CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing Tramstraat 13 Nistelrode

Raadsvergadering 23 mei 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Afgeven verklaring van geen bedenkingen Tramstraat 13 Nistelrode15.963 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Wanneer Groepsverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording dient een toelichting te worden gegeven op artikel 12 lid 1 onder a, b, f en g van het Bevb.

41 ROC.P.2022.572

Weg, spoorweg of waterwegen (Bevt)

Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico', dat overblijft nadat de benodigde veiligheid verhogende maatregelen genomen zijn.

Beleidsvisie externe veiligheid De gemeente Bernheze beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (2008). Hierin wordt invulling gegeven aan de gemeentelijke omgang met externe veiligheid. De beleidsvisie bevat geen gebiedstypering of uitgangspunten die gehanteerd kunnen worden voor de verantwoording van het groepsrisico. Onderhavig initiatief past binnen de kaders van de beleidsvisie. Beschouwing risicobronnen Om de risico’s in (de omgeving van) het plangebied te inventariseren is de SignaleringskaartEV geraadpleegd.

Afbeelding : uitsnede Signaleringskaart-EV met aanduiding projectlocatie

42 ROC.P.2022.572

Op circa 150 meter afstand van het plangebied ligt de lokale transportweg Laar. In het huidige bestemmingsplan is er niet getoetst aan deze weg. Over deze transportweg worden onder andere gevaarlijke stoffen uit de categorie GF3 vervoerd1. GF3 heeft een invloedsgebied van 355 meter2. Omdat het plangebied binnen 200 meter van de transportroute ligt dient er, conform art. 8 Bevt, een volledige verantwoording van het groepsrisico afgegeven te worden. De volledige verantwoording kan achterwege gelaten worden indien er aangetoond kan worden dat de oriëntatiewaarde niet overschreden wordt en het groepsrisico niet met 10% toeneemt. Daar bevoorrading (met GF3 stoffen) veelal in de dagperiode plaatsvindt, is aannemelijk dat in de beoogde (woon)situatie het groepsrisico niet toeneemt. Voorts maakt de toename van 8 personen in de avond- en nachtperiode niet dat het groepsrisico met meer dan 10% toeneemt. Een risicoberekening wordt niet noodzakelijk geacht. Op ca. 725 meter ten oosten van het plangebied bevindt zich de Rijksweg A50. Gelet op de afstand wordt ruimschoots voldaan aan de grens- en richtwaarde van het plaatsgebonden risico (PR 10-6 = 0 meter) en de afstand voor het plasbrandaandachtsgebied (PAG, 30 meter uit rand weg). Het invloedsgebied van de Rijksweg A50 bedraagt 880 meter (toxisch scenario, LT2). Het plangebied bevindt zich binnen de 1%-letaliteitcontour van weg.

Derhalve dient een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden door het bevoegd gezag. Het plangebied bevindt zich evenwel buiten de 200 meter-zone, waarvoor een complete verantwoording van het groepsrisico vereist is (artikel 8, lid 1, Bevt). Dit betekent, dat volgens het Bevt volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Bij een beperkte verantwoording van het groepsrisico moet ingegaan worden op de mogelijkheid tot zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied bij een ramp en bestrijdbaarheid van de gevolgen van een ramp (artikel 7, Bevt). De initiatieflocatie ligt niet in de contouren (PR 10-6, invloedsgebied, PAG en effectgebieden) van andere risicobronnen. Verantwoording groepsrisico Vanwege de ligging van het plan in het invloedsgebied van de Rijksweg A50 en het transport over de Laar dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij dient de Veiligheidsregio om een advies gevraagd te worden. Dit advies moet verwerkt worden in, c.q. maakt deel uit van deze onderbouwing. 1 (2019) Inventarisatie vervoer gevaarlijke stoffen gemeente Bernheze. 2 Handleiding Risicoanalyse Transport, pag.19, tabel 4-2

43 ROC.P.2022.572

Personendichtheid en hoogte van het groepsrisico Er vindt door het plan een geringe toename plaats van het aantal personen (4 woningen, ca. 8 personen) binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A50. Omdat het plangebied gelegen is op grotere afstand aan de rand van het invloedsgebied (ca. 725 meter) en de toename van het aantal personen binnen het invloedsgebied beperkt is, zal de rekenkundige toename van het groepsrisico te verwaarlozen zijn (grafisch niet zichtbaar). Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit en de gevolgen daarvan Voor dit onderdeel en het onderdeel zelfredzaamheid wordt advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Brabant Noord. De bestrijdbaarheid dient op twee aspecten te worden beoordeeld: • Is het rampscenario te bestrijden? • Is de omgeving van het plangebied voldoende ingericht om de gevolgen van een calamiteit hierbinnen te bestrijden? Is het rampscenario te bestrijden? De mate van bestrijdbaarheid van een calamiteit is afhankelijk van de opkomsttijd brandweer, de bereikbaarheid van de locatie calamiteit en de bluswatervoorziening in de omgeving van de calamiteit. Voor het transport over de Rijksweg A50 is voor het plangebied het scenario toxische wolk maatgevend. Voor het scenario toxische wolk geldt, dat de toxische wolk afkomstig uit een tankwagen met een waterscherm neergeslagen moet worden.

De opkomsttijd van de brandweer ter plaatse (locatie calamiteit, Rijksweg A50) bedraagt ca. 8 minuten. De bereikbaarheid is goed. Een adequate bluswatervoorziening ter plaatse voor bestrijding van een calamiteit is echter niet aanwezig. Bluswater zal met tankwagens aangevoerd moeten worden. De bestrijdbaarheid van dit scenario wordt derhalve als matig beoordeeld. Is de omgeving van het plangebied voldoende ingericht om de gevolgen van een calamiteit hierbinnen te bestrijden? Het plangebied is op grotere afstand van de risicobron gelegen (ca. 725 meter). De gevolgen van een calamiteit door een toxisch scenario zullen hier zeer beperkt zijn. Aanvullende maatregelen ter bestrijding van de gevolgen van de calamiteit met een toxische wolk zijn, buiten het centraal kunnen afsluiten van de mechanische ventilatie, niet noodzakelijk.

