BEH026-RAP-NAT-NSO-t Runneke-co 2.0 Concept 13 november 2024

Opsteller: RVSP

-+C0RVSP+-

Verificatie: RJA

T 088 - 33 66 333 E info@kragten.nl

© 2024 Kragten Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Kragten. Het is tevens verboden informatie en kennis verwerkt in dit rapport ter beschikking te stellen aan derden of op andere wijze toe te passen dan waaraan in de overeenkomst toestemming wordt verleend.

-+R0RJA+-

Validatie: RVH

-+V0RVH+-

INHOUDSOPGAVE 1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding ................................................................................................................................................................ 4 Doelstelling ............................................................................................................................................................... 4 Plangebied................................................................................................................................................................ 4 Voorgenomen plan ..................................................................................................................................................... 5

2.1 2.2 2.3

Werkwijze ................................................................................................................................................................ 7 Resultaten ................................................................................................................................................................ 7 Conclusie.................................................................................................................................................................. 7

3.1 3.2 3.3

Werkwijze ................................................................................................................................................................ 8 Resultaten ................................................................................................................................................................ 8 Conclusie.................................................................................................................................................................. 8

4.1 4.2 4.3

Werkwijze ................................................................................................................................................................ 9 Resultaten ................................................................................................................................................................ 9 Conclusie.................................................................................................................................................................. 9

5.1 5.2 5.3 5.4

Werkwijze .............................................................................................................................................................. 10 Resultaten .............................................................................................................................................................. 11 Conclusie kleine marterachtigen .................................................................................................................................. 12 Conclusie steenmarter ............................................................................................................................................... 13

AFBEELDINGEN Afbeelding 1. Het onderzoeksgebied (rode belijning) met de deelgebieden (gele belijning) weergegeven ...............................................................................5 Afbeelding 2. Het ontwerp van het onderzoeksgebied (rode belijning) en de bijbehorende deelgebieden (gele belijning) (bron: Kragten). .................................... 6 Afbeelding 3 Locaties cameravallen...................................................................................................................................................................... 11 Afbeelding 4 Drie jonge steenmarters bij de sardines, cameraval C2 ........................................................................................................................... 12 Afbeelding 5 Jonge steenmarter zet geursporen af tegen stam, cameraval C1 ............................................................................................................. 12

3

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding De gemeente Bernheze is voornemens een nieuw ruimtelijke procedure te doorlopen voor locatie ’t Runneke te Nistelrode. De huidige situatie bestaat uit industrieterrein, bos en weiland. De huidige situatie wordt ontwikkeld tot een kleinschalig industrieterrein. Volgens nationale en internationale regelgeving is het verplicht om voorafgaand aan de ingreep onderzoek te doen naar de effecten op beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuur Netwerk Nederland (NNN)) en het eventuele voorkomen van beschermde flora en fauna. Tevens is het volgens nationale regelgeving in sommige gevallen verplicht om melding te doen van en/of het aanvragen van een vergunning voor het kappen van houtopstanden. Hiertoe heeft een verkennend flora- en faunaonderzoek plaatsgevonden in het plangebied en is beoordeeld welke beschermde flora en fauna mogelijk voorkomen in het plangebied en wat de effecten van de ingreep hierop kunnen zijn. Uit dit onderzoek is gebleken dat nader soortgericht onderzoek noodzakelijk was naar jaarrond beschermde nesten, eekhoorn, das en kleine marterachtigen. Voorliggend document is de rapportage van deze onderzoeken.

1.2

Doelstelling De doelstelling van dit nader soortgericht onderzoek is om inzicht te verkrijgen in het al dan niet voorkomen van jaarrond beschermde nesten, eekhoorn, das en kleine marterachtigen (betreffende wezel, hermelijn en bunzing) binnen het plangebied of dat het plangebied voor deze soorten van bijzondere waarde is. Dit in aanvulling op het verkennend onderzoek (Kragten, 2024).

