CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c, Het Runneke Nistelrode - M.e.r.-beoordeling

Raadsvergadering 8 mei 2025, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststelling TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c, Het Runneke Nistelrode *9.805 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De GGD hanteert het standpunt dat het onderzoek van Geelen et al. (2015). De op grond van het onderzoek van Geelen hierbij behorende geurbelasting is weliswaar niet juridisch houdbaar aangezien dit niet is opgekomen binnen het gemeentelijk beleid. Voorliggend plan voldoet niet aan de normen opgenomen in het onderzoek van Geelen et al. (2015). Er is derhalve niet zonder meer sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de geursituatie in het gebied. Een advies van de GGD is noodzakelijk.

23

4) De aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij De soort landbouwhuisdieren dat wordt gehouden en ook de combinatie van te houden dieren kan van invloed zijn op het eventuele risico voor de volksgezondheid. Dit heeft te maken met een mogelijk verhoogde infectiedruk en het risico van vermenging bacteriën of virussen. Indien er sprake is van het gecombineerd houden van varkens en pluimvee, of rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten) of kleine herkauwers onderling dan is advisering vanuit de GGD wenselijk in hoeverre dit voor wat betreft volksgezondheid verantwoord is. Er zijn geen veehouderijen in de buurt waar meer dan één diersoort wordt gehouden. Daarnaast zijn er geen varkens- en/ of pluimveebedrijven in de buurt waarvan de afstand tussen het plangebied en de inrichtingsgrenzen minder dan 100 meter bedraagt. 5) Veehouderijen 5a. Geitenbedrijven Uit recente bevindingen van het VGO-2 rapport (2017) blijkt dat er in een straal van 2 kilometer rondom geitenhouderijen een verhoogde incidentie op longontstekingen wordt gevonden. Hierom bedraagt de minimale afstand tussen geitenhouderijen en gevoelige bestemmingen 2 kilometer. Op de locatie Weerscheut 19 worden in totaal 2.000 geiten gehouden. Deze locatie is gelegen op circa 6.600 meter van het plangebied.

Gesteld kan worden dat er geitenhouderijen met een omvang van meer dan 50 geiten binnen 2 kilometer van het plangebied gesitueerd. Derhalve is er geen advies van de GGD noodzakelijk. 5b. Pluimveebedrijven Uit het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO), onderzoeksprogramma VGO-III (looptijd 2017-2024) bleek dat in de jaren 2009-2013 sprake was van een verhoogd voorkomen van longontstekingen onder omwonenden die binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij woonden. In de jaren daaropvolgend (2014-2016) werd dat verband niet meer gevonden. Elke drie jaar worden in het kader van het onderzoeksprogramma VGO-III de onderzoeksresultaten geactualiseerd. Voor de periode 2017 – 2019 geldt dat bovenstaand verband opnieuw werd gevonden voor een afstand van 500 meter. Tot het moment dat de herziene versie van de Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid wordt uitgegeven op basis van de meest recente onderzoeksresultaten, is besloten om een advies van de GGD te blijven vragen binnen een afstand van 500 meter van een pluimveehouderij. Uit stap 1 blijkt dat de dichtstbijzijnde pluimveehouderij (Vosbergstraat 30, Heesch) gelegen is op circa 2.000 meter. Geconcludeerd kan worden dat er geen pluimveehouderijen gelegen zijn binnen 500 meter van het plangebied. Derhalve is er geen advies van de GGD noodzakelijk. 5c.

Overige veehouderijen Indien een overige veehouderij op kortere afstand ligt dan 250 meter van een bebouwde kom is het advies om een aanvullend risicobeoordeling uit te voeren. Op de locatie aan de Doolhof 25 te Nistelrode worden paarden gehouden. Dit betreft een overige veehouderij. De paardenhouderij is gelegen op circa 440 meter van het plangebied. Binnen 250 meter van het plangebied zijn dus geen (overige) veehouderijen gelegen. Er is geen sprake van een verhoogd risico. Derhalve is er geen advies van de GGD noodzakelijk. 6) De aanwezigheid van mestbe- of verwerking Bij een veehouderij kan mestbewerking als nevenactiviteit bij het houden van de dieren aan de orde zijn. Maar het kan ook een op zichzelf staande activiteit betreffen, waar mest van meerdere veehouderijen wordt bewerkt. Er is in de nabijheid van het plangebied geen mestbewerkings- of mestverwerkingsbedrijf aanwezig.

