CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

RVR007_TOE en REG Nobisweg_Hommelsedijk-vg02 renvooi

Raadsvergadering 23 oktober 2025, gemeente BernhezeBij agendapunt: Herstelbesluit Woonlocatie Hommelsedijk/Nobisweg34.763 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Analyse Het plan leidt tot het toevoegen van woningen waar kinderen gedurende langere tijd verblijven. Er wordt echter opgemerkt dat er sprake is van een zeer grote afstand tot hoogspanningsverbindingen, namelijk ruim 3 kilometer, en dat het schadelijke magneetveld zich tot maximaal enkele honderden meters van de hoogspanningsverbinding uitstrekt.

Conclusie Gelet op de zeer grote afstand tot hoogspanningsverbindingen (namelijk 3 kilometer ") is nader onderzoek niet nodig.

5.1.7.5

Conclusie

Het aspect volksgezondheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.8 Milieueffectrapportage 5.1.8.1

Inleiding

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, of waarvoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is.

5.1.8.2

Analyse

Het plan valt onder de activiteit 11.2 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, zoals genoemd in de bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage, maar overschrijdt niet de daarin genoemde drempelwaarde. Het plan is niet m.e.r.(-beoordelings)plichtig, maar er heeft wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. De beoordeling is als bijlage 14 opgenomen. Gelet op het voorgaande is de initiatiefnemer van oordeel dat de aard van de effecten die gekoppeld zijn aan de voorgenomen realisering van planologisch maximaal 208 woningen in het gebied tussen De Dieppoel, Koffiestraat, Hommelsedijk, Heuvelstraat, Nobisweg en de Zandstraat in Heeswijk-Dinther in voldoende mate in beeld zijn gebracht en dat er geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die leiden tot dermate belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu dat het maken van een milieueffectrapport een toegevoegde waarde zou hebben. Op grond hiervan heeft het college van burgemeester en wethouders op 12 december 2023 ingestemd met de aanmeldnotitie en op basis daarvan besloten dat er geen milieueffectrapportage opgesteld hoeft te worden en dat er geen m.e.r. procedure nodig is.

Nadien zijn enkele onderzoeken geactualiseerd of aangevuld, waaronder de verkeerstoets, het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, het onderzoek industrielawaai, de watertoets en het ecologisch onderzoek. De stedenbouwkundige hoofdopzet van het plan en het maximaal aantal woningen (208) is als uitgangspunt voor deze onderzoeken gehandhaafd. De geactualiseerde onderzoeken zijn opgenomen als bijlagen bij het vastgestelde bestemmingsplan en de conclusies hiervan zijn in deze toelichting verwerkt. De stedenbouwkundige hoofdopzet van het plan en het maximum aantal woningen (208) zijn als gevolg van deze geactualiseerde ond ten opzichte van het ontwerp-bestemmingsplan niet gewijzigd.

76

Uit de conclusies van de geactualiseerde onderzoeken blijkt niet dat er sprake is van nieuwe bijzondere omstandigheden die leiden tot dermate belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu dat het maken van een milieueffectrapport een toegevoegde waarde zou hebben. Hiermee is er geen aanleiding om het op 12 december 2023 genomen besluit te heroverwegen.

5.1.8.3

Conclusie

Er heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden, waaruit volgt dat het plan geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. De geactualiseerde onderzoeken leiden niet tot een andere conclusie. Het opstellen van een milieueffectrapportage is derhalve niet aan de orde.

5.2 Waarden 5.2.1 Ontplofbare Oorlogsresten 5.2.1.1

Inleiding

In de Tweede Wereldoorlog alleen al is naar schatting twaalfduizend ton aan explosieve stof door vliegtuigen afgeworpen. Ervaringscijfers geven aan dat ongeveer tien tot vijftien procent van deze afgeworpen Ontplofbare Oorlogsresten om diverse redenen niet zijn gesprongen. Daarnaast zijn grote hoeveelheden munitie door grondgeschut en handvuurwapens verschoten, waarvan eveneens een deel niet of slechts gedeeltelijk is gedetoneerd. Vooral op locaties waar destijds zwaar gevochten is, komen nog veel van deze ‘blindgangers’ in de bodem voor.

5.2.1.2

Historisch vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten

Om te onderzoeken of het plangebied of delen hiervan betrokken zijn geweest bij oorlogshandelingen en er daardoor een verhoogd risico is op het aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten (OO) is een historisch vooronderzoek OO uitgevoerd: rapport 'Historisch vooronderzoek OO Heeswijk-Dinther Hommelsedijk' (18 december 2022; 221208_H22049_VOB_01). Het rapport is als bijlage 15 bijgevoegd. Op basis van de resultaten uit het historisch vooronderzoek wordt het onderzoeksgebied als onverdacht verklaard op een verhoogd risico tot aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten. Het bepalen van een verticale en horizontale afbakening is dan ook niet aan de orde. Ook het bepalen van de mogelijk aan te treffen OO is niet van toepassing. Indien tijdens de uitvoering onverhoopt OO worden aangetroffen, worden alsnog de benodigde acties genomen.

5.2.1.3

Conclusie

Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen planologische belemmering voor het bestemmingsplan.

5.2.2 Archeologie 5.2.2.1

Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden.

5.2.2.2

Analyse

Het plangebied kent, overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan , de 'Waarde Archeologie 2 en 3'. De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden van archeologische waarde en gronden met een (middel)hoge archeologische verwachtingswaarden. De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden van archeologische waarde en gronden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde.

77

Op de leidende Archeologische Beleidskaart van de gemeente Bernheze (2011) liggen de volgende categorieën met archeologische verwachtingswaarden (gedeeltelijk) binnen het plangebied:  Categorie 4: Gebieden met een hoge archeologische verwachting.  Categorie 5: Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting  Categorie 6: Gebieden met een lage archeologische verwachting. Om te onderzoeken of er historische resten in de bodem ter plaatse van het plangebied aanwezig zijn, is een archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd: rapport 'Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen: Nobisweg - Hommelsedijk' 1 maart 2023; AM22387). Het rapport is als bijlage 16 bijgevoegd. Op basis van de resultaten uit het archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen wordt geconcludeerd dat:  ter plaatse van Type II- boringen deels intacte enkeerd- of laarpodzolgronden zijn aangetroffen. Het gaat hierbij voornamelijk om de BC-horizont. De bovenliggende horizonten zijn door jarenlange bewerking van het land opgenomen in het bovenliggende pakket. Het opgebrachte (plaggen)dek heeft een conserverende werking op de eventueel aanwezige archeologische resten. Ter plaatse van Type I-boringen zijn is een scherp AC-bodemprofiel aangetroffen.