1.3

Plangebied Het totale plangebied is gelegen in het noordelijk deel van het bebouwde gebied van Nistelrode (gemeente Bernheze, provincie Noord-Brabant). Ten noorden en westen van het onderzoeksgebied is de Noorderbaan en Heescheweg gelegen. Tussen de twee wegen en het onderzoeksgebied is een fietspad met bijbehorende bermen aanwezig. In het noorden en westen van het onderzoeksgebied wordt de grens gevormd door twee droogstaande greppels die in de noordwestelijke hoek van het onderzoeksgebied bij elkaar komen. Ten oosten en zuiden van het onderzoeksgebied zijn woningen met bijbehorende percelen aanwezig die ook de grens vormen van het onderzoeksgebied. Binnen het onderzoeksgebied is de weg ’Het Runneke’ aanwezig. Naarmate de weg van west naar oost loopt, veranderd de weg van verhard naar onverhard. In het noorden van het onderzoeksgebied en boven de weg het Runneke is een open bosgebied aanwezig bestaande uit o.a. zomereik en hazelaar. Ten zuidwesten van de weg is bebouwd en verharde oppervlakte aanwezig in de vorm van een bedrijventerrein. Het oosten van het onderzoeksgebied bestaat met name uit extensief beheerd weiland en het onverharde deel van Het Runneke. Het onderzoeksgebied is onderverdeeld in vier deelgebieden waarbinnen de plannen beoogd zijn.

Een uitgebreide beschrijving van deze deelgebieden is opgenomen in het de rapportage van het verkennend onderzoek (Kragten, 2024). De bebouwing en het groen buiten de deelgebieden blijven behouden en zijn niet beschouwd in dit verkennend flora,- en fauna onderzoek. Binnen deelgebied 1 is middels een groene belijning een bijgebouw aangeven die in de luchtfoto is weergeven, echter tijdens het verkennend flora- en fauna onderzoek was dit al verwijderd. Het totale onderzoeksgebied en de deelgebieden zijn weergegeven in afbeelding 1.

4

Afbeelding 1. Het onderzoeksgebied (rode belijning) met de deelgebieden (gele belijning) weergegeven op een luchtfoto (bron: PDOK Viewer).

1.4

Voorgenomen plan Gemeente Bernheze is voornemens een nieuw bestemmingsplan op te stellen voor locatie ’t Runneke te Nistelrode. De huidige functies worden ontwikkeld tot een kleinschalig industrieterrein. Ten tijde van het opstellen van dit verkennend flora,- en fauna onderzoek is enkel de globale invulling van het plan bekend. Een exacte invulling, bijvoorbeeld inrichting waterbuffers is nog niet vastgesteld. Wel is al bekend dat de gebouwen buiten de grenzen van de deelgebieden worden behouden. Dit kan betekenen dat binnen het bosgebied, in het noorden van het onderzoeksgebied, weinig tot veel bomen worden gekapt. Hierbij kan een klein deel of juist een groot deel van het bos te komen verdwijnen. De conceptuele (ruimtelijke) ontwikkelingen binnen de deelgebieden zijn weergegeven in afbeelding 2. Deelgebied 1 Binnen deelgebied 1 worden ter plaatse, op de ruigte en het verharde oppervlak, twee bedrijfsgebouwen gerealiseerd. Het hekwerk op de grenzen van het deelgebied blijven gehandhaafd en het groen achter het hekwerk blijft behouden. Het grasland en verharde oppervlakte komen deels of geheel te verdwijnen. Deelgebied 2 Binnen deelgebied 2 wordt het huidige extensief beheerde weiland omgevormd naar een bedrijvenperceel met bebouwing. Ten zuiden van de bebouwing worden parkeerplaatsen gerealiseerd.

