CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing Meerstraat 34

Commissie Ruimtelijke Zaken 19 juni 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Afgeven verklaring van geen bedenkingen Meerstraat 34, Heeswijk-Dinther5.397 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Meerstraat 34 Heeswijk-Dinther Ruimtelijke onderbouwing

Meerstraat 34 Heeswijk-Dinther Ruimtelijke onderbouwing

GEGEVENS VAN DE AANVRAGER Fam. Van de Assem Meerstraat 34

Kerkewijk 156

6473 VX Heeswijk-Dinther

3904 JJ Veenendaal T. 0318 – 50 56 37

I. www.kubiek.nu PLANGEGEVENS E. info@kubiek.nu Projectnummer:

K20551

Datum:

10 november 2022

Titel:

Heeswijk-Dinther - Meerstraat 34

Projectleider:

J. Polinder

Auteur:

G. Jansen

Inhoud 1

2

Inleiding........................................................................................................................ 6 1.1

Aanleiding................................................................................................................................. 6

1.2 1.3

Ligging en begrenzing planlocatie ........................................................................................... 6 Vigerend bestemmingsplan...................................................................................................... 6

Beschrijving van de bestaande en toekomstige situatie .......................................... 8 2.1 2.2

3

4

5

Beleidskader ................................................................................................................ 9 3.1

Rijksbeleid ................................................................................................................................ 9

3.2 3.3

Provinciaal beleid ..................................................................................................................... 9 Gemeentelijk beleid .................................................................................................................. 9

Uitvoeringsaspecten ..................................................................................................11 4.1 4.2

Flora- en fauna ....................................................................................................................... 11 Cultuurhistorie en archeologie ............................................................................................... 12

4.3 4.4

Verkeer en parkeren .............................................................................................................. 13 Luchtkwaliteit .......................................................................................................................... 14

4.5

Bodemkwaliteit ....................................................................................................................... 14

4.6 4.7

Geluidhinder ........................................................................................................................... 15 Bedrijven en milieuzonering ................................................................................................... 15

4.8 4.9

Externe veiligheid ................................................................................................................... 16 Kabels en leidingen ................................................................................................................ 17

4.10 4.11

Water ...................................................................................................................................... 17 Duurzaamheid ........................................................................................................................ 18

4.12

M.e.r.-beoordeling .................................................................................................................. 19

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid ...............................................20 5.1 5.2

6

Bestaande situatie .................................................................................................................... 8 Motivering gewenste situatie .................................................................................................... 8

Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................ 20 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ......................................................................................... 20

Eindconclusie .............................................................................................................21

Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 2: Resultaat watertoets Bijlage 3: Omgevingsdialoog

1 Inleiding 1.1

Aanleiding

Aan de Meerstraat 34 in Heeswijk-Dinther staat een woning met bijgebouw. Het bijgebouw heeft een oppervlakte van circa 130 m2 en is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Het voornemen is om dit bijgebouw, dat al bijna gereed is, te legaliseren. Met de zogeheten uitgebreide omgevingsvergunning (art. 2.12 lid 1a onder 3 Wabo) kan worden afgeweken van het bestemmingsplan om het voornemen planologisch te regelen. Het opstellen van een ruimtelijke onderbouwing is een verplicht onderdeel van deze procedure. Middels de ruimtelijke onderbouwing zal worden aangetoond dat het voorgenomen initiatief voldoet aan de eisen van goede ruimtelijke ordening. Met voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt het ruimtelijk plan voorzien van een ruimtelijk juridisch kader. 1.2

Ligging en begrenzing planlocatie

Het bijgebouw is gelegen bij de woning aan de Meerstraat 34 te Heeswijk-Dinther. De locatie ligt buiten de bebouwde kom. De planlocatie is gelegen op het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Heeswijk-Dinther, sectie E, perceel 2904. In de onderstaand figuur is de ligging van het bijgebouw aangegeven.

