ruimtelijke onderbouwing d.d. 23-11-2020
Tekst van het document
7
ABRvS 10 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3335, r.o. 41.5. 31
4.7
Luchtkwaliteit
4.7.1
Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Nederland kan niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.
Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Projecten die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft.
Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwsvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden.
32
4.7.2
Toetsing Door de uitbreiding van het kinderdagverblijf is er sprake van een toegenomen verkeersgeneratie. Het effect van het toegenomen aantal verkeersbewegingen op de luchtkwaliteit is getoetst aan de nibm-norm. De cijfers over de verkeersgeneratie zijn gebaseerd op de memo verkeer en parkeren die door SAB is opgesteld. Deze memo is als bijlage bij deze onderbouwing gevoegd. De nibm-norm houdt in dat een toege3 nomen emissie van stikstof en fijnstof onder 1,2 μg/m niet in betekende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. In onderstaande tabel staan de resultaten van de toetsing aan de nibm-norm.
Uitsnede van de resultaten van de nibm-tool
Goede ruimtelijke ordening Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is om het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Onderbouwd moet worden of ter plaatse van de locatie sprake is van acceptabele concentraties en een goed woon- en leefklimaat. In de publicatie Air Quality Guidelines (WHO) en het handboek voor een gezonde leefomgeving (GGD) zijn vanuit het oogpunt van gezondheid advieswaarden opgenomen voor fijnstof en stikstof. Deze waarden liggen lager dan de wettelijk grenswaar3 den. Voor stikstof en fijnstof (PM10) worden waarden gehanteerd van 20 μg/m , en 3 voor zeer fijnstof (PM2,5) van 10 μg/m . Raadpleging van de NSL-monitoringstool heeft aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen. In onderstaand schema zijn de jaargemid3 delde concentraties voor stikstof (NO2 μg/m ), fijnstof (pm10 μg/m3), zeer fijnstof 3 (pm2,5 μg/m ) en het aantal overschrijdingsdagen voor fijnstof in kaart gebracht.
33
NO2 μg/m3
PM10 μg/m3
PM2,5 μg/m3
14,6
19,3
11,4
Overschrijdingsdagen PM10 7
Overzicht luchtkwaliteit Rijkstraatweg (bron: Monitoring NSL 2019, meetjaar 2020).
Uit bovenstaand overzicht blijkt dat de luchtkwaliteit binnen het plangebied voldoet aan de wettelijke grenswaarden uit de Wet milieuhinder en aan grotendeels voldoet aan de normen die worden gesteld in de publicatie Air Qualitiy Guidlijkes van de WHO. De blootstelling aan luchtverontreiniging binnen het plangebied is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. 4.7.3
Conclusie Uit de berekeningen met behulp van de nibm-tool blijkt dat er geen overschrijding van de ‘nibm-norm’ plaatsvindt. Daarnaast blijkt uit raadpleging van de NSLmonitoringstool dat de achtergrondluchtkwaliteit ter plaatse van het besluitgebied geschikt is voor uitbreiding van het kinderdagverblijf. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarom geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.
4.8
Natuurwaarden
4.8.1
Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen.
4.8.2
Flora en Fauna De uitbreiding van het kinderdag verblijf heeft plaatsgevonden binnen een bestaande stal van het melkveebedrijf. Het betreft een zuiver interne verbouwing. Het bouwvolume van de stal is daardoor niet toegenomen. De ontwikkeling heeft hierdoor geen invloed op beschermde flora en fauna. Ook bij een zuiver interne verbouwing kan verstoring optreden van beschermde dier- en plantsoorten. De ontwikkeling heeft echter plaatsgevonden in een veestal die voor de verbouwing reeds in gebruik was. De verwachting is daardoor dat geen beschermde soorten in het gebouw aanwezig zijn. Het verstoringseffect van de ontwikkeling wordt om deze reden minimaal geacht.