Dit is mogelijk het gevolg van (sub)recente bewerking van de bodem. Als gevolg van de zandwinning is de bodem ter plaatse van Type IV-boringen diepgaand verstoord. De kans op het aantreffen van intacte archeologische waarden wordt daarom zeer klein geacht. Ter plaatse Type III-boringen wordt de kans op het aantreffen van archeologische vondsten laag geacht. De (donker) bruine kleur duidt erop dat het ter plaatse van deze boringen lange tijd te nat was voor bewoning.  ter plaatse van Type II-boringen een deels intacte podzolbodem aanwezig is. De afwezigheid van een E- en B-horizont ter plaatse van de Type I-boringen kan duiden op een recentere bewerking van de bodem.  eventueel aanwezige archeologische resten ter plaatse van Type I- en II-boringen worden verwacht onder de A-horizont. Deze wordt vanaf 25 centimeter onder maaiveld aangetroffen. Ten tijde van dit onderzoek is de exacte einddiepte en locatie van de toekomstige ingrepen niet bekend. De graafwerkzaamheden bij de voorgenomen plantontwikkeling kunnen ter plaatse van Type I- en II-boringen een negatieve impact hebben en kunnen resulteren in de aantasting van eventueel aanwezige archeologische resten.

Op basis van het archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek wordt geadviseerd om een vervolgonderzoek, in de vorm van een proefsleuvenonderzoek, uit te voeren voor het deel van het plangebied waar type I en II boringen zijn gedaan. Het proefsleuvenonderzoek wordt in een later stadium uitgevoerd. De resultaten van het bureau- en verkennend veldonderzoek onderzoek zijn reeds voorgelegd aan de gemeente Bernheze en akkoord bevonden. Voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) opgesteld, dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan het bevoegd gezag. Ondanks een zorgvuldig onderzoek of een zorgvuldige afweging kan nooit volledig worden uitgesloten dat er tijdens werkzaamheden archeologische sporen of resten worden aangetroffen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient hiervan melding te worden gemaakt bij bevoegd gezag.

5.2.2.3

Conclusie

Ter bescherming van de mogelijke archeologische vondsten, zijn de bestaande dubbelbestemmingen Waarde Archeologie 2 en Waarde Archeologie 3 nog overgenomen in dit bestemmingsplan. Hiermee vormt het aspect archeologie geen planologische belemmering voor het plan. Ter plaatse van de drie meeloopinitiatieven dient er nog archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. Ook hiervoor is een voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen.

78

5.2.3 Cultuurhistorie 5.2.3.1

Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.

5.2.3.2

Analyse

De volgende afbeelding betreft een uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Bernheze. Op de cultuurhistorische waardenkaart is het noordelijk deel van het plangebied, ten noorden van de Hommelsedijk, als 'oude akkers (esdek)' aangemerkt (bruine arcering). Daarnaast is het omliggende wegennet van het plangebied als 'oud wegtracé - redelijk hoge waarde' aangewezen (gele arcering). Verder staan aan De Dieppoel, grenzend aan het plangebied en aan de Heuvelstraat (buiten het plangebied) monumentale bomen (groene stippen). Binnen het plangebied, aan de Hommelsedijk 4a, zijn twee 'overige historische bouwkunstwerk' gelegen (rode stippen). En zijn aan de Koffiestraat, aangrenzend aan het plangebied, en aan de Heuvelstraat (buiten het plangebied) twee rijksmonumenten gelegen.

UITSNEDE CULTUURHISTORISCHE WAARDENKAART GEMEENTE BERNHEZE

Bij de totstandkoming van het stedenbouwkundig ontwerp is rekening gehouden met bovengenoemde cultuurhistorische waarden die binnen en rondom het plangebied gelegen zijn. Met de ontwikkeling van de woonlocatie blijven de monumentale bomen en het historische bouwkunstwerk aan de Hommelsedijk 4a behouden. Ook het rijksmonument aan de Koffiestraat en de rijksmonumenten aan de Heuvelstraat blijven onaangetast. Zo is rekening gehouden met de bestaande structuren en elementen in het landschap Deze bestaande structuren en elementen zullen daarom behouden blijven en worden met de ontwikkeling van de beoogde woonlocatie niet aangetast.

5.2.3.3

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

79

5.2.4 Natuurwaarden 5.2.4.1

Inleiding

Ten behoeve van de bescherming van natuurwaarden geldt de Wet natuurbescherming. De daarin opgenomen bescherming omvat de onderdelen:  gebiedsbescherming;  soortenbescherming;  bescherming van houtopstanden.

5.2.4.2

Analyse

Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan enerzijds om verstorende effecten zoals geluid, licht en trillingen op natuurgebieden behorende tot het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en anderzijds om stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

Verstorende effecten Om na te gaan of voorliggend plan verstorende effecten op gebieden behorende tot Natuurnetwerk Nederland heeft, is een verkennend flora- en fauna onderzoek uitgevoerd: rapport 'Verkennend flora- en faunaonderzoek woningbouwplan Heeswijk-Dinther' (17 februari 2023; RVR007). Het onderzoeksrapport is als bijlage 18 bijgevoegd. Op basis van de resultaten uit het verkennend flora- en fauna onderzoek wordt geconcludeerd dat het onderzoeksgebied buiten de begrenzing van het NNB valt. Vervolgstappen in het kader van het NNB zijn daarom niet aan de orde.

Stikstofdepositie Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om stikstofdepositie. Conform de Wet natuurbescherming mag de stikstofdepositie namelijk niet toenemen. Er geldt dan ook een grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar. Om de effecten van het plan op de omliggende Natura2000-gebieden te bepalen is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd overeenkomstig de 'Handreiking Passende Beoordeling Stikstofaspecten Bestemmingsplannen'. Het onderzoeksrapport (24 februari 2025; RVR007) is als bijlage 20 bijgevoegd. Het plan behelst de beoogde ontwikkeling van maximaal 208 woningen uit verschillende segmenten. Als gevolg van deze gebiedsontwikkeling worden deze 3 agrarische bedrijven gesaneerd, te weten:  Hommelsedijk 4a  Hommelsedijk 4b  Nobisweg 15 Het beëindigen milieubelastende activiteiten en de sloop van deze drie intensieve veehouderijen is als randvoorwaarden opgenomen in het nieuw op te stellen bestemmingsplan voor de woonlocatie. Gekoppeld aan deze planontwikkeling worden de verleende milieuvergunningen van de drie voornoemde bedrijven ingetrokken. Ten behoeve van een toets in het kader van de Wet natuurbescherming is de beoogde situatie gemodelleerd op basis van expert judgement en aangeleverde gegevens door de opdrachtgever.

De stikstofdepositie is op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden berekend en vervolgens is getoetst of de ontwikkeling (mogelijk) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Uit de uitgevoerde berekeningen naar de gebruiksfase en de aanlegfase blijkt dat de stikstofdepositie niet meer dan 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt. Hierbij is geen rekening gehouden met het inzetten van een interne salderingsmaatregel. Met behulp van het rekenprogramma Aerius Calculator is de stikstofdepositiebijdrage vanwege de gebruiksfase en het maatgevende rekenjaar van de aanlegfase berekend ter plaatse van nabijgelegen gevoelige habitattypen in de voor het plan relevante Natura 2000-gebieden.