Luchtfoto met globale aanduiding bijgebouw (bron: PDOK Viewer)

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad van Bernheze op 8 oktober 2014. Nadien zijn ook de bestemmingsplannen ‘BPL Teeltondersteunende voorzieningen gemeente Bernheze’ en ‘(Herziening) Vrijkomende Agrarische Bebouwing Bernheze 2018’ vastgesteld. Deze laatste twee plannen hebben geen betrekking op de regels omtrent het bijgebouw. In het bestemmingsplan Buitengebied Bernheze heeft het perceel een agrarische enkelbestemming met een bouwvlak en de functieaanduiding ‘wonen’. Ter plekke van deze aanduiding is een burgerwoning toegestaan. Daarnaast geldt er de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ en de

Ruimtelijke onderbouwing Meerstraat 34 Heeswijk-Dinther

6

gebiedsaanduidingen

‘milieuzone

–

boringsvrije

zone’

en

‘reconstructiewetzone

–

extensiveringsgebied’.

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Buitengebied Bernheze (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Gebouwen zijn uitsluitend in het bouwvlak toegestaan. Voor vrijstaande bijgebouwen ten dienste van de woonfunctie gelden de volgende eisen: goothoogte

max. 3 m.

bouwhoogte

max. 6 m.

afstand tot zijdelingse perceelsgrens

min. 5 m.

gezamenlijke oppervlakte bijgebouwen

max. 100 m², ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende maatvoering' max. 200 m²

afstand tot woning

min. 3 m. en max. 20 m.

afstand tot voorgevelrooilijn

min. 2 m.

Het betreffende bijgebouw staat op minder dan 5 meter van de perceelgrens, overschrijdt de 100 m 2 en ligt voor een klein gedeelte buiten het bouwvlak. Om die drie redenen is het bijgebouw strijdig met het bestemmingsplan. Ter plekke van de archeologische dubbelbestemming is archeologisch onderzoek nodig bij het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 cm. Dat is bij dit bijgebouw niet aan de orde, waardoor er geen strijdigheid is met de archeologische dubbelbestemming. Ter plekke van de boringsvrije zone gelden de regels uit de provinciale verordening – hier wordt in paragraaf 3.2 verder op ingegaan. De regels behorend bij de gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’ zijn niet van toepassing op een bijgebouw bij een woning. Geconcludeerd kan worden dat er geen strijdigheid is met de dubbelbestemming en gebiedsaanduidingen.

Ruimtelijke onderbouwing Meerstraat 34 Heeswijk-Dinther

7

2 Beschrijving van de bestaande en toekomstige situatie 2.1

Bestaande situatie

De woning aan de Meerstraat 34 in Heeswijk-Dinther ligt op ruim 35 meter van de weg af. Achter de woning, uit het zicht vanaf de weg, is het betreffende bijgebouw gelegen dat reeds grotendeels gerealiseerd is. Het bijgebouw wordt gebruikt als bijgebouw bij de woning.

Luchtfoto van het perceel behorend bij de Meerstraat 34 (bron: PDOK viewer)

2.2

Motivering gewenste situatie

In de gewenste situatie wordt het bijgebouw, dat reeds grotendeels gereed is, gelegaliseerd. De oppervlakte van het bijgebouw wordt circa 130 m 2 en het gebouw heeft een goot- en bouwhoogte van 2,5 en 5,7 meter. Het bijgebouw overschrijdt de maximale oppervlakte voor bijgebouwen met slechts 30 m2. In het buitengebied is een dergelijk formaat van bijgebouwen meer voorkomend en goed passend in relatie tot de grootte van het perceel. Ook de overschrijding van het bouwvlak is beperkt. Het bijgebouw is gelegen achter de woning, waardoor de ontwikkeling niet leidt tot een onevenredige ongewenste situatie of vreemd straatbeeld. Dankzij het ruime perceel blijft er voldoende ruimte over voor een groene en duurzame invulling van het erf. Hoe de ontwikkeling bijdraagt aan kwaliteitsverbetering van het landschap blijkt uit het landschappelijk inpassingsplan (bijlage 1). Hierin komt naar voren dat het landschappelijke karakter van het perceel en omliggend gebied versterkt zal worden door het plaatsen enkele boomsoorten tussen de bestaande bomen en de schuur in. Inrichtingsplan Landschappelijke inpassing (bron: Kubiek Ruimtelijke Plannen)

