CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

ruimtelijke onderbouwing d.d. 23-11-2020

Commissie Ruimtelijke Zaken 24 maart 2021, gemeente BernhezeBij agendapunt: Ontwerpverklaring van geen bedenkingen uitbreiding kinderdagverblijf 't Broek 8 te Nistelrode12.045 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing

’t Broek 8, Nistelrode

Gemeente Bernheze

Datum: 23 november 2020 Projectnummer: 200395

INHOUD TOELICHTING

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding en doelstelling Het besluitgebied Vigerend planologisch regime Leeswijzer

3 3 4 6

2

Beschrijving van de ontwikkeling

7

2.1 2.2

Inleiding Situatie binnen het besluitgebied

7 8

3

Beleidskader

10

3.1 3.2 3.3 3.4

Algemeen Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

10 10 12 14

4

Onderzoek en verantwoording

19

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10

Algemeen Archeologie Bodem Externe veiligheid Geluid Geur Luchtkwaliteit Natuurwaarden Verkeer en parkeren Water

19 19 19 20 24 28 32 34 38 41

5

Economische uitvoerbaarheid

42

5.1 5.2

Algemeen Planschade

42 42

6

Procedure

43

Bijlagen

44

Bijlage 1 – Bestektekening uitbreiding kinderdagverblijf Bijlage 2 – Akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 3 – Geuronderzoek

44 44 44

Bijlage 4 – Memo actualisatie geuronderzoek Bijlage 5 – Stikstofdepositieonderzoek Bijlage 6 – Memo verkeer en parkeren Bijlage 7 – Planschade risicoanalyse

44 44 44 44

1 1.1

Inleiding Aanleiding en doelstelling Aan ’t Broek 8 in de kern Nistelrode van de gemeente Bernheze is een melkveebedrijf en het kinderdagverblijf ‘De Dierenvriendjes’ gevestigd. Op 24 mei 2017 is door de gemeente Bernheze een omgevingsvergunning verleend om in afwijking van het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’ het kinderdagverblijf toe te staan met 36 kindplaatsen. In de loop der tijd is het kinderdagverblijf uitgebreid, waardoor de huidige omgevingsvergunning niet langer toereikend is. Voor de uitbreiding van het kinderdagverblijf moet daarom een nieuwe omgevingsvergunning worden verleend. Het voorliggende document voorziet in een onderbouwing door een juridisch-planologisch kader te bieden voor de uitbreiding van het kinderdagverblijf tot 64 kindplaatsen.

1.2

Het besluitgebied Het besluitgebied bestaat uit de percelen gelegen aan het ’t Broek 8 en 8A in de kern Nistelrode van de gemeente Bernheze. De percelen zijn kadastraal geregistreerd als: ‘Nistelrode, sectie G, nummers 628, 679 en 681’. Binnen het besluitgebied is een bedrijfswoning aanwezig, een melkveebedrijf en een kinderdagverblijf. In paragraaf 2.2 zal uitvoerig worden ingegaan op de huidige situatie binnen het besluitgebied.

Globale ligging van het besluitgebied in relatie tot de kern Nistelrode (bron: Pdok.nl)

3

Schets van de kadastrale situatie van het besluitgebied (bron: Pdok.nl)

1.3

Vigerend planologisch regime

1.3.1

Bestemmingsplannen ‘Buitengebied Bernheze’ en ‘Buitengebied Bernheze 2012-1’ Het besluitgebied ligt binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’ dat op 26 juni 2012 is vastgesteld door de gemeenteraad van Bernheze. Dit bestemmingsplan is deels vernietigd naar aanleiding van een uitspraak van de Afdeling Bestuursrecht1 spraak van de Raad van State. Naar aanleiding van deze uitspraak is op 28 mei 2015 het bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze 2012 – 1’ vastgesteld. Dit paraplubestemmingsplan heeft voor het besluitgebied het gevolg dat het bouwvlak voor de percelen aan ’t Broek 8 en 10 is verlegt, zodat alle bestaande bebouwing binnen het bouwvlak valt. Op grond van deze bestemmingsplannen geldt voor het besluitgebied de bestemming ‘Agrarisch’. Binnen deze bestemming zijn een agrarisch bedrijf en twee bedrijfswoningen toegestaan. Aan de westelijke zijde van het besluitgebied ligt de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Beschermingszone Watergang’. Daarnaast ligt het besluitgebied binnen de gebiedsaanduiding ‘Groenblauwe mantel’.

Globale ligging van het besluitgebied binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Nistelrode’ (bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

1

ABRvS, 10 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3335. 4

1.3.2

Paraplubestemmingsplannen ‘Vrijkomende Agrarische bebouwing Bernheze 2018’ en ‘Herziening Vrijkomende Agrarische bebouwing Bernheze 2018’ Na de vaststelling van het bestemmingsplan ‘buitengebied Bernheze’ in 2012 heeft naar aanleiding van onder andere de transitie binnen de landbouw een aantal beleidswijzigingen plaatsgevonden op gemeentelijk en provinciaal niveau. Eén van de grotere opgaven binnen deze transitie is het grotere aanbod van vrijkomende agrarische bebouwing. De gemeente Bernheze heeft op 14 december 2017 de ‘Beleidsnotitie aanpak VAB Bernheze’ vastgesteld. Hoofduitgangspunt van de beleidsnotitie is het tegengaan van verrommeling in het buitengebied door het herbestemmen of slopen van leegstaande stallen, zo nodig na een tijdelijk toegelaten afwijkend gebruik. Middels een gedegen VAB-aanpak wil de gemeente tevens de transformatie naar een duurzame en maatschappelijk geaccepteerde veehouderij ondersteunen. Met het paraplubestemmingsplan ‘Vrijkomende Agrarische bebouwing Bernheze 2018’ is beoogd het op 14 december 2017 vastgestelde VAB-beleid planologisch te verankeren. Het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’ wordt hiermee op onderdelen herzien, waardoor het gemeentelijke VAB-beleid wordt opgenomen in de regels waarop deze van toepassing zijn.

De regels van het moederplan worden daarmee op onderdelen verruimd ten aanzien van planologische mogelijkheden bij herbestemming van voormalige agrarische bedrijfslocaties. Dit bestemmingsplan is echter niet geheel in overeenstemming met het VAB-beleid. Een afwijkingsbevoegdheid voor het toepassen van Stalderingsregels ontbreekt. Om deze omissie te herstellen is het ontwerpbestemmingsplan ‘Herziening Vrijkomende Agrarische bebouwing Bernheze 2018’ in procedure gebracht. Voor het besluitgebied is van belang dat in de parapluherziening ‘Vrijkomende Agrarische bebouwing Bernheze 2018’ de afwijkingsbevoegdheid in de zin van art. 3.6.1 uit het bestemmingplan ‘Buitengebied Bernheze’ is herzien.

1.3.3

Omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan d.d. 24 mei 2017 Op 24 mei 2017 is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bernheze een vergunning verleend voor afwijken van het bestemmingsplan ‘Bui2 tengebied Bernheze’ in de zin van art. 2.1 lid 1 onder c. De activiteit waarvoor de vergunning is verleend betreft een agrarisch kinderdagverblijf met 36 kindplaatsen. In de motivering bij deze omgevingsvergunning werd door het college geconstateerd dat het bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’, geen mogelijkheden biedt om het voorgenomen kinderdagverblijf mogelijk te maken. De binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voor het toestaan van verbrede landbouw werd geacht niet van toepassing te zijn, omdat aan de voorwaarde dat de bebouwing binnen het besluit niet mag toenemen niet werd voldaan. Naast een kinderdagverblijf had de aanvraag namelijk ook betrekking op een overkapping die buiten het bouwvlak werd gerealiseerd.