4.8.3
Gebiedsbescherming en Stikstof Op grond van artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/of habitats
34
vastgesteld. Conform artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming is het verboden om projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op deze instandhoudingsdoelstelling van een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Verder geldt dat een plan, dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, door een bestuursorgaan pas vastgesteld kan worden indien een passende beoordeling is gemaakt (artikel 2.7 lid 1 Wet natuurbescherming). Een passende beoordeling kan achterwege blijven als significante gevolgen op voorhad kunnen worden uitgesloten. In dat kader is door SAB een stikstof berekening uitgevoerd waarin de stofdepositie ten gevolge van de uitbreiding van het kinderdagverblijf in beeld zijn gebracht. Het stikstofdepositieonderzoek is in bijlage 5 toegevoegd aan deze onderbouwing. De resultaten van het onderzoek zijn hieronder weergegeven. 4.8.4
Toetsing De berekeningen naar de stikstofdepositiebijdrage vanwege de aanlegfase en gebruiksfase van het project worden uitgevoerd met het programma Aerius Calculator 2020. De gehanteerde ‘grenswaarde’ voor de stikstofdepositie bedraagt 0,00 mol/hal/j. In het kader van een stikstofonderzoek kunnen significant negatieve effecten met deze waarde worden uitgesloten, waardoor het uitvoeren van vervolgonderzoeken niet aan de orde is en het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor de realisatie van een plan of project. Een hogere waarde wordt beschouwd als overschrijding en dient een nadere beschouwing. Aanlegfase Figuur 4 geeft een uitsnede van de Aerius 2020-berekening van de aanlegfase weer met rekenjaar 2018 en figuur 5 geeft een uitsnede van de Aerius 2019A-berekening van de aanlegfase weer met rekenjaar 2014.
35
Figuur 4 Resultaatblad Aerius 2020 aanlegfase met rekenjaar 2018
Figuur 5 Resultaatblad Aerius 2019A aanlegfase met rekenjaar 2014 Uit beide berekeningen van de aanlegfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Gebruiksfase Figuur 6 en geeft een uitsnede van de Aerius 2020-berekening van de gebruiksfase weer met rekenjaar 2018 en figuur 7 geeft een uitsnede van de Aerius 2019Aberekening van de gebruiksfase weer met rekenjaar 2015.
36
Figuur 6 Resultaatblad Aerius 2020 gebruiksfase met rekenjaar 2018
Figuur 7 Resultaatblad Aerius 2019A gebruiksfase met rekenjaar 2015 Uit beide berekeningen van de gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. 4.8.5
Conclusie Natuurwaarden vormen geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.
37
4.9
Verkeer en parkeren Door SAB is de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie van het in kaart gebracht in een memo verkeer en parkeren. Deze memo is opgenomen in Bijlage 6 van deze onderbouwing. De conclusies van de memo zijn hieronder weergegeven.
4.9.1 4.9.1.1
Verkeersgeneratie en ontsluiting Verkeersgeneratie Aan de hand van CROW-publicatie 381, d.d. december 2018, is de verkeersgeneratie bepaald voor de twee varianten. Aan de hand van de omgevingsadressendichtheid (CBS, 2019) wordt de stedelijkheidsgraad van een gemeente vastgesteld. De gemeente Bernheze is ‘weinig stedelijk.’ Onderhavige locatie wordt beschouwd als ‘buitengebied.’ In de meest noordelijk gelegen stal bedraagt de totale ruimte op de begane grond 287 2 2 m en op de 1e verdieping bedraagt de totale ruimte 149 m bvo. Dit brengt het totale bruto vloeroppervlak van het kinderdagverblijf in de meest noordelijk gelegen stal op 2 436m . Naast deze stal is er in de ‘grote stal’ in totaal een bruto vloeroppervlakte van 2 149 m in gebruik voor het kinderdagverblijf. Totaal bedraagt daarmee het bruto vloer2 oppervlak van het kinderdagverblijf 585 m . In onderstaande tabel is de totale verkeersgeneratie bepaald van het kinderdagverblijf. Functie
Aantal
Kencijfer (gem.)
