CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing Lange Kruisdelstraat 5c Heeswijk-Dinther

Commissie Ruimte en Leefbaarheid 18 maart 2025, gemeente BernhezeBij agendapunt: Afgeven verklaring van geen bedenkingen Lange Kruisdelstraat 5c, Heeswijk-Dinther15.280 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

25 van 49

Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.

Afbeelding 11 uitsnede kaart Natuur Netwerk Brabant Iov

4.3.2. Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’, ‘Kampina en Oisterwijkse Vennen’ en ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd.

Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’, dat op een afstand van circa 14 kilometer ligt. De realisatie van een nieuwe bedrijfswoning kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.

26 van 49

Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht

Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Op 1 juli 2021 is de Wet Stikstofreductie en natuurbescherming in werking getreden. Op basis van deze wet is geen AERIUS-berekening noodzakelijk van de tijdelijke emissies tijdens een bouwfase van een woning. Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt is middels het rekenprogramma AERIUS berekend welke stikstofemissie afkomstig is van de beoogde bedrijfswoning met bijbehorende activiteiten. Voor nieuwbouw geldt sinds 1 juli 2018 een aardgasverbod. Dat betekent dat géén nieuwbouwhuis dat na die datum een vergunning heeft gekregen, op het aardgas mag worden aangesloten. Uit de ‘Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2020’, van Bij12 d.d.

oktober 2020, volgt dan ook dat de emissiefactor van een nieuwbouwwoning nul is. De verkeersbewegingen van en naar de woning kunnen wel tot emissies leiden. De verkeersgeneratie voor dit plan is bepaald aan de hand van de kentallen van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. In deel A van deze publicatie zijn kentallen opgenomen met betrekking tot de verkeersaantrekkende werking voor onder andere verschillende type woningen in verschillende woonmilieutypes. De projectlocatie aan de Lange Kruisdelstraat 5c te Heeswijk-Dinther is gelegen in ‘buitengebied’. Voor deze omgeving geldt voor een vrijstaande woning van niet stedelijk tot sterk stedelijk gebied een verkeersgeneratie van minimaal 7,8 en maximaal 8,6 per woning. Als worstcase scenario is voor de AERIUS-berekening uitgegaan van de maximale verkeersgeneratie. In de beoogde situatie wordt één nieuwe woning gerealiseerd. Derhalve is de totale verkeersgeneratie 8,6 per etmaal. Het verkeer van en naar de woning betreft licht verkeer. De verkeersbewegingen zijn opgenomen tot aan de rotonde waar de Laag Beugt, de Brouwersstraat en de Hulsakker samen komen. De verkeersbewegingen zullen langs deze rotonde de bebouwde kom van Heeswijk-Dinther in en uit gaan of de verkeersbewegingen zullen via deze rotonde van en naar de snelwegen gaan.

Uit de AERIUS-berekening, die is bijgevoegd in Bijlage 4, blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Derhalve zijn er voor dit initiatief geen negatieve effecten om omliggende Natura 2000-gebieden te verwachten en er hoeft dan ook geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.

Overige storingsfactoren

Vanwege de ruime afstand van de projectlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.

Conclusie

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven:

27 van 49

1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.

Bij het beoordelen van de in de projectlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Lange Kruisdelstraat 5c te Heeswijk-Dinther, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren bebouwing beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Door middel van de ‘Effectenindicator soorten’ van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is gekeken of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormt voor de beschermde diersoorten. Voor de realisatie is er sprake van de activiteiten ‘woning bouwen’ en ‘handelen in strijd met de regels ruimtelijke ordening’. Uit de effectenindicator volgt dat de aanwezigheid van beschermde soorten onwaarschijnlijk is, zie onderstaande afbeeldingen.

Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten tevens niet te verwachten. Tot slot wordt er ook geen bebouwing gesloopt of worden er geen landschapselementen/bomen gekapt. Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het aantreffen van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk.