80

In bijlage B1.1 en B1.2 zijn voor zowel de uitgevoerde berekening naar gebruiksfase als het maatgevende jaar van de aanlegfase weergegeven middels de Aerius PDFexport. Uit de uitgevoerde berekeningen naar de gebruiksfase en het maatgevende rekenjaar van de aanlegfase blijkt dat de stikstofdepositie in beide situatie niet meer dan 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt. In het kader van een voortoets kunnen significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten waardoor het uitvoeren van een passende beoordeling evenals een vergunningplicht Natura 2000-activiteit niet aan de orde is. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het plan. Soortenbescherming

Verkennend Flora- en fauna onderzoek Woonlocatie Nobisweg/Hommelsedijk Om een indruk te verkrijgen van de (mogelijk) aanwezige beschermde planten- en diersoorten binnen het onderzoeksgebied is een verkennend flora- en fauna onderzoek uitgevoerd: rapport 'Verkennend flora- en faunaonderzoek woningbouwplan Heeswijk-Dinther' (17 februari 2023; RVR007). Het onderzoeksrapport is als bijlage 18 bijgevoegd. Op basis van een literatuuronderzoek en een verkennend veldbezoek (21 november 2022) is beoordeeld of en zo ja, welke functie het onderzoeksgebied heeft voor beschermde soorten. Op basis van de resultaten uit het verkennend- flora - en fauna onderzoek wordt geconcludeerd dat:  ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling mogelijk negatieve effecten te verwachten zijn op broedvogels, vleermuizen, amfibieën, en grondgebonden zoogdieren. Daarbij kan aanwezigheid van algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën binnen het plangebied niet worden uitgesloten.  er een groeiplaats aanwezig is van de Japanse duizendknoop (vaatplant en invasieve exoot) in de tuin van het perceel aan de Nobisweg 15. Gedurende de werkzaamheden dient rekening worden gehouden dat bij bijvoorbeeld graafwerkzaamheden de soort niet verspreid mag worden.  de bebouwing binnen het plangebied waarschijnlijk binnen het broedgebied van huismus valt.

De soort is tijdens het veldbezoek ook waargenomen binnen het plangebied. Vervolgonderzoek naar de huismus is dan ook noodzakelijk.  binnen het plangebied de aanwezigheid van een nestplaats en functioneel leefgebied van steenuil territorium niet kan worden uitgesloten Hiervoor is soortgericht onderzoek naar de steenuil noodzakelijk.  mogelijk meerdere vleermuissoorten een vaste rust- en/of verblijfplaats hebben in de gebouwen die gesloopt gaan worden. Het is van belang om vast te stellen of in het te slopen bebouwing verblijfplaatsen aanwezig zijn. Als het gebouw in gebruik is als verblijfplaats voor vleermuizen, is er bij de sloop van het gebouw sprake van een vernietiging van een vaste verblijfplaats en is een ontheffing van de Wet natuurbescherming vereist (Wnb artikel 3.5 lid 4). Daarbij dienen bij de uitvoering van de werkzaamheden en bij toekomstige inrichting van het gebied negatieve effecten als gevolg van het gebruik van kunstmatige verlichting gericht op de naastgelegen bomen en struiken (noordelijk deel plangebied) voorkomen te worden. Als dit niet mogelijk blijkt is vervolgonderzoek naar vliegroutes noodzakelijk.  in de directe omgeving van het plangebied een burchtlocatie van de das aanwezig is. Ook zijn op korte afstand tot het plangebied waarnemingen bekend. Aanvullend onderzoek naar burchtlocaties en eventueel foerageergebied is noodzakelijk.

 de bebouwing binnen het plangebied mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen voor steenmarter vormen. Door de geplande ingreep (sloop) is het mogelijk dat eventueel aanwezige nestplaatsen worden vernietigd. Vervolgonderzoek dient aan te tonen of steenmarters gebruik maken van de aanwezige te slopen bebouwing binnen het plangebied.  kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) mogelijk verblijfplaatsen en/of foerageergebied binnen het plangebied hebben .De ingreep kan een effect hebben op een deel van het leefgebied van deze kleine marterachtigen, waardoor in het ergste geval holen en of nesten worden vernield. Door de geplande ingreep verdwijnt waarschijnlijk een deel van geschikt leefgebied van de marterachtigen. Vervolgonderzoek naar kleine marterachtigen dient te worden uitgevoerd om aan te tonen of het plangebied een essentieel leefgebied is van kleine marterachtigen.  in de tuin van het perceel aan de Nobisweg 15 een goed ontwikkelde vijver aanwezig is. In de directe omgeving zijn waarnemingen bekend van strikt beschermde amfibieën, zoals Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker. Voor deze soorten dient er vervolgonderzoek te worden uitgevoerd, als de vijver wordt aangetast.  Voor de algemene soorten is de algemene zorgplicht van toepassing.

81

Voor algemene broedvogels geldt dat in gebruik zijnde nesten streng beschermd zijn en daarom niet mogen worden vernield ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming mogelijk. Er dient daarom voorkomen te worden dat in gebruik zijnde nesten van vogels vernield worden bij de werkzaamheden. De werkzaamheden dienen daarom uitgevoerd of op zijn minst aangevangen te worden buiten het broedseizoen van in de omgeving voorkomende broedvogels. Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot half juli. Tot slot wordt opgemerkt dat de zorgplicht als genoemd in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming te allen tijde van toepassing is. Bescherming van houtopstanden Alle houtopstanden binnen het plangebied zijn onderdeel van boerenerven en tuinen. Voor dit onderdeel geldt er een vrijstelling (Artikel 4.1 lid b) voor het vellen van houtopstanden. Het onderdeel houtopstanden binnen de Wnb is daarmee niet aan de orde.

Nader soortenonderzoek Op basis van de conclusie uit het verkennend flora- en faunaonderzoek is een nader soortenonderzoek uitgevoerd. Dit nader soortenonderzoek is gericht op de aanwezigheid van de huismus, steenuil, das, steenmarter, kleine marterachtigen, vleermuizen en amfibieën (kamsalamander, Alpenwatersalamander en poelkikker) ter plaatse van de gronden van de beoogde woonlocatie: rapport: 'Nader soortenonderzoek (21 mei 2024; RVR007). Het nader soortenonderzoek is als bijlage 19 opgenomen. Op basis van de resultaten uit dit soortgerichte onderzoek blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling mogelijk negatieve effecten kan veroorzaken op een aantal beschermde diersoorten. De rapport bevat per diersoort de aanbevelingen en vervolgstappen met een verwijzing naar de nadere toelichting in de betreffende paragraaf van het rapport. Soortgroep Mogelijk effect Vervolgstappen Paragraaf in rapport Vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 4) Huismus Ja Vergunning noodzakelijk in Paragraaf 4.1 het kader van de Omgevingswet voor het verlies van 1 nestplaats. Effecten op functioneel leefgebied en nestplaatsen in de directe omgeving zijn niet aan de orde. Steenuil Geen N.v.t.