Per
Kinderdagverblijf
5,85
37,4
100 m BVO
Verkeersgeneratie per etmaal
2
218,79
(crèche) Berekening verkeersgeneratie (bron: SAB)
Aan de hand van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat er gemiddeld vanwege het kinderdagverblijf 219 verkeersbewegingen per etmaal zullen worden gegenereerd. Het aandeel van de uitbreiding in de verkeersgeneratie bedraagt op basis van bovenstaande cijfers 55,7 verkeersbewegingen. 4.9.1.2
Ontsluiting De verkeersintensiteit op Het Broek is minimaal, daar de weg geen doorgaande functie heeft, maar alleen de woningen, bedrijven en percelen aan deze weg ontsluit. De gemeente heeft van deze weg, ter plaatse van de beoogde ontwikkeling, geen verkeersgegevens. Door de beperkte functie van de weg, kan gesteld worden dat de huidige intensiteit niet meer dan 100 motorvoertuigen per etmaal bedraagt. De capaciteit van een dergelijke weg bedraagt ca. 400 motorvoertuigen per etmaal. De verkeersgeneratie van het kinderdagverblijf zorgt niet voor een knelpunt met de capaciteit van de weg.
38
Overzicht rijroutes en parkeerterrein voor ouders, personeel en vrachtwagens weergegeven (bron: SAB). Het Broek is geen doorgaande weg, maar een weg die alleen velden en 4 agrarische bedrijven ontsluit. De gemeente heeft van deze weg, ter plaatse van de beoogde ontwikkeling, geen verkeersgegevens. Uitgaande dat per bedrijf (+bedrijfswoningen) 20 verkeersbewegingen worden gegenereerd zal de verkeersintensiteit, als al het verkeer 8 maar één kant op gaat, 80 verkeersbewegingen bedragen. De varkenshouderij aan ’t Broek 7 heeft een subsidie aangevraagd op grond van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen. Dit betekent dat de bedrijfsactiviteiten aan ’t Broek 7 op termijn zullen worden gestaakt. Het aantal verkeersbewegingen over ’t Broek zullen hierdoor in de toekomst dus afnemen. Het Broek is circa 3,6 meter breed. Uit waarnemingen blijkt dat er geen sprake is van bermschade. Ter plaatse is de bodem zandgrond. Hierdoor bedraagt de maximale ca9 paciteit van de weg 400 motorvoertuigen per etmaal. De verkeersgeneratie van het kinderdagverblijf zorgt niet voor een knelpunt met de capaciteit van de weg. De verkeersbewegingen ten behoeve van het kinderdagverblijf zijn afhankelijk van de haal- en brengtijden van de kinderen. In de ochtend worden de kinderen tussen 7:30 en 9:00 uur gebracht en aan het einde van de middag tussen 16:30 en 18:00 uur weer opgehaald.
Buiten deze tijden om heeft het kinderdagverblijf geen verkeeraantrekkende werking. Mede gelet op het feit dat niet al het verkeer langs de route van de Loosbroekseweg zal rijden, zal de verkeershinder naar aanleiding van het kinderdagverblijf voor de omwonenden beperkt blijven. De toegenomen verkeersintensiteit ten behoeve van het kinderdagverblijf doet om deze reden geen onevenredige afbreuk aan het woon- en leefklimaat van de nabij gelegen woning aan ’t Broek 10.
8
CROW-publicatie 381, Verkeersgeneratie.
