CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke Onderbouwing Bleekeseweg ongenummerd te Heesch

Commissie Ruimte en Leefbaarheid 17 september 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Bindend adviesrecht gemeenteraad vanwege buitenplanse omgevingsplanactiviteit Bleekeseweg ongenummerd, Heesch17.723 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

31

5.2.4 Ruimtelijke plannen • •

32

Er is bebouwing voorzien op gronden waar nu niet gebouwd mag worden. Het voorliggende initiatief is hiermee in strijd (activiteit bouwen). Het zonnepark kan niet binnen de bestemming ‘Agrarisch met Waarden – Leefgebied struweelvogels’ worden gerealiseerd. Voorliggende initiatief is hiermee in strijd (activiteit gebruik).

6. Beleid en regelgeving 6.1 Rijksbeleid en rijksregels 6.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die sinds 1 januari 2024 in werking is getreden. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio’s; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling landelijk gebied. Om de beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het afwegen en prioriteren van de verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen.

Toetsing Voor het voorliggende plan zijn prioriteit 1 en 4 van toepassing. Prioriteit 1: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Per prioriteit heeft het rijk verschillende beleidskeuzes gemaakt. Voor dit plan is beleidskeuze 1.4 relevant: “We realiseren de opgave van duurzame energie met oog voor de kwaliteit van de omgeving en combineren deze zo veel mogelijk met andere functies. Voor de inpassing op land van de opgave voor duurzame energie worden regionale energiestrategieën opgesteld.” Het rijk heeft bij de inpassing van duurzame energie voorkeur voor grootschalige clustering, vanwege het verminderen van de ruimtelijke afwenteling en de kostenreductie. Bewoners moeten goed betrokken worden, invloed hebben op het gebruik en waar mogelijk meeprofiteren van de opbrengsten. Verder moet aandacht worden besteed aan natuurinclusief ontwerp en beheer. Voor mogelijke locaties voor realisatie van zonnepanelen is in de NOVI de volgende voorkeursvolgorde opgenomen (ook wel bekend als de Zonneladder): 1. Zonnepanelen op daken en gevels van gebouwen; 2. Onbenutte terreinen in bebouwd gebied; 3. Landelijk gebied: slimme functiecombinaties, bij voorkeur op gronden met een andere primaire functie dan landbouw of natuur 4. Landbouw- en natuurgronden

33

Met het mogelijk maken van zonnepanelen op voormalige landbouwgrond worden de zonnepanelen gerealiseerd op een locatie die vanuit het rijk de minste voorkeur heeft. Uit onderzoek van De WarmteTransitieMakers en Pondera consult1, in opdracht van de RES Noordoost Brabant, is onderzoek gedaan naar de opwekpotentie van zonnepanelen op trede 1, 2 en 3 van de Zonneladder. Uit dat onderzoek blijkt dat de opwekpotentie van zonnepanelen op daken in de gemeente Bernheze 271TJ is. Uit datzelfde onderzoek blijkt dat de potentie voor zonnepanelen op restgronden nihil is (1TJ, >0,001). De totale energiebehoefte van Bernheze is volgens datzelfde rapport 3.041TJ. In de Duurzame energie agenda 2021-2025 van de gemeente Bernheze2 is opgenomen dat de gemeente in 2025 15% van de energiebehoefte duurzaam wil opwekken (456TJ) en in 2050 moet dit percentage 100% zijn. Dit houdt in dat de gemeente Bernheze met enkel zonnepanelen op daken en zonnepanelen op restgronden niet voldoende hernieuwbare energie kan opwekken om deze doelstellingen te voldoen. Er zijn daarom ook zonneparken op landbouwgrond (trede 4 van de zonneladder) en/of windturbines nodig. In de RES Noordoost Brabant is de opgave voor de gemeente Bernheze 0,06TWh in 2030. Zonnepanelen op woningdaken zijn geen onderdeel van deze doelstelling. Zonnepanelen op grootschalige daken (>15kWp) zijn wel onderdeel van deze opgave.