24

7) Ongerustheid bij omwonenden Indien er rond een veehouderij veel ongerustheid bestaat over het aspect volksgezondheid (gerelateerd aan de betreffende veehouderij of meerdere veehouderijen in de omgeving), dan is een advies vanuit de GGD wenselijk. Er is in de omgeving geen ongerustheid over de volksgezondheid bij omwonenden.

2.6.2

Boom- en fruitteelt Bij boom- en fruitteelt worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd. De gronden rondom het plangebied zijn niet in gebruik voor boom- en fruitteelt en bovendien ook niet aangewezen als boomteeltontwikkelingsgebied. Geconcludeerd wordt dat er geen rekening gehouden hoeft te worden met spuitzones als gevolg van boom- en fruitteelt.

2.6.3

Hoogspanningsverbindingen De magnetische velden in de buurt van hoogspanningsverbindingen kunnen invloed hebben op de gezondheid. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Het plangebied is op circa 750 meter van het dichtstbijzijnde hoogspanningstracé gelegen en is hiermee ver buiten de invloed zone van een bovengrondse hoogspanningsleiding gelegen. Om deze reden vormt het onderdeel straling geen beperkende factor voor de beoogde ontwikkeling.

2.6.4

Explosieven De Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) geeft voor Nederland een landelijk overzicht op een kleine schaal van de (verwachte) ligging van resten van ondergronds en bovengronds militair erfgoed. In een klein deel waarbinnen de onderzoekslocatie is gesitueerd kunnen resten worden verwacht van verschillende munitieartikelen. Daarnaast kunnen meer statische structuren worden verwacht, zoals resten van stellingen, versperringen, loopgraven, ondersteunende posten. Ook inslagen van granaten en mortieren kunnen worden verwacht, vaak in de vorm van beschadigingen aan bestaande bouw of bomen en als microreliëf. Op grond van het bovenstaande kan samenvattend worden geconcludeerd dat vanuit het aspect volksgezondheid geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn.

25

3

PLAATS VAN HET PROJECT

3.1

Bestaand grondgebruik In afbeelding 8 is het bestaand grondgebruik weergegeven. Het noordelijk deelgebied is ingericht als boscomplex. Dit is enige jaren geleden ingeplant als natuurcompensatie vanwege de aanleg van de golfbaan De Hooge Vorssel. Het zuidoostelijk deel van het plangebied ligt braak en is thans in gebruik als grasland/weide. Het zuidwestelijk deel is reeds bestemd en in gebruik als bedrijventerrein, Hier is onder andere een bouwmaterialenhandel gevestigd en een motorhandel met een bedrijfswoning. Een aantal percelen ligt braak.

Afbeelding 8

bestaand grondgebruik

26

3.2

Rijkdom aan kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen Niet van toepassing. Er zijn geen specifieke natuurlijke hulpbronnen in het plangebied aanwezig. Realisering van de voorgenomen activiteiten zal derhalve geen invloed hebben op de rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen van het gebied.

3.2.1

Energietransitie Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld. Onderhavig plan draagt op de volgende wijzen bij aan de energietransitie:  de bedrijfsbebouwing wordt 'aardgasvrij' gebouwd;  de oriëntatie van de bedrijfsbebouwing is geoptimaliseerd voor zonne-energie (zongericht verkavelen); 

3.2.2

er wordt gebruikt gemaakt van aardwarmte, warmte-koude opslag, lucht warmte-koude opslag, of andere vormen van duurzame energie; de bedrijfsbebouwing wordt volgens het BENG-principe gebouwd;

parkeervoorzieningen elektrische auto's.