Ruimtelijke onderbouwing Meerstraat 34 Heeswijk-Dinther

8

3 Beleidskader 3.1

Rijksbeleid

Het voornemen betreft een ontwikkeling van relatief beperkte omvang zonder strijdigheid met de rijksbelangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De onderwerpen van nationaal belang zijn niet van toepassing op deze locatie en dit initiatief. Voorts wordt het voornemen niet gezien als nieuwe stedelijke ontwikkeling, omdat het plan slechts de realisatie van één bijgebouw bij een bestaande woning betreft. De Ladder voor duurzame ontwikkeling hoeft derhalve niet doorlopen te worden. Conclusie Door de beperkte omvang van de ontwikkeling zijn er geen regels op rijksniveau die betrekking hebben op de ontwikkeling. 3.2

Provinciaal beleid

Op 14 december 2018 heeft de provincie Noord-Brabant haar Omgevingsvisie vastgesteld. Regels voor de uitwerking van deze visie zijn vastgelegd in de omgevingsverordening van de provincie. De provincie Noord-Brabant heeft in 2019 een interim omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening is nadien meerdere malen geactualiseerd en gewijzigd. Voor deze ruimtelijke onderbouwing is de geconsolideerde versie van 14 april 2022 geraadpleegd op ruimtelijke plannen. De locatie ligt onder meer binnen (gemengd) landelijk gebied. De provinciale verordening bevat geen regels voor bijgebouwen bij burgerwoningen in het landelijk gebied. Daarnaast geldt er een boringsvrije zone op de locatie: De maximale boordiepte is hier 60 meter. Voor de realisatie van het bijgebouw is niet tot die diepte geboord, waardoor er geen strijdigheid is met deze bepaling. Conclusie Het provinciaal beleid heeft geen specifieke regels voor de realisatie van bijgebouwen in het buitengebied. De legalisatie van het bijgebouw is dan ook niet strijdig met het provinciaal beleid. 3.3

Gemeentelijk beleid

De gemeente Bernheze heeft op 11 februari 2010 de structuurvisie Bernheze vastgesteld. Het plangebied is gelegen in een recreatiegebied. De visie hierop heeft geen betrekking op het achtererf van de woning aan de Meerstraat 34. Daarnaast ligt de locatie in ‘halfopen landschap’. In de beekdalen en op de dekzandruggen rond de historische bebouwingsconcentraties heeft het agrarische gebruik van het open landschap geleid tot een halfopen landschap met oude bouwlanden, boscomplexen en kronkelende wegen. Het halfopen landschap wordt voor het grootste deel gebruikt als landbouwgrond. Door de variatie in dit halfopen landschap is er een coulisselandschap gevormd. Het voegt een kwaliteit toe aan het beeld van de gemeente Bernheze en dient geconserveerd te worden. Verandering aan dit landschap moet hier ook zoveel mogelijk worden voorkomen. Het realiseren van een groter bijgebouw dan toegestaan op grond van het bestemmingsplan heeft geen negatief effect op de kenmerken van het halfopen landschap. De overtreding is zeer beperkt, en daarnaast buiten het zicht van de openbare weg. Er is dan ook geen strijdigheid met de gemeentelijke structuurvisie.

Ruimtelijke onderbouwing Meerstraat 34 Heeswijk-Dinther

9

Conclusie Het plan voor de legalisatie van een bijgebouw bij een woning in het buitengebied van Heeswijk-Dinther is niet in strijd met het gemeentelijk beleid.