44 ROC.P.2022.572

De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario (brand, explosie en/of toxische wolk). Mogelijkheden zelfredzaamheid De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied: • goed te alarmeren is; • goed te schuilen is. Alarmering: Ter hoogte van de planlocatie is de WAS-dekking (sirene burgerbescherming) op orde. In geval van een calamiteit zal tevens NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon.

Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Schuilmogelijkheden: Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. In de bebouwing moet een (centraal) afsluitbaar ventilatiesysteem aanwezig zijn en moeten de ramen en deuren afdoende sluitbaar (kiervrij) zijn. Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A50. Het groepsrisico is beperkt verantwoord en wordt aanvaardbaar geacht. De volgende overwegingen spelen daarbij een rol: 45 ROC.P.2022.572

• •

De vrijwel gelijkblijvende hoogte van het groepsrisico, en De goede mogelijkheden binnen het plangebied voor de zelfredzaamheid van personen.

4.5 Archeologie/Cultuurhistorie Archeologie In 1992 is het Verdrag van Valletta door de landen van de Europese Unie waaronder Nederland ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat ernaar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. De gemeente Bernheze heeft beleid geformuleerd ten aanzien van archeologie. Met dit beleid dient rekening te worden gehouden bij het opstellen van bestemmingsplannen, c.q. ruimtelijke ingrepen. Het plan voorziet in een beperkte verandering van de bestaande bebouwing. Conform de gemeentelijke archeologische beleidskaart is er sprake van hoge archeologische waarden (zie onderstaande afbeelding).

Volgens de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Bernheze is de planlocatie gelegen in een beleidszone met archeologische verwachting. Dit houdt in dat een onderzoeksplicht ontstaat bij een verstoringsoppervlakte van 250 m² en een verstoringsdiepte van 40cm. In hoofdstuk 4 van deze toelichting wordt hier nader op ingegaan.

46 ROC.P.2022.572

Echter: Op basis van de bouw- en verbouwingstekeningen die er zijn van het pand Tramstraat 13, is het vermoeden dat de bodem ter plaatse van het bestaande pand reeds is verstoord en dat hier geen archeologische resten meer aangetroffen zullen worden. De gemeente heeft bij schrijven van 13 april 2023 laten weten, dat voor de sloop van het huidige pand en de bouw van de nieuwe woningen geen archeologisch onderzoek uitgevoerd hoeft te worden.. Wel geldt altijd, dat bij eventuele toevalsvondsten hiervan melding wordt gedaan conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet, die vanaf 1 juli 2016 van kracht is. Cultuurhistorie Hiervoor zij verwezen naar de beschrijving in paragraaf 3.3.4 van deze ruimtelijke onderbouwing.

4.6 Water Algemeen Bij ruimtelijke plannen geldt vanaf 1 november 2003 de wettelijke verplichting van een waterparagraaf. De watertoets bevat een onderbouwing voor de waterparagraaf die een onderdeel vormt van de ruimtelijke onderbouwing. De watertoets is een van de pijlers van het Waterbeleid voor de 21 eeuw, waarin aan water een meesturende rol in de ruimtelijke ordening is toegekend. Het doel van een waterparagraaf is een samenhangend beeld te geven van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met duurzaam waterbeheer en de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Uitgangspunt hierbij is dat een ruimtelijk besluit of plan geen slechtere waterhuishoudkundige situatie oplevert dan in het bestaande beleid is vastgelegd. Voor het initiatief is door Sab een waterparagraaf opgesteld en de watertoets doorlopen. De rapportage, d.d. 19 mei 2021, kenmerk 210223, is integraal als bijlage bij deze onderbouwing gevoegd. Beleidskader Europees beleidskader De Europese Kaderrichtlijn Water (2000) gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater.

Dat moet ertoe leiden dat: aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; verbetering van 47 ROC.P.2022.572

emissies; duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater. Nationaal beleidskader Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Beleidskader waterschap Waterschap Aa en Maas toetst een ruimtelijk plan op 8 onderwerpen / principes volgens de ‘uitgangspunten watertoets’: 1. Voorkomen van vervuiling 2. Wateroverlast vrij bestemmen 3. Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen (HNO) 4. Vuil water en hemelwater scheiden 5. Hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer 6. Waterschapsbelangen 7. Meervoudig ruimtegebruik 8. Water als kans Bij een plan dienen deze 8 principes in acht genomen te worden.

Daarnaast is in de keur van het waterschap opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: • Het afkoppelen van het verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; • de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of; • de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak, of; • De toename van het verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel.

48 ROC.P.2022.572

Gemeentelijk beleidskader Het waterbeleid van de gemeente Bernheze is in diverse beleidsstukken en verordeningen vastgelegd. In het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2016-2020 stelt de gemeente ten aanzien van riolering van de bewoners dat: • Wij verwachten dat inwoners het riool verstandig gebruiken • Wij verwachten dat rioolaansluitingen zorgvuldig worden aangelegd • Wij verwachten dat inwoners hemelwater zoveel mogelijk zelf opvangen en bergen • Wij verwachten dat water-op-straat meer wordt geaccepteerd • Wij verwachten dat inwoners bij grondwateroverlast controleren of hun woning voldoende waterdicht is In het beleid van de gemeente Bernheze zijn verder regels opgenomen om bij bouwplannen een duurzame omgang met regenwater eventueel te verplichten. Met de wet is specifiek aangegeven dat de perceeleigenaar bij nieuwbouw een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de verwerking van regenwater tot 60 mm op zijn eigen terrein, mits doelmatig. Dit betekent dat nieuwe gebouwen niet op het hemelwaterriool worden aangesloten. Voor aanbouw of verbouw van een huidig gebouw geldt 60 mm berging voor het toegevoegde verhard oppervlakte ten opzichte van de huidige situatie. Dit zorgt ervoor dat de huidige situatie omtrent water niet verslechterd door de aan- of verbouw. Planuitwerking Het plan voorziet in de realisatie van een viertal (gestapelde) woningen.