28 van 49

Afbeelding 12 uitsnede conclusie effectenindicator soorten

29 van 49

Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Binnen de projeclocatie is hier geen sprake van. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4. Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering.

Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. Er wordt een bedrijfswoning gerealiseerd waar mensen langer dan 2 uur gaan verblijven. Er is daarom door InPijn Blokpoel Ingenieurs een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar de bodemgesteldheid ter plaatse. De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering voor het initiatief. Een nader onderzoek of nadere maatregelen worden niet noodzakelijk geacht. Het volledige bodemonderzoek is terug te vinden in Bijlage 3. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er daarom geen bezwaren voor de beoogde ontwikkeling. 4.5. Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfswoning moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

4.5.1.

Cultuurhistorie en aardkunde

Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de projectlocatie niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie afbeelding 13. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.

30 van 49

Afbeelding 13 uitsnede kaart aardkundige en cultuurhistorische waarden Iov, plangebied aangeduid met plusteken

De provincie Noord-Brabant ziet het ruimtelijke erfgoed als een belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Het Brabantse erfgoed is daarom opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Prominent onderdeel van deze kaart is het provinciaal cultuurhistorisch belang, met name erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit. De CHW bevat tevens de meest recente erfgoedinformatie van het Rijk inclusief archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en beschermde stads- en dorpsgezichten. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de CHW-kaart van de provincie weergeven.

31 van 49

projectlocatie

Afbeelding 14 uitsnede CHW-kaart Noord-Brabant 2010, herziening 2016

Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de CHW-kaart van de gemeente Bernheze weergeven.

Afbeelding 15 uitsnede CHW-kaart Berneze

Uit bovenstaande afbeeldingen blijkt dat de planlocatie niet is gelegen ter plaatse van gronden die zijn aangewezen als ‘Archeologische landschappen’ en ‘Indicatieve Archeologische waarden’. Het aspect archeologie wordt verder beschreven in navolgende paragraaf.

32 van 49

4.5.2.

Archeologie

Voorafgaand aan de realisatie van het beoogde initiatief moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische waarden. De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen/wijzigingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. De gemeenteraad van de gemeente Bernheze heeft de Archeologische beleidskaart gemeente Bernheze vastgesteld. Hierna is een uitsnede weergegeven van deze beleidskaart.

Beoogde bedrijfswoning

Afbeelding 16 uitsnede archeologische beleidskaart (bron: gemeente Bernheze)

De projectlocatie is gelegen in een gebied met een lage archeologische verwachting. Hiervoor geldt dat er geen onderzoek plicht is. Een nader onderzoek naar archeologische waarden is daarom niet noodzakelijk. 4.6. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: ▪ Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; ▪ Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit.

Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen:

33 van 49

▪

▪

Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid).

De projectlocatie ligt conform de definitie in de VNG-publicatie in het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. In de directe omgeving vindt geringe functiemenging plaats. Het gebied bestaat voornamelijk uit burgerwoningen en een enkele (agrarische) bedrijven. Tevens is er weinig verstoring door verkeer. Qua aanvaardbare milieubelasting is dit omgevingstype dus vergelijkbaar met een rustige woonwijk. Binnen het plangebied is sprake van een bestaande paardenhouderij en wordt uitgebreid met een bedrijfswoning ten behoeve van het agrarische bedrijf. Hierbij gelden de bestaande milieucategorieën en richtafstanden: Tabel 1 richtafstanden volgens de VNG-tabel SBI-code

Milieucategorie

Geur:

Stof:

Geluid:

Gevaar:

0143

3.1

50

30

30

30

Paardenfokkerij

Grootste afstand: 50

In de beoogde situatie zullen geen wijzigingen plaatsvinden ten behoeve van de paardenhouderij. De dierbezetting en het huisvestingssysteem zullen niet wijzigen, verder wordt voor alle aspecten voldaan aan de richtafstanden waardoor omliggende woningen niet zullen worden belemmerd met de beoogde ontwikkeling. De grootste richtafstand, opgenomen in de VNG-publicatie, voor een paardenfokkerij is het aspect geur, namelijk 50 meter. In paragraaf 4.7 wordt getoetst aan de wetgeving die specifiek van toepassing is voor veehouderijen met betrekking tot het aspect geur. Er dient tevens getoetst te worden of de beoogde bedrijfswoning omliggende bedrijven niet onevenredig zal beperken. In de nabije omgeving zijn enkele agrarische bedrijven gelegen. Aan de Lange Kruisdelstraat 5b een paardenhouderij. De locatie Lange Kruisdelstraat 5a betreft een akkerbouwbedrijf. In het verleden was er op de locatie Lange Kruisdelstraat 5a sprake van een melkveebedrijf. Volgens KRD (igoview.nl) is de vergunning voor het gehele veebestand op 8 november 2022 ingetrokken en is nu sprake van een akkerbouwbedrijf. Onderstaand tabel geeft de bijbehorende richtafstanden weer. Tabel 2 richtafstanden volgens de VNG-tabel omliggende bedrijven SBI-code

Milieu categorie

Geur:

Stof:

Geluid:

Gevaar:

Werkelijke afstand tussen de bouwvlakken

SBI- 0143

3.1

50

30

30

30

57

011, 012, 013

2

10

10

30

10

55

Lange Kruisdelstraat 5b, Heeswijk-Dinther paardenhouderij Lange Kruisdelstraat 5a Heeswijk-Dinther akkerbouwbedrijf

34 van 49

Het dichtstbij gelegen agrarische bedrijf is het akkerbouwbedrijf aan de Lange Kruisdelstraat 5a. Dit bouwvlak is op een afstand van circa 55 meter van het agrarische bouwvlak van de projectlocatie gelegen. Een paardenhouderij (Lange Kruisdelstraat 5b) valt conform de VNG-handreiking onder milieucategorie 3.1. Voor het aspect geur geldt een richtafstand van 50 meter, maar voor veehouderijen geldt voor het aspect geur specifieke wetgeving waar in de volgende paragraaf aan wordt getoetst. Voor de aspecten stof en geluid geldt bij een paardenhouderij een richtafstand van 30 meter. Aan alle richtafstanden volgens de VNG-zonering wordt voldaan. 4.7. Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader wat betreft geurhinder uit dierenverblijven van veehouderijen. Deze wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object . Bij de besluitvorming omtrent een bestemmingsplan moet worden bepaald of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en/of het plan niet in strijd is met het recht. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: a.) Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden); b.) Is ter plaatse een goed woon- en verblijfsklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object).

De Wet Geurhinder veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden en vormt het toetsingskader voor het aspect geur uit dierenverblijven van veehouderijen bij de individuele omgevingsvergunningverlening milieu. Hetzij via een maximaal toegelaten geurbelasting (geurnorm cq. voorgrondbelasting), hetzij via een minimumafstand. Andere geurbronnen bij een veehouderij vallen buiten de scope van de geurgebiedsvisie en geurverordening.

4.7.1.

Individuele hinder

De op te richten bedrijfswoning betreft een gevoelig object, die volgens bijlage 3 bij de ‘Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij‘ onder categorie b valt.

Afbeelding 17 bijlage 3 bij 'Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij (het van toepassing zijnde regime is rood omlijnd)