Uit het eerder aangehaalde rapport van De WarmteTransitieMakers en Pondera consult blijkt dat de potentie van zonnepanelen op grootschalige daken 0,95TWh is. In de RES heeft de regio een opgave van 0,4TWh aan zonnepanelen op grootschalige daken opgenomen. De RES-regio gaat er dus vanuit dat in 2030 47% van de potentie van zonnepanelen op grootschalige daken wordt benut. Het is namelijk niet realistisch om te verwachten dat de volledige potentie al in 2030 wordt gerealiseerd. Voor de gemeente Bernheze komt 47% van de potentie van zonnepanelen op grootschalige daken neer op 91,7TJ (0,025TWh). Aangezien de potentie op restgronden nihil is, zijn er ook zonneparken op landbouwgrond (trede 4 van de zonneladder) en/of windturbines nodig om de RES-doelstelling van de gemeente te behalen. De gemeente heeft aangegeven ervoor te kiezen om de RES-doelstelling van 2030 in te vullen met zonneparken in plaats van windturbines. Landbouwgebieden zijn daarnaast bij uitstek gebieden waar grootschalige clustering mogelijk is, een andere ambitie van het rijk. Verder volgt vanuit de beoordeling gedaan in de gemeentelijke selectieprocedure dat deze locatie de meest geschikte en haalbare is voor een zonnepark in de gemeente Bernheze.

Hierin zijn de volgende vier aspecten meegenomen: de opwekking van duurzame energie, de impact op het ruimtegebruik, de impact op de leefomgeving en de impact op het landschap. Op het plangebied wordt ingezet op meervoudig ruimtegebruik in combinatie met natuur. Prioriteit 4: Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Nederland gaat voor een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Dit betekent dat landgebruik in balans wordt gebracht met natuurlijke systemen en ontwikkelingen in het landelijk gebied niet ten koste gaan van de landschappelijke kwaliteiten. Het rijk heeft de beleidskeuze gemaakt dat er een duurzaam en vitaal landbouw- en voedselsysteem mogelijk moet worden gemaakt. Dit betekent onder andere dat vruchtbare landbouwgronden of 1 2

Energieverbruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant Duurzame energie agenda gemeente 2021-2025 Bernheze

34

gebieden met hoge landschappelijke of natuurlijke waarden niet worden bebouwd of vol gelegd met zonnepanelen. In sommige gevallen kan een transformatie van het landelijk gebied nodig zijn. Dit gaat alleen in combinatie met gebiedsprocessen waar in overleg met betrokken partijen nieuwe afspraken worden gemaakt over de indeling en combinatie van functies in het landelijk gebied. Een tweede beleidskeuze van het rijk is om de unieke landschappelijke kwaliteiten te versterken en beschermen en ervoor te zorgen dat nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied landschapskwaliteit toevoegen. Aan de locatiekeuze voor het zonnepark ligt een uitgebreide afweging ten grondslag. Uit de gemeentelijk selectieprocedure is dit project geselecteerd als een geschikte en haalbare locatie voor een zonnepark. Dit betekent dat voor deze percelen de keuze is gemaakt voor een transformatie van het landelijk gebied, om te kunnen voorzien in de benodigde hoeveelheid duurzame energie om de gemeente Bernheze energieneutraal te kunnen maken. Door middel van een landschapsplan opgesteld door een onafhankelijke landschapsarchitect wordt gewaarborgd dat bij het ontwerp van het zonnepark aandacht is voor landschappelijke kwaliteit.