Paragraaf 4.2 Vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest (categorie 5) Boerenzwaluw Ja Rekening houden met Paragraaf 4.8 broedseizoen Grondgeboden zoogdieren Das Geen Geen verblijfssporen Paragraaf 4.3 aangetroffen van das binnen het gehele onderzoeksgebied. Kleine marterachtigen Geen Geen kleine marterachtigen Paragraaf 4.4 en bijlage aangetroffen. B4 Steenmarter Ja Vergunning noodzakelijk in Paragraaf 4.5 en bijlage het kader van de B4. Omgevingswet voor het verlies van vaste rust en verblijfplaatsen in de stallen van Hommelsedijk 4b.. Vleermuizen Verblijfplaatsen en Nee Geen Paragraaf 4.6 foerageergebied Vliegroutes Ja Voorkomen verstoring door Paragraaf 4.6 verlichting vliegroute boomstructuren Hommelsedijk en Dieppoel.

82

Amfibieën Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker Algemene amfibieën

Geen

Geen

Paragraaf 4.7

Ja

Rekening houden met de algemene zorgplicht

Paragraaf 4.7

Uit bovenstaande tabel blijkt dat voor de soorten huismus en steenmarter, voorafgaand aan de werkzaamheden, een omgevingsvergunning voor overtreding van een flora- en fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet aangevraagd dient te worden. Naast de vergunning dienen ook mitigerende en compenserende maatregelen te worden getroffen. Onderstaand de onderbouwing op basis waarvan is aangetoond dat de vergunningen verkregen kunnen worden.

Onderbouwing Omgevingsvergunning Flora- en fauna activiteit Steenmarter Wettelijk belang In dit bestemmingsplan is de woningbehoefte aangetoond. Met de realisatie van de beoogde woonwijk wordt ingespeeld op deze woningbehoefte. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling kan deze ontwikkeling niet binnen het stedelijk gebied gerealiseerd worden. Door de werkzaamheden van deze woningbouwontwikkeling, gaat een vaste rust- en verblijfsplaats en leefgebied van de steenmarter in de stallen van Hommelsedijk 4b verloren. Dit betreft een overtreding van Artikel 11.54 eerste lid, onder b van de omgevingswet: het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren. Hierdoor is een Omgevingsvergunning voor een flora- en fauna activiteit noodzakelijk voor de uitvoering van de werkzaamheden. Alternatieven Zoals beschreven in het nader soortenonderzoek (21 mei 2024; RVR007 ), zijn er sporen van de steenmarter waargenomen op verschillende locaties rond de stallen van Hommelsedijk 4b. Doordat niet alle gebouwen volledig toegankelijk waren tijdens het onderzoek, kon niet worden uitgesloten dat de steenmarter in de bebouwing aanwezig is. Gezien de mogelijkheid van aanwezigheid van de steenmarter, wordt er vanuit gegaan dat de steenmarter een vaste rust- of verblijfsplaats heeft in de stallen van Hommelsedijk 4b.

Om een negatief effect op de steenmarter van deze locatie te voorkomen worden ten aanzien van het plan alternatieven beschreven. Compenseren rust- en verblijfslocatie Het behouden van de stallen is bij de voorgenomen ingreep niet mogelijk, er is derhalve geen alternatief voor het behoud van de aanwezige verblijfplaats van de steenmarter. Doordat de vaste rust- en verblijfplaats van de steenmarter aan de Hommelsedijk 4b verloren gaat, dient deze gecompenseerd te worden. Hoewel de steenmarter binnen zijn territorium verschillende alternatieve verblijfplaatsen zal hebben, is er sprake van een verplichte compensatie van de rust- of verblijfplaats. De compensatie van de rust- en verblijfplaats kan gerealiseerd worden door aanleggen van een marterbult of marterhoop. Deze compensatieoptie biedt ten aanzien van de steenmarter de grootste kans dat de compensatielocatie in gebruik genomen wordt door de steenmarter (Zoogdierenvereninging, 2022). Dit kan gerealiseerd worden door het plaatsen van een steenmarterkast met daar over heen takken en snoeihout. Door dit op te bouwen uit meerdere lagen van dun en dik snoeihout, zal een ideale omgeving ontstaan voor de steenmarter. Ook is het van belang dat de kast niet direct op de grond geplaatst wordt om het optrekken van vocht te voorkomen.

Ook is het aan te bevelen om een betonnen buis van ongeveer 15 cm doorsnede te plaatsen vanuit de opening van de steenmarterkast naar de buitenzijde van de takkenhoop, op deze wijze is de ingang van de verblijfplaats goed te vinden. Aan de randen van het plangebied is voldoende ruimte beschikbaar om de alternatieve rust- en verblijfplaats te realiseren zodat deze binnen passend leefgebied aanwezig is. Gezien de omstandigheden wordt hiermee voor het beste inrichtingsalternatief gekozen. Bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt rekening gehouden met de planningsvoorwaarden die noodzakelijk zijn om een negatief effect op de steenmarter te voorkomen. Hierbij is het van belang dat de werkzaamheden van de stallen aan Hommelsedijk 4b plaats vinden buiten de kwetsbare periode van de Steenmarter (maart t/m juli). Wanneer werkzaamheden buiten deze periode plaats vinden wordt een negatief effect op de steenmarter van deze locatie voorkomen en wordt dus reeds voor het beste planningsalternatief en de meest optimale werkwijze gekozen.

83

Leefgebied In de directe omgeving van het plangebied is voldoende leefgebied voor de steenmarter aanwezig. Het territorium van de steenmarter bedraagt in Nederland tussen de 80 en 700 hectare. Hierdoor blijft voldoende leefgebied beschikbaar wanneer het voorgenomen plan gerealiseerd wordt. Hierdoor dient er geen alternatief leefgebied voor de steenmarter ingericht te worden. Staat van instandhouding steenmarter De steenmarter komt in een groot deel van Nederland voor, maar wordt gezien als een zeldzame gast. De steenmarter wordt voornamelijk aangetroffen in de gehele oostelijke zijde van Nederland. Op de navolgende afbeelding is te zien dat in het westen van het land de steenmarter maar in een enkel atlasblok en in lagere dichtheden voorkomt. Ook in de regio waar het plangebied gelegen is, komt de steenmarter voor.

STEENMARTER OP NATIONAAL, REGIONAAL EN LOKAAL NIVEAU (2010-2024)

De steenmarter wordt niet bedreigd en staat daardoor sinds een aantal jaar niet langer op de Rode Lijst. Sinds 1980 wordt er een positieve trend waargenomen in het aantal waarnemingen van de steenmarter. Deze positieve trend is dan ook terug te zien in het aantal atlasblokken waar de soort voorkomt. De steenmarter leeft solitair en maakt gebruik van een grote variatie aan rust- en verblijfslocaties. Het verwijderen van een enkele rust- of verblijfslocatie is daarmee op landelijke schaal verwaarloosbaar. Verder is de voorgenomen ingreep voor de woningbouwopgave van sterk lokale aard. De ingreep zal daarom geen invloed hebben op de regionale of landelijke staat van instandhouding van de steenmarter. Concluderend kan gesteld worden dat ten aanzien van de werkzaamheden aan Hommelsedijk 4b, een vaste rusten verblijfslocatie van de steenmarter verloren gaat. Hiervoor is een Omgevingsvergunning van een flora- en fauna activiteit noodzakelijk. Op basis van bovenstaande onderbouwing wordt het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor de werkzaamheden haalbaar geacht. Voor het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora en fauna activiteit dient deze onderbouwing en een uitgebreidere situatiebeschrijving opgenomen te worden in een activiteitenplan.

