CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing Laar 66

Commissie Ruimte en Leefbaarheid 3 december 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Afgeven verklaring van geen bedenkingen Laar 66, Nistelrode17.355 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Zie de uitsnede van de kaart hieronder, waarop de ligging van het plangebied met een blauwe cirkel is aangegeven.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Laar 66 Nistelrode’

31

Het initiatief voegt bebouwing toe aan de bestaande situatie. Het vooraanzicht wordt niet gewijzigd. Er is geen sprake van wijzigingen die zorgen voor aantasting van de cultuurhistorische waarden in en rondom het plangebied. Onderhavig initiatief tast geen cultuurhistorische waarden aan. 4.4

Bedrijven en milieuzonering

Beleidskader Voor de milieuzonering van bedrijven in ruimtelijke plannen geldt in het algemeen geen wettelijk kader. Wel is het in het kader van een goede ruimtelijke ordening van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies, zoals woningen: • ter plaatse van de woning(en) een goed woon- en leefmilieu wordt gegarandeerd; • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Consequenties In het plangebied is sprake van een milieubelastende functie bedrijf bestaande uit bakkerij met winkel. Deze inrichting wordt veranderd en er worden gevoelige objecten (woningen) toegevoegd. Het is met die reden nodig om te toetsen of het woon- en leefklimaat van de omgeving (gevoelige functies) wordt belemmerd door de milieubelastende functie en of in het plangebied voor de nieuwe gevoelige functies sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Conform deze handreiking is het plangebied gelegen in “gemengd gebied”, wat inhoudt dat de richtafstanden met één afstandstap worden verlaagd. De dichtstbijzijnde gevoelige functies rondom het plangebied zijn woningen.

Het gaat om een nieuwe planologisch toegelaten woning aan Laar 68 (4 meter afstand), een bestaande woning aan Achterstraat 5 (0 meter afstand), een bestaande woning aan Achterstraat 2a (16 meter afstand) en een bestaande woning aan Laar 59 (23 meter afstand). Verder geldt dat in het plangebied nog nieuwe woningen worden toegevoegd. Voor al deze woningen geldt dat het planvoornemen niet belemmerend mag zijn in het woon- en leefklimaat ter hoogte van de woningen. Omdat het planvoornemen dichtbij de woningen ligt en er met die reden niet voldaan kan worden aan de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering is voor de relevante milieuaspecten van het bedrijf onderzoek uitgevoerd. Het gaat om de aspecten geur en geluid. Hieronder wordt op beide onderdelen ingegaan. Geur milieubelastende functie bakkerij met winkel Door Van Empel Milieuadvies een milieukundige beoordeling opgesteld om de milieukundige effecten van de bedrijfsactiviteiten met betrekking tot de bakkerij op de omgeving in kaart te brengen. De rapportage van de beoordeling is als bijlage 3 aan deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Hieronder zijn de conclusies uit het rapport opgenomen. “De opslag van meel en bloem vindt plaats in silo’s. De opslag (en overslag) van meel en bloem blijft ongewijzigd ten opzichte van de bestaande situatie.

Ten behoeve van de op- en overslag is een doekenfilter in de ontluchting van de silo’s aanwezig. Hiermee wordt voldaan aan de voorschriften van het Activiteitenbesluit. Ten aanzien van de opslag van meel en bloem zijn derhalve geen nadelige gevolgen naar de omgeving te verwachten.” “In de huidige en nieuwe situatie worden de dampen en gassen naar de buitenlucht geëmitteerd. Ten aanzien van de afzuiging van de aanwezige installaties vinden geen wijzigingen plaats. Ruimtelijke onderbouwing ‘Laar 66 Nistelrode’

32

Er wordt voldaan aan de regels van het Activiteitenbesluit aangezien de dampen en gassen ten minste twee meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen bebouwing worden afgevoerd. Er is geen ontgeuringsinstallatie aanwezig.” “Voorgenomen plan van Bakker Van Mook zal de belangen van derden niet onevenredig schaden. In de nieuwe en bestaande woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.” De conclusies met betrekking tot het onderdeel “emissie fijnstof” worden nader toegelicht in paragraaf 4.9 “luchtkwaliteit”. Geluid milieubelastende functie bakkerij met winkel Door Nipa Milieutechniek is een akoestisch onderzoek uitgevoerd i.v.m. de bedrijfsactiviteiten van de bakkerij met winkel ter plaatse en het effect daarvan op omliggende gevoelige objecten alsook de nieuwe gevoelige objecten in het plangebied. Het onderzoek is bijgevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing (bijlage 1) en is nader toegelicht in paragraaf 4.2 “akoestiek” van deze ruimtelijke onderbouwing. Hieruit blijkt dat met maatregelen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de gevoelige objecten kan worden gegarandeerd, waardoor de beoogde bedrijfsvoering ter plaatse kan worden gerealiseerd.

Verder moet aangetoond worden dat de milieubelastende functies in de omgeving van het plangebied de nieuwe gevoelige objecten in het plangebied niet belemmeren en dat de bedrijven door de toevoeging van de nieuwe gevoelige functies niet in hun bedrijfsvoering worden geschaad. In de omgeving van het plangebied zijn de in de tabel hieronder opgenomen milieubelastende functies (bedrijven) gelegen. De tabel geeft de richtafstanden voor gemengd gebied en de werkelijke afstand tussen het bestemmingsvlak van de nabijgelegen functie en het bouwvlak van het plangebied weer. Type

Milieucategorie

Werkelijke afstand

Maximale richtafstand voor geluid, stof en geur in gemengd gebied

Laar 63: Detailhandel – SBI 47, 52

1

11 meter

0 meter

Tramstraat 18: Autobedrijf Langens – SBI 501, 502, 504 en 451, 452, 454

2

Ca. 70 meter

10 meter

Uit de tabel blijkt dat de richtafstanden worden gehaald, bedrijven en milieuzonering voor wat betreft deze bedrijvigheid vormt geen belemmering voor de gevoelige functies in het plangebied. Andersom vormen de gevoelige functies geen belemmering voor de bedrijfsvoering van deze bedrijvigheid. Conclusie Samenvattend blijkt dat bedrijven en milieuzonering een goed woon- en leefklimaat in en rondom het plangebied niet belemmert. Ook geldt dat bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied door het initiatief niet in hun bedrijfsvoering wordt belemmerd.