35 van 49

De Wgv eist dat aan de (vaste) afstanden van veehouderijen tot (geur)gevoelige objecten wordt voldaan. De gemeente Bernheze heeft op 12 december 2013 de ‘Verordening Geurhinder en Veehouderij gemeente Bernheze 2013’ en de ‘Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Bernheze 2013’ vastgesteld. In de verordening en beleidsregel zijn voor een aantal gebieden afwijkende afstandswaarden en geurnormen vastgesteld. Het plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor in de gemeentelijke verordening een aangepaste vaste afstandsnorm is vastgesteld. De minimale afstand tussen het bouwblok aan de Lange Kruisdelstraat 5c tot de dichtst bijgelegen agrarisch bedrijf van derden bedraagt 55 meter. De op te richten bedrijfswoning, wordt binnen het bestaande bouwvlak opgericht en zal derhalve altijd voldoen aan de minimale benodigde afstand tot bedrijven van derden. Op het perceel kadastraal bekend gemeente Heeswijk, sectie F, nummer 1342 is een mestopslag aanwezig. De mestopslag heeft een oppervlakte kleiner dan 350 m 2. De benodigde afstand betreft 25 meter van de mestopslag tot de op te richten bedrijfswoning. Aan de benodigde afstand wordt voldaan.

4.7.2.

Woon- en leefklimaat

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er ter plaatse van de projectlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. In de nabije omgeving is één veehouderij (naast de eigen veehouderij) aanwezig. Dit betreffen de paardenhouderij aan de Lange Kruisdelstraat 5b. Voor paardenhouderijen zijn geen emissiefactoren voor geur vastgesteld. Conform artikel 3.117 van het Activiteitenbesluit gelden voor deze bedrijven vaste afstanden tussen het dierenverblijf en de geurgevoelige objecten. De afstand dient minimaal 100 meter tot objecten binnen de kom en 50 meter naar objecten buiten de kom te bedragen. Daarnaast dient op grond van artikel 3.119 binnen de bebouwde kom de afstand ten minste 50 meter van de gevel van het dierenverblijf tot het geurgevoelig object te bedragen. Buiten de bebouwde kom is deze afstand minimaal 25 meter. Het dichtstbij gelegen agrarische bouwvlak is van het agrarische bedrijf aan de Lange Kruisdelstraat 5b. Dit bouwvlak is op een afstand van circa 55 meter van het agrarische bouwvlak van de projectlocatie gelegen. Er wordt dus aan de vaste afstanden voldaan. Er kan derhalve geconcludeerd worden dat voor vaste afstanden een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden.

Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van de projectlocatie nader te beschouwen wordt gebruik gemaakt van de Achtergrond geurbelastingkaart, opgesteld door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Als bronnenbestand is een export van het Bestand Veehouderijen Brabant opgenomen met als peildatum maart 2022 en kan daartoe als vrij recentelijk en accuraat worden beschouwd. Uit afbeelding 18 blijkt dat ter plaatse van de projectlocatie de kwaliteit van de leefomgeving goed is.

36 van 49

Afbeelding 18 uitsnede achtergrond geurbelastingkaart ODZOB (maart 2022)

4.7.3.

Gevolgen omliggende agrarische bedrijven

De realisatie van een nieuwe woning mag niet tot gevolg hebben dat omliggende veehouderijen onevenredig worden belemmerd. Zoals in de vorige paragraaf is benoemd is het dichtstbij gelegen agrarische bouwvlak van het agrarische bedrijf aan de Lange Kruisdelstraat 5b. Dit bouwvlak is op een afstand van circa 55 meter van het agrarische bouwvlak van de projectlocatie gelegen en er wordt dus aan de vaste afstanden uit het Activiteitenbesluit voldaan. Er zijn geen veehouderijen in de nabije omgeving gelegen waar dieren met geuremissiefactor worden gehouden. Andere woningen zijn meer beperkend in de eventuele ontwikkelingsmogelijkheden van deze veehouderijen dan de beoogde woning aan de Lange Kruisdelstraat 5c zal zijn.

Conclusie

Gezien hetgeen hierboven beschreven, is aangetoond dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de bedrijfswoning aanvaardbaar zal zijn. Daarnaast is aangetoond dat de beoogde bedrijfswoning niet belemmerend is voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de in de nabijheid gelegen veehouderijen. 4.8. Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen.

4.8.1.