Ruimtelijke onderbouwing Meerstraat 34 Heeswijk-Dinther

10

4 Uitvoeringsaspecten In dit hoofdstuk zullen de relevante uitvoeringsaspecten bij het plan worden besproken. Achtereenvolgens komen de aspecten ten aanzien van flora en fauna, archeologie en cultuurhistorie en de milieuaspecten aan bod. 4.1

Flora- en fauna

Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet vervangen. Het doel is om met één wet en minder regels de wet makkelijker te kunnen toepassen. Vanaf 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies vanaf deze datum voor vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren, zoals het IJsselmeer. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden (voorheen geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998). Ter bescherming van deze Natura 2000-gebieden voorziet de Wet natuurbescherming in een vergunningenregime voor het realiseren of verrichten van projecten en andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van een aangewezen Natura 2000-gebied kunnen aantasten. Voorts voorziet de Wet natuurbescherming in de bescherming van planten- en diersoorten binnen en buiten de beschermde natuurgebieden (voorheen geregeld in de flora- en faunawet). Het uitgangspunt is dat beschermde planten- en diersoorten geen schade mogen ondervinden. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte is het niet altijd nodig een vrijstelling of een ontheffing aan te vragen.

Voor onder andere reguliere werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen geldt een vrijstelling voor beschermde soorten op voorwaarde dat gehandeld wordt volgens een goedgekeurde gedragscode. Verder worden vrijstellingsregelingen op de nationaal beschermde soorten per provincie vastgesteld. Wanneer het onmogelijk is schade aan streng beschermde planten en dieren tijdens ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting te voorkomen, moet altijd een ontheffing worden aangevraagd. De voorwaarden verbonden aan een vrijstelling of een ontheffing zijn afhankelijk van de status van de planten- en diersoorten die in het plangebied voorkomen. NNN Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het NNN liggen onder andere bestaande natuurgebieden en alle Natura 2000gebieden. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt en middels ruimtelijke nota’s en verordeningen voorzien van juridische doorwerking. In sommige provincies bestaan er naast het NNN ook nog andere groene zones die een zekere mate van bescherming genieten. Effect te vergunnen activiteiten De ontwikkeling betreft de legalisatie van een bijgebouw bij de woning aan de Meerstraat 34. Hiervoor was geen sloop van andere bebouwing nodig.

Daarnaast vond de bouw plaats op een achtererf dat actief als achtererf gebruikt werd. Een bijgebouw is reeds toegestaan, enkel de oppervlakte en de

Ruimtelijke onderbouwing Meerstraat 34 Heeswijk-Dinther

11

precieze plaats (te dicht bij de erfgrens van de buren en voor een klein deel buiten het bouwvlak) zijn strijdig met het bestemmingsplan. Door de beperkte omvang kan aangenomen worden dat de bouw geen (extra) onevenredig effect heeft gehad op al dan niet aanwezige beschermde flora en fauna en op de instandhoudingsdoelstellingen van het NNN. Nader ecologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Wel geldt bij uitvoering van werkzaamheden ten allen tijde een de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wet natuurbescherming). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Dit betekent dat wanneer tijdens uitvoering van de werkzaamheden een algemeen beschermde soort als konijn, veldmuis of gewone pad wordt aangetroffen zij de ruimte en tijd moet krijgen om een veilig heenkomen te zoeken. Indien nodig kunnen aangetroffen exemplaren verplaatst worden naar een naastgelegen ruimte waar geen werkzaamheden uitgevoerd worden. Stikstofdepositie Sinds 2015 was het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS) van kracht. Het programma bevatte een integrale beoordeling van de bron- en gebiedsgerichte maatregelen voor de aanpak van de stikstofproblematiek. Deze maatregelen werden getroffen in en nabij de Natura 2000-gebieden die onderdeel zijn van het PAS.

Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) geldt het PAS voor geen enkel Natura 2000-gebied meer. Dit betekent ook dat de collectieve passende beoordeling via het PAS door de uitspraak is komen te vervallen. Met de AERIUS Calculator kunnen de effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op Natura 2000-gebieden worden bepaald. Door de uitspraak is in het kader van dit plan ook gekeken naar de mogelijk te verwachten effecten. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied betreft 'Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ dat ten zuiden van Den Bosch is gelegen. Dit Natura-2000 gebied ligt op ruim 10 km afstand van de planlocatie. Gelet op de omvang van het initiatief in relatie tot de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied, kan zonder nadere AERIUS-berekening worden gesteld dat het gebruik en de bouw van het bijgebouw niet leiden tot een stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden die hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee zijn er voor wat betreft het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen voor de realisatie van het plan. Conclusie Gelet op het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit de Flora- en faunaregelgeving geen beperkingen worden opgelegd aan onderhavig initiatief. 4.2

Cultuurhistorie en archeologie

Cultuurhistorie Het pand kent geen aanduiding als rijks- of gemeentelijk monument en is niet aangemerkt als beeldbepalende pand in het geldende bestemmingsplan. Geconcludeerd kan worden dat met het plan geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorische panden of structuren. Archeologie Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet vervangt zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed: 1. Monumentenwet 1988 Ruimtelijke onderbouwing Meerstraat 34 Heeswijk-Dinther

12

2. Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten 3. Wet tot behoud van cultuurbezit 4. Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied 5. Uitvoeringswet UNESCO -verdrag 1970 6. Regeling materieel beheer museale voorwerpen De Erfgoedwet hanteert de beschermingsniveaus zoals die gelden in de voorgaande regelingen. Voor de vergunningverlening van een beschermd archeologisch monument, het verbod tot beschadigen of vernielen van een rijksmonument en de bescherming van stads- en dorpsgezichten geldt dat de Monumentenwet 1988 van kracht blijft tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze regels blijven dus gelden en zijn ongewijzigd overgenomen in de Erfgoedwet. Doelstelling van de wetten is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. De gehanteerde uitgangspunten zijn: •

archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ);

•

in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden;

•

de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen.

Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Beoordeling archeologie De projectlocatie heeft een dubbelbestemming met betrekking tot archeologie. Onderzoek is nodig bij het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m 2 en dieper dan 40 cm. Met de bouw van het bijgebouw worden deze maten niet overschreden, waardoor er geen archeologisch onderzoek nodig is. Wel zijn op basis van de wet mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. Conclusie De gewenste ontwikkeling vindt plaats op beschermd archeologisch gebied. Onderzoek in het kader van de archeologie is echter pas noodzakelijk bij de realisatie van grotere bouwwerken. Vanuit de aspecten cultuurhistorie en archeologie zijn er geen belemmeringen voor de legalisatie van het bijgebouw. 4.3

Verkeer en parkeren

De realisatie van een bijgebouw bij een woning leidt niet tot extra verkeersgenereatie of extra benodigde parkeerplaatsen. Vanuit het aspect verkeer en parkeren is er geen belemmering voor de legalisatie van het bijgebouw.

Ruimtelijke onderbouwing Meerstraat 34 Heeswijk-Dinther

13

4.4

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en /of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 μg/m3 NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSLprogramma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen. Effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit De ontwikkeling kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Conclusie Het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. 4.5

Bodemkwaliteit

Wettelijk kader Het Besluit op de ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6) schrijft voor dat in het kader van een ruimtelijk planologische procedure moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het gewenste nieuwe gebruik. De bodemkwaliteit kan (negatief) van invloed zijn op de gewenste nieuwe ontwikkeling. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van zo'n onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. Beoordeling Onderhavig initiatief betreft de legalisatie van een bijgebouw. Deze legalisatie leidt niet tot een functiewijziging van het perceel. Op het perceel is een woning met bijgebouwen toegestaan. Het bijgebouw wordt ten dienste van de woning gebruikt. De planologische functie blijft dan ook gelijk. Daarnaast is er geen bodemverontreiniging bekend op de locatie. Een bodemonderzoek is dan ook niet benodigd. Conclusie Er zullen geen risico’s voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn met betrekking tot de voorgenomen activiteit op het onderhavige perceel.