4.5

Bodem

Vastgelegd is dat in ruimtelijke plannen moet worden beschreven wat de bodemkwaliteit van het

Ruimtelijke onderbouwing ‘Laar 66 Nistelrode’

33

betreffende gebied is. Voor het betrekken van bodeminformatie bij het opstellen van bestemmingsplannen zijn enkele vragen relevant: • • •

is er bodemverontreiniging die de functiedoelen kan frustreren; zijn er gezondheids- of ecologische risico's en gebruiksbeperkingen voor de beoogde functies; wat zijn de mogelijkheden om er tijdig iets aan te doen in termen van resultaten, kosten en kostendragers.

Consequenties Omdat het initiatief bodemroerende activiteiten bevat, alsook het mogelijk maken van een andere functie dan in de vigerende situatie aan de orde, moet een bodemonderzoek worden uitgevoerd. Door Amitec is voor het gedeelte van het plangebied waar voornoemde activiteiten zijn gepland een historisch bodemonderzoek conform NEN 5725 uitgevoerd (bijlage 4). Onderstaand zijn de samenvatting en conclusie van dit onderzoek opgenomen. “Samenvatting Sinds 1940 een gedeelte van de onderzoekslocatie in gebruik als PTT schakelstation. Vanaf 1960 is een gedeelte van de onderzoeklocatie in gebruik als diepvriesruimte. Ergens in de jaren 80 zijn deze activiteiten beëindigd. De gebouwen zijn hierna in gebruik genomen als garage en opslagruimte. Op de onderzoekslocatie zijn, volgens de beschikbare informatie géén ondergrondse brandstoftanks aanwezig geweest. Conclusie Tijdens het historisch onderzoek zijn er aanwijzingen gevonden welke duiden op een mogelijke potentiële verdachte locatie. Op de onderzoeklocatie zijn in het verleden een PTT schakelstation en diepvrieshuis aanwezig geweest. Een PTT schakelstation vormt onder normale bedrijfsomstandigheden geen bodemrisico. Tijdens een calamiteit kan er een bodemverontreiniging zijn ontstaan. Hiervoor zijn geen aanwijzingen gevonden. Na beëindig van de activiteiten zijn de schakelkasten verwijderd.

De diepvriesruimte was voorzien van een betonvloer. Destijds waren de wanden, vloer en plafond van de koelruimte voorzien van een extra laag tempex, ter isolatie. Een eventuele verontreiniging kan ontstaan bij de compressoren/of warmtewisselaar. Deze waren op de zolder/koelruimte binnen de het huisje gesitueerd. Een eventuele bodemverontreiniging ontstaan door lekkage kan worden verwaarloosd. Op basis van de verzamelde gegevens kan verondersteld worden dat de onderzoekslocatie als “onverdacht terrein” (ONV) beschouwd mag worden.” Aanvullend op het historisch onderzoek is door NIPA milieutechniek een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en een verkennend asbest in bodemonderzoek conform NEN 5707 uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 5 aan onderhavige ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Onderstaand zijn de conclusies en aanbevelingen uit dit onderzoek weergegeven. “Uit de resultaten van het verkennend en aanvullend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd op het perceel Laar 66 te Nistelrode, kadastraal bekend als gemeente Nistelrode, sectie B, nummer 2467, blijkt dat er op de locatie een lokale bodemverontreiniging aanwezig is met zink en asbest. De verontreiniging met zink is ons inziens, voldoende afgeperkt. Het volume aan verontreinigde grond bedraagt circa 20 m3 en bevindt zich aan de zuidelijke perceelsgrens van de locatie, waar de parkeerplaats is gepland.

De zinkverontreiniging vormt geen geval van ernstige bodemverontreiniging, waardoor er geen saneringsnoodzaak bestaat vanuit de Wet bodembescherming. Het verhoogde zinkgehalte voldoet niet aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteit Wonen. Ruimtelijke onderbouwing ‘Laar 66 Nistelrode’

34

De verontreiniging met asbest bevindt zich eveneens aan de zuidelijke perceelsgrens, maar heeft geen overlap met de zinkverontreiniging. De asbestverontreiniging is niet volledig afgeperkt maar is vooralsnog alleen ter plaatse van inspectiegat G06 aangetoond. Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden aangenomen dat het asbest over minder dan 100 m2 is verspreid tot een maximale diepte van 0,5 meter –mv. Aangenomen kan worden dat de werkelijke omvang beduidend lager is. De asbestverontreiniging wordt beschouwd als een geval van ernstige bodemverontreiniging vanuit de Wet bodembescherming, waarvoor een saneringsnoodzaak geldt. Het saneren van de zink- en asbestverontreiniging kan mogelijk worden ingepast in de beoogde bouwplannen. Gekozen kan worden om de verontreinigingen te ontgraven en af te voeren, dan wel om de verontreinigingen duurzaam af te dekken door bijvoorbeeld bebouwing of verharding. Voorafgaand aan de sanering dienen de werkzaamheden te worden gemeld aan het bevoegd gezag. Geadviseerd wordt daartoe een BUS-melding in te dienen. De werkzaamheden dienen uitgevoerd en begeleid te worden door een daartoe gecertificeerde aannemer en milieukundig begeleider. Op basis van deze resultaten kan de hypothese, zoals verwoord in paragraaf 2.4, in principe worden aanvaard. De eventuele overige vrijkomende grond mag op de locatie worden hergebruikt.

Indien grond van de locatie afgevoerd dient te worden, is de Regeling bodemkwaliteit van toepassing: - Vrijkomende grond die elders wordt hergebruikt, dient voorafgaand aan de toepassing als een partij gekeurd te worden conform het BRL SIKB 1000 VKB protocol 1001; - Afvoer van de vrijkomende grond naar een erkende grondbank of verwerker is op basis van dit rapport eveneens mogelijk. Voor de afvoer van de grond naar elders zal een aanvullend onderzoek naar het voorkomen van PFAS noodzakelijk kunnen zijn.” De ODBN heeft het uitgevoerde bodemonderzoek beoordeeld en het navolgende geconcludeerd: -

-

“De bodemkwaliteit ter plaatse van het beoogde plangebied is door middel van het historisch en verkennend en aanvullend bodem- en asbestonderzoek voldoende in kaart gebracht. Op de locatie is sprake van een sterke asbest- en zinkverontreiniging. De asbestverontreiniging betreft een geval van ernstige bodemverontreiniging. De verontreiniging kan door middel van een BUSmelding gesaneerd worden. Het menggranulaat aangetroffen ter plaatse van boringen 01, 02 en 03 bevat geen asbest. Het grondwater bevat maximaal licht verhoogde concentraties. In paragraaf 4.5 wordt vermeld dat eventueel vrijkomende grond dat van de locatie afgevoerd wordt, gekeurd dient te worden conform het BRL SIKB 1000 VKB protocol 1001. Dit is tevens van toepassing voor eventuele afvoer van het aanwezige menggranulaat (protocol 1002).”