6.2 Provinciaal beleid en provinciale regels 6.2.1 Omgevingsverordening Noord-Brabant De Omgevingsvisie Brabant spreekt over een basisopgave en vier hoofdopgaven. De basisopgave is het vinden van een balans tussen beschermen en benutten. De vier hoofdopgaven zijn: • Werken aan de Brabantse energietransitie • Werken aan een klimaatproof Brabant • Werken aan de slimme netwerkstad • Werken aan een concurrerende, duurzame economie Er is een doelstelling van 50% duurzame energie in 2030, en 100% in 2050. Daarbij wordt uitgegaan van meervoudig en zorgvuldig ruimtegebruik, en het zoeken naar koppelkansen met andere maatschappelijke opgaven. Eén van de eisen uit de Omgevingsverordening is dat gemeenten een eigen beleid moeten hebben opgesteld alvorens ze zonneparken kunnen toestaan. Uit dit beleid moet blijken dat zonneparken nodig zijn om aan de doelstellingen te voldoen, en dat er een zorgvuldige afweging is gemaakt van de locaties binnen de gemeente die voor zonneparken kunnen worden gebruikt. In artikel 5.54 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant staan de provinciale regels aangaande zonneparken in landelijk gebied beschreven. Lid a: Een zonnepark in het landelijke gebied is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat er onvoldoende duurzame energie opgewekt kan worden op lagere treden van de zonneladder.

Lid b: Het zonnepark moet passen in de gewenste ontwikkelingsrichting, zoals bedoeld in artikel 5.12 van de omgevingsverordening en er moet inzicht worden geboden in welke maatregelen er worden getroffen om de impact op de omgeving te beperken. In de Omgevingsvisie Bernheze worden verschillende landschappen onderscheden. Per landschapstype heeft de gemeente uitgewerkt wat de leidende principes zijn voor het desbetreffende landschap. De ontwikkelingsrichting van het gebied waarin dit zonnepark ligt kan worden opgehangen aan de leidende principes van het desbetreffende

35

landschap uit de Omgevingsvisie. De locatie van dit zonnepark ligt in het landschap ‘Dekzandlandschap’. De leidende principes, die relevant zijn voor dit initiatief, zijn: ▪ Gezonde leefomgeving: Bereikbaar, veilig en toegankelijk per fiets en wandelen; Aantrekkelijk landschap met houtwallen, zandwegen, natuurlijke perceelranden & waterlopen; Zorg bij de boer. ▪ Klimaat en (herstel) biodiversiteit: Grondwaterpeil 20 – 30 centimeter omhoog en meer water vasthouden en infiltreren; Waterberging; Natuurvriendelijke oevers rondom de hoofdwatergangen; Meanderen van hoofdwatergangen; Landschap en biodiversiteit beschermen en versterken in perceelranden en in de GGS; Aandacht voor waterkwaliteit. ▪ Kwaliteit landschap & erfgoed: Houtwallen en zandwegen; Rivierkommen. Aandacht voor het bodemleven.

Afbeelding 15: Droombeeld Dekzandlandschap Bernheze 2050 (Omgevingsvisie Bernheze)

Lid c: De ontwikkeling van een zonnepark moet een maatschappelijke meerwaarde hebben, waaronder de mogelijkheid voor de omgeving om te participeren. Lid d: Er moet geborgd zijn dat het zonnepark tijdelijk is, maximaal 25 jaar. Lid e: Er moet juridisch en financieel geborgd zijn dat na het verstrijken van de termijn de opstelling voor zonne-energie en de daarbij behorende voorzieningen, worden verwijderd. Lid f: Het zonnepark moet passen binnen de regionale afspraken. Lid g: De ontwikkeling moet afgestemd zijn met de netwerkbeheerder.

6.2.2 Provinciale Zonneladder Zonneparken in het landelijk gebied zijn toegestaan als onderzoek aantoont dat de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie niet behaald kunnen worden met: ▪ Andere vormen van duurzame energie; ▪ Binnen stedelijk gebied;

36

▪ ▪

Door meervoudig ruimtegebruik in landelijk gebied of binnen bestaand ruimtebeslag op bouwpercelen; Op gronden aansluitend op stedelijk gebied.