Ten noordoosten van het bedrijfspand wordt een waterbuffer met wandelpad gerealiseerd. Ten behoeve van de ontwikkelingen en de bijbehorende werkzaamheden wordt binnen de grenzen van het deelgebied opgaande groenstructuren/bomen en het grasland verwijderd en/of gesnoeid. Deelgebied 3 Binnen deelgebied 3 wordt in het westen een bedrijfsperceel gerealiseerd met bebouwing en wordt een waterbuffer met wandelpad gerealiseerd. De ligging van de waterbuffers is nog niet vastgesteld en kan in theorie binnen het gehele bosbiotoop gesitueerd worden. Het uitgangspunt is derhalve dat het (merendeel van het) bosbiotoop zal verdwijnen.

5

Deelgebied 4 Binnen de grenzen van deelgebied 4 wordt de huidige verharding verwijderd en wordt een bedrijfsperceel met bebouwing en parkeerplaatsen gerealiseerd. Overige deel van het onderzoeksgebied Tussen de waterbuffers van deelgebieden 2 en 3 wordt een wandelpad gerealiseerd. Een deel van de verharde weg Runneke komt ter hoogte van deelgebied 2 te vervallen en wordt vervangen door de bebouwing en ruimtelijke inrichtingen van deelgebied 2. In afbeelding 2 zijn binnen deelgebied 1 twee vlakken met rode belijning opgenomen. Deze twee vlakken betreffen al gesloopte gebouwen en zijn binnen dit verkennend flora,- en fauna onderzoek niet meegenomen. De groene vlakken binnen de deelgebieden betreffen nieuwe bedrijfspanden, de zwarte vlakken betreffen bestaande en te behouden bedrijfspanden.

Afbeelding 2. Het ontwerp van het onderzoeksgebied (rode belijning) en de bijbehorende deelgebieden (gele belijning) (bron: Kragten).

6

2

JAARROND BESCHERMDE NESTEN De bosschage en groenstroken binnen en grenzend aan deelgebieden 2 en 3 kon tijdens het veldbezoek niet vastgesteld worden of er grotere nesten aanwezig zijn en mogelijk binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden en beoogde ontwikkelingen vallen. Indien jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn, kan er mogelijk sprake zijn van kap van nestbomen en directe aantasting van het nest en/of kan er sprake zijn van verstoring door de aanleg,- en gebruiksfase van de voorgenomen plannen, waardoor inzicht in de aanwezigheid van deze nesten noodzakelijk is.

2.1

Werkwijze Om inzicht te krijgen in de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten in de bomen binnen deelgebied 3 of de bomen grenzend aan deelgebied 2 zijn meerdere bezoeken aan het plangebied afgelegd. Het eerste bezoek heeft plaatsgevonden in het bladerloze seizoen. Naast het zoeken naar nesten werd tevens in het plangebied gepost om de aanwezigheid van soorten die een jaarrond beschermd nest hebben vast te stellen of uit te sluiten. De veldbezoeken hebben plaatsgevonden op 9 januari, 2 mei en 17 juli. Ook tijdens de controleronden van het onderzoek naar kleine marters werd gelet op de aanwezigheid van vogels met een jaarrond beschermd nest.

2.2

Resultaten Er zijn geen waarnemingen gedaan van bezette jaarrond beschermde nesten. Ook werden binnen het plangebied geen vogelsoorten of sporen van aanwezigheid van deze vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest waargenomen. In het bosgebied noordelijk van het plangebied komen dergelijke soorten wel voor, onder andere buizerd, maar het plangebied is vanwege de geïsoleerde ligging en op basis van de veldbezoeken niet van waarde voor de soorten in het noordelijke gebied.

2.3

Conclusie Jaarrond beschermde nesten zijn afwezig. Het plangebied vervult geen essentiële functie voor soorten met een jaarrond beschermd nest uit de omgeving.

7

3

EEKHOORN De aanwezigheid van eekhoorn in het plangebied was bij het verkennend onderzoek niet op voorhand uit te sluiten. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van deze soort dient uitsluitsel hierover te geven.