Uit voorgaande blijkt dat de bodem op dit moment niet geschikt is voor de beoogde functie/het bouwplan. Om te borgen dat de bodem geschikt wordt gemaakt en de benodigde bodemsanering wordt uitgevoerd wordt het bevoegd gezag geadviseerd om een voorwaarde op te nemen in het (ontwerp)besluit voor de activiteiten ‘handelen in strijd met ruimtelijke ordening’ en ‘bouwen’ waar deze ruimtelijke onderbouwing onderdeel van uit zal maken.

4.6

Externe Veiligheid

Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn Ruimtelijke onderbouwing ‘Laar 66 Nistelrode’

35

de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer).

Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

Bron

Wanneer groepsrisicoverantwoording?

Inrichtingen (Bevi)

Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen.

Buisleidingen (Bevb)

Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Laar 66 Nistelrode’

36

Spoor-, rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.

Wanneer

verantwoorden?

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Beleidsvisie externe veiligheid De gemeente Bernheze beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (2008). Hierin wordt invulling gegeven aan de gemeentelijke omgang met externe veiligheid. De beleidsvisie bevat geen gebiedstypering of uitgangspunten die gehanteerd kunnen worden voor de verantwoording van het groepsrisico. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', enz.. Consequenties Om de externe veiligheidsrisico’s voor het plangebied te inventariseren is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart en een beschouwing van de omgeving blijkt dat er in de directe omgeving geen inrichtingen met gevaarlijke stoffen zijn gelegen welke een invloedsgebied hebben die reikt over het plangebied. De plaatsgebondenrisicocontour van de dichtstbij gelegen inrichting is gelegen op circa 475 meter van het plangebied. Zie onderstaande uitsnede van de risicokaart.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Laar 66 Nistelrode’

37

Nabij het plangebied is geen sprake van de ligging van buisleidingen, spoor- en waterwegen, waardoor of waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd en die een risico kunnen vormen voor de nieuwe functies in het plangebied. Het transport van gevaarlijke stoffen over de weg vormt wel een risicobron voor het plangebied. Op circa 729 meter ten oosten van het plangebied ligt de A50 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De weg heeft geen PR 10-6 risicocontour. Daarnaast is op een afstand van 225 meter van het plangebied de transportweg ‘Maxend-Laar’ gelegen. Een analyse van het groepsrisico horende bij rijkswegen kan worden uitgevoerd aan de hand van de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART). Voor het transport van gevaarlijke stoffen over rijkswegen zijn in de handleiding vuistregels opgenomen. Voor de stof GF3 wordt een maximale effectafstand van 355 meter gehanteerd, de stof LT1 heeft een maximale effectafstand van 730 meter, de stof LT2 een maximale effectafstand van 880 meter en de stof GT4 een maximale effectafstand van > 4000 meter. Het plangebied ligt binnen de effectafstanden van deze stoffen die over de Rijksweg A50 worden vervoerd. Toetsing oriëntatiewaarde

Ruimtelijke onderbouwing ‘Laar 66 Nistelrode’

38

Over de A50 worden de stof categorieën LT1, LT2 en GT4 vervoerd. Door de aanwezigheid van deze stof categorieën dient het groepsrisico verantwoord te worden. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de transportroute gelegen is, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording. Deze is onderstaand opgenomen. Verantwoording groepsrisico (beperkt) toxisch Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een toxische wolk het maatgevende scenario is, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij is de Veiligheidsregio om advies gevraagd. Het advies is verwerkt in de verantwoording. Scenario(‘s) Het relevante scenario voor het plangebied i.r.t. het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk. Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreid. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan.

Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. Mogelijkheden zelfredzaamheid De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied: - goed te alarmeren is. Ruimtelijke onderbouwing ‘Laar 66 Nistelrode’

39

- goed te schuilen is. - goed te ontvluchten is. Alarmering In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Schuilmogelijkheden Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Vluchtmogelijkheden Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af. Conclusie Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Er is geen reden voor nader advies.

De Veiligheidsregio ziet geen reden tot het geven van een nader advies ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp op de wegen. Over de transportweg ‘Maxend-Laar’ worden onder andere gevaarlijke stoffen uit de categorie GF3 vervoerd. Het plangebied is op een afstand van 225 meter van deze weg gelegen. De Veiligheidsregio Brabant-Noord heeft aangegeven dat bij een afstand groter dan 200 meter de ernst van de effecten sterk afneemt en beperkt zal blijven tot herstelbare schade en niet-levensbedreigende verwondingen. Vanwege deze reden kan volstaan worden met het opnemen van de standaard verantwoording van het groepsrisico voor het scenario BLEVE. Hiermee wordt invulling gegeven aan artikel 9 van het Bevt. De standaard verantwoording is onderstaand opgenomen. Verantwoording groepsrisico (beperkt) BLEVE Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een BLEVE ("boiling liquid expanding vapour explosion" (kokendevloeistof-gasexpansie-explosie)) het maatgevende scenario is, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij is de Veiligheidsregio om advies gevraagd. Het advies is verwerkt in de verantwoording. Scenario(‘s) Een BLEVE wordt veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de tank doet oplopen. Hierdoor verzwakt en bezwijkt de tank.