Uitgangspunt is hydrologisch neutraal bouwen en waterberging op eigen perceel. Bij een toename van meer dan 500 m² verharding, betekent dat 60 mm berging per m². Bij minder dan 500 m² verharding betekent dit 20 mm berging per m² verharding. Oppervlaktewater In het kader van het watertoets-proces is de digitale watertoets van Waterschap Aa en Maas doorlopen. De samenvatting en het resultaat van de digitale watertoets zijn opgenomen in de bijlage bij de bij deze onderbouwing gevoegde watertoets. Uit de watertoets blijkt dat de waterbelangen bij dit plan laag zijn. De verhardingstoename en/of -afkoppeling is minder dan 500 m2 is en het plangebied valt buiten de ruimtelijk begrensde waterbelangen. Hoewel het waterbelang in dit project klein lijkt, ontvangt het Waterschap toch graag het voorontwerpplan. In deze onderbouwing wordt er van uit gegaan dat de initiatiefnemer dit zelf doet.

49 ROC.P.2022.572

Riolering Ondanks dat er een gemengd stelsel in de straat ligt, dient in het beoogde plan het hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd te worden. Dit is een transitie die de gemeente Bernheze doorgaat in het kader van klimaatadaptatie en geldt ten alle tijden bij nieuwbouw en renovaties. Ten aanzien van de toekomstige situatie zal de ontwikkeling zorgen voor eenzelfde aantal of (geringe) toename in het aanbod van vuilwater op het riool aangezien er een transitie plaatsvindt van kantoorruimte van 265 m2 naar vier woningen. In overleg met de gemeente Bernheze zal tijdens de verdere planvorming de mogelijkheden omtrent en de wijze waarop en hoe aangesloten kan worden op de riolering nader besproken moeten worden. Tevens zal voor de aansluiting een vergunning aangevraagd moeten worden. SAB gaat ervan uit dat u dat als initiatiefnemer zelf doet. Hemelwater De ontwikkeling dient in basis te voldoen aan het principe van 'hydrologisch neutraal ontwikkelen' (HNO). Dit wil zeggen: waar het verharde oppervlak toeneemt of verhard oppervlak wordt afgekoppeld van de riolering, dienen maatregelen te worden genomen om afstromend hemelwater te verwerken. Het versnelde waterafvoer op het oppervlaktewatersysteem dient te worden voorkomen. De toename van verhard oppervlak in dit plan bedraagt minder dan 500 m². Hierdoor wordt er vanuit het Waterschap geen harde compensatie geëist.

Naast het Waterschap stelt ook de gemeente eisen rondom HNO. De gemeente Bernheze stelt dat een ontwikkeling ten aller tijde hydrologisch neutraal dient plaats te vinden (HNO) en dat bij een verbouwing gecompenseerd dient te worden voor het extra verhard oppervlakte. Aangezien het perceel in de huidige situatie voor circa 100% verhard is kan dit aantal in de toekomstige situatie niet toenemen. Daarmee voldoet de ontwikkeling per definitie aan het HNO principe. Kijkend naar de nieuwe situatie: Oppervlakte verhard oppervlak Woningen: 280 m² klinkerverharding totaal: 126 m² graskeien: 70 m² terrasjes: 2x 11,5 m² toegangspaden tot woningen: 34 m²

50 ROC.P.2022.572

Totaal aan verhard oppervlakte tbv infiltratie hemelwater: 280 + 126+ (70x50%) + 23+ 34 = 498m² 498 m2 x 20 mm = 9,9 m³. Dit zal met infiltratiekratten worden gerealiseerd. In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater dat op het bebouwd of verhard oppervlakte valt niet meer aangesloten mogen worden op het vuilwater, maar dient dit separaat ingezameld te worden. Indien de woningen afgekoppeld worden dan dient voor het oppervlakte van het dak wèl compensatie plaats te vinden. Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Daarom verzoekt het Waterschap om bij de bouw af te zien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Hiermee worden bijvoorbeeld zink en koper in daken, gevels, goten en leidingen bedoeld. Ook het wassen van auto’s is bij afkoppeling van hemelwater niet wenselijk. Grondwater Om grondwateroverlast te voorkomen wordt gestreefd naar een bepaalde minimale ontwateringsdiepte. De ontwateringsdiepte is het verschil tussen de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) en het bouwpeil en/of maaiveld. Om grondwateroverlast te voorkomen hanteert het waterschap een ontwateringsdiepte van 0,7 m - mv. Verder wordt geadviseerd het bouwpeil hoger te leggen dan het aangrenzende wegpeil. De GHG is geschat op 0,6 m -mv.

Aangezien het een verbouwing betreft van een bestaand pand, is niet zonder meer te stellen dat voldaan kan worden aan deze ontwateringsdiepte en het hoger leggen van het bouwpeil. In de omgeving van het plangebied is de Peelrandbreuk gelegen. Op basis van de ligging van de breuklijnen en het plangebied kan met enige zekerheid worden gesteld dat met de aanleg van de fundering geen breuken worden doorsneden. Ze liggen immers op enkele honderden meters van het plangebied. Daarnaast wordt verwacht dat de Peelrandbreuk geen significant effect heeft op het grondwater in de omgeving van de planlocatie. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het initiatief.

4.7 Natuur/Stikstof Wettelijk kader en berekeningsmethodiek

51 ROC.P.2022.572

Ingevolge artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming zijn er Natura 2000-gebieden aangewezen ter uitvoering van Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn. Dit impliceert dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor deze gebieden en dat negatieve gevolgen zo veel mogelijk beperkt dienen te worden. Voor de habitattypen en leefgebieden waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden in Natura 2000-gebieden zijn kritische depositiewaarden (KDW) voor stikstofdepositie vastgesteld. Met de KDW wordt bedoeld: de grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Plannen zoals het in deze onderbouwing kunnen door stikstofemissie effect hebben op habitattypen binnen omliggende Natura 2000-gebieden en gelet op de instandhoudingsdoelstelling van een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soort verslechteren. Gezien het gegeven dat stikstofemissie, in de vorm van stikstofoxiden (NOx) of ammoniak (NH3), kan plaatsvinden bij onder andere landbouw, gemotoriseerd verkeer, industrie en ook bij de verwarming van huizen, is het wettelijk vereist deze emissie in beeld te brengen. Amitec heeft onderzoek gedaan naar de stikstofdepositie van het voorliggende initiatief.