Effecten op luchtkwaliteit nieuwe bedrijfswoning

Voor de beoogde situatie geldt dat er geen wijziging van dieraantallen, diersoorten of huisvestingsystemen plaatsvindt op het bedrijf. Doordat de fijnstofemissie afkomstig van het bedrijf gelijk zal blijven zijn negatieve effecten in het kader van luchtkwaliteit uitgesloten. Vanuit een worst-case benadering zal worden getoetst of de verkeersaantrekkende werking van de beoogde bedrijfswoning NIBM is. De verkeersgeneratie voor dit plan is bepaald aan de hand van de kentallen van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. In deel A van deze publicatie zijn kentallen opgenomen met betrekking tot de verkeersaantrekkende werking voor onder andere verschillende type woningen in verschillende woonmilieutypes. De projectlocatie aan de Lange Kruisdelstraat is gelegen in het buitengebied. Voor deze omgeving geldt voor een vrijstaande woning van niet stedelijk tot zeer stedelijk gebied een

37 van 49

verkeersgeneratie van minimaal 7,8 en maximaal 8,6 per woning. Als worstcase scenario is voor de NIBM-tool uitgegaan van de maximale verkeersgeneratie. Uit de berekening van de NIBM-tool, zie afbeelding 19, blijkt dat bij een toename van circa 8,6 verkeersbewegingen van en naar de locatie de bijdrage aan de fijnstofconcentratie NIBM is. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significante negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving.

Afbeelding 19 uitsnede NIBM-tool

4.8.2.

Woon- en leefklimaat nieuwe bedrijfswoning

Op grond van de Wet zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10) ter plaatse van gevoelige functies. De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m³. Vanaf 1 januari 2015 geldt een grenswaarde voor PM 2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m³ voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de achtergrondconcentratie stikstofdioxide NO2 geldt ook een grenswaarde van 40 μg/m³. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie ter plaatse van de projectlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 15,99 μg/m³, voor PM2,5 8,653 μg/m³ en voor NO2 11,98 μg/m³, zie afbeelding 20 tot en met afbeelding 22. Er is derhalve ter plaatse van de nieuw te realiseren bedrijfswoning sprake van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit.

38 van 49

Afbeelding 20 uitsnede GCN-kaart PM10, plangebied zwart omcirkeld

Afbeelding 21 uitsnede GCN-kaart PM2,5, plangebied zwart omcirkeld

39 van 49

Afbeelding 22 uitsnede GCN-kaart NO2, plangebied zwart omcirkeld

4.9. Geluid De Wet geluidhinder is sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. Aangezien er ter plaatse van de projectlocatie een bedrijfswoning mogelijk wordt gemaakt, dient getoetst te worden aan de aspecten van geluidhinder. De beoogde ontwikkeling betreft een ontwikkeling waardoor een nieuw geluidsgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder wordt opgericht. De projectlocatie is niet gelegen in de invloedzone van een spoorweg of van een industrieterrein, toetsing aan dit aspect is derhalve niet nodig.

4.9.1.

Wegverkeerslawaai

4.9.2.

Omgekeerde werking

De projectlocatie ligt binnen de geluidzone van de Lange Kruisdelstraat. Gezien de afstand tot deze weg en de afstand van de beoogde agrarische bedrijfswoning tot de Hogeweg zal voldaan kunnen worden aan de voorkeurgrenswaarde van 48 dB. Bij de Lange Kruisdelstraat is bovendien sprake van een lage verkeersintensiteit. Een nader onderzoek naar wegverkeerslawaai is derhalve niet noodzakelijk. De eventuele toename in geluidbelasting als gevolg van de beoogde bedrijfswoning zal nihil zijn ten opzichte van de bestaande situatie. Omtrent de paardenhouderij zullen geen wijzigingen plaatsvinden. Het geluid afkomstig van de paardenhouderij zal gelijk blijven ten opzichte van de bestaande en planologisch toegestane situatie. De omliggende geluidgevoelige objecten zijn op ruime afstand van de beoogde bedrijfswoning gelegen. De omliggende geluidgevoelige objecten zullen in de beoogde situatie derhalve niet meer geluidsoverlast ervaren dan in de bestaande situatie. Voldaan wordt aan de benodigde afstanden volgens de VNG-systematiek, zie paragraaf 4.6. Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.10. Verkeer en parkeren Binnen de projectlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor.