Propaan komt vrij en ontsteekt. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. Het plangebied ligt op circa 225 meter. Het invloedsgebied strekt zich uit tot 355 meter voor GF3. De ernst van de effecten van een BLEVE nemen bij een afstand van >200 meter sterk af en blijven beperkt tot herstelbare schade en niet levensbedreigende verwondingen. Vanwege deze reden kan volstaan worden met deze standaard verantwoording van het groepsrisico. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit De bestrijdbaarheid van een BLEVE is matig. Propaan wordt vervoerd in niet- geïsoleerde tankwagens. Als gevolg van externe hittestraling kan deze na circa 12 minuten ontploffen. De brandweer zal om deze reden defensief optreden en zich richten op het ontruimen van de omgeving. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als slecht beoordeeld. Ruimtelijke onderbouwing ‘Laar 66 Nistelrode’

40

De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. Mogelijkheden zelfredzaamheid Voor de scenario BLEVE is vluchten het beste handelingsperspectief. Dit betekent dat aanwezigen op tijd gealarmeerd en geïnstrueerd moeten worden en er voldoende vluchtwegen van de risicobron aflopend aanwezig moeten zijn. Nabij het plangebied kan van de risicobron af gevlucht worden. De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Conclusie De Veiligheidsregio adviseert om de volgende maatregelen te nemen om de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in het plangebied te verhogen. Informeer de initiatiefnemers c.q. de toekomstige bewoners actief over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Deze informatie kan worden meegenomen in het besluit om zich op deze locatie te vestigen.

Hiermee wordt in optimale vorm invulling gegeven aan het risicobewustzijn van- en het nemen van een eigen verantwoordelijkheid door de burger. Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaats vindt Conclusie Het planvoornemen past binnen de kaders van de landelijke wet- en regelgeving alsook binnen de kaders van de gemeentelijke beleidsvisie ten aanzien van het aspect ‘Externe veiligheid’. De verandering van het groepsrisico is aanvaardbaar. Vanuit het oogpunt van externe veiligheid bestaat er derhalve geen belemmering voor het voorgenomen initiatief binnen het plangebied.

4.7

Natuur

Beleidskader De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt sindsdien de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet, en de Boswet. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. Soortbescherming De Wet natuurbescherming bevat een algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten. Daarnaast voorziet de wet in strikte verboden die gelden voor aangewezen beschermde inheemse diersoorten, waaronder alle van nature in Nederland voorkomende soorten vogels. Dus zowel vogels die in de tuin als op de Veluwe zijn beschermd. De wet werkt volgens het 'nee-tenzij' principe ten aanzien van beschermde inheemse soorten: schadelijke handelingen zijn verboden, tenzij er een uitzondering voor is gemaakt. Het is niet toegestaan om vogels te doden, vangen, verwonden, verstoren, bezitten, verhandelen, de nesten en eieren te verstoren of te vernietigen. Uitzonderingen op deze verboden zijn onder voorwaarden mogelijk, onder andere voor veiligheid, schadebestrijding of onderzoek. De wet regelt ook de jacht in ons land.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Laar 66 Nistelrode’

41

Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming bevat specifieke regels voor de aanwijzing, het beheer en de bescherming van Natura 2000-gebieden, waaronder een groot aantal gebieden die als essentieel leefgebied dienen voor vogels. Het belangrijkste rechtgevolg van de aanwijzing als Natura 2000-gebied is dat er een vergunningplicht geldt voor alle activiteiten die mogelijk schade kunnen toebrengen aan een gebied. Voor dergelijke schadelijke activiteiten kan alleen een vergunning worden verleend als er geen alternatief is en als het gaat om een dwingende reden van groot openbaar belang. De kokkelvisserij in de Waddenzee is nu bijvoorbeeld verboden. Er kon namelijk niet worden aangetoond dat er géén schade zou ontstaan aan de natuur, en er was geen van de andere redenen aanwezig om toch een vergunning te verlenen. De wet biedt geen bescherming aan andere natuurgebieden, maar vereist wel van provincies dat zij gebieden aanwijzen voor het natuurnetwerk Nederland en verleent hen de bevoegdheid om bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aan te wijzen. De Minister van Economische Zaken kan daarnaast op grond van de wet nationale parken aanwijzen die vooral een educatieve en communicatieve functie hebben. De voormalige beschermde natuurmonumenten zijn met bijbehorende doelen opgeheven met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming.

Consequenties Soortbescherming Met onderhavig initiatief worden de gevels en/ of het dak van de huidige bebouwing deels aangepast. Om te onderzoeken of het initiatief negatieve gevolgen heeft voor al dan niet beschermde flora en fauna is een quickscan flora en fauna uitgevoerd door Aelmans (bijlage 6). onderstaand is de samenvatting weergegeven. “Op basis van de quickscan die is uitgevoerd ter plaatse van het terrein aan De laar 66 te Nistelrode kan worden uitgesloten dat de voorgenomen uitbreidingswerkzaamheden een negatieve invloed heeft op beschermde soorten vanuit de Wet natuurbescherming en natuurgebieden. Wel dient er rekening gehouden te worden met het broedseizoen voor het verwijderen van de metalen profielplaten van de bakkerij en het rooien van de laurierhaag. Voor de geplande ingreep worden de laurierhaag gerooid en de metalen profielplaten van de bakkerij verwijderd. Deze kunnen als nestgelegenheid kunnen dienen voor diverse vogels. Op basis van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Wnb) is het verboden om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen (15 maart - 1 augustus) uitgevoerd te worden.

Gezien de afstand en de aard van de ingreep worden geen negatieve effecten verwacht op de meest nabijgelegen natuurgebieden (NNB / Natura 2000). De ruimtelijke ontwikkeling leidt vermoedelijk niet tot een toename van de stikstofdepositie op de naburige Natura 2000 gebieden. Om te bepalen of dit het geval is zou een Aerius-berekening kunnen worden uitgevoerd. Gezien er op de onderzoekslocatie vrijgestelde en/of algemene soorten voor kunnen komen dient men zich aan de zorgplicht te houden. Geadviseerd wordt om een ecologisch werkprotocol aan te houden. Door bijvoorbeeld één werkrichting vast te leggen kunnen dieren wegvluchten van de werkzaamheden. De vluchtrichting moet wel naar een realistisch vluchtgebied leiden. Door tijdens de ontwerpfase te denken aan “natuurinclusief” bouwen kan de nieuwe bakkerij en appartement meer natuurwaarde bieden. Denk hierbij aan bijvoorbeeld ingebouwde nestkasten voor vleermuizen of huismussen en gierzwaluwen.” Ruimtelijke onderbouwing ‘Laar 66 Nistelrode’

42

Gebiedsbescherming Binnen 10 kilometer van het plangebied zijn geen Natura 2000 gebieden gelegen. Omdat het plangebied buiten beschermde gebieden ligt zijn directe effecten, zoals areaalverlies en versnippering, uitgesloten. Tevens kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Om aan te tonen dat eveneens geen indirecte effecten aan de orde zijn is een aeriusberekening in verband met de gebruiksfase van een project verplicht aan te leveren bij de aanvraag omgevingsvergunning. De berekening is uitgevoerd en bijgevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing (bijlage 7) en kent de navolgende conclusie: “Binnen 10 kilometer van het plangebied zijn geen Natura 2000 gebieden gelegen. Via de AERIUS-calculator is berekend in hoeverre het project voor wat betreft de gebruiks- en realisatiefase invloed heeft op deze Natura 2000 gebieden. Uit de berekeningen volgt dat door zowel de gebruiks- als realisatiefase geen sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden. De AERIUS-berekeningen heeft aangetoond dat de stikstofdepositie gelijk is aan 0,00 mol N/ha/jaar. Dat betekent dat het project niet leidt tot stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden.