2

Besluit van 24 mei 2017, 854733 / 913318. 5

De omgevingsvergunning uit 2017 is door het college toch verleend omdat de ruimte die voor het kinderdagverblijf gebruikt wordt beperkt bleef. Het kinderdagverblijf inpasbaar was in de omgeving en zijn er geen aanpassingen vereist waren in de openbare ruimte. Daarnaast waren er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd op eigen terrein en werden de belangen van derden door de ontwikkeling niet onevenredig geschaad. Uit de ruimtelijke onderbouwing die bij deze omgevingsvergunning hoort zijn geen belemmeringen geconstateerd voor een kinderdagverblijf op deze locatie.

1.4

Leeswijzer De opbouw van deze ruimtelijke onderbouwing is als volgt: na deze inleiding waarin de begrenzing van het , het karakter van het en het vigerende bestemmingsplan is beschreven, wordt in hoofdstuk 2 het project beschreven. Hiervoor wordt eerst weergegeven wat de huidige situatie is. Vervolgens wordt beschreven hoe voorliggend project daar in voorziet. In hoofdstuk 3 wordt het relevante beleid besproken en wordt het project hieraan getoetst. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project behandeld met onder andere de thema’s beleid, milieu, water, ecologie, archeologie, verkeer en parkeren. In hoofdstuk 5 komt de economische uitvoerbaarheid aan bod. De toelichting wordt in hoofdstuk 6 afgesloten met een beschrijving van de procedure.

6

2 2.1

Beschrijving van de ontwikkeling Inleiding Aan ’t Broek 8 is in aanvulling op een melkveebedrijf het agrarisch kinderdagverblijf ‘de Dierenvriendjes’ gevestigd. Voor dit kinderdagverblijf is in 2017 een omgevingsvergunning verleend voor 36 kindplaatsen. De kinderopvang aan ‘t Broek 8 wordt aangeboden volgens de formule van de Vereniging Agrarische kinderopvang. Ondernemers binnen deze vereniging bieden kinderopvang aan voor kinderen tussen 0 en 4 jaar. De VAK- ondernemers onderscheiden zich van gewone kinderopvangcentra door het feit dat zij opvang binnen de agrarische setting bieden. Hierdoor kunnen zij dagelijks in hun aanbod gebruik maken van de natuurrijke en veelzijdige landelijke en agrarische omgeving van hun kinderopvang en daarbij passende activiteiten aanbieden. Het agrarisch kinderdagverblijd ‘de Dierenvriendjes’ past binnen de trend dat agrarische bedrijven steeds vaker zoeken naar mogelijkheden om hun bedrijfsactiviteiten te verbreden. Uit een recente enquête uitgevoerd door uitgeverij Agrio en Wageningen University & Research blijkt dat meer dan de helft van de Nederlandse agrarische be3 drijven nevenactiviteiten hebben ontplooid naast hun agrarische hoofdactiviteiten. In kinderdagverblijf ‘de Dierenvriendjes’ werd oorspronkelijk ruimte geboden aan 36 kinderen. In de loop der jaren is behoefte ontstaan aan een kinderdagverblijf met 64 kindplaatsen.

Ten behoeve hiervan is een deel van de eerste verdieping van de aanwezige melkveestal heringericht als verblijfsruimte voor de kinderen. In vergelijking met andere agrarische kinderdagverblijven elders in het land, is een kinderdagverblijf met 64 kindplaatsen klein in omvang.

Aanzicht van kinderdagverblijf ‘De Dierenvriendjes’ vanaf ’t Broek (bron: Google Streetview).

3

https://www.agrio.nl/deelt/posts/landbouwbedrijven-hebben-steeds-meer-bronnenvan-inkomsten/ 7

2.2

Situatie binnen het besluitgebied

2.2.1.1

Vergunde situatie aan ’t Broek 8 Het kinderdagverblijf maakt onderdeel uit van een melkveebedrijf. Het melkveebedrijf is een volwaardig agrarisch bedrijf waar binnen de bestaande ruimte plaats is voor 140 melkkoeien. In 2017 is door de gemeente Bernheze een omgevingsvergunning verleend voor een kinderdagverblijf aan ’t Broek 8. Dit onderdeel van het kinderdagverblijf is gevestigd aan de voorzijde van een voormalige schuur van het melkveebedrijf. Voor het kinderdagverblijf worden de volgende tijden gehanteerd. De kinderen worden in tussen 7.30 uur en 9.00 uur gebracht en de meeste kinderen worden tussen 16.30 uur en 18.00 uur weer opgehaald. Tussen 10.00 en 11.30 uur spelen de kinderen buiten. ’s-middags is dat tussen 13.30 uur en 15.00 uur en tussen 16.00 en 18.00 uur.

2.2.1.2

Uitbreiding kinderdagverblijf De uitbreiding van het kinderdagverblijf heeft plaatsgevonden op de eerste verdieping van de stal die wordt gebruikt voor het melkveebedrijf. Op dit deel van de verdieping is een algemene ruimte, een kantoor en een slaapkamer aanwezig. Deze ruimtes zijn toegankelijk vanaf de begane grond doormiddel van een trapportaal aan de linkerzijde van de stal en een lift aan de rechterzijde.

Aanwezige bebouwing aan ’t Broek 8. De uitbreiding van het kinderdagverblijf is globaal aangegeven met rood en het oorspronkelijke kinderdagverblijf met blauw (bron: Tekenburo Verkuylen).

In de meest noordelijk gelegen stal bedraagt de totale ruimte die wordt gebruikt voor 2 het kinderdagverblijf op de begane grond 287 m en op de 1e verdieping bedraagt de 2 totale ruimte 149 m bvo. Dit brengt het totale bruto vloeroppervlak van het oorspron2 kelijke kinderdagverblijf op 436m . Naast dit deel van het kinderdagverblijf is in de lig2 boxenstal in totaal een bruto vloeroppervlakte van 149 m in gebruik genomen voor de uitbreiding van het kinderdagverblijf. Totaal bedraagt daarmee het bruto vloeropper-

8

2

vlak van het kinderdagverblijf 585 m . In bijlage 1 van deze onderbouwing is een bestektekening opgenomen waarin de uitbreiding van het kinderdagverblijf in de ligboxenstal van het melkveebedrijf inzichtelijk wordt gemaakt.

9

3 3.1

Beleidskader Algemeen Om te motiveren dat voorliggend project past binnen de van toepassing zijnde beleidsruimte, wordt in dit hoofdstuk het ruimtelijk (relevante) beleid beknopt weergegeven en is het project daaraan getoetst.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bepaalt welke kaderstellende uitspraken van het kabinet bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur (thans: Natuurnetwerk Nederland), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur (thans: Natuurnetwerk Nederland) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de EHS (thans: NNN) is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte.

Toetsing Het project ligt niet in de genoemde gebieden en raakt daarom geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het gestelde in de SVIR en het Barro.

3.2.2

Ontwerp-Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Algemeen De Nationale Omgevingsvisie komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 in werking treedt. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak in de ruimtelijke ordening is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. De ontwerp-NOVI sluit aan bij dit uitgangspunt door een duurzaam perspectief te bieden voor de leefomgeving met ambities. In de ontwerp-NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd:  ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  duurzaam economisch groeipotentieel;

10

 sterke en gezonde steden en regio's;  toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de Ontwerp-NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven: 1 Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte 2 Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3 Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties Toetsing Het Rijk zet in de Ontwerp-NOVI onder andere in op duurzaam economisch groeipotentieel en toekomstbestendige ontwikkelingen in het landelijkgebied. Daar komt bij dat er de voorkeur wordt gegeven aan het combineren van functies en ontwikkelingen die passen bij de identiteit en de kenmerken van het omliggende gebied.