In het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de omgevingsvergunning voor een flora en fauna activiteit verkregen moet zijn voordat het plan ten uitvoer wordt gebracht.

84

Onderbouwing Omgevingsvergunning Flora- en fauna activiteit Huismus In de varkensstalling van de Nobisweg 15 is gedurende het flora en faunaonderzoek een territoriale huismus aangetroffen. Deze stal wordt door de voorgenomen ontwikkeling gesloopt, waardoor er effecten optreden op een vaste rust- en verblijfsplaats van 1 huismus. Hiervoor dient een vergunning te worden aangevraagd voor overtreding van een flora en fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Het is niet wettelijk toegestaan zonder meer een huismussennest te verwijderen, artikel 11.37 OW. Naast de vergunning dienen ook mitigerende en compenserende maatregelen getroffen worden. Rondom het plangebied (buiten 20 meter van de projectgrenzen) zijn tijdens het onderzoeksgebied meerdere huismussen aangetroffen. Met de woningbouw is geen sprake van directe aantasting, want de nestplaatsen blijven behouden, er is geen sprake van verstoring en blijft voldoende biotoop behouden. Met de voorgenomen ontwikkelingen blijven de woningen met tuinen onveranderd (inclusief de woningen binnen het onderzoeksgebied), waardoor negatieve effecten uitgesloten kunnen worden. Met de ontwikkeling van het woongebied verdwijnt er lokaal groenstructuren, maar binnen de directe omgeving van 100 tot 200 meter vanaf de aanwezige nestlocaties buiten de plangrenzen blijft er voldoende alternatief leefgebied voorhanden.

Effecten op het functioneel leefgebied van de huismus wordt niet verwacht. Op basis van bovenstaande onderbouwing wordt het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor de werkzaamheden haalbaar geacht. In het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de omgevingsvergunning voor een flora en fauna activiteit verkregen moet zijn voordat het plan ten uitvoer wordt gebracht.

5.2.4.3

Conclusie

Het aspect natuurwaarden vormt geen planologische belemmering voor het plan. Voor de start van de werkzaamheden dient aangetoond te zijn dat de beoogde ontwikkeling pas kan plaatsvinden als een vereiste omgevingsvergunning voor overtreding van een flora en fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet ten behoeve van de steenmarter en huismus is verkregen. Dit is middels een voorwaardelijke verplichting in de regels van voorliggend bestemmingsplan geborgd. Ter plaatse van de drie meeloopinitiatieven dienen nog flora onderzoeken uitgevoerd te worden. Ook hiervoor is een voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen.

5.3 Waterparagraaf 5.3.1 Inleiding Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Aa en Maas. In het plangebied worden nieuwe woningen en verhardingen gerealiseerd en ontstaat er daarmee nieuw verhard oppervlak. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een samenvatting van het concept waterhuishoudkundig plan (2 juli 2024) voor deze ontwikkellocatie welke als bijlage 21 is bijgevoegd. De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).

5.3.2 Beleid Waterbeheerplan 2022-2027, Waterschap Aa en Maas. In het waterbeheerplan (WBP) staan de doelstellingen van waterschap Aa en Maas voor de periode 2022-2027. Het waterschap beschrijft wat ze (vaak samen met anderen) gaat doen om die doelen te halen en hoe ze inspeelt op veranderende omstandigheden, zoals het klimaat en stoffen in het oppervlaktewater. Hierdoor weten de inwoners van haar werkgebied en de partners wat ze van het waterschap kunnen verwachten. In het actuele waterbeheerplan krijgen de volgende programma's aandacht:  Programma Waterveiligheid: Oost Brabant beschermen tegen overstromingen;  Programma Klimaatbestendig en gezond watersysteem: Goede waterkwaliteit en -kwantiteit voor mens en natuur en Gezond en natuurlijk water;  Programma Schoon water: Goede zuiveringsresultaten voor gezond water in sloten en beken.

85

Waterschapsverordening Met de komst van de Omgevingswet is ook de Waterschapsverordening geïntroduceerd. De Waterschapsverordening is een aanvulling op de regels uit de Omgevingswet. Waterschap Aa en Maas toetst op de volgende acht onderwerpen de 'weging van het waterbelang, om te beoordelen of in het plan voldoende rekening is gehouden met de waterbelangen: 1. Voorkomen van vervuiling 2. Wateroverlast vrij bestemmen. 3. Hydrologisch neutraal Ontwikkelen (HNO) 4. Vuil water en hemelwater scheiden. 5. Volgorde hergebruik, infiltratie, buffering en afvoer 6. Waterschapsbelangen 7. Meervoudig ruimtegebruik 8. Water als kans. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding of afkoppelen van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor hemelwater dat op verharde oppervlakten valt staat het Waterschap onderstaande voorkeursvolgorde toe, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. Hergebruik; 2. Vasthouden/infiltreren; 3. Bergen en afvoeren; 4. Afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect); 5. Afvoeren naar de riolering.

Het Waterschap vraagt aan initiatiefnemers deze voorkeursvolgorde te doorlopen en te beargumenteren voor welke optie wordt gekozen. 'Vasthouden' betekent infiltratie in de bodem. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk zijn, is afvoer naar een oppervlaktewater/riolering mogelijk. In dat geval kan een compenserende waterberging noodzakelijk zijn. Het Waterschap heeft hiervoor normen vastgesteld. Gemeentelijk rioleringsplan Bernheze 2020-2023 De gemeente Bernheze stelt dat verantwoord afkoppelen op twee manieren kan worden uitgevoerd:  Vasthouden op het eigen terrein;  Aansluiten op gemeentelijke voorzieningen. In het beleid van de gemeente Bernheze zijn verder regels opgenomen om bij bouwplannen een duurzame omgang met regenwater eventueel te verplichten. Dit geldt zowel voor nieuwbouw als voor herbouw. Met de wet is specifiek aangegeven dat de perceeleigenaar een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de verwerking van hemelwater op zijn eigen terrein, mits doelmatig. Hiertoe heeft zij het mogelijk gemaakt, per verordening bewoners te verplichten om hemelwater af te koppelen. Bij grootschalige uitbreidingen worden duurzame stelsels aangelegd waarbij rekening gehouden dient te worden met een duurzame omgang met hemelwater. Het beleid van waterschap ‘Aa en Maas’ is hierbij ook nadrukkelijk van toepassing.

5.3.2.1

Waterhuishoudkundig plan

In het kader van deze ontwikkeling is in afstemming met Waterschap Aa en Maas een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Dit waterhuishoudkundig plan bevat in hoofdstuk 2 een beschrijving van de bestaande situatie van het plangebied met een toelichting op de hoogteligging van het plangebied, het bodemtype, de grondwaterstanden en de situatie van het oppervlaktewater. Voor de beoogde woningbouwontwikkeling is een infiltratieonderzoek uitgevoerd dat als bijlage aan het waterhuishoudkundig plan is toegevoegd.

5.3.2.2

Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie worden planologisch maximaal 208 woningen voorzien.