Er hoeft dan ook geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd of verder onderzoek naar de stikstofdepositie uitgevoerd te worden.” Conclusie Het initiatief heeft geen nadelige effecten op beschermde soorten en gebieden. Geen sprake is van strijdigheden met de Wet natuurbescherming. 4.8 Kabels en leidingen Naar verwachting zijn in de directe omgeving van het plangebied geen kabels en leidingen aanwezig die een belemmering vormen voor de nieuwbouw. In het vigerende bestemmingsplan worden geen kabels- en leidingen beschermd. Mochten er grondwerkzaamheden plaats gaan vinden dan zal te zijner tijd voorafgaand aan de werkzaamheden een KLIC-melding opgevraagd moeten worden bij de betrokken netwerk/leidingbeheerders. 4.9

Luchtkwaliteit

Beleidskader Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen, zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. In het besluit NIBM is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m³ NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, infrastructuur, kantoor- en woningbouwlocaties en activiteiten of handelingen) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook indien aannemelijk gemaakt kan worden dat een gepland project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Voor woningen wordt hierbij een ondergrens van 1500 woningen aangehouden voor locaties waarbij sprake is van één ontsluitingsweg.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Laar 66 Nistelrode’

43

Consequenties Door Van Empel Milieuadvies is een milieukundige beoordeling opgesteld met betrekking tot het initiatief. De conclusies uit dit onderzoek zijn toegelicht in paragraaf 4.4, met uitzondering van de conclusies voor wat betreft het aspect ‘luchtkwaliteit’. Dat komt in deze paragraaf aan de orde. Onderstaand wordt ingezoomd op het onderdeel ‘fijnstof’. In de milieukundige beoordeling van Van Empel Milieuadvies is voor de verkeersbewegingen die gepaard gaan met de bakkerijactiviteiten 524 mvt/etmaal (waarvan 6 mvt/etmaal vrachtverkeer) de NIBM-tool ingevuld. Hieruit blijkt dat dat onderdeel van het planvoornemen niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Echter is er ook sprake van de toevoeging van woningen, wat extra verkeersbewegingen met zich meebrengt. Het gaat om 13 mvt/etmaal. Voor het totale planvoornemen is de NIBM-tool ingevuld, waarvan hieronder een weergave is opgenomen.

Geconcludeerd kan worden dat het planvoornemen in zijn totaliteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Nader onderzoek naar het effect van het planvoornemen op de luchtkwaliteit is niet aan de orde. Op basis van de GCN-kaarten is getoetst of ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. Dat is het geval. Zie onderstaande uitsnede van de GCNkaarten. Hieronder is de PM10-kaart opgenomen, die aangeeft dat ter hoogte van het plangebied sprake is van gridcelwaarde 15,5 (lichtblauw, gridcelwaarde tussen 14 en 16).

Ruimtelijke onderbouwing ‘Laar 66 Nistelrode’

44

Hieronder is de PM2,5-kaart opgenomen, die aangeeft dat ter hoogte van het plangebied sprake is van gridcelwaarde 8,5 (lichtblauw, gridcelwaarde tussen 8 en 10).

Hieronder is de NO2-kaart opgenomen, die aangeeft dat ter hoogte van het plangebied sprake is van gridcelwaarde 13,9 (lichtblauw, gridcelwaarde tussen 10 en 15).

Ruimtelijke onderbouwing ‘Laar 66 Nistelrode’

45

Conclusie Het onderhavige plan heeft geen nadelige invloed op de luchtkwaliteit omdat het niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, daarnaast is sprake van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat ten aanzien van luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmerende factor. 4.10

Water

Een belangrijk ordenend principe bij ruimtelijke plannen is het waterbeheer: de zorg voor veiligheid tegen overstromingen en voor voldoende en gezond oppervlaktewater. De gemeente dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Aa en Maas, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer van regionale wateren. Beleidskader Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's. Waterbeheerplan 2022-2027 In het waterbeheerplan 2022 – 2027 staan de doelen van waterschap Aa en Maas beschreven en hoe zij die doelstellingen gaan halen.

De centrale missie van Waterschap Aa en Maas hierbij is als volgt: “Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde, robuuste en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met oog voor economische aspecten.” De doelen en maatregelen waar het waterschap voor staat en gaat, zijn onderverdeeld in drie programma’s: 1. Waterveiligheid Het programma Waterveiligheid draait om de bescherming tegen verstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. Hiervoor moeten de waterkeringen (dijken en kunstwerken) periodiek worden getoetst aan de veiligheidsnormen. Daarnaast omvat het programma de zorgplicht voor de Ruimtelijke onderbouwing ‘Laar 66 Nistelrode’

46

instandhouding van deze waterkeringen met alle activiteiten die daarbij horen, inclusief gegevens- en informatiemanagement en een goede afstemming tussen beheer en inrichting. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij wordt gelet op de kwantiteit (goede waterpeilen, waterconservering, en het omgaan met wateroverlast en droogte) en op de kwaliteit (chemisch en ecologisch). Het gaat daarbij niet alleen over het watersysteem zelf, maar ook over hoe er met het watersysteem en met de aanpak en manier van (samen)werken kan worden bijdragen aan bijvoorbeeld een vitaal platteland, gezondheid, goede biodiversiteit en aan mogelijkheden voor recreatie. 3. Schoon water In dit programma worden de doelen en activiteiten binnen de afvalwaterketen beschreven. Het zuiveren van afvalwater speelt hierin een centrale rol. Met goed gezuiverd afvalwater wordt immers een belangrijke bijdrage geleverd aan een gezond en natuurlijk watersysteem. Dit geldt voor het werkgebied van Waterschap Aa en Maas, maar ook voor de Maas, die een bron is voor de drinkwatervoorziening van West-Nederland.

Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Het waterschap maakt bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote (toename verhard oppervlak groter dan 10.000 m2) en kleine plannen (toename verhard oppervlak tussen de tussen de 500 m2 en 10.000 m2). Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft ertoe geleid dat voor kleine plannen kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatie-eis, namelijk 60 mm waterberging per m2 verhard oppervlak. Voor plannen met een toename van het verharde oppervlak minder dan 500 m2 geldt geen compensatie-eis. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.

Digitale Watertoets De watertoets moet ervoor zorgen dat bij ruimtelijke plannen en besluiten voldoende rekening wordt gehouden met water en watervoorzieningen. Slim gebruik van water en ruimte kan de leefomgeving van mens en dier verbeteren. En het verkleint de kans op problemen zoals onvoldoende veilige dijken, wateroverlast of een slechte waterkwaliteit. Het resultaat is een ruimtelijk plan dat waterbestendig is. Waterschap Aa en maas doet een eerste toets via www.dewatertoets.nl. Daar kan voor ieder plan een vragenlijst ingevuld worden op basis waarvan direct het waterbelang wordt aangegeven. Er zijn drie mogelijke uitkomsten: 1. geen waterbelang: Er is een functiewijziging zonder relevante wateraspecten; 2. verkorte procedure: U heeft een klein plan met weinig relevante wateraspecten; 3. normale procedure: U heeft een groot plan met meerdere relevante wateraspecten. Ruimtelijke onderbouwing ‘Laar 66 Nistelrode’

47

Als de uitkomst geen waterbelang of verkorte procedure is worden geen aanvullende zaken meer van de initiatiefnemer verwacht en kan het plan o.b.v. water doorgang vinden. Als de uitkomst normale procedure is dient de waterparagraaf nader uitgewerkt te worden, overleg gevoerd te worden met het waterschap en zal het waterschap teneinde een advies uitbrengen. Beleid gemeente Bernheze In het ‘Gemeentelijk Rioleringsplan 2020 t/m 2023’ staat omschreven dat de gemeente Bernheze een - niet-verplichtende - verwachting uitspreekt dat inwoners van de gemeente hemelwater zoveel mogelijk zelf opvangen en bergen. De hydrologische uitgangspunten van de Brabantse waterschappen zoals bovenstaand omschreven worden door de gemeente Bernheze in principe nageleefd maar zijn niet leidend; de gemeente Bernheze is het bevoegde gezag aangaande het verwerken van hemelwater. De ondergrens van de toename van het verharde oppervlak met 500 m2, waarbij volgens de Keur van de Brabantse waterschappen geen compensatie noodzakelijk wordt geacht, wordt door de gemeente Bernheze bijvoorbeeld niet gehanteerd. In Bernheze geldt conform het ‘Gemeentelijk Rioleringsplan 2020 t/m 2023’ dat bij (her)ontwikkeling in de vorm van ver- of nieuwbouw voor een verhardingstoename tot en met 500 m2 20 mm berging moet worden gerealiseerd en voor de verharde oppervlakte boven 500 m2 60 mm.

Naast het ‘Gemeentelijk Rioleringsplan 2020 t/m 2023’ heeft de gemeente op 1 november 2021 de ‘Verordening fysieke leefomgeving’ vastgesteld. Hierin is met betrekking tot het onderwerp hemelwater opgenomen dat per m2 toevoeging aan verharding 20 mm berging gerealiseerd moet worden. Consequenties In onderhavige situatie ziet het verhard oppervlak er als volgt uit:

De bestaande terreinverharding blijft gehandhaafd. Met het initiatief wordt ca. 722 m2 aan verharding toegevoegd. De oppervlakte van het sedumdak (140 m2) mag hierop in mindering worden gebracht.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Laar 66 Nistelrode’

48

De totale verhardingstoename is dan 582 m2. De rekensom om het te bergen en infiltreren m3’s hemelwater te berekenen is als volgt: Eerste 500 m2: compensatie-eis verhard oppervlak (20 mm) x verhard oppervlak (500 m2). In onderhavige situatie betekent dat, dat 10 m3 water op eigen terrein tijdelijk moet worden geborgen en vervolgens geïnfiltreerd. Tweede 500 m2: compensatie-eis verhard oppervlak (60 mm) x verhard oppervlak (82 m2). In onderhavige situatie betekent dat, dat aanvullend nog 4,92 m3 water op eigen terrein tijdelijk moet worden geborgen en vervolgens geïnfiltreerd. In totaal gaat het om een hemelwatervoorziening die minimaal 14,92 m3 water tijdelijk bergt en vervolgens langzaam afvoert. Op het perceel is voldoende ruimte aanwezig voor een ondergrondse hemelwatervoorziening van minimaal 14,92 m3, daarnaast is ook de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand) en K-waarde geschikt voor deze vorm van tijdelijk bergen en infiltreren. De initiatiefnemer heeft gekozen voor de aanleg van een infiltratievoorziening op eigen terrein in de vorm van infiltratiekratten. De aan te leggen verharding wordt op afschot gelegd, zodat het hemelwater naar straatkolken kan worden geleid. Deze straatkolken worden aangesloten op de ondergrondse infiltratiekratten. De kratten zullen tijdelijk minimaal 14,92 m3 aan hemelwater bergen dat vervolgens langzaam in de grond wordt geïnfiltreerd.

Voor hevige regenval wordt een overstort/ overloop op de erfgrens gecreëerd die ervoor zorgt dat wanneer er meer hemelwater valt dan er op eigen terrein verwerkt kan worden het extra water bij de openbare ruimte wordt aangeboden en verwerkt. De specifieke infiltratievoorziening is onderdeel van de aanvraag omgevingsvergunning activiteit ‘Bouwen’ en is in dat kader nader uitgewerkt en voorgelegd aan de gemeente ter goedkeuring. Voor de riolering van het complex dienen ringleidingen te worden aangelegd met een overnameput om eventuele verstoppingen op te kunnen sporen. De overnameput dient vanaf de straat toegankelijk te zijn met een inspectiedeksel op de erfgrens. Dit wordt nader uitgewerkt bij de aanvraag omgevingsvergunning activiteit bouwen. Verder dient het bouwpeil van het complex minimaal 25 cm hoger te liggen dan het aanwezige straatpeil in het midden van de weg om wateroverlast te voorkomen. Dit wordt nader uitgewerkt bij de aanvraag omgevingsvergunning activiteit bouwen Ten behoeve van onderhavig initiatief is op www.dewatertoets.nl e.e.a. ingevuld. De uitkomst hiervan was als volgt: normale procedure. De samenvatting en watertoets zijn als bijlage 8 bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. De verhardingstoename en/of -afkoppeling is meer dan 500 m2 en overschrijdt daarmee de ondergrens voor compensatie van 500 m2.