De rapportage met berekeningen zijn vervat in een notitie, d.d. 3 juli 2023, kenmerk 23.911001, welke integraal als bijlage bij deze onderbouwing is gevoegd. Uit de uitgevoerde berekeningen van de aanleg en gebruiksfase blijken geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/jr op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Conclusie Geconcludeerd wordt dat significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten. Het onderdeel ‘handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden’ is niet van toepassing op de aanvraag om een omgevingsvergunning.

4.8 Natuur/flora en fauna Bij (grote) ruimtelijke ontwikkelingen waarbij het redelijkerwijs aan te nemen is dat beschermde soorten potentieel voorkomen is de initiatiefnemer verplicht aan te tonen dat de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met de Wet natuurbescherming. Tevens biedt de ecologische quickscan inzicht in de (eventueel) te nemen vervolgstappen om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. 52 ROC.P.2022.572

Door Ecologisch adviesbureau Eceau is een ecologische quickscan gedaan. De rapportage, d.d. 23 december 2021, kenmerk ROC-1AO210325-A-2, is integraal als bijlage bij deze onderbouwing gevoegd. Onderzoek Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling worden alle aanwezige ecologische functies vernietigd of verstoord, tevens zal er sprake zijn van (tijdelijke) verstoring van de directe omgeving. Flora en fauna die gebruik maken van het leefgebied op of nabij de planlocatie zullen negatieve effecten ervaren. In het kader van de beoogde ontwikkeling zullen middels de ecologische quickscan onderstaande vragen beantwoord worden: • Welke beschermde flora en fauna van de Wet natuurbescherming zijn (potentieel) aanwezig binnen de grenzen van het ontwikkelgebied? • Is de voorgenomen ontwikkeling op basis van de gevonden resultaten in strijd met de Wet natuurbescherming en welke effecten worden verwacht? • Dienen eventuele vervolgstappen genomen te worden alvorens de aanvang van de uitvoering om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen? Onderzoeksopzet Middels voorliggende ecologische quickscan is de potentie voor beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Daarnaast is onderzocht of de beoogde ontwikkeling potentieel een negatief effect heeft op houtopstanden en nabijgelegen beschermde gebieden.

De ecologische quickscan is op te delen in enkele stappen: • oriëntatie • locatiebezoek • bureau-onderzoek • rapportage Voor een uitgebreide omschrijving van de bevindingen zij verwezen naar de bij deze onderbouwing gevoegde rapportage. Bevindingen Het ingrijpend verbouwen van een woning welke thans in gebruik is als kantoor ten behoeve van woongelegenheid en alle bijbehorende werkzaamheden leiden behoudens, vleermuizen, algemene broedvogels en vrijgestelde soorten, niet tot aantasting van functionele leefomgevingen, vaste rust- en/of verblijflocaties, natuurgebieden of andere krachtens de Wet natuurbescherming beschermde zaken, mits enkele maatregelen getroffen worden ten behoeve van vleermuizen. 53 ROC.P.2022.572

Conclusies en aanbevelingen • Ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren is enkel de Algemene Zorgplicht van toepassing • Ten aanzien van vleermuizen zijn waarschijnlijk geen verblijven aanwezig in de te verbouwen bebouwing. Echter is het aanbevelenswaardig om het reeds uitgevoerde onderzoek naar vleermuisverblijven aan te vullen en te actualiseren in het kader van kraam- en zomerverblijven. Voor paarverblijven is het reeds uitgevoerde onderzoek voldoende. Tevens passeren en foerageren vleermuizen aannemelijk op de locatie en worden door (foutief toegepaste) bouwverlichting mogelijk verstoord. Essentiële vliegroutes en foerageergebieden zijn niet aanwezig.

• Ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en/of leefgebieden zijn geen verdere maatregelen of vervolgstappen benodigd • Ten aanzien van algemene vogels kunnen broedsels en nesten verstoord worden gedurende het broedseizoen • Ten aanzien van amfibieën wordt enkel de aanwezigheid van vrijgestelde soorten verwacht, voor deze soorten dient de Algemene Zorgplicht in acht genomen te worden • Voor vlinders, libellen, ongewervelde, reptielen en vissen met een beschermde status krachtens de Wet natuurbescherming is geen geschikt leefgebied aanwezig • Standplaatsen en geschikte omstandigheden ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn niet aangetroffen • Er is geen sprake van effecten op houtopstanden onder bescherming van de Wet natuurbescherming • Gelet op de afstand tot beschermde gebieden en de aard van de werkzaamheden worden geen (negatieve) effecten verwacht (zie verder paragraaf 3.7 Stikstof) In de bij deze onderbouwing gevoegde rapportage zijn maatregelen beschreven die bij de uitvoering in acht worden genomen. Vervolgstappen Alvorens de aanvang van de beoogde ontwikkeling is het aanbevelenswaardig voor vleermuizen aanvullend onderzoek uit te voeren om uitsluitsel te geven over de aan- dan wel afwezigheid van vaste rust- en/of verblijflocaties.

Het onderzoek betreft het actualiseren en aanvullen van het onderzoek naar kraam- en zomerverblijven en bestaat uit 3 gerichte veldbezoeken. Ecologisch adviesbureau Eceau heeft het aanvullend vleermuizenonderzoek uitgevoerd.

54 ROC.P.2022.572

Resultaten aanvullend onderzoek Het aanvullend vleermuizenonderzoek is door Ecologisch adviesbureau Eceau uitgevoerd. De resultaten, rapportage, d.d. 27 december 2022, kenmerk ROC-1A0210716-B-3, zijn integraal toegevoegd aan deze onderbouwing. Doel en vraagstelling Als gevolg van de ingreep worden alle eventueel aanwezige functies voor vleermuizen binnen de grenzen van het plangebied verstoord dan wel vernietigd. Met uitzondering van het dak. Vleermuizen die gebruik maken van het leefgebied nabij de planlocatie zullen (tijdelijk) negatieve effecten ervaren. In het kader van de beoogde ontwikkeling zullen middels het onderzoek onderstaande vragen beantwoord worden: 1. Komen vleermuizen voor in het ontwikkelgebied en in de directe omgeving? 2. Voorziet het ontwikkelgebied in vaste rust- en/of verblijfslocaties van vleermuizen of andere essentiële functies voor de aanwezige vleermuizen? 3. Leidt de ingreep tot aantasting van de eventueel aanwezige functies en tot overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming? Middels voorliggend vleermuisonderzoek is de betekenis van het plangebied voor vleermuizen in kaart gebracht ter actualisatie van een reeds uitgevoerd onderzoek in de directe omgeving. Onderhavig onderzoek was hoofdzakelijk, maar niet uitsluitend, gericht op gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger.