De voorgenomen ontwikkeling betreft de uitbreiding van een agrarisch kinderdagverblijf in een deel van een bestaande stal die tevens in gebruik is ten behoeve van een melkveebedrijf. Het agrarische karakter en de landelijke uitstraling van het behouden blijft door deze combinatie van functies behouden. Tegelijkertijd draagt de ontwikkeling bij aan de toekomstbestendigheid van het melkveebedrijf. Hierdoor neemt het duurzaam economisch groeipotentieel van het toe. 3.2.3

Ladder voor duurzame verstedelijking Vanuit het rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd.

11

Toetsing Uit jurisprudentie blijkt dat ontwikkelingen met een ruimtebeslag dat kleiner is dan 500 2 m worden gezien als kleinschalig en hiermee niet onder het begrip 'stedelijke ontwikkeling' vallen. De voorliggende ontwikkeling voorziet in de uitbreiding van het kinder2 dagverblijf in een bestaande stal. De uitbreiding neemt circa 150 m bvo in beslag. Daarnaast kan een ontwikkeling die een functiewijziging mogelijk maakt naar aard en omvang worden beschouwd als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De voorliggende ontwikkeling betreft de uitbreiding van een bestaand kinderdagverblijf in een deel van een bestaande stal. De functiewijziging van agrarisch naar kinderdagverblijf is echter dermate gering dat niet kan worden gesproken van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dit betekent dat de Ladder voor duurzame verstedelijking niet doorlopen hoeft te worden. 3.2.4

Conclusie De uitbreiding van het kinderdagverblijf is niet in strijd met het rijksbeleid.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1

Brabantse Omgevingsvisie De Brabantse Omgevingsvisie is in december 2018 vastgesteld en is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. De basisopgave binnen de Omgevingsvisie is het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Daarnaast bevat de visie ambities op het gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Het gaat om de volgende kernwaarden:  meerwaarde creatie;  technische en sociale innovatie;  kwaliteit boven kwantiteit;  steeds beter;  proactief en preventief boven gevolgbeperking en herstel. Toetsing Het kinderdagverblijf maakt gebruik van reeds bestaande opstallen. Hierdoor wordt de beschikbare ruimte binnen het op een efficiënte en doelmatige wijze benut. Dit is in overeenstemming met de uitgangspunten van de Brabantse Omgevingsvisie.

3.3.2

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant In de Brabantse Omgevingsvisie hebben provinciale staten de visie op de fysieke leefomgeving verwoord. Met de totstandkoming van de Interim omgevingsverordening zijn de verschillende regelingen op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving samengebracht. Dit betekent dat de regels uit de Interim omgevingsverordening betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen.

12

De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter en is vooral bedoeld om bestaande regelingen samen te voegen. Uitgangspunt van deze Interim omgevingsverordening is dat de huidige regels met het huidige beschermingsniveau zijn gehandhaafd. In het algemeen geldt daarbij dat de inzet van de verordening in de provincie Noord-Brabant is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor het vanuit provinciale belangen nodig is om regels in te zetten of waarvoor het vanuit de wet verplicht is om regels te stellen in de verordening. Het is een ‘Interim’ omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet nog niet zijn verwerkt. Er is wel zo veel als mogelijk aansluiting gezocht bij de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening (bijvoorbeeld bij de opbouw en de digitale vormgeving). Toetsing Het besluitgebied ligt binnen de gebiedsaanduiding ‘landelijk gebied’ van de provinciale verordening. Voor deze gebiedstypen zijn in de verordening instructieregels opgenomen waar gemeenten bij het toelaten van nieuwe ontwikkelingen rekening mee moeten houden.

De uitbreiding van het kinderdagverblijf betreft de uitbreiding van een bestaande functie niet-agrarische functie binnen het landelijk gebied. Hierop is art. 3.71 onder c van de provinciale verordening van toepassing. Dit artikel bepaalt: Artikel 3.71 bestaande niet-agrarische functie in landelijk gebied c kunnen voorzien in een redelijke uitbreiding, als dat past binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1 een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2 welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3 hoe de uitbreiding bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. Ad 1. De uitbreiding van het kinderdagverblijf heeft plaatsgevonden in een bestaande stal die tevens in gebruik is ten behoeve van het melkveebedrijf. Het karakter en de uitstraling van het besluitgebied zijn hierdoor ongewijzigd gebleven en nemen de verhardingen niet toe. Daarnaast is het besluitgebied door de ruime aanwezigheid van bomen en andere groenvoorzieningen op een deugdelijke wijze ingepast in het landelijkgebied van de gemeente Bernheze. Ad 2.

Het melkveebedrijf en het kinderdagverblijf vullen elkaar aan. De uitbreiding van het kinderdagverblijf levert een bijdrage aan de toekomstbestendigheid van de agrarische activiteiten binnen het besluitgebied. De ontwikkeling draagt daarnaast in positieve zin bij aan de leefbaarheid van de omgeving. Door kinderopvang mogelijk te ma-

13

ken in het buitengebied wordt namelijk in een belangrijke stedelijke behoefte voorzien, waardoor de verwevenheid tussen de stad en het platteland toeneemt. Ad 3. De uitbreiding van het kinderdagverblijf heeft plaatsgevonden in een bestaande stal die voor het overgrote deel wordt gebruikt door het melkveebedrijf. Door de functies te combineren binnen bestaande bebouwing draagt de ontwikkeling bij aan de kwaliteit van de omgeving doordat bestaande bebouwing doelmatiger wordt benut. Conclusie Het beleid van de provincie Noord-Brabant vormt geen belemmering voor de uitbreiding van het kinderdagverblijf.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Structuurvisie Bernheze De gemeenteraad van de gemeente Bernheze heeft op 1 februari 2010 de Structuurvisie Bernheze vastgesteld. De Structuurvisie Bernheze geeft een samenhangend beeld van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de hele gemeente. De structuurvisie is een visie op hoofdlijnen en vormt daarmee een belangrijk (toetsings-)kader voor het initiëren, beoordelen, afwegen en vaststellen van nieuwe ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen en projecten. In de structuurvisie staan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen beschreven voor de komende jaren. Onderdeel van de Structuurvisie Bernheze 2010 is het Ruimtelijk Casco. Het Ruimtelijk Casco betreft het ontwikkelingskader voor de gemeente Bernheze en vormt een casco voor concrete projecten en plannen. Het Ruimtelijk Casco bestaat uit een kaartbeeld en toelichting. Deze zijn nadrukkelijk aan elkaar gekoppeld. De gemeente Bernheze heeft de kwaliteiten binnen de gemeente geformuleerd. De gemeente Bernheze wil een gemeente met een dorpse uitstraling blijven. Ten aanzien van het open landschap wordt het volgende gesteld in de structuurvisie: Centraal in de gemeente is sprake van een open landschap. Dit gebied, dat deels bestaat uit jonge ontginningen, kent een grootschalige, rationele verkaveling ten behoeve van de landbouw.

Langs de wegen is plaatselijk opgaande beplanting aanwezig, maar verder wordt het gebied gekarakteriseerd door een grote mate van openheid. Hier is relatief weinig bebouwing los van de dorpen aanwezig. De grootschalige openheid voegt een kwaliteit toe aan het landschap en dient om die reden geconserveerd te worden. Verdichting van het landschap moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Vrijkomende gronden, bij stoppende bedrijven, worden voornamelijk aangewend voor de groei van duurzame bedrijven met een goed toekomstperspectief. Groei staat ook synoniem voor innovatie en duurzaamheid. Nieuwe landgebruiksvormen kunnen een plek krijgen, al dan niet in combinatie met verbreding van inkomsten uit nevenactiviteiten. Ontwikkelingen dienen hierbij wel te passen in de aanwezige grootschalige openheid van het gebied.