86

Wateropgave en waterberging Het uitgangspunt is om binnen het betreffende deelgebied de bergingsopgave van dat gebied in te passen. In het waterhuishoudkundig wordt dit per deelgebied nader uitgewerkt. Locatie Deelgebied A Extra wateropgave deelbied A vanwege dempen waterlopen Deelgebied B Extra wateropgave deelbied B vanwege dempen waterlopen Deelgebied C Totale oppervlak

Beoogd verhard oppervlak [m2] 21.105

Wateropgave [m3] bij een Wateropgave [m3] bij een bergingseis van 60 mm bergingseis van 70 mm 12.666 1.477 128 128

14.415

865 483

1.009 483

14.609 50.129

877 3.619

1.023 4.120

Beoogde waterbergingsopgave per deelgebied Op basis van het waterhuishoudkundig volgt dat er waterberging gecreëerd dient te worden voor het beoogde nieuwe verharde oppervlak (netto 50.129 m2), te weten 3.008 m3. Hierbij komt nog circa 611 m3 berging ter compensatie van de watergangen die binnen het plan worden gedempt. Dit leidt tot een bergingsopgave van circa 3.619 m3 bij een bergingseis van 60 mm. Wanneer rekening wordt gehouden met het actuele gemeentelijk beleid, zijnde een bergingseis van 70 mm, dan is er een sprake van een bergingsopgave van 4.120 m3. De opgaven leidt tot onderstaande globale uitwerkingen voor de verschillende deelgebieden.

Beoogde waterbergingsopgave per deelgebied

Globale schets waterberging en waterstructuren deelgebied A en B

87

Voorstel waterberging en waterstructuren deelgebied C Het waterhuishoudkundig plan laat zien dat er voldoende ruimte is om de waterbergingsopgave bij 60 mm te realiseren, daarbij kan ook bijna voldaan worden aan de norm van 70 mm wanneer gerekend wordt met een beperkte hoeveelheid water op straat. Er ligt nog wel een aandachtspunt bij de leeglooptijden van de voorzieningen omdat deze niet binnen 24 uur vertraagd kunnen leeglopen. Dit heeft ermee te maken dat de deklaag van deze omgeving zich maar beperkt leent voor infiltratie. Gekeken moet worden of het verhard oppervlak kan worden geminimaliseerd en grondverbetering kan worden toegepast zodat infiltratiewaarden worden verhoogd en daarmee de leeglooptijden verbeteren. Het uitgangspunt is dat voor deze ontwikkeling 70 mm waterberging wordt gerealiseerd. Voor de gemeente is acceptabel is dat er sprake mag zijn van (tijdelijke) waterberging op straat, voor de laatste waterschijf. Het plan bevat nu voldoende fysieke bergingsruimte voor een 60mm bui. Bij de nadere technische uitwerking wordt gezocht naar ruimte om ook de 70mm zo veel als mogelijk te bufferen in fysieke bergingen. Hiertoe zijn er mogelijkheden omdat in deze fase bijvoorbeeld nog geen rekening is gehouden met bijvoorbeeld de wakingsruimte in de wadi's én de ruimte in het rioolstelsel.

In de verdere uitwerking van het rioleringsplan en het rioleringsmodel wordt hier aandacht aan geschonken en gekeken naar de klimaatrobuustheid van het plan. Ook vindt een toetsing plaats bij extreme neerslag. Zowel gemeente als waterschap worden nauw betrokken bij deze verdere uitwerking.

Aanbevelingen voor verdere uitwerking waterberging Het waterhuishoudkundig plan laat zien dat er in het huidige ontwerp voldoende ruimte aanwezig is om de benodigde waterberging te realiseren. In de civieltechnische uitwerking is het belangrijk dat er voldoende waterbergingen worden ontworpen, de afstroming over maaiveld wordt uitgewerkt in de hoogte, de technische detailleringen van het hemelwatersysteem worden uitgewerkt en het beheer en onderhoud van de voorzieningen aandacht krijgt. Dit zijn onderwerpen die in de volgende fase samen met het waterschap en de gemeente nader worden uitgewerkt. Bij de verdere uitwerking dient ook rekening gehouden met een aantal aanbevelingen. Een van de aanbevelingen betreft het realiseren van de waterberging boven de GHG. In overleg met het waterschap en de gemeente en na monitoring van de waterstanden, zijn de GHG waarden omhoog gebracht naar NAP + 7,3 m tot NAP + 7,4 m. Bij de verdere uitwerking is het belangrijk dat de grondwaterstanden die momenteel worden gemonitord mee worden genomen in de toetsing van deze GHG. Het waterhuishoudkundig plan bevat verder aanbevelingen over de wijze van bouwen, de kansen om het verhard oppervlak binnen het plangebied te verkleinen, de noodzakelijke afspraken inzake beheer, aanbevelingen voor de verdere uitwerking van het rioleringsplan en de borging van de waterberging in de regels.

Uit het waterhuishoudkundig plan volgt verder dat de A-watergang aan de Hommelsedijk afgewaardeerd kan worden naar een B-watergang omdat de riooloverstort zal worden verplaatst. Daarmee komt de beschermingszone van 5 meter te vervallen e, is geen zakelijk recht noodzakelijk. Ook is een verleggen van deze watergang niet nodig. Gemeente Bernheze en Waterschap Aa en Maas zijn overeengekomen dat deze waterloop, zodra het bestemmingsplan onherroepelijk is, wordt afgewaardeerd naar een B-waterloop in eigendom en beheer bij de gemeente.

88

Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en het vigerend beleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) terecht komt. Vuilwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:  hemelwater vasthouden voor benutting,  (in-) filtratie van afstromend hemelwater,  afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,  afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Het vuilwater van de ontwikkeling wordt verwerkt met behulp van een vuilwater stelsel, welke wordt aangesloten op het stelsel in Middelrode. Binnen de ontwikkeling zijn volgens het stedenbouwkundig plan 195 woningen voorzien. Er is vanuit gegaan dat er 3 bewoners per woning zullen zijn welke per dag 120 l aan afvalwater produceren (in een periode van 10 uur). In totaal zorgt dit voor een lozing van 70,2 m3/dag aan afvalwater. Het bestaande gemengde stelsel kan deze hoeveelheid afvalwater verwerken. De bestaande gemengde overstort die uitkomt op de kruising Koffiestraat/Hommelsedijk en daar loost op de A-watergang wordt verlengd tot na het plangebied.

Om deze verlenging te realiseren wordt een leiding gedeeltelijk parallel aan de A-waterloop gelegd en is het noodzakelijk om de A-watergang op twee locaties te kruisen om op deze wijze voldoende ver van de woningen te blijven met de uitstroomvoorziening van de overstort. De bestaande gemengde overstort die uitkomt op de Nobisweg nabij deelgebied C wordt verlengd tot na het plangebied. Er wordt gekeken om de uitstroom circa 50 m uit de kavelgrens van het dichtstbijzijnde perceel te projecteren. Detaillering over benodigde diameters van de leiding, diepte en eventuele pompinstallaties voor het leeg krijgen van de leiding vindt plaats bij de uitwerking van het rioleringsplan.