3.1

Werkwijze Gedurende de uitgevoerde onderzoeksronden in het gebied in het kader van jaarrond beschermde nesten en das is gelet op de aanwezigheid van eekhoorns in het gebied en de aanwezigheid van eekhoornnesten. De veldbezoeken hebben plaatsgevonden op 9 januari, 2 mei en 17 juli. Ook tijdens de controleronden van het onderzoek naar kleine marters werd gelet op de aanwezigheid van eekhoorns. Met name de ronden in januari en mei hebben plaatsgevonden tijdens de voortplantingsperiode van de eekhoorn.

3.2

Resultaten Tijdens de veldbezoeken werden geen eekhoorns of sporen van eekhoorns aangetroffen. In de bomen werden evenmin nesten van eekhoorns aangetroffen. Op één van de cameravallen is tijdens het uitvoeren van nader soortenonderzoek naar kleine marterachtigen wel een eekhoorn waargenomen (cameraval C5). Echter door de afwezigheid van nesten en andere sporen van eekhoorn kan redelijkerwijs worden uitgesloten dat de eekhoorn vaste verblijfsplaatsen of nesten heeft binnen het plangebied.

3.3

Conclusie Eekhoornnesten zijn afwezig binnen het plangebied. Echter, omdat de aanwezigheid van een eekhoorn op de camerabeelden wijst op de aanwezigheid van eekhoorn in de nabije omgeving valt niet uit te sluiten dat ten tijden van de werkzaamheden een eekhoorn zich heeft gevestigd in het plangebied. Voorafgaand aan de kapwerkzaamheden moet ter plaatse beoordeeld worden of op dat moment eekhoornnesten aanwezig zijn.

8

4

DAS Binnen het plangebied (deelgebied 3, de bosschage) zijn verouderde holen, mogelijk van das, aangetroffen. De das komt voor in de omgeving van het plangebied, waardoor nader onderzoek vast dient te stellen of de holen nog in gebruik zijn door de das en of het plangebied op een andere wijze, bijvoorbeeld als foerageerbiotoop, van belang is voor de das.

4.1

Werkwijze Om inzicht te krijgen in de aanwezigheid of het gebruik van de das van het plangebied zijn verschillende veldbezoeken uitgevoerd waarbij het plangebied en de omgeving is onderzocht op sporen van de das. Allereerst betreft dit de eerste veldronde in het kader van het verkennend onderzoek: 22 september 2023. Vervolgens hebben bezoeken plaatsgevonden op 9 januari, 2 mei en 17 juli. Hiernaast is het gebied in de periode 5 juli – 30 augustus onderzocht op het voorkomen van kleine marters, waarmee middels het plaatsen van wildcamera’s het plangebied onderzocht is voor 8 weken. Ook tijdens dit onderzoek is gelet op de aanwezigheid van de das binnen het plangebied.

4.2

Resultaten Het plangebied en de omgeving is uitvoerig onderzocht op de aanwezigheid van de das. Binnen het plangebied werd geen activiteit van de aanwezige, sterk verouderde, holen aangetoond. Deze holen waren gedurende alle bezoeken tussen september 2023 en augustus 2024 vervallen en lagen vol met blad. Ook elders binnen het plangebied werden geen sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van de das, zoals mestputjes, wroetsporen en wissels. Bij het cameraonderzoek naar kleine marters zijn geen dassen waargenomen. Wat wel bleek is dat het bosbiotoop sterk verstoord is door activiteiten van spelende kinderen. Op diverse plaatsen zijn hutten gebouwd en worden ook wel eens kampvuurtjes gemaakt. Dit heeft een afwerende werking voor de das. Het binnen deelgebied 2 gelegen open terrein raakte in de loop van 2024 sterk verruigd, waardoor het ook geen optimaal foerageerbiotoop voor de das biedt. Daarnaast was op voorhand de vraag of de dassen de Noorderbaan zouden oversteken. Deze weg ten noorden van het plangebied is aan de zuidzijde van het grote bosgebied volledig afgerasterd met een dassenraster. Het raster is geheel intact en er zijn geen dassentunnels aanwezig in de nabijheid. De enige manier waarop de dassen het plangebied in theorie kunnen bereiken is via openingen in het raster ter hoogte van de Slotenseweg en de Berghemseweg.