14

Toetsing De uitbreiding van het kinderdagverblijf heeft plaatsgevonden binnen een bestaande agrarische stal. De ontwikkeling heeft hierdoor geen invloed op het open karakter van het omliggende landschap en is daarom in overeenstemming met de uitgangspunten van de Structuurvisie Bernheze. Het melkveebedrijf en het kinderdagverblijf vullen elkaar aan. Met de toename van het aantal kindplaatsen wordt een bijdrage geleverd aan de duurzame groei en de toekomstbestendigheid van de bedrijfsactiviteiten aan ’t Broek 8. Hierdoor wordt een positieve bijdrage geleverd aan de doelstellingen van de gemeente Bernheze. 3.4.2

VAB-beleid Bernheze Op 14 december 2014 heeft de gemeente Bernheze de ‘‘Beleidsnotitie aanpak VAB Bernheze’ vastgesteld. Het uitgangspunt van deze beleidsregel is het tegengaan van verrommeling van voormalige agrarische bedrijfslocaties in het buitengebied door het herbestemmen of slopen van leegstaande stallen, zo nodig na een tijdelijk toegelaten afwijkend gebruik. Deze doelstelling moet de transformatie naar een duurzame en maatschappelijk verantwoorde veehouderij worden ondersteund. Ter uitvoering van het VAB-beleid wordt een drieledige aanpak gehanteerd: 1 het opzetten van een sloopbonusregeling om sloop te stimuleren; 2 ruimere herbestemmingsmogelijkheden; 3 toepassen van tijdelijke vergunningen om uiteindelijk sloop te financieren. Het VAB-beleid wijzigt de huidige beleidslijnen van de gemeente Bernheze. Gestreefd wordt om met maatwerk en versnelde procedures per locatie een win-win situatie te laten ontstaan. In dit proces staat de ondernemer centraal en stelt de gemeente zich faciliterend op. Bij het herbestemmen van een functie wordt in het VAB-beleid uitgegaan van de bestaande omgevingskwaliteit van de ontwikkeling. Er wordt niet langer alleen gekeken naar wat beschreven staat in beleid en regelgeving, maar ook naar wat de gewenste ontwikkeling vraagt en hoe dit past binnen de omgeving.

Van belang is verder dat een nieuwe ontwikkeling, met betrekking tot de betrokken milieuaspecten, geen strijd oplevert met de omgeving. Toetsing De voorgenomen ontwikkeling betreft de herbestemming van een bestaande stal ten behoeve van een uitbreiding van het kinderdagverblijf. Dit sluit aan bij de doelstelling van het VAB-beleid om ruimere herbestemmingsmogelijkheden te bieden aan initiatieven die bijdragen aan een maatschappelijk verantwoorde en duurzame veehouderij. Het kinderdagverblijf sluit op deze doelstelling aan door efficiënter gebruik van de bestaande agrarische bebouwing binnen het mogelijk te maken. Door gebruik te maken van bestaande bebouwing blijft het landelijke karakter van de omgeving onaangetast. Om aan te tonen dat de ontwikkeling geen strijd oplevert met de omgeving, zal in hoofdstuk 4 worden onderbouwd dat de ontwikkeling niet zal leiden tot een onevenredige verslechtering van het woon- en leefklimaat.

15

3.4.3

Afwijkingsbevoegdheid bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’ Om de toelaatbaarheid van de voorliggende ontwikkeling te onderbouwen wordt aansluiting gezocht bij de afwijkingsbevoegdheid die is neergelegd in artikel 3.1.6 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Berneze’. Deze bepaling is gewijzigd door het paraplubestemmingsplan ‘Vrijkomende Agrarische bebouwing Bernheze 2018’. Hieronder wordt de uitbreiding van het kinderdagverblijf getoetst aan de voorwaarden die worden gesteld aan een afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van verbrede landbouw en recreatieve nevenactiviteiten. Artikel 3.6.1 onder b afwijken ten behoeve van verbrede landbouw en recreatieve nevenactiviteiten Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van: b het bepaalde in 3.1 onder h en de uitoefening van verbrede landbouw, of recreatieve nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf (functietype 'agrarisch bedrijf') toestaan, onder de voorwaarden dat: 1 de activiteit blijft ondergeschikt aan het bestaand gebruik van het perceel; 2 de activiteit qua aard en omvang dient te passen bij de specifieke agrarische kwaliteit en schaal van de omgeving; 3 de maximale oppervlakte voor de recreatieve nevenactiviteit niet groter mag zijn dan 500 m², met uitzondering van voorzieningen in de op de verbeelding nader aangeduide 'wro-zone - recreatie-ontwikkelingsgebied', waarvoor geen maximale oppervlaktemaat

geldt; 4 de activiteit niet mag leiden tot toename van bebouwing; 5 de activiteit geen onevenredige (extra) hinder of belemmeringen mag veroorzaken voor omliggende bedrijven of woningen; 6 de activiteit qua situering aansluit op bestaande (en reeds geplande) infrastructuur; 7 ondergeschikte en ondersteunende horeca is toegestaan, met een inpandige oppervlakte van maximaal 50 m² en een buitenpandige oppervlakte van maximaal 70 m²; 8 geen noodzaak is voor aanpassing van het wegennet wegens onvoldoende capaciteit; 9 parkeren op eigen terrein zal plaatsvinden; 10 sprake is van een goede ruimtelijke uitstraling. Toetsing Op grond van bovenstaande afwijkingsbevoegdheid kan van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’ worden afgeweken ten behoeve van verbrede landbouw of recreatieve nevenactiviteiten. Onder verbrede landbouw worden nevenactiviteiten verstaan die gerelateerd zijn aan het verder in standhouden van het agrarisch bedrijf. Hieronder wordt getoetst aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 3.6.1. Ad 1. Een ondergeschikte nevenactiviteit wordt in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’ omschreven als: ‘een activiteit waarvan het ruimtegebruik, de aard, de uitstraling en de inkomensverwerving kleiner zijn dan de hoofdactiviteit ter plaatse’.

De uitbreiding van het kinderdagverblijf kan als ondergeschikte activiteit worden aangemerkt omdat dat het ruimtebeslag van het melkveebedrijf binnen het besluitgebied groter is dan het ruimtebeslag van het kinderdagverblijf. Daarnaast is het kinderdag-

16

verblijf ook na de uitbreiding in financieel opzicht kleiner dan het melkveebedrijf. De ondergeschiktheid van het kinderdagverblijf aan het melkveebedrijf blijkt ook duidelijk als gekeken wordt naar de omvang van agrarische kinderdagverblijven op andere plekken in het land. Kinderdagverblijven en buitenschoolse opvanglocaties behorend bij een agrarisch bedrijf bieden gemiddeld plaats aan rond de 100 kinderen. Het kinderdagverblijf aan ’t Broek 8 is met 64 kindplaatsen om deze reden bescheiden in omvang. Het besluitgebied heeft dankzij het melkveebedrijf naar aard een inrichting een agrarisch karakter en een landelijke uitstraling. Het kinderdagverblijf heeft geen doorslaggevende invloed op het karakter van het besluitgebied. Integendeel, het bedrijfsmodel van de Dierenvriendjes als een agrarisch kinderdag verblijf is juist afhankelijk van de landelijke uitstraling van het melkveebedrijf. Ad 2. De ontwikkeling past binnen de schaal van de omgeving omdat de uitbreiding plaats heeft kunnen vinden binnen bestaande bebouwing. Hierdoor past de ontwikkeling ook bij de agrarische kwaliteit van het gebied omdat de bedrijfsactiviteiten van het melkveebedrijf niet worden ingeperkt en de landelijke uitstraling van de omgeving niet wordt aangetast. Ad. 3. Deze voorwaarde geldt alleen voor recreatieve nevenactiviteiten en is daarom niet van toepassing op de voorliggende ontwikkeling.