40 van 49

Het initiatief heeft slechts een geringe toename van het aantal transportbewegingen ten behoeve van de woning tot gevolg. De verkeersgeneratie voor dit plan is bepaald aan de hand van de kentallen van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. In deel A van deze publicatie zijn kentallen opgenomen met betrekking tot de verkeersaantrekkende werking voor onder andere verschillende type woningen in verschillende woonmilieutypes. De projectlocatie aan de Lange Kruisdelstraat is gelegen in het buitengebied. Voor deze omgeving geldt voor een vrijstaande woning van niet stedelijk tot zeer stedelijk gebied een verkeersgeneratie van minimaal 7,8 en maximaal 8,6 per woning. Als worstcase scenario is voor de NIBM-tool uitgegaan van de maximale verkeersgeneratie. Er zullen in de beoogde situatie voornamelijk personenvervoersmiddelen van en naar de nieuwe bedrijfswoning bewegen. Deze lichte toename in verkeersbewegingen zullen niet tot onevenredige hinder van de verkeerssituatie leiden. De verkeersontsluiting middels de nieuwe inrit zal tevens geen belemmering van het verkeer tot gevolg hebben. Er dient tevens voorzien te zijn in voldoende parkeergelegenheid. Als uitgangspunt geldt dat op eigen erf moet worden voorzien in de parkeerbehoefte.

Conform de Parkeernormennota van de gemeente Bernheze geldt voor een meerpersoonswoning buiten de bebouwde kom een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per woning. Er is voldoende ruimte onder de carport aanwezig om 2 nieuwe parkeerplaatsen te realiseren. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is op de projectlocatie. Er kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen zullen ontstaan voor de afwikkeling van personen- en goederenvervoer. 4.11. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.

4.11.1.

Regelgeving

De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd.

41 van 49

Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn.

Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.

4.11.2.

Toetsing aan beleid

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van de projectlocatie. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede van de Risicokaart Nederland, zie afbeelding 23.

42 van 49

Afbeelding 23 uitsnede risicokaart Nederland, plangebied blauw omcirkeld

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteit (realisatie van een bedrijfswoning) op de projectlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. In de beoogde situatie wordt een bedrijfswoning mogelijk gemaakt. Het plan voorziet derhalve in de realisatie van een nieuw beperkt kwetsbaar object. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij de projectlocatie. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de projectlocatie. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid inrichtingen. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Het besluit externe veiligheid transportroutes stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo dient een basisveiligheidsniveau rond transportassen en een transparante afweging van het groepsrisico te worden gewaarborgd. Met dit besluit is ruimtelijk gewaarborgd dat het bevoegd gezag voor ruimtelijke plannen rekening moet houden met transporten van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. De projectlocatie ligt op ongeveer 3 kilometer van het spoortraject en op 1,4 kilometer afstand van de Rijksweg A50.

Daarmee ligt de ontwikkeling buiten de invloedsfeer van zowel het spoortraject als de Rijksweg A50. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevt niet van toepassing.

43 van 49

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’ is in de nabijheid geen dubbelbestemming omtrent aanwezige leidingen opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling heeft derhalve geen invloed op het bepaalde in de bijbehorende regels van de dubbelbestemmingen voor leidingen. De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van de in het Bevb opgenomen buisleidingen. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevb niet van toepassing.

Conclusie

Er kan geconcludeerd worden dat er ten aanzien van het aspect externe veiligheid geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling binnen de projectlocatie. 4.12. Technische infrastructuur In of nabij de projectlocatie liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in afbeelding 23). Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van de projectlocatie in beeld te brengen. 4.13. Volksgezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Er zijn al diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen (intensieve) veehouderij en volksgezondheid. Het laatste onderzoeken dateren van 16 juni 2017 en 1 september 2018 en zijn vervolgonderzoeken op het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO), dat op 7 juli 2016 is gepubliceerd.