Het plangebied valt buiten de ruimtelijk begrensde waterbelangen. Het initiatief is in het kader van het wettelijk vooroverleg aan het waterschap aangeboden. Het waterschap heeft ingestemd met de voor het initiatief beoogde hemelwatervoorziening en deze ruimtelijke onderbouwing. Afvalwater De vwa-afvoer wordt afgevoerd via de bestaande riolering. Conclusie Uit het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de waterhuishouding geen belemmering vormt voor het initiatief. 4.11

Geur

Beleidskader Ruimtelijke onderbouwing ‘Laar 66 Nistelrode’

49

Belangrijkste voorwaarden voor de ontwikkeling van geurgevoelige bebouwing in de omgeving van veehouderijen is dat voor de (toekomstige) bewoners een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en dat andere belanghebbenden (veehouders en derden) niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Op grond van de vervallen brochure Veehouderij en Hinderwet en circulaire Veehouderij en Stankhinder was sprake van stankcirkels waarbinnen, volgens constante jurisprudentie, geen stankgevoelige bebouwing mocht worden gebouwd. Deze regeling is in 2007 opgevolgd door de Wet geurhinder en veehouderij. Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wvg) in werking getreden. Deze wet biedt de gemeente de mogelijkheid om een eigen geurhinderbeleid op te stellen. Door de gemeente Bernheze is in 2013 de beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder Bernheze vastgesteld. Consequenties Voor wat betreft geurhinder wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgrondbelasting, vaste afstanden en de achtergrondbelasting. Deze worden hieronder ieder apart beschouwd. Voorgrondbelasting De planlocatie is ingevolgde de kaart van de “Verordening Geurhinder en Veehouderij gemeente Bernheze 2013” aangewezen als bebouwde kom. In dit gebied geldt ten aanzien van de voorgrondbelasting een geurnorm van 3 ou/m³.

Omdat er geen veehouderijen met dieren waarvoor een emissiefactor geldt in de directe omgeving liggen, wordt voldaan aan deze norm. Daarnaast zijn er in de tussen het plangebied en de veehouderijen in de omgeving reeds geurgevoelige objecten gelegen. Vaste afstanden In artikel 4 van de Wet geurhinder en veehouderij is bepaald met welke vaste afstanden rekening moet worden gehouden. De gemeente kan bij verordening bepalen om de vaste afstand te halveren. De gemeente Bernheze heeft aanvullende regels gemaakt ten aanzien daarvan. Zie artikel 4 van de verordening Geurhinder en Veehouderij Bernheze, waarin zij refereert aan de door haar aangewezen gebieden waarvoor halvering geldt. Onderhavige locatie is gelegen in de bebouwde kom met een gehalveerde vaste afstand op basis van de Wet geurhinder en veehouderij. Dat betekent dat tussen veehouderijen waarvoor een vaste afstand geldt en woningen met een afstand van 50 meter rekening moet worden gehouden. Binnen 50 meter rondom het plangebied is geen veehouderij met dieren gelegen waarvoor een vaste afstand geldt. Achtergrondbelasting Uit de gemeentelijke kaart waarop de achtergrondbelasting in beeld is gebracht blijkt dat de beoordeling van het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied goed is (5-10 OuE/M3, 2e graads groen).

Het geurgevoelige object is in dit gebied als ‘afweegbaar’ geclassificeerd volgens de GGD richtlijn en de Verordening ruimte Noord-Brabant en ‘Goed’ volgens de beleidsregel Bernheze. Hieronder is een uitsnede van de kaart opgenomen, het plangebied is met een rode cirkel aangeduid.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Laar 66 Nistelrode’

50

Tevens is onderstaand de kaart van de ODZOB weergegeven.

Er zijn geen veehouderijen die door het planvoornemen in hun bedrijfsvoering worden beperkt.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Laar 66 Nistelrode’

51

Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het initiatief.

4.12

Milieueffectrapportage (M.e.r.)

Beleidskader De m.e.r.-regelgeving is bedoeld om de milieuaspecten in een vroeg stadium, integraal en compleet in de plan- en besluitvorming mee te nemen. Centraal in de m.e.r.-procedure staat het milieueffectrapport waarin alle milieuaspecten voor minimaal één alternatief geanalyseerd en beoordeeld worden ten opzichte van de referentiesituatie. Een dergelijke procedure is van toepassing bij activiteiten waarvan vaststaat dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. In deze paragraaf is getoetst of sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plicht. De te beoordelen activiteiten met bijbehorende drempelwaarden staan weergegeven in onderdeel C van het Besluit m.e.r. Naast de directe plicht tot een dergelijke procedure zijn in het Besluit m.e.r. ook activiteiten met bijbehorende drempelwaarden aangegeven waarvoor eerst moet worden beoordeeld of sprake is van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze activiteiten en drempelwaarden staan benoemd in onderdeel D van het Besluit m.e.r. Voor deze activiteiten dient - als ze boven de drempelwaarde uitkomen - een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Sinds 16 mei 2017 is ook een m.e.r.-aanmeldnotitie nodig voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar die onder de drempelwaarden blijven.

Er is – bij wetgeving - geen ondergrens wat betreft het plan zelf meer, wat betekent dat zelfs bij een klein plan zoals de ontwikkeling van één woning in principe een m.e.r.-aanmeldnotitie nodig is geworden. Consequenties Onderzocht is of een m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling nodig is. In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven in welke gevallen voor een project een m.e.r. (beoordeling) nodig is. In overweging kan worden genomen of het initiatief een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. betreft, echter kan afgaande op jurisprudentie (201901439/1/R1) worden beoordeeld dat dit gezien de aard en de omvang van het initiatief (160 m2 uitbreiding van een bakkerij en de ontwikkeling van drie appartementen) niet het geval is. De omvang is te klein (in zijn totaliteit kleiner dan 12 woningen) en het ruimtebeslag beperkt. Het initiatief komt gezien voorgaande motivatie niet voor in bijlage C of D van het Besluit m.e.r. en is met die reden niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. Conclusie Voor dit initiatief hoeft op grond van de Wet milieubeheer geen milieueffectrapport te worden gemaakt. Er is geen aanleiding tot het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling. 4.13 Volksgezondheid Gezondheid is in de ruimtelijke ordening steeds meer een thema.