Ter volledigheid wordt opgemerkt dat de bruto vloeroppervlakte die door de uitbreiding van het kinderdagverblijf in 2 beslag wordt genomen 149 m bedraagt. Ad 4. De uitbreiding van het kinderdagverblijf vindt plaats op de eerste verdieping van de ligboxenstal van het melkveebedrijf. De bebouwingsgraad binnen het besluitgebied blijft daardoor gelijk. Ad 5. In hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke onderbouwing wordt uitvoering ingegaan op de milieu-hygiënische aspecten die bij de uitbreiding van het kinderdagverblijf betrokken zijn. Waar nodig is aanvullend onderzoek verricht om eventuele toename van hinder van de ontwikkeling op de omgeving in kaart te brengen. Geconcludeerd wordt dat de uitbreiding van het kinderdagverblijf geen onevenredige toegenomen hinder of belemmeringen veroorzaakt voor omliggende bedrijven en woningen. Voor een nadere onderbouwing per omgevingsaspect wordt verwezen naar de relevante paragrafen van Hoofdstuk 4 van deze onderbouwing. Ad 6. De ontwikkeling vindt plaats binnen bestaande bebouwing en heeft om deze reden geen gevolgen voor de infrastructuur in de nabijheid van het besluitgebied. Daarnaast leidt de toegenomen verkeersgeneratie niet tot een overschrijding van de capaciteit van de nabijgelegen wegen. Ad 7. Deze voorwaarde heeft betrekking op inpandige horeca. De voorliggende ontwikkeling maakt geen horecafuncties mogelijk.

Deze voorwaarde is daarom niet van toepassing.

17

Ad 8. Het besluitgebied wordt ontsloten door de buitenstedelijke weg ’t Broek. Door de ontwikkeling neemt het aantal verkeersbewegingen op deze weg toe. De maximale capaciteit van deze weg wordt echter niet overschreden. Een aanpassing van het wegennet is om deze reden niet noodzakelijk. Voor een nadere toelichting op de verkeersgeneratie van de ontwikkeling wordt verwezen naar paragraaf 4.9.1 van deze onderbouwing. Ad 9. De toegenomen parkeerbehoefte ten gevolge van de uitbreiding van het kinderdagverblijf, kan volledig binnen het besluitgebied worden opgevangen. Hiermee wordt voldaan aan het parkeerbeleid van de gemeente Bernheze. Voor een nadere onderbouwing voor het aspect parkeren wordt verwezen naar paragraaf 4.9.2 van deze onderbouwing. Ad 10. De uitbreiding van het kinderdagverblijf vindt plaats binnen een bestaande stal. De ontwikkeling gaat hierdoor op in de bestaande inrichting van het besluitgebied. Binnen het besluitgebied is een goede ruimtelijke uitstraling gewaarborgd doordat bij de landschappelijke inpassing gebruik is gemaakt van veel groene elementen. Daarnaast is op de perceelgrens aan de zijde van ’t Broek een bomenrij geplaatst, zodat de zichtbaarheid van het besluitgebied vanaf de openbare weg afneemt. Conclusie Het beleid van de gemeente Bernheze vormt geen belemmering voor de uitbreiding van het kinderdagverblijf.

18

4 4.1

Onderzoek en verantwoording Algemeen De voorliggende ontwikkeling heeft uitsluitend geleid tot een toename van het aantal kindplaatsen binnen het kinderdagverblijf en niet tot uitbreiding van de bebouwing. De uitbreiding van het aantal kindplaatsen heeft geleid tot een verandering in de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie. Daarnaast is de geluidsbelasting van het kinderdagverblijf op de omgeving veranderd. Om deze reden is er nieuw onderzoek uitgevoerd naar de aspecten geluid en verkeer en parkeren. Binnen het besluitgebied wordt geen nieuw geurgevoelig object gerealiseerd. De resultaten van de onderzoek naar geur uit 2015 kunnen om deze reden ook worden toegepast op de voorliggende ontwikkeling. Dit onderzoek en de nieuw verrichte onderzoeken zijn als bijlagen bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd.

4.2

Archeologie

4.2.1

Algemeen De gemeente Bernheze heeft het archeologische beleid opgenomen in een archeologische verwachtingskaart. Het besluitgebied heeft op grond van deze kaart een lage archeologische verwachten. Voor deze gebieden geldt op grond van het archeologische beleid geen verplichting tot onderzoek.

Globale ligging van het besluitgebied op de archeologische verwachtingskaart (bron: gemeente Bernheze).

4.2.2

Conclusie Het aspect Archeologie vormt geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.

4.3

Bodem

4.3.1

Algemeen Voordat een bestemmingsplan wordt vastgesteld of een omgevingsvergunning kan worden verleend voor de toevoeging van functies waar langdurig of frequent mensen verblijven, moet aangetoond zijn dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik.

19

4.3.2

Toetsing In 2001 is door Amitec een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Destijds bestond er geen aanleiding voor nader onderzoek. De uitbreiding van het kinderdagverblijf vindt plaats binnen een bestaande stal. Er bestaat geen aanleiding om te veronderstellen dat de bodemkwaliteit onder de stal ongeschikt is voor deze functie.

4.3.3

Conclusie De bodemkwaliteit levert geen belemmering op voor de voorliggende ontwikkeling.

4.4

Externe veiligheid

4.4.1

Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid een onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico met 10-6 als grenswaarde. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers.

Bij het groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Door Econsultancy is ter onderbouwing van de omgevingsvergunning van 24 mei 2017 een beperkte beschrijving van het groepsrisico uitgevoerd. De resultaten van deze rapportage zijn ook van toepassing op de voorliggende ontwikkeling en zijn hieronder weergegeven. De rapportage uit 2017 is ter onderbouwing van een kinderdagverblijf met 64 kinderen door SAB aangevuld.

4.4.2

Toetsing risicokaart De risicokaart Noord-Brabant informeert onder andere de inwoners van NoordBrabant over de risico's waarmee zij in hun leefomgeving kunnen worden geconfronteerd en hoe zij moeten handelen. Hieronder is een uitsnede van de risicokaart weergegeven. In de nabijheid van het besluitgebied (blauwe omcirkeling) zijn enkele risico-

20

volle inrichtingen en hogedruk aardgastransportleidingen gelegen. Zie verderop voor de bespreking hiervan.

Uitsnede van de risicokaart. Het besluitgebied is globaal aangegeven met een blauwe omlijning. (bron: Risicokaart.nl) Uit de afbeelding blijkt, dat er ten noordwesten van de locatie, twee hogedruk aardgastransportleidingen zijn gelegen en ten oosten van de locatie een tweetal inrichtingen. De karakteristieken van de twee leidingen zijn opgenomen in de onderstaande tabel: Naam

Beheerderleiding

Lei-

Diame-

Max.

Effectafstand 1% leta-

Afstand

ter

werkdruk

liteit

66,2 bar

450 m

510 m

66,2 bar

520 m

515 m

ding A-525 A-526

Gasunie Transport services B.V.