Toetsing De gemeente Bernheze heeft een eigen beleid voor zonneparken. Zowel binnen dit beleid als binnen de RES is een duidelijke afweging gemaakt voor de noodzaak van grootschalige opwek van zonneenergie op trede 4 van de Zonneladder. Het project Zonnepark Bleekseweg is door de gemeente in haar selectieronde verkozen. Een uitgebreid participatietraject is voor dit project doorlopen, zoals beschreven wordt in hoofdstuk 4. Lid a: de percelen waarop het zonnepark wordt gerealiseerd zijn momenteel in gebruik als grasland. De percelen zijn minder geschikt voor intensieve agrarische activiteiten. Daarnaast is de landschappelijke inpassing afgestemd met het waterschap en het IVN zodat het zonnepark bijdraagt aan het versterken van de ecologische verbindingszones en het Natuur Netwerk Brabant. Er is daarom sprake van meervoudig ruimtegebruik in het landelijk gebied. Ook zijn de mogelijkheden binnen stedelijk gebied en grenzend aan stedelijk gebied beperkt. Dit is in bijlage K verder onderbouwd. Ook zijn de andere vormen van duurzame energie niet voldoende om te opgave in te vullen, mede doordat de gemeente zonneparken boven windturbines verkiest. Hiermee is aangetoond dat dit zonnepark initiatief nodig is voor het behalen van de duurzaamheidsdoelstellingen.

Lid b: het zonnepark past in de ontwikkelingsrichting van het landschap ‘Dekzandlandschap’ zoals de gemeente dit weergeeft in de Omgevingsvisie. Zo bevat het zonnepark een wandelpad, worden er houtwallen gerealiseerd en worden er maatregelen genomen voor ecologie en biodiversiteit. Meer hierover is beschreven in de paragrafen 3.2 en 3.3. In het ‘droombeeld’ van het dekzandlandschap zijn ook zonneparken opgenomen. Lid c: het zonnepark creëert meerwaarde voor de omgeving door bij te dragen aan maatschappelijke ambities en doelen die in de gemeentelijke Omgevingsvisie zijn opgenomen (paragraaf 3.3). Daarnaast heeft de omgeving de mogelijkheid om financieel te participeren in het zonnepark (paragraaf 4.2.6). Lid d: de omgevingsvergunning die wordt aangevraagd is voor een periode van 25 jaar. Hiermee is gewaarborgd dat het zonnepark tijdelijk is. Lid e: zowel met de grondeigenaar als de gemeente is contractueel vastgelegd dat het zonnepark na exploitatie wordt ontmanteld. Voor de ontmanteling wordt een ontmantelingsborg opgebouwd. Lid f: het zonnepark past binnen de afspraken uit de Regionale Energie Strategie (RES) Noordoost Brabant (paragraaf 6.4). Lid g: in november 2022 is een offerte aangevraagd voor een nieuwe aansluiting voor het zonnepark. Enexis heeft aangegeven op dat moment niet over transportcapaciteit te beschikken. De aanvraag is daarom op de interesselijst geplaatst.

De aansluiting zal gebeuren op een station dat valt onder hoofdstation Oss. Enexis geeft aan dat verzwaring van station Oss gepland staat voor 2028-2030 en dat deze verzwaring voldoende zal zijn om aan alle aanvragen op de interesselijst te voldoen. In de beleidsnota Zonne-energie (2021) geeft de gemeente aan dat slechts 9% van de elektriciteitsbehoefte van Bernheze uit zonnepanelen op daken worden gehaald. Uit onderzoek van Pondera Consult en Warmte Transitie Makers, in opdracht van de RES Noordoost Brabant blijkt dat de potentie voor zon op dak en restgronden in de gemeente Bernheze beperkt is. In dit onderzoek zijn 37

restgronden geluidsschermen, stortplaatsen, spoorbermen en braakliggende terreinen. Daarnaast bevinden er zich geen (industriële plassen in de gemeente Bernheze).