Klimaatbestendigheid Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden langer, heter en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling. Onderhavig plan voorziet hier op de volgende wijze in:  water in openbare ruimte (waterbergende, ecologische, landschappelijke, recreatieve functie);  

aantrekkelijk verblijfsklimaat voor de gebruikers, gebiedseigen planten en dieren; groen / bomen aanleggen ten behoeve van opname van stikstof en CO2, het vast houden van water en het tegengaan van hittestress.

27

3.3

Opnamevermogen van het natuurlijk milieu a)

Wetlands In de omgeving van het plangebied komen geen wetlands voor. De voorgenomen activiteit zal hierop geen invloed hebben.

b)

Kustgebieden De afstand van het plangebied tot de kustgebieden is dermate groot dat beïnvloeding hiervan op voorhand kan worden uitgesloten.

c)

Berg- en bosgebieden. In de omgeving van het plangebied zijn geen berggebieden gelegen. Ten noorden van het plangebied, aan de overzijde van de Noorderbaan ligt een bosgebied dat onderdeel uitmaakt van het Natuur Netwerk Brabant. Zoals in paragraaf 2.5.4 is aangegeven, worden als gevolg van het voorgenomen project geen negatieve effecten op dit bosgebied verwacht.

d)

Reservaten en natuurparken. Er zijn geen reservaten of natuurparken gelegen in de omgeving van het plangebied.

e)

Vogel- en/of Habitatrichtlijngebieden. Het plangebied is niet gelegen binnen een Vogel- en/of Habitatrichtlijn. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het ‘Rijntakken’ ligt op circa 17 km van het plangebied. De instandhoudingsdoelen van deze Habitatrichtlijngebieden worden niet beïnvloed als gevolg van de realisering van de voorgenomen activiteiten (zie hiervoor ook paragraaf 2.5.4.1).

f)

Gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden. In de omgeving van het plangebied zijn geen gebieden bekend waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit worden overschreden. Het plangebied is zoals hierboven gesteld niet gelegen binnen een Vogel- of Habtitatrichtlijngebied. Ook vanuit de Kaderrichtlijn Water ligt er op dit moment geen opgave voor dit plangebied.

g)

Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid. Het plangebied is gelegen in of in de nabijheid van een gebied met een relatief hoge bevolkingsdichtheid (Nederland gemiddeld 517 inwoners/ km2). Het plan is gelegen aan de noordzijde van de kern Nistelrode, gemeente Bernheze. Nistelrode heeft circa 5.500 inwoners, hetgeen neerkomt op 1.784 inwoners per km.

h)

Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. Zoals in het voorgaande reeds is aangegeven, is het plangebied niet gelegen in een landschap van historisch, cultureel of landschappelijk belang. In paragraaf 2.5.3 is aangegeven dat er geen belangrijke landschappelijke en cultuurhistorische waardevolle structuren in het plangebied zijn, met uitzondering van een monumentale boom langs het Runneke, maar deze blijft gehandhaafd.

28

4

KENMERKEN VAN HET POTENTIËLE EFFECT

4.1

Bereik van het effect (geografische zone en grootte getroffen bevolking) Zoals in de vorige hoofdstukken is aangegeven, is de omvang van de effecten als gevolg van de realisering van de voorgenomen activiteiten zeer beperkt .

4.2

Grensoverschrijdend karakter Er worden geen grensoverschrijdende effecten verwacht.

4.3

Orde van grootte en complexiteit effect Niet van toepassing. Zie paragraaf 2.5.

4.4

Waarschijnlijkheid effect Niet van toepassing. Zie paragraaf 2.5.

4.5

Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect Niet van toepassing. Zie paragraaf 2.5.

29

5

CONCLUSIE Gelet op het voorgaande is de initiatiefnemer van oordeel dat de aard van de effecten die gekoppeld zijn aan de realisering van de voorgenomen herontwikkeling en beperkte uitbreiding van het bedrijventerrein Het Runneke in voldoende mate in beeld zijn gebracht en dat er geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die leiden tot dermate aanzienlijke milieueffecten dat het maken van een milieueffectrapport een toegevoegde waarde zou hebben. Op grond hiervan verzoekt de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag te besluiten dat een verdere m.e.r.procedure niet aan de orde is.

30

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=54d38874-9a63-4021-b1e6-9795e9a8e141