Hier werden geen wissels of andere sporen aangetroffen van dassen die de oversteek van de druk bereden weg wagen. In de directe nabijheid van het plangebied, binnen het noordelijk gelegen bosgebied, werden evenmin recente sporen van de das aangetroffen. Maar ook hier waren verouderde holen aanwezig. Deze werden op meerdere locaties aangetroffen in het bosgebied maar hadden geen relatie met het plangebied. Het onderzoek heeft aangetoond dat de das geen gebruik maakt van het plangebied. De ontwikkelingen binnen het plangebied hebben, gezien de reeds bebouwde omgeving waarin ze plaatsvinden en de noordelijk aanwezige druk bereden weg ook geen indirect effect op het noordelijk gelegen bosgebied. De voorgenomen plannen hebben daarom geen effect op de das.

4.3

Conclusie Op basis van het onderzoek mag uitgesloten worden dat het plangebied deel uit maakt van het leefgebied van de das. Effecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling zijn derhalve uitgesloten.

9

5

KLEINE MARTERACHTIGEN Mogelijke rust,- en/of voortplantingsplaatsen van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) zijn binnen, op de grenzen en direct grenzend aan deelgebieden 2 en 3 aanwezig in de vorm van bosschage, groenstroken, (oude) holen en extensief beheerd grasland. Kleine marterachtigen zijn minder strikt gebonden aan een specifiek foerageerbiotoop, maar foerageren naar verwachting in de geruime omgeving van de deelgebieden en het onderzoeksgebied, waar geschikt leefgebied aanwezig is. Een optimaal habitat met veel woelmuizen is minimaal 1 hectare groot (provincie Noord-Brabant, 2017). Binnen het gehele onderzoeksgebied en met name deelgebieden 2 en 3 is een diversiteit van biotopen en leefgebieden aanwezig en komen waarschijnlijk meerdere muizensoorten voor binnen en op de grenzen van deelgebieden 2 en 3. Op basis hiervan betreft het onderzoeksgebied en deelgebieden 2 en 3 een potentieel geschikt foerageergebied voor kleine marterachtigen. Ook al worden de groenstroken op de grenzen van deelgebied 2 ontzien is er mogelijk sprake van mogelijk essentieel foerageerbiotoop/leefgebied dat verloren gaat tijdens de ontwikkeling in de bosschage van deelgebied 3 en het grasland binnen deelgebied 2. Ten slotte wordt binnen deelgebied 3 potentieel in gebruik genomen rust,- en/of voortplantingsplaatsen in de vorm van (oude) holen verstoord en vernietigd.

Hierdoor kon tijdens het verkennend onderzoek niet uitgesloten worden dat de werkzaamheden binnen de deelgebieden leiden tot een verlies aan verblijfplaatsen en geschikt leefgebied voor kleine marterachtigen. Middels een nader soortenonderzoek naar deze soortgroep is onderzocht of de soortgroep aanwezig is binnen het plangebied en of in dat geval negatieve effecten op kunnen treden voor kleine marterachtigen.

5.1

Werkwijze Het nader soortenonderzoek is uitgevoerd middels het gebruik van cameravallen. Hierbij wordt het plaatsen van een cameraval met als lokmiddel sardines volgens een opzet gebruikt zoals beschreven in het Kennisdocument kleine marterachtigen. De camera wordt op ongeveer 20-25cm hoogte opgehangen met daar tegenover een blikje sardines als lokmiddel. Het lokmiddel hangt op ongeveer 15cm hoogte en op een afstand van ongeveer 1,5 tot 2 meter van de camera. Het nader soortenonderzoek naar kleine marterachtigen is uitgevoerd over een totaalperiode van acht weken van 2 juli tot en met 27 september. De geschikte onderzoeksperiode voor kleine marterachtigen loopt van juni tot en met half november. Het kennisdocument kleine marterachtigen schrijft voor dat per 0,25 hectare geschikt leefgebied minimaal één methodiek/meetpunt moet worden toegepast om de trefkans op kleine marterachtigen zo hoog mogelijk te maken. In het verkennend onderzoek zijn deelgebied 2 en 3 aangewezen als potentieel geschikt leefgebied. Samen komen deze twee deelgebieden uit op een oppervlakte van 1,25 hectare waarvoor een minimum van 5 meetpunten benodigd is. Het na vier weken verplaatsen van meetpunten om zo extra meetpunten te creëren is toegestaan.