Er is echter geen specifieke wet- en regelgeving dan wel beleidskader voor het meenemen van het aspect gezondheid in bestemmingsplannen of andere ruimtelijke besluiten. Van belang is dat een ruimtelijk besluit voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Hiervoor is het belangrijk dat ter plaatse van de ruimtelijke ontwikkeling sprake is van een goed woon- en leefklimaat en bedrijven en dergelijke door een ruimtelijke ontwikkeling niet in hun belangen/ bedrijfsvoering geschaad worden. In dit bestemmingsplan zijn diverse thema’s die van invloed zijn hierop en daarmee mogelijk ook op de gezondheid aan de orde gekomen. Aspecten die nog niet aan bod zijn gekomen, maar mogelijk wel van invloed zijn op de gezondheid van mens, dier en natuur komen in deze paragraaf nog aan de orde. Ruimtelijke onderbouwing ‘Laar 66 Nistelrode’

52

Geitenhouderijen Binnen een straal van 2 km rondom het plangebied zijn geen geitenhouderijen aanwezig. Pluimvee- en varkenshouderijen Binnen 1 km van het plangebied zijn geen pluimveehouderijen gelegen. Het plangebied is niet binnen 250 meter van overige veehouderijen gelegen. Spuitzones In de omgeving van het plangebied liggen geen gronden waarbij mogelijk sprake is van een spuitzone. Advisering GGD De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Het stappenplan kan worden gebruikt bij het afgeven van milieuvergunningen. Het stappenplan kan ook gebruikt worden voor bestemmingsplannen. Als er meerdere ‘ja’s’ uit volgen is het een overweging om bij de GGD een advies aan te vragen om de cumulatie te bespreken. Stap 1 De ontwikkeling voldoet aan de endotoxine ‘richt-afstand’ tussen een veehouderij en gevoelige bestemming. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 2. Stap 2 De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/ of fijnstof en/ of ammoniak. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 3a. Stap 3a Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v. het wettelijk kader voor geur. GGDadvies is niet aan de orde, ga verder naar stap 3b. Stap 3b Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v.

de gezondheidskundige advieswaarde. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 4. Stap 4a+b Er zijn geen veehouderijen in de buurt waar meer dan één diersoort wordt gehouden. Er zijn geen varkens- en/ of pluimveebedrijven in de buurt waarvan de afstand tussen de inrichtingsgrenzen minder dan 100 meter bedraagt. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 5. Stap 5a Binnen een afstand van 2 km van nieuwe woon- en verblijfsruimten zijn geen geitenhouderijen gelegen. Dit leidt niet tot GGD-advies. Binnen een afstand van 1 km van nieuwe woon- en verblijfsruimten is geen pluimveebedrijf gelegen. Dit leidt niet tot GGD-advies. Binnen een afstand van 250 m van nieuwe woon- en verblijfsruimten is geen overige veehouderij gelegen. Dit leidt niet tot GGD-advies. Check of stap 6 nog tot een GGD-advies leidt. Stap 6 Er is geen sprake van mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. Dit leidt niet tot GGD-advies. Check of stap 7 nog tot een GGD-advies leidt. Stap 7 Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. Dit leidt niet tot GGDadvies. Ruimtelijke onderbouwing ‘Laar 66 Nistelrode’

53

Op basis van de uitkomsten van het stappenplan heeft de gemeente Bernheze besloten geen advies aan te vragen bij de GGD. Conclusie Het initiatief bestaat niet uit de realisatie of uitbreiding van een veehouderij of spuitzone. In de omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijen aanwezig. In de omgeving van het plangebied is ook geen sprake van spuitzones. Het aspect ‘gezondheid’ vormt geen belemmering voor het initiatief. 4.14

Straling

Beleidskader Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is door het ministerie verder verduidelijkt in een brief van november 2008. Het advies is gebaseerd op onderzoek naar kinderleukemie in relatie tot blootstelling aan bepaalde hoeveelheden aan microtesla. Alhoewel geen sprake is van een bewezen oorzakelijk verband adviseert het ministerie gemeenten en netbeheerders om nieuwe situaties te voorkomen waarin kinderen (tot 15 jaar) langdurig (1 jaar, minimaal 14 uur per dag) worden blootgesteld aan een veldsterkte die (jaargemiddeld) hoger is dan 0,4 microtesla. Dit geldt in geval nieuwe hoogspanningslijnen worden aangelegd of nieuwe woningen/ scholen/ crèches of kinderdagverblijven worden ontwikkeld. In alle andere situaties kan de grenswaarde van 100 microTesla – internationaal gehanteerde (veilige) grenswaarde van ICNIRP (1999/519/EG) - aangehouden worden. Consequenties Onderhavig plangebied is gelegen op voldoende afstand van een hoogspanningslijn waardoor ter plaatse geen sprake is van een veldsterkte van meer dan 0,4 microTesla.

Conclusie Straling vormt geen belemmering voor het initiatief.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Laar 66 Nistelrode’

54

5.

Uitvoeringsaspecten

5.1 Economische haalbaarheid Bij het opstellen van een ruimtelijk besluit zoals het besluit waar onderhavige ruimtelijke onderbouwing onderdeel van uitmaakt dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Op grond van de grondexploitatiewet die per 1 juli 2008 in werking is getreden, worden overheden verplicht kosten te verhalen indien er sprake is van een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijk ordening. Daarvan is in dit geval geen sprake (transformatie waarbij het aantal te realiseren woningen onder de drempelwaarde ligt). Dat betekent dat er een overeenkomst gesloten wordt tussen de gemeente en initiatiefnemer waarin het kostenverhaal verzekerd wordt. Deze overeenkomst zal ter dekking zijn voor de kosten die de gemeente maakt voor de procedure, de aanlegkosten van het openbaar gebied en eventuele planschade. De kosten voor de realisatie van het initiatief inclusief de kosten voor het opstellen van het voorliggende ruimtelijke onderbouwing inclusief onderzoeken et cetera zijn daarbij ook voor rekening van de initiatiefnemer. Uit bovenstaande blijkt dat het plan economisch uitvoerbaar is en dat geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld. 5.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=91dc74b6-5286-4829-96dc-f79539abea30