42 inch

Gasunie Transport

42 inch

services B.V. Overzicht karakteristieken buisleidingen (bron: Scenarioboek Externe Veiligheid)

In de rapportage van Econsultancy werd uitgegaan van inventarisatieafstanden, in deze ruimtelijke onderbouwing wordt uitgegaan van effectafstanden voor 1% letaliteit. Uit de tabel blijkt, dat de effectafstand van de leiding A-526 een overlap kent met het besluitgebied. Er dient een verantwoording van het groepsrisico te worden opgesteld. Daarnaast in het zuidoosten van het besluitgebied, op het perceel van ’t Broek 10 een propaangastank. De gastank wordt niet aangemerkt als een Bevi-inrichting en hoeft aldus niet als zodanig te worden beoordeeld. Wel wordt het volgende geconstateerd. Bij een incident kan een fakkelbrand, warme en koude BLEVE of een wolkbrand/gaswolkexplosie plaatsvinden. De propaangastank heeft een inhoud kleiner dat 3 5 m . De contour van het plaatsgebonden bedraagt derhalve 20 meter. Het invloedgebied bedraagt circa 70 meter. De propaangastank ligt op circa 100 meter afstand van het besluitgebied. Aldus kan worden geconcludeerd dat het besluitgebied buiten het invloedgebied van de propaangastank valt.

21

4.4.3

Beoordeling Het plan bestaat uit de uitbreiding van het aantal kindplaatsen van een bestaand agrarische kinderdagverblijf naar 64 kindplaatsen. Het aantal kinderen en leiding binnen de effectafstand is nu al beperkt, en in de toekomst zal dit aantal naar verwachting niet toenemen. De uitbreiding vindt plaats in de oostzijde van de stallen. Het aantal aanwezigen neemt binnen de effectafstand dus niet toe.

Figuur

effectafstanden 1%-letaliteit (A-526 en A-525).

Indien er een calamiteit met de gasbuisleiding optreedt, dan kunnen de kinderen en de verzorgers, indien ze buiten zijn, schuilen aan de oostzijde van de stallen en vervolgens kunnen de kinderen met de verzorgers verder het gebied worden geëvacueerd. Zoals uit de figuur blijkt dat de evacuatie naar het zuiden over Het Broek moet plaatsvinden. Doordat de hogedruk aardgastransportleidingen en haar invloedsgebieden voornamelijk in het buitengebied liggen, is het aannemelijk dat het groepsrisico ruim kleiner zal zijn dan 0,1 maal de oriënterende waarde. Doordat het groepsrisico door deze wijziging van het bestemmingsplan niet zal veranderen (en minder dan 0,1 maal de oriënterende waarde zal bedragen) kan geconcludeerd worden dat het groepsrisico ter plaatse acceptabel zal zijn voor het bevoegd gezag. De verzorgers en de kinderen zullen bij een calamiteit aan de leiding(en) goed kunnen ontvluchten; in voornamelijk de zuidelijke richting. Ook kan er naar het oosten gevlucht worden. Dit is mede afhankelijk van waar de calamiteit optreedt. Verantwoording groepsrisico Vanwege de ligging van het plan in de effectafstand van één hogedruk aardgasleidingen dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij is de Veiligheidsregio om advies gevraagd.

22

4.4.3.1

De huidige en toekomstige personendichtheid Het plan voorziet in de toename van het aantal kindplaatsen in het agrarische kinder2 dagverblijf. De bebouwing bevindt zich circa 20 m binnen de effectafstand van 1% letaliteit. De toename van het aantal kinderen en verzorgers in dit gebied is dus zeer gering. De huidige en toekomstige hoogte van het groepsrisico Het bestaande groepsrisico langs de vier hoge druk aardgasleidingen is onderzocht in het rapport ‘Kwantitatieve risicoberekening aardgastransportleidingen’(RMB, 2012). Hieruit blijkt dat het huidige groepsrisico minder dan 10% van de oriëntatiewaarde bedraagt. Het groepsrisico zal door de toename van het kindplaatsen niet stijgen.

4.4.3.2

Maatregelen De leidinggevenden van het agrarisch kinderdagverblijf dienen aanvullende instructies en cursussen te volgen in verband met bedrijfshulpverlening, in het bijzonder het oefenen van eerst schuilen en vervolgens het ontruimen van het kinderdagverblijf. Het onderdeel schuilen is in het bijzonder noodzakelijk voor de kinderen (en leiding) die op het moment van een calamiteit buiten zijn. Deze kinderen dienen allereerst in veiligheid te worden gebracht en wel naar de oostzijde van de stallen.

4.4.3.3

Bestrijdbaarheid Voor de bestrijdbaarheid is het maatgevend scenario van belang: de fakkelbrand. Een fakkelbrand ontstaat wanneer door een externe beschadiging van de hogedruk aardgasleiding (bijvoorbeeld door graafwerkzaamheden) gas vrijkomt, dat vervolgens ontsteekt. Wat volgt is een fakkelbrand die extreme hittestraling kan veroorzaken. Het invloedsgebied van de gasleiding wordt bepaald door de druk en de diameter van de gasleiding. De bestrijdbaarheid wordt op twee aspecten beoordeeld: 1. Is het rampscenario te bestrijden? Bij een fakkelbrand dient de leidingbeheerder eerst de gastoevoer af te sluiten. Nadat de fakkelbrand is gedoofd door het afsluiten van de gastoevoer kunnen secundaire branden geblust worden. De bestrijdbaarheid wordt tijdens de fakkelbrand als slecht beoordeeld. Na het doven van de fakkelbrand is de bestrijdbaarheid goed. 2. Is de omgeving voldoende ingericht om bestrijding te faciliteren? In het geval van een fakkelbrand is het besluitgebied goed bereikbaar en zijn er voldoende opstelplaatsen voor de brandweer.

4.4.3.4

Alarmering In geval van een calamiteit kan NL-alert worden ingezet. NL-alert is een alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Hiermee kunnen mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht worden geïnformeerd. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen (vluchten of schuilen).

4.4.3.5

Vluchten Vluchten uit het zicht van de fakkel (onder dekking van constructies zoals muren) biedt het beste handelingsperspectief. Een gebouw biedt gedurende korte tijd enige

23

bescherming tegen de hoge hittestraling, waardoor de kans op ernstig en/of letaal letsel wordt beperkt. Echter als gevolg van de hoge hittestraling bestaat er een kans dat het gebouw zal ontbranden waarna aanwezige personen alsnog moeten vluchten. De kans op ernstig en/of letaal letsel neemt hierdoor weer toe indien niet onder dekking van constructies zoals muren gevlucht kan worden. In dit geval is vluchten onder dekking van de stallen goed mogelijk. 4.4.4

Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico en aan de kaders die zijn vastgelegd in de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Bernheze. Het besluitgebied ligt binnen het invloedsgebied van hoge druk aardgasleidingen. Het groepsrisico is verantwoord en wordt aanvaardbaar geacht. De volgende overwegingen spelen daarbij een rol: • het geringe groepsrisico, en • de goede mogelijkheden binnen het besluitgebied voor de zelfredzaamheid van personen.

4.4.5

Toetsing inrichtingen Ten oosten van de locatie ligt op 640 meter afstand van de locatie het bedrijf Biogas Nistelrode bv aan de Loosbroekseweg 48 te Nistelrode. Het bedrijf heeft twee biogas3 3 tanks van respectievelijk 860 m en 300 m . De PR 10-6 contouren bedragen respectievelijk 40 en 30 meter vanuit de tanks. Het invloedgebied bedraagt 100 meter. Geconcludeerd kan worden dat zowel de PR 10-6 contour als het invloedgebied geen overlap kent met het besluitgebied. Ook ten oosten van de locatie ligt op 680 meter afstand van de locatie het bedrijf Gebroeders Van Nuland VOF aan ’t Broek 1 te Nistelrode. Het bedrijf heeft een boven3 grondse propaantank van < 20 m . Het invloedgebied bedraagt ruim 300 meter. Derhalve kan geconcludeerd worden dat er geen overlap bestaat met het besluitgebied.