Klimaatadaptatie Volgens de regionale klimaatatlas is er in het plangebied geen sprake van wateroverlast door overstromingen. Wel is het zuiden van het plangebied (deelgebied C) gevoelig voor wateroverlast door hevige neerslag. Bij een extreme bui van 120 mm is er op sommige plekken sprake van 30 tot 70 cm inundatie. De huidige bebouwing is in deze delen hoog gebouwd. In dit project worden dezelfde bouwpeilen aangehouden om wateroverlast bij bebouwing te voorkomen. Daarnaast zijn in het ontwerp veel bomen en groengebieden opgenomen om hittestress te voorkomen en de gevoelstemperatuur acceptabel te houden.

5.3.2.3

Conclusie

In overleg tussen de gemeente, het waterschap en de ontwikkelaar is een waterhuishoudkundigplan opgesteld. Dit pan biedt voldoende inzicht dat met de beoogde watercompensatie negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundig systeem ter plaatse kunnen worden uitgesloten. Het waterhuishoudkundig plan bevat enkele aanbevelingen die bij de verdere uitwerking worden betrokken. Het aspect waterhuishouding vormt uiteindelijk geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.

5.4 Beperkingen in verband met militair vliegveld Volkel Het plangebied ligt op relatief korte afstand van het militaire vliegveld Volkel. Voor een goed functioneren van het vliegveld zijn middels het Luchthavenbesluit Volkel en het Barro beperkingen gelegd op het gebruik van en het bouwen in de omgeving. De beperkingen zijn vervat in: 1. een geluidzonering; 2. een obstakelbeheergebied; 3. een radarverstoringsgebied; 4. een vogelbeheersgebied; 5. een risicogebied vanwege de opslag van munitie. Daarnaast gelden er beperkingen als gevolg van het industrielawaai op het vliegveldterrein, zoals opgenomen in de Wet geluidhinder. Voor onderhavig plangebied is alleen het radarverstoringsgebied van toepassing. De overige beperkingen worden buiten beschouwing gelaten.

89

5.4.1 Radarverstoringsgebied Het militaire vliegveld beschikt over een radarsysteem. Radarsystemen dienen 'vrij zicht' te hebben om goed te kunnen functioneren. Objecten in de omgeving kunnen leiden tot een verstoring van het radarbeeld. Het radarverstoringsgebied is vastgelegd in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) en wordt gevormd door:  een cirkel met een straal van 15 km gemeten vanaf de positie van de radar. De maximale hoogte van bouwwerken wordt hier bepaald door elke denkbeeldige rechte lijn die wordt getrokken vanaf het punt op de top van de radarantenne (49 meter boven NAP), oplopend met 0,25 graden tot een punt op 15 kilometer afstand op een hoogte van 114 meter boven NAP;  aanvullend voor windmolens buiten deze 15 kilometercontour een cirkel met een straal van 75 km gemeten vanaf de positie van de radar. Voor de tippen van de wieken van windturbines geldt hier een maximale hoogte van 114 meter boven NAP. Het plangebied ligt op een afstand van circa 20 kilometer tot het radarsysteem en ligt hiermee dus buiten de straal van 15 km. Omdat voorliggend initiatief niet leidt tot de realisatie van een molen of windturbine van meer dan 114 meter vormt het radarverstoringsgebied geen belemmering voor het planvoornemen. Het plan voldoet aan de voorwaarden van het radarverstoringsgebied.

90

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling betreft twee aspecten. Ten eerste moet het realiteitsgehalte van de plannen worden aangetoond: is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling. Ten tweede moet de financiële uitvoerbaarheid worden onderbouwd: zijn alle kosten die de gemeente moet maken ten behoeve van het initiatief gedekt.

6.1 Kostenverhaal Artikel 6.12 lid 1 Wro verplicht de gemeente een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop bepaalde bouwactiviteiten zijn voorgenomen, tenzij het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' is (artikel 6.12 lid 2a Wro). In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwactiviteiten genoemd waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is. De in voorliggend opgenomen ontwikkelingen behoren tot deze in het Bro genoemde bouwactiviteiten. Op basis van artikel 6.12 lid 2a Wro mag worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan omdat de gemeente en grondeigenaren een (anterieure) overeenkomst hebben gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over het kostenverhaal. Het kostenverhaal is derhalve 'anderszins verzekerd'. Het opstellen van een exploitatieplan is in dat geval niet nodig. Initiatiefnemer heeft in het kader van de anterieure overeenkomst ook afspraken vastgelegd over de financiële bijdrage die gevraagd wordt in het kader van de regeling kwaliteitsverbetering landschap.

6.2 Gemeentelijke grondexploitatie Uit de gemeentelijke grondexploitatie volgt dat voldoende middelen aanwezig zijn om de voorgenomen ontwikkeling te kunnen realiseren. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is hiermee aangetoond.

6.3 Planschade Het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning kan ertoe leiden dat een belanghebbende zogenaamde planschade ondervindt. Daarbij kan het gaan om waardevermindering van een onroerende zaak (bijvoorbeeld een woning) of inkomensderving. Een deel van deze schade valt wettelijk gezien echter binnen het normaal maatschappelijk risico en is dus niet te verhalen. Voor de overige schade kan een tegemoetkoming worden aangevraagd bij het college van burgemeesters en wethouders. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van het plan dient de opdrachtgever zich bereid te verklaren om de voor vergoeding in aanmerking komende planschade volledig aan de gemeente te compenseren. Deze planschadeovereenkomst maakt deel uit van de anterieure overeenkomst.

91

92

Hoofdstuk 7 Juridische aspecten 7.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het plan juridisch is vertaald. Deze juridische vertaling is bindend. Het bestemmingsplan bestaat uit:  de toelichting;  de planregels;  de verbeelding. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels, en in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake nadere eisen en afwijkingen. De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan voldoet aan de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.

7.2 Planregels De indeling van de planregels is als volgt. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 4 Overgangsregels Hoofdstuk 1

Inleidende regels

Begrippen (artikel 1)

In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Wijze van meten (artikel 2) In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

Agrarisch (artikel 3)

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarisch grondgebruik; de ontwikkeling van een aantrekkelijk en gevarieerd woon- en werkklimaat ter plaatse van de aanduiding 'overige zone woonwerkontwikkelingsgebied', water en waterhuishoudkundige doeleinden, groenvoorzieningen, behoud van landschapselementen, extensieve dagrecreatie, doeleinden van openbaar nut, een en ander met bijbehorende voorzieningen, zoals perceelsontsluitingen, onverharde wegen, kavelpaden en sloten.

Groen (artikel 4) De bestemming 'Groen' is bestemd voor groenvoorzieningen, bermen en beplanting, speel- en parkeervoorzieningen, voet- en fietspaden, wegen en straten, kunstwerken, nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, waterberging en waterlopen.

Verkeer (artikel 5) De bestemming 'Verkeer' is bestemd voor wegen en straten, waarbij het aantal rijstroken niet meer dan 2 bedraagt, voet- en fietspaden, parkeer- , groen- en speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, waterberging en waterlopen.