Ruimtelijke onderbouwing Meerstraat 34 Heeswijk-Dinther

14

4.6

Geluidhinder

Wegverkeer en railverkeer Langs alle (spoor)wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de (spoor)weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken/spoorstaven en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km /h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. Industrielawaai Gezoneerde industrieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een bestemmingsplan. Buiten de geluidszone wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. De maximale ontheffingswaarde binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. In tegenstelling tot weg- en railverkeer wordt voor industrielawaai niet getoetst aan de Lden waarde maar aan de etmaalwaarde. De dosismaat Lden is voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai met ingang van 1 januari 2007 in de gewijzigde Wgh vastgelegd. Voor industrielawaai wordt Lden in het kader van de Wgh voorlopig niet ingevoerd. Beoordeling en conclusie Een bijgebouw is geen geluidsgevoelige functie. Akoestisch onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder is dan ook niet noodzakelijk. 4.7

Bedrijven en milieuzonering

Wettelijk kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.

Ruimtelijke onderbouwing Meerstraat 34 Heeswijk-Dinther

15

De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de onderstaande richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied’. Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk Richtafstand tot omgevingstype en rustig buitengebied gemengd gebied 1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

Richtafstanden en omgevingstype

Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder. Beoordeling Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. Een bijgebouw bij een woning leidt niet tot overlast voor omliggende gevoelige functies in het kader van milieuhinder. Andersom gezien is een bijgebouw die een ondergeschikte functie heeft ten opzichte van de bijbehorende woning geen gevoelige functie, waardoor bedrijven in de omgeving niet beperkt worden door de legalisatie van het bijgebouw. Conclusie Gelet op het voorgaande vormen de milieubelastende functies vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Andersom leidt bouw van het bijgebouw niet tot milieutechnische problemen voor de omliggende milieugevoelige functies. 4.8

Externe veiligheid

Wettelijk kader Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke

Ruimtelijke onderbouwing Meerstraat 34 Heeswijk-Dinther

16

activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Beoordeling en conclusie Een bijgebouw betreft geen kwetsbaar object, zodat de ontwikkeling niet getoetst hoeft te worden aan de wetgeving omtrent externe veiligheid. Er bestaat vanuit het thema externe veiligheid geen belemmering voor onderhavig initiatief aan de Meerstraat 34. 4.9

Kabels en leidingen

Uit de toelichting en verbeelding van bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’ is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. Bij eventuele graafwerkzaamheden kan een klic-melding uitgevoerd worden. 4.10 Water Inleiding Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Op Europees en nationaal niveau heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte 'watertoets'. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in de toelichting bij ruimtelijke plannen. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken. Een watertoets is verplicht als het gaat om een functieverandering en/of bestemmingswijziging.

Op basis van informatie en randvoorwaarden vanuit waterbeheerder, het waterbeleid en relevante bodemgegevens worden de verschillende wateraspecten uitgewerkt in een waterparagraaf. De waterparagraaf beschrijft het huidige watersysteem alsmede de mogelijkheden en randvoorwaarden voor het toekomstig watersysteem. De waterparagraaf wordt afgestemd met de waterbeheerder. Beleidskader Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's. Europa Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. In het kader van de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld, gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichting per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewateren binnen 15 jaar na inwerkingtreding moeten voldoen aan een 'goede ecologische' toestand (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een 'goed ecologisch potentieel' (GEP). Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt.

Ruimtelijke onderbouwing Meerstraat 34 Heeswijk-Dinther

17

Rijk De Waterwet, die in werking is getreden in 2009, regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op grond van deze wet moeten de provincies één of meer regionale waterplannen vaststellen die wat betreft de ruimtelijke aspecten de status van provinciale structuurvisie hebben. De Waterwet schrijft eveneens voor dat elke zes jaar een nieuw Nationaal Waterplan uitgebracht wordt. Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 is opgesteld vanuit het perspectief om een nationale Omgevingsvisie te ontwikkelen richting 2018 conform de Omgevingswet in wording. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het beleid en de maatregelen in het nieuwe Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. Beoordeling en conclusie Met de realisatie van het bijgebouw wordt er verharding toegevoegd.