4.4.6

Conclusie Uit de beperkte beschrijving van het groepsrisico blijft dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.

4.5

Geluid

4.5.1

Algemeen De voorliggende ontwikkeling betreft een uitbreiding van het agrarisch kinderdag verblijf aan ’t Broek 8 naar 64 kindplaatsen. In het kader van de vergunningprocedure moeten de gevolgen van de ontwikkeling in kaart worden gebracht op bestaande woningen, zonder dat bewoners hinder van de bedrijvigheid zullen ondervinden.

24

In het akoestisch onderzoek dat op 24 augustus 2020 door SAB is uitgevoerd zijn de geluidsbelastingen berekend op de woning Het Broek 10 te Nistelrode. Het akoestisch onderzoek is opgenomen in bijlage 2 van deze onderbouwing. 4.5.2

Representatieve bedrijfssituatie De representatieve bedrijfssituatie (RBS) is maatgevend voor de toetsing aan de geluidnormen. De informatie van het agrarisch kinderdagverblijf is door de bedrijfsleider verstrekt. De kinderen worden tussen 7.30 uur en 9.00 uur gebracht. Er bestaat de mogelijkheid dat kinderen voor 7.00 uur gebracht worden. Er wordt uitgegaan dat er 4 kinderen hiervan gebruik maken. Eén leidster zal aanwezig zijn. De meeste kinderen worden tussen 16.30 uur en 18.00 uur opgehaald. De verkeersgeneratie is bepaald in het rapport Verkeer en parkeren (SAB, 21 september 2020, 200395). De kinderen spelen tussen 10.00 en 11.30 uur buiten. ’s-Middags is dat tussen 13.30 uur en 15.00 uur en tussen 16.00 en 18.00 uur. De kinderen zijn in de leeftijd van 0 tot 4 jaar. Dit houdt in dat kinderen tot 1 jaar niet buiten spelen, tussen 1 en 2 jaar maar 1/3 deel van de tijd buiten spelen (de rest slapen of binnen zijn), tussen 2 en 3 zijn de kinderen 2/3 deel van de tijd buiten (de rest slapen) en de kinderen tussen 3 en 4 zijn de gehele tijd buiten.

4.5.3

Onderzoek In het akoestisch onderzoek zijn de geluidsbelastingen berekend op de woning Het Broek 10 te Nistelrode.

4.5.3.1

Resultaten langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L ar,LT) en maximale geluidbelasting (LAmax) De geluidsbelasting op de naastliggende woning ten gevolge van de activiteiten uit het agrarisch kinderdagverblijf is bepaald met de overdrachtsberekening (II.8) uit de “Handleiding Meten en Rekenen industrielawaai”. In figuur 2 zijn de rekenpunten op de woning weergegeven.

25

Figuur 2. Ligging rekenpunten. De ligging van de ontwikkeling is met rood gearceerd.

In tabel 5 is het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau weergegeven. Tabel 5. Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Naam Omschrijving Hoogte R1_A Het Broek 10 voorgevel 1,50 R1_B Het Broek 10 voorgevel 5,00 R2_A Het Broek 10 zijgevel noord 1,50 R2_B Het Broek 10 zijgevel noord 5,00 R3_A Het Broek 10 zijgevel zuid 1,50 R3_B Het Broek 10 zijgevel zuid 5,00

Dag 32,20 32,14 33,24 33,41 17,87 17,96

Avond -------

Nacht 6,40 7,16 8,41 9,54 -9,03 -8,48

Etmaal 32,20 32,14 33,24 33,41 17,87 17,96

Uit de tabel blijkt dat de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 45 dB(A) niet wordt overschreden. Geconcludeerd wordt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en dat voldaan wordt aan het gestelde in het Activiteitenbesluit. 4.5.3.2

Maximale geluidniveaus In tabel 6 is het maximale geluidsniveau in de dagperiode op de begane grond en in de nachtperiode op alle verdiepingen weergegeven. Tabel 6 Naam R1_A R1_B R2_A R2_B R3_A R3_B

Maximale geluidsniveaus Omschrijving Het Broek 10 voorgevel Het Broek 10 voorgevel Het Broek 10 zijgevel noord Het Broek 10 zijgevel noord Het Broek 10 zijgevel zuid Het Broek 10 zijgevel zuid

Hoogte 1,50 5,00 1,50 5,00 1,50 5,00

26

Dag 57,60 -58,24 -42,66 --

Avond -------

Nacht 47,19 48,07 49,52 51,29 33,69 34,84

Uit de berekeningen blijkt dat de grenswaarde van 65 dB(A) voor de dagperiode en 55 dB(A) voor de nachtperiode niet worden overschreden. Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en dat voldaan wordt aan het gestelde in het Activiteitenbesluit. 4.5.3.3

Indirecte hinder In tabel 7 is het maximale geluidsniveau in de dagperiode op de begane grond en in de nachtperiode op alle verdiepingen weergegeven. Tabel 7 Naam R1_A R1_B R2_A R2_B R3_A R3_B

geluidsniveaus indirecte hinder Omschrijving Hoogte Het Broek 10 voorgevel 1,50 Het Broek 10 voorgevel 5,00 Het Broek 10 zijgevel noord 1,50 Het Broek 10 zijgevel noord 5,00 Het Broek 10 zijgevel zuid 1,50 Het Broek 10 zijgevel zuid 5,00

Dag 49,19 49,66 46,92 46,93 46,70 46,44

Avond -------

Nacht 32,50 32,98 30,24 30,24 30,01 29,75

Etmaal 49 50 47 47 47 46

Uit de berekeningen blijkt dat de grenswaarde van 50 dB(A) niet worden overschreden. 4.5.4

Tussenconclusies

4.5.4.1

Langetijdgemiddelde geluidsniveaus Uit de berekeningen blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 50 dB(A) uit het Activiteitenbesluit en stap 2 uit de VNG-publicatie (45 dB(A)) niet wordt overschreden. De langetijdgemiddelde geluidniveaus voldoen daarmee aan daarmee aan de vereisten van een goede ruimtelijke ordening en aan de vereisten van het Activiteitenbesluit.

4.5.4.2

Maximale geluidsbelasting Het maximale beoordelingsniveau uit het Activiteitenbesluit (70 dB(A) voor de dagperiode, 60 dB(A) voor de nachtperiode) en stap 2 uit de VNG-publicatie (65 dB(A) voor de dagperiode en 55 dB(A) voor de nachtperiode) niet wordt overschreden. Het niveau van de maximale geluidsbelasting voldoet daarmee aan de vereisten van een goede ruimtelijke ordening en aan de vereisten van het Activiteitenbesluit.

4.5.4.3

Geluidsbelastingen t.g.v. indirecte hinder Uit de berekeningen blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) voor indirecte hinder en de richtwaarde van 50 dB(A) uit de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering, editie 2009” niet worden overschreden. Door te voldoen aan de geluidnormen van de VNG-publicatie voldoet de ontwikkeling aan de vereisten van een goede ruimtelijke ordening. Daarmee kan worden geconcludeerd sprake is van een goed woonen leefklimaat aan ’t Broek 10.