Het onderzoek is opgesteld naar de richtlijnen van de meest recente versie van het Vleermuisprotocol (2021). Het vleermuisprotocol is een soortgroepspecifiek document welke opgesteld is door diverse ecologische deskundigen met betrekking tot vleermuizen. Onderzoeken die naar de richtlijnen van dit protocol uitgevoerd worden, volstaan bij ontheffingsaanvragen en juridische procedures. Het veldonderzoek is uitgevoerd door één onderzoeker in de periode medio mei 2021 t/m medio juli 2021 en is verdeeld over drie onderzoeksrondes. Onderstaand zijn de veldbezoeken (en weersomstandigheden) weergegeven:

55 ROC.P.2022.572

Bevindingen Op en rondom het plangebied is naast één laatvlieger, enkel de gewone dwergvleermuis waargenomen. Dit betrof foeragerende en/of passerende individuen. Langdurig of intensief gebruik van het plangebied is niet aangetroffen. Er is geen gedrag waargenomen dat het aannemelijk maakt dat een zomer- of kraamverblijf in de bebouwing van de planlocatie aanwezig is. Alle vleermuizen die de locatie passeerden kwamen ofwel vanuit het zuidwesten, zuidoosten of noorden. Gezien de tijden waarop passerende gewone dwergvleermuizen en de laatvlieger waargenomen zijn, is het aannemelijk dat verblijven op relatief grote afstand aanwezig zijn óf vleermuizen vanuit verblijfplaatsen in de omgeving een andere richting uit vliegen. Daarnaast is, gezien de afwezigheid van activiteit van vleermuizen op/boven het terrein, geen foerageergebied aanwezig binnen de grenzen van het plangebied. Gezien de zeer beperkte mate van foerageeractiviteit in de omgeving, kan het foerageergebied niet als essentieel aangemerkt worden. In het kader van vliegroutes worden geen effecten verwacht, aangezien er nauwelijks passerende vleermuizen zijn aangetroffen. Essentiële vliegroutes zijn niet aanwezig.

Gedurende de uitvoering van de ontwikkeling blijven de vliegroutes bovendien gehanteerd en zijn door de aanwezigheid van diverse bebouwing in de omgeving en direct belendend aan het plangebied voldoende alternatieven voorhanden. Naast de gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn geen andere vleermuissoorten aangetroffen. Overige soorten Daarnaast zijn enkele algemene vogelsoorten aangetroffen en soorten met jaarrond beschermde nesten, namelijk de gierzwaluw en huismus. Van de algemene vogels waren dit pimpelmees, vink, groenling, kleine mantelmeeuw, merel, blauwe reiger, roodborst en winterkoning. Dit betrof overvliegende, foeragerende en zingende dieren. Voor een groot deel van de aangetroffen soorten is het plangebied in zijn geheel ongeschikt als broed- en/of nestlocatie. Tevens zijn geen nesten aangetroffen van algemene vogelsoorten. Voor de soorten met jaarrond beschermde nesten zijn de huismus, gierzwaluw en sperwer waargenomen. Géén van deze soorten zijn waargenomen binnen de grenzen van of direct belendend aan het plangebied. Bovendien is uit de ecologische quickscan gebleken dat nesten van huismus en gierzwaluw niet aanwezig zijn en voor sperwers geen potentie aanwezig is. Jaarrond beschermde vogels, habitatrichtlijnsoorten en niet-vrijgestelde overige soorten zijn niet aangetroffen gedurende het onderzoek, met uitzondering van huismus, gierzwaluw, 56 ROC.P.2022.572

sperwer en vleermuizen. Aanvullend is de aanwezigheid van nesten van algemene vogels niet uitgesloten binnen het broedseizoen, indicatief medio maart t/m medio juli. Conclusie Naar aanleiding van de ecologische quickscan van Eceau (den Otter, 2021) ten aanzien van de beoogde ontwikkeling aan de Tramstraat 13 te Nistelrode is een aanvullend vleermuizenonderzoek uitgevoerd. Er is geen sprake van aantasting van essentiële gebiedsfuncties of verblijfplaatsen van vleermuizen. De gunstige staat van instandhouding van de waargenomen vleermuissoorten is derhalve niet in het geding. Er zijn geen aanleidingen aangetroffen die het noodzakelijk maken dat er aanvullende stappen moeten worden genomen. Het is voldoende als er tijdens de uitvoering van de werkzaamheden rekening wordt gehouden met passerende en opportunistisch foeragerende vleermuizen. Daarnaast zijn de overige aanbevelingen vanuit de quickscan (den Otter, 2021, die tevens als bijlage bij deze onderbouwing is toegevoegd) van toepassing. Gezien het ontbreken van essentieel leefgebied en vaste rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming benodigd. Er hoeven geen vervolgstappen te worden genomen.