In dit onderzoek is endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniaksecundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m³ geadviseerd. Uit de vervolgonderzoeken is o.a. gebleken dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. De beoogde ontwikkeling betreft enkel de bouw van een bedrijfswoning. Het aantal te houden dieren en de huisvestingssystemen zullen niet wijzen. De emissies naar de omgeving toe zullen derhalve niet wijzigen. Ten opzichte van de bedrijfswoning is in paragraaf 4.7 reeds uiteen gezet dat de dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van de projectlocatie is gelegen aan de Lange Kruisdelstraat 5b te Heeswijk-Dinther. Dit betreft een paardenhouderij. Voor de paardenhouderij aan de Lange Kruisdelstraat 5b geldt dat de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt zijn vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof.

Uit toetsing blijkt het volgende: - Er wordt voldaan aan de endotoxine richtafstanden voor varkens en/of pluimveehouderijen; - Binnen een straal van 2 km is geen geitenhouderij gelegen; - Binnen een straal van 1 km. is geen pluimveebedrijf gelegen; - Binnen een straal van 250 meter is geen rundveehouderij of varkenshouderij gelegen; - Binnen een straal van 250 meter is één paardenhouderij gelegen. Bovendien moet iedere veehouderij voldoen aan wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen.

44 van 49

Gezien de afstand van de projectlocatie tot veehouderijen in de omgeving, kan dus worden geconcludeerd dat er vanuit het aspect volksgezondheid geen onevenredige nadelige effecten zullen 4.14. Spuitzones In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft het plangebied derhalve mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Het plangebied ligt direct aansluitend aan landbouwgronden. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Hierbij wordt echter opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden.

Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de directe omgeving van de op te richten bedrijfswoning komen geen boomgaarden voor. Daarnaast wordt in Nederland doorgaans gebruik gemaakt van driftarme doppen om mogelijke drift die ontstaat bij de bespuiting tot een minimum te beperken. De spuitdruk gecombineerd met het type dop bepaalt de druppelgrootte. Zo geven driftarme doppen meer grove druppels, die minder snel verwaaien. Hiermee worden reductiepercentages van 50-95% gehaald, afhankelijk van het type dop en de spuitdruk. Deze worden spuitdoppen getest op windsnelheden waaronder geen sprake meer is van een gevaar voor de volksgezondheid (door de Technische Commissie Techniekbeoordeling, versie 19 feb 2016). Deze maximale windsnelheid is vastgesteld op 5 m/s. Hiervan uitgaande zal in de beoogde situatie niet gespoten worden bij een windsnelheid van 5 m/s op spuithoogte. Daarbij wordt opgemerkt dat het gebruik bij een hogere windsnelheid ook een negatief effect heeft op de werking van de te gebruiken bestrijdingsmiddelen waardoor de ondernemer gebaat is bij gebruik bij een lage windsnelheid. Bovendien wordt de projectlocatie aan de noordzijde voorzien van landschappelijke inpassing, namelijk een wintergroene 3 meter hoge houtsingel.

Hierdoor wordt voorkomen dat drift – mocht deze al ontstaan – tot aan de gewenste woningen reikt. Uit jurisprudentie (uitspraak Raad van State: ECLI:NL:RVS:2022:3160) blijkt dat het vastleggen van een landschappelijke inpassing en het onderhoud hiervan voldoende onderbouwing is om af te wijken van spuitzones. Wetende dat er op 25 meter van de beoogde woning pas landbouwgrond is gelegen, dat deze grond verticaal bespoten wordt en niet met windsnelheden van hoger dan 5 m/s bespoten mag worden, dat driftarme doppen een reductie percentage van 95% kunnen behalen, dat groenstructuren in de beoogde situatie drift zullen voorkomen en de overheersende windrichting gunstig is (niet vanuit de landbouwgrond naar de woning), valt uit te sluiten dat de projectlocatie in relatie tot omliggende gronden een negatief effect van spuitdrift ondervindt. De projectlocatie heeft dus in relatie tot omliggende gronden geen negatief effect van spuitzones. 4.15. Hoogspanningslijnen Voor hoogspanningslijnen gelden geen risicoafstanden, maar gezondheidsafstanden. In de omgeving van het plangebied zijn geen hoogspanningsleidingen gelegen. De dichtstbijzijnde hoogspanningslijnen bevinden zich op ongeveer 3,5 km. van het plangebied. Dit aspect is dan ook niet relevant.