4.5.5

Conclusie De toegenomen geluidbelasting op de gevel van ’t Broek 10, ten gevolge van de uitbreiding van het kinderdagverblijf is getoetst aan de geluidsnormen van het Activitei-

27

tenbesluit en de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering, editie 2009”. Geconcludeerd wordt dat deze normen niet worden overschreven. De ontwikkeling voldoet derhalve aan de vereisten van een goede ruimtelijke ordening. Het aspect geluidhinder ten gevolge van inrichtingsgeluid vormt aldus geen belemmering voor de uitbreiding van het agrarisch kinderdagverblijf van 36 naar 64 kindplaatsen.

4.6

Geur

4.6.1

Algemeen Een kinderdagverblijf moet op grond van de Wet geurhinder worden aangemerkt als een geurgevoelig object. Bij de realisatie van geurgevoelige objecten moet enerzijds worden aangetoond dat de te realiseren functie past binnen een aanvaardbaar leefklimaat en anderzijds dat de belangen van omliggende bedrijven onevenredig worden geschaad. Ter onderbouwing van de omgevingsvergunning van 24 mei 2017 is door EW MilieuAdvies een onderzoek uitgevoerd naar het aspect geur in de omgeving van het besluitgebied. De resultaten van dit onderzoek zijn van overeenkomstige toepassing op de voorliggende uitbreiding van het kinderdagverblijf. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 3 van deze onderbouwing. Het geuronderzoek dat in 2017 is uitgevoerd is door SAB geactualiseerd. Deze actualisatie is vastgelegd in een separate memo die is opgenomen in bijlage 4 van deze onderbouwing. Hieronder zijn de resultaten weergegeven.

4.6.2

Toetsing Aanvaardbaar woon- en leefklimaat In de gebiedsvisie geurhinder en veehouderij, behorende bij de in 2013 vastgestelde geurverordening en beleidsregel RO geurhinder en veehouderij, zijn de achtergronden voorgrondbelasting en de daarbij behorende kwalificaties ten aanzien van het woon- en leefklimaat in beeld gebracht. De onderstaande afbeeldingen zijn gebaseerd op de vergunningen zoals deze t/m 2012 zijn afgegeven. In de navolgende afbeelding zijn de uitsneden weergegeven voor wat betreft de planlocatie en omgeving.

28

Overzicht van geuremmissie in de nabijheid van het besluitgebied. De locatie van de ontwikkeling is globaal aangegeven met een blauwe cirkel. (bron: EW Milieu-Advies)

Op grond van deze figuur kan afgeleid worden dat (t/m 2012) er sprake is van een redelijk goed woon en leefklimaat ter plaatse van de planlocatie. Op grond van de classificatietabel 2.4 uit de gebiedsvisie (zie onderstaande figuur) kan de achtergrondbelasting op deze locatie worden afgeleid. Deze bedraagt 10-15 ouE/m3. Op grond van de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Bernheze kan worden geconcludeerd dat deze achtergrondbelasting voor ontwikkelingen in het buitengebied aanvaardbaar kan worden geacht (< 20 ouE/m3).

29

Uit verdere inventarisatie blijkt dat ten gevolge van verleende vergunningen sinds 1-12013 de achtergrondbelasting met ongeveer 0,3 ouE/m3 is toegenomen (zie afbeelding hieronder).

Inventarisatie van geuremissie o.b.v verleende vergunningen (bron: EW Milieu-Advies)

De in de gebiedsvisie berekende achtergrondbelasting voor de planlocatie bedroeg 10-15 ouE/m3. De berekende toename van de achtergrondbelasting met 0,3 ouE/m3 is dusdanig beperkt dat dit geen gevolgen heeft voor de hiervoor getrokken conclusies omtrent het aanvaardbaar woon- en leefklimaat en zal binnen de aanvaardbare grens van 20 ouE/m3 blijven liggen. Omliggende bedrijven Een agrarisch kinderdagverblijf dient te worden aangemerkt als een geurgevoelig object. Zolang het geurgevoelige object deel uitmaakt van de eigen inrichting (veehouderij), heeft dat geen gevolgen voor de eigen bedrijvigheid. Wel kan zo’n geurgevoelig object gevolgen hebben voor een naburige agrarisch bedrijven. Omdat het agrarisch kinderdagverblijf onderdeel zal uitmaken van een veehouderij geldt, op grond van art. 3.2 van de Wgv, alleen een afstandsnorm ten opzichte van omliggende veehouderijen. Deze afstandsnorm is 50 meter. Binnen deze afstand bevinden zich geen veehouderijen. Ook is binnen het geldende bestemmingsplan geen oprichting van een nieuw of uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijfsbebouwing mogelijk binnen deze afstand. Het agrarisch kinderdagverblijf zal dan ook de belangen van omliggende veehouderijen niet schaden.

30

Actualisatie geuronderzoek De resultaten van het geuronderzoek dat in 2017 door EW-Milieu is uitgevoerd is door SAB geactualiseerd. Deze memo is opgenomen in bijlage 4 van deze onderbouwing. In de memo wordt geconstateerd dat het geurbeleid (verordening Geurhinder en Veehouderij gemeente Bernheze 2013) in de afgelopen jaren niet is gewijzigd. Tevens wordt opgemerkt in de memo opgemerkt dat op ’t Broek 10 tot 2014 sprake van een tweede bedrijfswoning. Bij besluit van 18 september 2014 hebben burgemeester en wethouders van Bernheze voor deze bedrijfswoning een omgevingsvergunning verleend voor het omzetten van de agrarische bedrijfswoning naar plattelandswoning. Deze vergunning is inmiddels onherroepelijk. Aan ’t Broek 10 was oorspronkelijk ook een paardenhouderij gevestigd. Deze bedrijfsactiviteiten zijn inmiddels gestaakt. Gelet op een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van Staten, is ter plaatse van de aanduiding ‘Agrarisch bedrijf’, die krachtens het bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’ voor zowel ’t Broek 8 als ’t Broek 10 geldt, 7 slechts één agrarisch bedrijf toegestaan. Op grond van deze uitspraak bestaat er geen planologische mogelijkheid om de bedrijfsactiviteiten aan ’t Broek 10 te hervatten. Omdat de paardenhouderij aan ’t Broek 10 niet langer actief is, zijn er geen gevolgen voor het woon- en leefklimaat aan ’t Broek 8.

Het kinderdagverblijf heeft om deze reden ook geen invloed op de eventuele uitbreidingsmogelijkheden van de bedrijfsactiviteiten aan ’t Broek 10. In de memo wordt geconstateerd dat de conclusies van het geuronderzoek uit 2017 niet hoeven worden aangepast. 4.6.3

Conclusie In het geuronderzoek worden de volgende conclusies getrokken: 1 Realisatie van een agrarisch kinderdagverblijf schaadt de belangen van omliggende veehouderijen niet, voor wat betreft het aspect geur. Omdat er sprake is van een geurgevoelig object behorend bij een veehouderij gelden er zgn. afstandsnormen en wordt aan de vereiste afstanden tot andere veehouderijen ruimschoots voldaan. 2 Ook de belangen van het naastgelegen perceel ’t Broek 10 worden niet geschaad voor wat betreft het aspect geur, omdat de bedrijfsactiviteiten op deze locatie zijn gestaakt en op grond van het bestemmingsplan ‘Buiten gebied Bernheze’ niet mogen worden hervat. 3 Zowel op grond van de voor- als achtergrondbelasting kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat. Op grond van de ‘Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Bernheze’ wordt het woon- en leefklimaat ‘voldoende’ geacht voor de gewenste bestemming. 4 Het aspect geur staat een agrarisch kinderdagverblijf als onderdeel van de veehouderij ter plaatse dan ook niet in de weg.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=0fd63bda-9368-4291-8efb-c147df1405c2