93

Water - Watergang (artikel 6) De bestemming 'Water - Watergang' is bestemd voor de berging en/of afvoer van water, recreatief medegebruik, ontwikkeling van natuurlijke oevers en perceelsontsluitingen.

Wonen (artikel 7) De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarisch grondgebruik; hobbymatig houden van vee, het bestaande aantal woningen, nieuwe woningen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’, met inachtneming van dat maximum aantal, aan huis gebonden beroep in de bestaande aard en omvang, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, groenvoorzieningen, behoud van landschapselementen, extensieve dagrecreatie, doeleinden van openbaar nut, een en ander met bijbehorende voorzieningen, zoals perceelsontsluitingen, onverharde wegen, kavelpaden en sloten.

Woongebied (artikel 8) De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen in woningen, geluidwerende voorzieningen in de vorm van een geluidscherm óf geluidswal ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - geluidwerende voorziening', aan huis verbonden beroepen, verkeersvoorzieningen ten behoeve van wegverkeer en verblijf, tuinen en erven, bermen en beplanting, voet- en fietspaden, parkeer-, groen- en speelvoorzieningen, verhardingen, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, voorzieningen ter verbetering van het microklimaat (geluidhinder, windhinder, regen e.d.), waaronder wallen, schermen, luifelconstructies e.d. en kunstwerken.

Waarde- Archeologie 2 (artikel 9) Deze dubbelbestemming is over een deel van het plangebied opgenomen ter bescherming van mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden. Voor een aantal werkzaamheden op of in deze gronden is een omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) vereist in het kader waarvan een afweging kan worden gemaakt tussen de activiteit en de te beschermen waarden.

Waarde- Archeologie 3 (artikel 10) Deze dubbelbestemming is over een deel van het plangebied opgenomen ter bescherming van mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden. Voor een aantal werkzaamheden op of in deze gronden is een omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) vereist in het kader waarvan een afweging kan worden gemaakt tussen de activiteit en de te beschermen waarden.

Waterstaat - Beschermingszone (artikel 11) De voor 'Waterstaat - Beschermingszone' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming (basisbestemming), met voorrang mede bestemd voor de bescherming en het onderhoud van de in deze zone gelegen dan wel daaraan grenzende watergang. Hoofdstuk 3

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel (artikel 12)

In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.

Algemene bouwregels (artikel 13) Dit artikel bevat regels ten aanzien van afwijkende bestaande bebouwing en ondergeschikte bouwdelen.

Algemene gebruiksregels (artikel 14) In dit artikel is nader omschreven welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig met het bestemmingsplan worden aangemerkt. Tevens zijn hierin de voorwaardelijke verplichtingen voor de aspecten '(landschappelijke) inrichting', 'waterberging', 'natuurwaarden' en 'bodem' opgenomen.

Algemene afwijkingsregels (artikel 15) In dit artikel zijn een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Deze afwijkingen betreffen onder meer het overschrijden van de maximaal toegestane maten, afmetingen en percentages.

Overige regels (artikel 16) Dit artikel bevat regels ten aanzien van het parkeren.

94

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht (artikel 17)

Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen. Dit artikel bevat tevens een overgangsregel ten aanzien van het voortzetten van bestaand gebruik dat in strijd met het bestemmingsplan is.

Slotregel (artikel 18) Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

95

96

Hoofdstuk 8 Procedure Het bestemmingsplan doorloopt de gebruikelijke procedure. De voorziene procedurestappen zijn: 1. Omgevingsdialoog 2. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro 3. Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan 4. Vaststelling door gemeenteraad 5. Terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan

8.1 Omgevingsdialoog De initiatiefnemer heeft in het voortraject, vooruitlopend op dit bestemmingsplan, de omgeving en direct omwonenden actief geïnformeerd en betrokken bij de planvorming. Er is een intensieve omgevingsdialoog gevoerd. Hierover is een verslag opgesteld op basis van de 'Handreiking participatie' van de gemeente Bernheze. In bijlage 22 is dit verslag opgenomen. Gezien de grote omvang van het plangebied is gekozen voor differentiatie in de omgevingsdialoog. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen bewoners in het plangebied, direct aangrenzende omwonenden en overige omwonenden/omgeving. Per specifieke groep is een geschikte vorm van dialoog gekozen, zodat ondanks de omvang van het plan niemand ongehoord achter blijft. De volgende omgevingsdialogen hebben plaatsgevonden:  keukentafelgesprekken;  groepsgesprekken met omwonenden;  inloopbijeenkomst 9 november 2022;  inloopavond 28 november 2023;  versturen nieuwsbrieven (december 2022 en november 2023). De resultaten van deze dialogen zijn terug te vinden in het verslag in bijlage 22. Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen heeft de gemeente Bernheze samen met initiatiefnemer in juni en juli 2024 informatieve gesprekken gehouden met enkele reclamanten, waarbij de betreffende reclamanten geïnformeerd zijn over de wijze waarop met hun zienswijzen in het bestemmingsplan wordt omgegaan.

8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro is het ontwerpbestemmingsplan eveneens toegezonden aan de betrokken instanties. In vervolg hierop heeft nadere afstemming plaatsgevonden met het Waterschap en is het waterhuishoudkundig plan hierop aangepast.

8.3 Ter inzage legging Het ontwerp bestemmingsplan heeft met ingang van 21 december 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode is de mogelijkheid geboden om middels een zienswijze te reageren op voorliggend plan. De binnen de termijn ontvangen zienswijzen zijn in de Nota van zienswijzen en wijzigingen van een gemeentelijke reactie voorzien. Deze nota bevat daarnaast een overzicht van de wijzigingen ten opzichte van het ontwerp-bestemmingsplan die, naar aanleiding van de zienswijzen of ambtshalve, in het vastgestelde bestemmingsplan zijn opgenomen. De Nota van zienswijzen en wijzigingen en het raadsbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan zijn opgenomen als bijlage 23 en 24 bij het vastgestelde bestemmingsplan.

97

8.4 Vaststelling Op 26 september 2024 is het bestemmingsplan 'Woonlocatie Nobisweg/Hommelsedijk, Heeswijk-Dinther' gewijzigd vastgesteld.

8.5 Beroep De Gemeenteraad heeft op 26 september 2024 het bestemmingsplan 'Woonlocatie Nobisweg/Hommelsedijk Heeswijk-Dinther' vastgesteld. Tegen dit bestemmingsplan is beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) ingesteld.

8.6 Herstelbesluit Door het nemen van een herstelbesluit worden diverse onderdelen van de op 26 september 2024 door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan gewijzigd. In de 'Nota van wijzigingen' zijn de wijzigingen opgenomen die doorgevoerd zijn in de toelichting, regels en verbeelding van voorliggend bestemmingsplan. De Nota wijzigingen is opgenomen als bijlage 25. Op 23 oktober 2025 is het bestemmingsplan 'Woonlocatie Nobisweg/Hommelsedijk, Heeswijk-Dinther' via een herstelbesluit gewijzigd vastgesteld. Het herstelbesluit is opgenomen in bijlage 26.

98

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=49b35ccf-4d0b-457b-8c3a-f8a405f0ec22