Wel dient bij de uitvoering van de werkzaamheden onderstaande maatregelen in acht te worden genomen: • Voor vleermuizen dient rekening gehouden te worden met mogelijk foeragerende of passerende individuen middels het juist toepassen van bouwverlichting óf door te werken buiten de schemerende en donkere dagdelen in de periode april t/m oktober. Voorbeelden van juiste verlichting: amber-/roodkleurige verlichting, beperkte hoogte van lichtmasten en verlichting naar beneden gericht en convergeren • In verband met de potentie voor algemene vogelsoorten, zoals turkse tortel, merel en overige kleine zangvogels werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren, medio maart t/m medio juli. Indien de werkzaamheden opgestart en uitgevoerd worden binnen het broedseizoen dient de locatie ongeschikt gemaakt te worden alvorens de aanvang van het broedseizoen. Indien nodig kan ook binnen het broedseizoen gewerkt worden door de planlocatie vlak voorafgaand aan de werkzaamheden te laten controleren op de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (puin, takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om dieren die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te laten verplaatsen naar een schuilplaats buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden 57 ROC.P.2022.572

•

In het kader van de Algemene Zorgplicht dient voorzichtig gehandeld te worden met alle aanwezige flora en fauna

Conclusie Het aspect natuur (flora en fauna) vormt – mits rekening houdend met de voorgestelde maatregelen - geen belemmering voor het onderhavige initiatief.

4.9 Geluid/Wegverkeerslawaai Om de ontwikkeling mogelijk te maken moet volgens artikelen 76a en 77 van de Wet geluidhinder (Wgh) en artikel 4.1 van het Besluit geluidhinder (Bgh) bij het nieuwe planologisch regime waarin woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen mogelijk worden gemaakt binnen de zones van (spoor)wegen, akoestisch onderzoek worden verricht. Dit onderzoek heeft tot doel inzicht te geven in het akoestisch klimaat van de nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen ten gevolge van wegverkeerslawaai. Sab heeft het onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage, d.d. 6 mei 2021, kenmerk 210223, is integraal als bijlage bij deze onderbouwing gevoegd. Voor een overzicht van de wet- en regelgeving en de rekenmethodiek zij verwezen naar de bijgevoegde rapportage. Onderzoek Volgens de Wgh mag voor geluidgevoelige bestemmingen de geluidbelasting in principe niet hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Als de geluidbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, wordt getoetst of de geluidbelasting lager is dan de hoogst toelaatbare geluidbelasting. In deze situatie wordt het plan gesitueerd in een stedelijk gebied. De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeer bedraagt 48 dB voor wegen met een geluidszone. Alle wegen hebben geen geluidszone. Er is aangesloten bij de Wet geluidhinder. De maximale ontheffingswaarde bedraagt 63 dB.

Bepalen van de geluidbelastingen De geluidbelasting wordt bepaald met behulp van de standaardrekenmethode 2-berekening. Conform de Wgh wordt de geluidbelasting getoetst per bron. De invoergegevens zijn in bijlage 2 van de bij deze onderbouwing gevoegde rapportage opgenomen, de rekenresultaten zijn in bijlage 3 van de bij deze onderbouwing gevoegde rapportage opgenomen. Geluidberekening Tramstraat 58 ROC.P.2022.572

Onderstaande figuur geeft geluidbelasting vanwege de Tramstraat op de gevels van de te realiseren woningen weer. In bijlage 3 van de bij deze onderbouwing gevoegde rapportage is een volledig overzicht van de geluidbelastingen in alle rekenpunten weergegeven.

Uit de berekeningen wordt geconcludeerd dat er vanwege de Tramstraat wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat op basis van de resultaten sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Laar Onderstaande figuur geeft geluidbelasting vanwege de Laar op de gevels van de te realiseren woningen weer. In bijlage 3 is van de bij deze onderbouwing gevoegde rapportage is een volledig overzicht van de geluidbelastingen in alle rekenpunten weergegeven.

59 ROC.P.2022.572

Uit de berekeningen wordt geconcludeerd dat er vanwege de Laar wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat op basis van de resultaten sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Kromstraat Onderstaande figuur geeft geluidbelasting vanwege de Kromstraat op de gevels van de te realiseren woningen weer. In bijlage 3 van de bij deze onderbouwing gevoegde rapportage is een volledig overzicht van de geluidbelastingen in alle rekenpunten weergegeven.

60 ROC.P.2022.572

Uit de berekeningen wordt geconcludeerd dat er vanwege de Kromstraat wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat op basis van de resultaten sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Maxend Figuur 6 geeft geluidbelasting vanwege de Maxend op de gevels van de te realiseren woningen weer. In bijlage 3 van de bij deze onderbouwing gevoegde rapportage is een volledig overzicht van de geluidbelastingen in alle rekenpunten weergegeven.

Uit de berekeningen wordt geconcludeerd dat er vanwege de Maxend wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat op basis van de resultaten sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Parkstraat Onderstaande figuur geeft geluidbelasting vanwege de Parkstraat op de gevels van de te realiseren woningen weer. In bijlage 3 van de bij deze onderbouwing gevoegde rapportage is een volledig overzicht van de geluidbelastingen in alle rekenpunten weergegeven.

61 ROC.P.2022.572

Uit de berekeningen wordt geconcludeerd dat er vanwege de Parkstraat wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat op basis van de resultaten sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Hoogstraat Onderstaande figuur geeft geluidbelasting vanwege de Hoogstraat op de gevels van de te realiseren woningen weer. In bijlage 3 van de bij deze onderbouwing gevoegde rapportage is een volledig overzicht van de geluidbelastingen in alle rekenpunten weergegeven.

62 ROC.P.2022.572

Uit de berekeningen wordt geconcludeerd dat er vanwege de Hoogstraat wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat op basis van de resultaten sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Delst Onderstaande figuur geeft geluidbelasting vanwege de Delst op de gevels van de te realiseren woningen weer. In bijlage 3 van de bij deze onderbouwing gevoegde rapportage is een volledig overzicht van de geluidbelastingen in alle rekenpunten weergegeven.