45 van 49

5. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 5.1. Projectopzet Onderhavig project ziet op in het oprichten van een bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf aan de Lange Kruisdelstraat 5c te Heeswijk-Dinther. 5.2. Financiële haalbaarheid Initiatiefnemer betreft een particuliere partij. De particuliere partij draagt zorg voor de kosten welke gepaard gaan met de voorgenomen ontwikkeling. De financiële uitvoering van de ontwikkeling is daarmee geborgd. De Wet ruimtelijke ordening geeft gemeenten meer regie en sturing op de ruimtelijke ontwikkelingen op lokaal niveau. De nieuwe wetgeving maakt het mogelijk voor gemeenten om de kosten met betrekking tot het project te verhalen op diegene die de ontwikkeling initieert. Gezien voorgaande zijn risico’s aangaande dit aspect voor de gemeenten dan ook uit te sluiten. 5.3. Anterieure overeenkomst De voorgestane ontwikkeling aan Lange Kruisdelstraat 5c te Heeswijk-Dinther betreft een particulier plan. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Er is een anterieure overeenkomst afgesloten, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 5.4.

Kostenverhaal De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen.

46 van 49

6. Planologische afweging Deze ruimtelijke onderbouwing betreft de planologische verantwoording voor de voorgenomen realisatie van de bedrijfswoning aan de Lange Kruisdelstraat 5c te Heeswijk-Dinther. De ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan volgens het geldende bestemmingsplan. Door het afwijken van het bestemmingsplan is het bouwen van de agrarische bedrijfswoning met een bijbehorend bijgebouw toch mogelijk (art. 2.12, lid1, sub a, onder 3 Wabo). Door middel van deze ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat met het initiatief geen nadelige gevolgen ontstaan voor milieu, mens en leefomgeving. Het initiatief is getoetst aan alle relevante beleidskaders op provinciaal en gemeentelijk niveau. Het beleid op geen van deze niveaus vormt een belemmering voor het initiatief. In deze is getoetst aan de Interim omgevingsverordening NoordBrabant en de gemeentelijke structuurvisie. Tevens is het initiatief getoetst aan alle relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. Hieruit is gebleken dat met het initiatief geen nadelige effecten ontstaan voor de omgeving. De onderzoeken naar geluid, bodem, geur, ammoniak en luchtkwaliteit tonen aan dat het initiatief milieu-hygiënisch aanvaardbaar is. Door de onderzoeken van natuur, archeologie, externe veiligheid en de waterparagraaf wordt aangetoond dat het initiatief planologisch aanvaardbaar is.

Daarnaast wordt geïnvesteerd in de kwaliteitsverbetering van het landschap door de beoogde ontwikkeling te combineren met een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Samenvattend kan worden geconcludeerd dat het initiatief een verantwoord initiatief betreft. Daarom kunnen de voorgenomen ontwikkelingen op de projectlocatie aan de Lange Kruisdelstraat 5c te Heeswijk-Dinther doorgang vinden.

47 van 49

7. Bijlagen Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 2: AAB Advies Bijlage 3: Bodemonderzoek Bijlage 4: Rekenresultaten AERIUS berekening Bijlage 5: Berekening kwaliteitsverbetering

48 van 49

49 van 49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=cc193936-af0f-4dc7-a6fc-ec10c52faa27