Daarom is de watertoets doorlopen (bijlage 2). Het gaat om een beperkte toevoeging van verharding, enkel een bijgebouw bij een bestaande woning. Ook wordt er geen grondwater onttrokken uit het plangebied. Uit de watertoets blijkt dan ook dat de normale procedure doorlopen kan worden. Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen worden er geen bezwaren verwacht tegen onderhavig initiatief. 4.11 Duurzaamheid Duurzame leefomgeving Een duurzame leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van de natuur en mens. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding en/of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in klimaatbestendigheid en energietransitie. Klimaatbestendigheid Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden heter, langer en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit.

Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling. Energietransitie Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk

Ruimtelijke onderbouwing Meerstraat 34 Heeswijk-Dinther

18

gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld. Dit kan bijvoorbeeld op de volgende wijzen: •

de woningen zullen voldoen aan het Bouwbesluit ten aanzien van de energieprestatie;

•

de woningen worden 'aardgasvrij' gebouwd.

4.12 M.e.r.-beoordeling Wettelijk kader In de Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat op basis van selectiecriteria vastgesteld dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben of niet. Onderdeel D van de bijlage bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Voor elke activiteit die genoemd wordt in kolom 1 van onderdeel D van het besluit m.e.r. moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) nadelige milieugevolgen. Voor activiteiten die onder de drempelwaarde zoals genoemd in kolom 2 van onderdeel D vallen, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Beoordeling en conclusie Voorliggend initiatief komt niet voor in onderdeel D van de Besluit milieueffectrapportage, waardoor een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling niet benodigd is.

Ruimtelijke onderbouwing Meerstraat 34 Heeswijk-Dinther

19

5 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.1

Economische uitvoerbaarheid

De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Wet ruimtelijke ordening. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voor de ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges. Voor wat betreft planschade zal de gemeente indien nodig met initiatiefnemer een (anterieure) overeenkomst afsluiten. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht. 5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De initiatiefnemer heeft zelf de participatie gedaan voor het project. Er is gesproken met de buren op nummer 32, zij gaven aan geen bezwaren te hebben tegen het planvoornemen. Van het gesprek is participatieverslag in de vorm van een omgevingsdialoog opgesteld, welke is toegevoegd als bijlage 3. De buren op nummer 36 wilden geen reactie geven op de plannen. Op onderhavig besluit is de reguliere procedure als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het besluit tot verlenen van de omgevingsvergunning wordt op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Tegen dit besluit staat bezwaar en (hoger) beroep open.

Ruimtelijke onderbouwing Meerstraat 34 Heeswijk-Dinther

20

6 Eindconclusie De legalisatie van het bijgebouw aan de Meerstraat 34 in Heeswijk-Dinther voldoet aan de eisen van goede ruimtelijke ordening. Er is geen sprake van strijdigheid met de belangen van het Rijk, de provincie Noord-Brabant en de gemeente Bernheze. Daarnaast levert de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige overlast op voor haar omgeving. Met het initiatief treden geen overtredingen op in het kader van de flora en faunawetgeving. Het voornemen leidt niet tot een onevenredige toename van verkeer en omliggende woningen en bedrijven worden in milieutechnische zin niet extra belemmerd. Het voornemen is niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Met de legalisatie van het bijgebouw wordt het erf aan de Meerstraat 34 op een optimale manier gebruikt zonder afbreuk te doen aan het straatbeeld.

Ruimtelijke onderbouwing Meerstraat 34 Heeswijk-Dinther

21

Kerkewijk 156 3904 JJ Veenendaal T. 0318 – 50 56 37 I. www.kubiek.nu E. info@kubiek.nu

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=2ab45a31-043e-4382-a400-1dd35eece4dc