Uit de berekeningen wordt geconcludeerd dat er vanwege de Delst wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat op basis van de resultaten sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Op basis van onderhavig onderzoek kan worden geconcludeerd, dat de geluidbelasting vanwege de Tramstraat, Laar, Kromstraat, Maxend, Parkstraat en de Delst maximaal 47 dB is. Van elke individueel te onderscheiden weg is geen sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. Op basis van de resultaten wordt daarmee voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. Het aspect geluid, afkomstig van wegverkeer, vormt dus geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

63 ROC.P.2022.572

4.10 Geluid/Industrielawaai Voorliggend initiatief betreft herontwikkeling van bestaand kantoorpand tot vier woningen/ appartementen. Tegenover de initiatieflocatie is een garagebedrijf gelegen. Zie onderstaande afbeelding.

initiatieflocatie

garagebedrijf

In opdracht van de initiatiefnemer heeft Amitec B.V. een akoestisch onderzoek industrielawaai (kenm. 23.911-FB. i-1, d.d. 30-05-2023) uitgevoerd voor het nieuwbouwplan aan de Tramstraat 13 te Nistelrode gemeente Bernheze. Op het perceel Tramstraat 13 worden 4 woningen gerealiseerd. Dit perceel ligt direct tegenover de inrichting van Autobedrijf Langens gevestigd aan de Tramstraat 18. In het kader van een bestemmingsplanwijziging is een geluidonderzoek verricht. Met voorliggend onderzoek wordt aangetoond of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening, waarbij enerzijds de bedrijfsvoering van Autobedrijf Langens niet wordt belemmerd door de nieuwbouw en waarbij anderzijds ter hoogte van de nieuwbouwwoningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 64 ROC.P.2022.572

Ten behoeve van het onderzoek zijn geluidberekeningen verricht, conform de eisen uit de Handleiding Meten en Rekenen industrielawaai (HMRI-II). De optredende geluidniveaus in de omgeving van de inrichting zijn bepaald middels overdrachtsberekeningen volgens de specialistische methode uit de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai. Belemmering bedrijfsvoering Autobedrijf Langens door nieuwbouwwoningen Uit de berekeningen blijkt dat ter hoogte van enkele gevels van de nieuwbouwwoningen wat betreft het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau L Ar,LT niet voldaan kan worden aan de standaard grenswaarden. De overschrijdingen in de dag-, avond- en nachtperiode bedragen ten hoogste respectievelijk 4, 3 en 3 dB. De gemeente moet gevraagd worden om voor Autobedrijf Langens maatwerkvoorschriften vast te stellen waarin deze hogere grenswaarden zijn opgenomen. Omdat maximale geluidniveaus, die in de dagperiode veroorzaakt worden door laad- en losactiviteiten, bij de toetsing buiten beschouwing worden gelaten vormt het maximaal geluidniveau geen beperking. Hiervoor hoeven geen maatwerkvoorschriften te worden vastgesteld. Indien deze maatwerkvoorschriften worden vastgesteld vormen de nieuwbouw-woningen geen belemmering meer voor de bedrijfsvoering van Autobedrijf Langens.

Aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij nieuwbouwwoningen Er is sowieso sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat indien het ten hoogste toelaatbaar binnenniveau niet wordt overschreden. Gevelwering Vanuit het Bouwbesluit dient de geluidwering sowieso al minimaal 20 dB te bedragen. Hierdoor worden zowel ten aanzien van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als ten aanzien van het maximaal geluidniveau de ten hoogste toegestane binnenniveaus gerespecteerd. Wat betreft het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau moet de geluidwering ten minste: - dagperiode (54 - 35 =) 19 dB; - avondperiode (48 - 30 =) 18 dB en; - nachtperiode (43 - 25 =) 18 dB te bedragen. Wat betreft het maximaal geluidniveau moet de geluidwering minimaal 74 - 55 = 19 dB bedragen in de dagperiode. 65 ROC.P.2022.572

Daarmee is er ter hoogte van de nieuwbouwwoningen sprake van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Conclusie Met bovenstaande maatregelen, vormt het aspect geluid/industrielawaai geen belemmering voor het initiatief. De woningen zullen het garagebedrijf niet belemmeren en ter plaatse van de woningen zal een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zijn.

4.11 Hoogspanningslijnen Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen. Hiervoor is beleid opgesteld. Het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen is gebaseerd op het voorzorgprincipe. Bij het opstellen van een bestemmingsplan kan het daarom soms noodzakelijk zijn een bepaalde afstand vrij te houden tussen gevoelige bestemmingen en bovengrondse hoogspanningslijnen. De internationale norm is dat voorkomen moet worden dat burgers worden blootgesteld aan magneetvelden van meer dan 100 μTesla. Deze norm wordt in Nederland op maaiveldniveau nergens overschreden. Aanvullend hierop adviseert het rijk, vanuit het voorzorgprincipe, om zoveel als mogelijk te voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen (tot 15 jaar) langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen van meer dan 0,4 μTesla. Op een afstand van ongeveer 850 meter ten oosten van het plangebied ligt een 150 kV lijn. Deze lijn is niet belemmerend voor de onderhavige ontwikkeling. Conclusie In de directe nabijheid van de initiatieflocatie zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig of gepland. Dit aspect vormt geen belemmering voor het initiatief.

4.12 Volksgezondheid i.r.t. veehouderijen In de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) is een stappenplan opgenomen om te beoordelen of er knelpunten worden gevonden voor een bestemmingsplan en of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is Dit stappenplan is voor het te realiseren plan doorlopen. Getoetst is aan het stappenplan zoals opgenomen is in de handreiking.

66 ROC.P.2022.572

Stap 1: endotoxine richtafstand Web-BvB Noord Brabant is geraadpleegd. De intensieve veehouderijen liggen alle ruim buiten de 250 meter contour. Twee pluimveehouderijen zijn gelegen nabij de 1000 meter, namelijk op 1,25 km de veehouderij aan Kantje 42 en op 1,45 km de veehouderij aan Maxend 73. Er zijn geen geitenhouderijen in de omgeving gelegen. Hieruit blijkt dat het plan niet ligt binnen een afstand van 250 meter van een intensieve veehouderij, of 1000 meter van een pluimveehouderij of 2000 meter van een geitenhouderij. Stap 2: Emissies De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Stap 3a: Toetsing aan wettelijk geurkader De voorgrondbelasting is minder dan 5 ouE/m3 en de achtergrondbelasting is minder dan 10 ouE/m3. Binnen 100 meter van het plan ligt geen veehouderij zonder vastgestelde geuremissies. Stap 3b: Toetsing aan goed woon- en leefklimaat geurkader De voorgrondbelasting is minder dan 2 ouE/m3 en de achtergrondbelasting is minder dan 5 ouE/m3. Binnen 100 meter van het plan ligt geen veehouderij zonder vastgestelde geuremissies. Stap 4: meerdere diersoorten binnen veehouderij Stap 4 is hier niet van toepassing.