9
CROW-publicatie 164d, Handboek wegontwerp 2013: Erftoegangswegen, tabel 7 - 4. 39
4.9.2
Parkeren De gemeente Bernheze beschikt over een Parkeernormennota gemeente Bernheze uit 2015. Een bouwplan moet worden getoetst aan een parkeernorm wanneer er sprake is van nieuwbouw of verbouw van een bestaand object of bij een functieverandering. Daarvan is in dit geval sprake. In de nota staat opgenomen dat een initiatiefnemer van een bouwplan verantwoordelijk is voor het realiseren van een eigen parkeeroplossing op eigen terrein. Gelet op het gemeentelijk beleid gelden voor het voorliggende projectgebied de volgende parkeernormen: Kinderdagverblijf buiten de bebouwde kom: 0,8 parkeerplaatsen per arbeidsplaats en 4 haal- brengplekken per lokaal/unit Kinderdagverblijf buiten de bebouwde kom: 1 fietsparkeerplaatsen per arbeidsplaats Met het begrip arbeidsplaats wordt aangegeven hoeveel medewerkers er maximaal tegelijkertijd aan het werk zijn. Bij een volle bezetting van het kinderdagverblijf zijn er maximaal 12 arbeidsplaatsen. Daarnaast geldt de norm van 4 haal- en brengplekken per lokaal/unit. In het agrarisch kinderdagverblijf zullen in totaal 5 lokalen zijn. Uitgaande van de parkeernormen van de gemeente resulteert dat in onderstaande resultaten. Kinderdagverblijf
Aantal
Parkeernorm
Parkeerbehoefte
Eenheid
Arbeidsplaatsen
12
0.8
9,6
auto’s
Lokaal/unit
5
4
20
auto’s
Arbeidsplaatsen
12
1
12
fietsen
Parkeerbehoefte volgens gemeentelijke Parkeernormennota (bron SAB)
Dit komt neer op, naar boven afgerond, 30 parkeerplaatsen voor auto’s en 12 fietsenstalplaatsen. De parkeerplaatsen voor auto’s zijn opgesplitst in 20 auto’s voor haal- en brengplekken en 10 auto’s voor het personeel. Aan de voorzijde beschikt het kinderdagverblijf reeds over 21 parkeerplaatsen en aan de achterzijde over 6 parkeerplaatsen. De parkeerplaatsen aan de voorzijde worden bij voorkeur door de bezoekers gebruikt en de parkeerplaatsen aan de achterzijde door het personeel. Aan de achterzijde is nog volop plek voor het creëren van extra parkeerplaatsen voor personeel. Voor het parkeren van fietsen is er volop ruimte op eigen terrein. Binnen het besluitgebied kan de toegenomen parkeerbehoefte worden opgevangen. Er wordt aan de hand van de gemeentelijke Parkeernormennota geen knelpunt geconstateerd. Parkeren gebeurt ook in de nieuwe situatie ten alle tijden op eigen terrein. 4.9.3
Conclusie De toegenomen verkeersgeneratie door de uitbreiding van het kinderdagverblijf leidt niet tot een knelpunt in de capaciteit van de omliggende wegen, of tot onevenredige hinder voor omwonenden. De toename van de parkeerbehoefte vormt grond van de
40
parkeernormen in het parkeerbeleid van de gemeente Bernheze geen belemmering, mits er wordt voorzien in drie extra parkeerplaatsen op eigen terrein.
4.10
Water De uitbreiding van het kinderdagverblijf heeft er niet toe geleid dat de verhardingen binnen het besluitgebied zijn toegenomen. Met de ontwikkeling worden dus geen waterhuishoudkundige belangen geraakt. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.
41
5 5.1
Economische uitvoerbaarheid Algemeen Het voorliggende project wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling en inrichting van de ontwikkelingslocatie zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeente heeft met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten zodat het opstellen van een exploitatieplan niet nodig is. Er is geen reden om aan de economische uitvoerbaarheid van het project te twijfelen. Onder de ontwikkelingskosten worden ook eventuele planschadeclaims verstaan. Om een inschatting te kunnen maken van de hoogte van de eventuele planschade is een planschaderisicoanalyse uitgevoerd. De resultaten van deze analyse zijn in de onderstaande paragraaf opgenomen.
5.2
Planschade Door SAB is voor de planologische ontwikkeling ten gevolge van de uitbreiding van het kinderdagverblijf een planschaderisico analyse uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat voor de naastgelegen woning aan ’t Broek 10 een zeer beperkt planologisch nadeel ontstaat voor de aspecten geluidshinder en verkeer. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 7 van deze onderbouwing.
42
6 6.1.1
Procedure Inspraak Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een uitgebreide omgevingsvergunningprocedure, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschappen en de provincie.
6.1.2
Zienswijzen Het ontwerpbesluit zal voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage worden gelegd. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.
43
Bijlagen Bijlage 1 – Bestektekening uitbreiding kinderdagverblijf Bijlage 2 – Akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 3 – Geuronderzoek Bijlage 4 – Memo actualisatie geuronderzoek Bijlage 5 – Stikstofdepositieonderzoek Bijlage 6 – Memo verkeer en parkeren Bijlage 7 – Planschade risicoanalyse
44