Tijdens het nader soortenonderzoek naar kleine marterachtigen is gebruik gemaakt van drie individuele cameravallen welke na een periode van 4 weken zijn verplaatst naar nieuwe meetpunten. Hierdoor zijn zes meetpunten gecreëerd op een oppervlakte van 1,25 hectare leefgebied. De cameravallen zijn geplaatst op de meest geschikte locaties binnen het projectgebied. In het geval van kleine marterachtigen betekent dit een combinatie van: hagen, greppels, wissels en andere beschutte locaties/lijnelementen welke in verbinding staan met potentiële voedsellocaties. Hierbij is niet alleen gekeken naar deze routes, maar ook de mate waarin beschutting aanwezig of juist afwezig was langs deze elementen.

10

Afbeelding 3

5.2

Locaties cameravallen

Resultaten Tijdens het nader soortenonderzoek zijn met de cameravallen geen kleine marters, of sporen van kleine marters waargenomen. Wel zijn meerdere malen muizen en egels waargenomen. De aanwezige muizen zijn een potentiele voedselbron voor kleine marterachtigen. Op locatie C5 is een waarneming van de eekhoorn gedaan. Op alle cameralocaties, met uitzondering van locatie C3, zijn wel waarnemingen gedaan van jonge steenmarters. De steenmarters staan regelmatig met drie tegelijk op de camerabeelden. De steenmarters die zijn waargenomen zijn nog vrij klein qua formaat en staan zowel spelend als foeragerend en snuffelend bij het lokmiddel op de beelden. Steenmarters zijn individualistisch van karakter. Het betreft hier dus nestje jonge steenmarters welke nog bij elkaar zijn. Gedurende het onderzoek zijn iedere week waarnemingen gedaan van de steenmarter(s) op alle locaties die op dat moment uitstonden, met uitzondering van locatie C3.

11

5.3

Afbeelding 4

Drie jonge steenmarters bij de sardines, cameraval C2

Afbeelding 5

Jonge steenmarter zet geursporen af tegen stam, cameraval C1

Conclusie kleine marterachtigen Op basis van de resultaten van het nader soortenonderzoek kan worden uitgesloten dat er vaste verblijf- en rustplaatsen aanwezig zijn binnen deelgebied 2 en 3 van het plangebied. Er zijn tijdens het onderzoek geen kleine marterachtigen waargenomen op de cameravallen. Ook zijn tijdens veldbezoeken en op beelden van de cameravallen geen sporen van kleine marterachtigen waargenomen. Hoewel is vastgelegd dat binnen deelgebied 2 en 3 verschillende geschikte voedselopties in de vorm van diverse muizen aanwezig zijn maakt het plangebied slechts een klein deel uit van een grotere leefomgeving voor de bunzing (80-800 hectare territoriumgrootte) en hermelijn (2-40 hectare). In het geval van een zeer kleine territoriumgrootte van de hermelijn (+/- 2 hectare) of de wezel (+/-1 hectare) is het aannemelijk dat deze zouden zijn aangetroffen tijdens het nader soortenonderzoek. Dit is echter niet het geval. Met de afwezigheid van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn, wezel), zijn negatieve effecten op deze soorten op voorhand uitgesloten.