Stap 5: Afstanden tot veehouderijen Hieruit blijkt dat het plan niet ligt binnen een afstand van 250 meter van een intensieve veehouderij, of 1000 meter van een pluimveehouderij of 2000 meter van een geitenhouderij. Stap 6: Mestbe- of verwerking Er is geen mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit in de nabijheid van het plangebied aanwezig. Stap 7 Ongerustheid omwonenden Bij de bewoners en andere omwonenden is er geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. Er is dus geen advies van de GGD nodig.

67 ROC.P.2022.572

Conclusie Op basis van de Handreiking veehouderij en gezondheid 2.0 kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van veehouderijen. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden en geuremissies die aangehouden moeten worden rondom de veehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Geconcludeerd wordt dat het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderij geen belemmeringen vormt voor het initiatief.

4.13 Spuitzones gewasbescherming De woningen komen te liggen binnen de bebouwde kom van Nistelrode. Voor spuitzones geldt een algemeen geaccepteerde grens van 50 meter. Binnen een straal van 50 meter rondom het plangebied zijn geen landbouwgronden gelegen. De dichtstbijzijnde landbouwgronden liggen op meer dan 600 meter afstand. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect spuitzones gewasbescherming geen belemmering vormt voor dit initiatief.

4.14 Geur De gemeenteraad heeft de Verordening Fysieke Leefomgeving (hierna: VFL) vastgesteld. Hierin staan de regels die in Bernheze gelden voor bouwen, wonen, natuur, erfgoed, milieu, wegen en water. De VFL is een samenvoeging van een reeks bestaande verordeningen en een aantal regels uit de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV). Hiermee zijn alle regels voor ruimtelijke ontwikkeling in één verordening terug te vinden. De regels zijn niet gewijzigd, wel beter op elkaar afgestemd en vereenvoudigd. In de omgeving, buiten de bebouwde kom, bevinden zich meerdere veehouderijen. Gezien het feit dat de locatie tegen het centrum van Heesch ligt, zal onderhavige locatie geen belemmering vormen voor de veehouderijen. Er geldt een geurnorm van 3 oue/m³ voor bestaande woongebieden. Achtergrondbelasting De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting bepaalt het leefklimaat op een locatie. Bij de ontwikkeling van nieuwe woningen mag de achtergrondbelasting niet slecht zijn. Volgens de atlas van de ODZOB is de kwaliteit van de leefomgeving ter plaatse van het project ‘goed’. In de volgende afbeelding is een fragment uit de atlas weergegeven.

68 ROC.P.2022.572

Afbeelding : fragment Achtergrondbelasting geur

(bron: https://odzob.nl/kaarten)

Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect geurhinder geen belemmering vormt voor dit initiatief.

4.14 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan het Besluit m.e.r.. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C255/08 – Commissie vs. Nederland) Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.-(beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is.

Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. 69 ROC.P.2022.572

Beoordeling Het toevoegen van vier nieuwe woningen wordt niet beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r.. Conclusie Het toevoegen van 4 nieuwe woningen wordt niet beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is om die reden niet nodig. Bovendien zijn er – zoals beschreven in de voorafgaande alinea’s - geen 'belangrijke nadelige milieugevolgen’ te verwachten en is het daarom ook om die reden niet noodzakelijk een m.e.r.- beoordeling uit te voeren.

70 ROC.P.2022.572

HOOFDSTUK 5 UITVOERBAARHEID 5.1 Economische uitvoerbaarheid Het verhaal van plankosten via een exploitatieplan is uitgangspunt in de Wet ruimtelijke ordening. Kostenverhaal door de gemeente op een initiatiefnemer is derhalve een wettelijke plicht. In de wet is ook bepaald dat van een exploitatieplan kan worden afgezien als het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd. De initiatiefnemer is zich ervan bewust dat alle kosten die gemaakt worden in of ten behoeve van de procedure en de uitvoering voor rekening van de initiatiefnemer komen. Dit betreft onder meer de kosten voor de benodigde onderzoeken. Deze kosten worden via een anterieure overeenkomst op de initiatiefnemer verhaald. In deze overeenkomst is ook het verhaal van eventueel toegekende planschadeclaims geregeld. Kostenverhaal is dus anderszins verzekerd als gevolg waarvan geen exploitatieplan behoeft te worden opgesteld. Conclusie Het initiatief is financieel uitvoerbaar.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid Op basis van de door het bevoegd gezag aangegeven (rand)voorwaarden is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld. In deze ruimtelijke onderbouwing is ingegaan op de ruimtelijke beleidskaders. Om een zo compleet mogelijk planologisch beeld te geven, is tevens aandacht besteed aan de ruimtelijke en milieuhygiënische (deel)aspecten. Er is inzicht gegeven in zowel de fysieke als functionele aspecten van de initiatieflocatie in relatie tot de omgeving c.q. het grotere geheel. Tevens vindt een beschrijving plaats van alle aspecten die direct met het plan te maken hebben. Omgevingsdialoog Voor dit initiatief heeft initiatiefnemer een omgevingsdialoog gevoerd in de vorm van een informatieavond (4 juli 2023). Tijdens deze avond is het plan toegelicht, waarna er gelegenheid is geweest voor het stellen van vragen. Ook is gelegenheid geboden om na het gesprek nog schriftelijk te reageren. Daar heeft niemand gebruik van gemaakt. Geen van de betrokkenen heeft bezwaren geuit op de plannen. De plannen van initiatiefnemer zijn positief ontvangen. Aanpassingen naar aanleiding van de informatieavond zijn niet nodig geweest. 71 ROC.P.2022.572

De notitie Omgevingsdialoog is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd.

HOOFDSTUK 6 ALGEHELE CONCLUSIE Er kan geconcludeerd worden dat met het initiatief sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Burgemeester en wethouders kunnen om die reden een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van het toevoegen van een viertal betaalbare woningen op het perceel gelegen aan de Tramstraat 13 in Nistelrode.

72 ROC.P.2022.572

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=70c9af5f-8317-4ec1-9d51-2ab0da427070