12

5.4

Conclusie steenmarter De steenmarter verblijft voornamelijk in gebouwen, steengroeven en rotsige hellingen en is vaak te vinden nabij dorpen en boerderijen. Door de aanwezigheid van kleine landschapselementen in deze omgevingen kan de steenmarter zich langs groenstroken, heggen, bosjes , greppels en houtwallen op beschutte wijze verplaatsen tussen locaties. Het territorium van een steenmarter bedraagt grofweg 80-700 hectare met tientallen verblijfsplaatsen en legt in een nacht soms wel 10-15 km af. Binnen deelgebieden 2 en 3 zijn geen gebouwen aanwezig. Verblijfplaatsen van steenmarter in gebouwen binnen de deelgebieden kunnen op voorhand worden uitgesloten. Direct grenzend aan de deelgebieden zijn gebouwen aanwezig die potentiële verblijfplaatsen voor de steenmarter vormen zoals het woonhuis gelegen tussen deelgebied 1 en 4. In de bosschage binnen deelgebieden 2 en 3 zijn geen dichte braamstruwelen aangetroffen waar verblijfplaatsen van de steenmarter aanwezig kunnen zijn. De verharde oppervlakten en graslanden binnen deelgebieden 1 en 4 vormen door de afwezigheid van beschutting ongeschikt geschikt leefgebied voor de steenmarter. De bosschage binnen deelgebied 3 vormt wel geschikt leefgebied voor de steenmarter en hier zijn tijdens het onderzoek ook diverse steenmarters waargenomen.

In de omgeving van deelgebied 3 is meer dan voldoende alternatief leefgebied voor de soort waardoor het bosgebied binnen deelgebied 3. Het plangebied bedraagt een oppervlakte van 1,25 hectare geschikt leefgebied. Afgezet tegen de gemiddelde territoriumgrootte van 80-700 hectare, voldoende alternatieven in de omgeving en mede door afwezigheid van vaste verblijfs- en rustplaatsen kan uitgesloten worden dat deelgebied 2 en 3 essentieel leefgebied vormen voor de steenmarter. Evenals geadviseerd is voor de eekhoorn, wordt ook voor de steenmarter geadviseerd voorafgaand aan eventuele (kap)werkzaamheden een controle op aanwezigheid van plaatsen waar steenmarters zich kunnen voortplanten of verblijven uit te voeren. Zoals eerder aangegeven is er in de omgeving van het plangebied veel alternatief aanwezig dat geschikt is voor de steenmarter. Daarnaast maakt de steenmarter gebruik van een netwerk van de verblijfplaatsen in het territorium. Het verdwijnen van een verblijfplaats heeft daarom niet direct effect op de staat van instandhouding van de omgeving. In het geval dat er tijdens de check voorafgaand aan de werkzaamheden een verblijfplaats van de steenmarter wordt aangetroffen, dient contact gezocht te worden met het bevoegd gezag, in dit geval Omgevingsdienst Brabant-Noord (ODBN) over eventuele vervolgstappen.

13

6

RESUMÉ NADER SOORTENONDERZOEK De resultaten van het nader soortenonderzoek naar jaarrond beschermde nesten, eekhoorn, das en kleine marterachtigen zijn in onderstaande tabel nogmaals samengevat. Soort Jaarrond beschermde nesten Eekhoorn

Resultaat onderzoek Afwezig Soort aanwezig maar geen sprake van essentieel leefgebied.

Das Kleine marterachtigen Steenmarter

Afwezig Afwezig Soort aanwezig maar geen sprake van essentieel leefgebied.

Vervolgstappen N.v.t. Voorafgaand aan werkzaamheden check uitvoeren op eekhoornnesten. N.v.t. N.v.t. Voorafgaand aan werkzaamheden check uitvoeren op verblijfplaatsen steenmarter.

14

7

LITERATUUR BIJ12, 2017. Kennisdocument das, Meles meles. Versie 1.0, juli 2017, BIJ12, 2024. Kennisdocument kleine marterachtigen, bunzing – hermelijn – wezel. Versie 1.1, juli 2024. Kragten, 2024. ’T Runneke Nistelrode, Verkennend flora- en faunaonderzoek. Rapportnummer: 20240430BEH026-Verk.FF.Ond.-RAP-2.0ow. 30 april 2024, Kragten, Rosmalen.

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=bfd37d98-c111-4760-b347-8bfc8720a147