6.3 Omgevingswaarden Een omgevingswaarde is een van de instrumenten waarmee overheden het beleid van een omgevingsvisie kunnen uitvoeren. Hiermee kan de gemeente, provincie of het Rijk de kwaliteit vastleggen die ze voor de fysieke leefomgeving wil bereiken. Deze kwaliteit moet objectief vast te stellen en meetbaar zijn. Omgevingswaarden van het Rijk volgen vaak uit Europese of andere internationale verplichtingen. De rijksomgevingswaarden staan in hoofdstuk 2 van het Besluit kwaliteit (Bkl). Het Rijk heeft in het Bkl, op grond van artikel 2.15 lid 1 van de Omgevingswet, omgevingswaarden vastgesteld voor: • Luchtkwaliteit • Kwaliteit van het oppervlaktewater en het grondwater • Zwemwaterkwaliteit • Veiligheid primaire waterkeringen • Veiligheid van andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk De provincie is verplicht om omgevingswaarden te stellen voor watersystemen. Dit staat in artikel 2.13 van de Omgevingswet. De provincie stelt omgevingswaarden vast in de omgevingsverordening. Het gaat om: • De veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, die niet in beheer zijn bij het Rijk • De gemiddelde kans op overstroming per jaar van aangewezen gebieden vanwege de bergings- en afvoercapaciteit van regionale wateren Los van deze verplichtingen mogen gemeenten, Rijk en provincies ook voor andere onderwerpen omgevingswaarden stellen.

Gemeenten mogen alleen omgevingswaarden vaststellen op terreinen waar Rijk of provincie geen omgevingswaarden hebben vastgesteld. De gemeente zet de omgevingswaarden in het omgevingsplan. Een andere mogelijkheid die de regelgeving biedt is dat een gemeente of provincie voor luchtkwaliteit aanvullende of strengere omgevingswaarden vastlegt dan die het Rijk heeft vastgesteld. Voor omgevingswaarden voor waterkwaliteit die het Rijk heeft vastgesteld mag alleen de provincie aanvullende waarden vastleggen. Wanneer een overheid een omgevingswaarde heeft vastgesteld dan is die overheid verplicht om te meten en te beoordelen of aan die waarde wordt voldaan (artikel 20.1 Omgevingswet). Wordt de waarde niet gehaald of dreigt niet te worden gehaald, dan moet de overheid een zogenoemd programma bij (dreigende) overschrijding vaststellen. In dat programma staan dan de acties van de overheid om de omgevingswaarde alsnog te halen. Uitgangspunt is dat de gemeente (of het waterschap) verantwoordelijk is voor het opstellen van een programma bij dreigende overschrijding van de omgevingswaarde. Ook als het Rijk of de provincie die waarde heeft vastgesteld. 38

Toetsing De verschillende omgevingswaarden en hun toetsing zijn terug te vinden in de paragrafen van hoofdstuk 7.

6.4 Regionaal beleid 6.4.1 RES 1.0 De RES is een regionale samenwerking waarin verschillende gemeentes gezamenlijk doelstellingen bepalen voor 2030 en 2050 om daarmee energieneutraliteit te behalen.

Afbeelding 16: Uitsnede RES NOB 1.0 definitief, februari 2020

Bernheze valt binnen de regio Noordoost Brabant. Volgens de RES 1.0 is het energieverbuik van de regio circa 58,3 PJ per jaar. Voor Bernheze specifiek is dit circa 3041 TJ, een aandeel van zo’n 5,2%. Er is voor Bernheze nog een te realiseren opgave van 0,06TWh, waarvan 0,02TWh in de pijplijn zit. De resterende opgave zal door middel van grote zonnedak projecten en projecten wind en zon op land worden gerealiseerd. De conclusie, welke ook in paragraaf 6.1 in te lezen, is dat grootschalige opwek van duurzame energie nodig is om de doelstellingen te behalen. Bovendien moet rekening worden gehouden met een stijgende elektriciteitsvraag.

6.4.2 RES Voortgangsrapportage In juni 2023 is de Voortgangsrapportage RES Noordoost Brabant gepubliceerd. De 10 gemeenten in de regio bevinden zich in verschillende stadia van uitvoering. Gemeenten sturen in de uitvoering met name op het realiseren van het eigen deel van het RES-bod. Om het bod te realiseren ligt de nadruk op zon op land en zon op dak en waar mogelijk wind. De mogelijkheden voor wind zijn in sommige gemeenten beperkt door luchtvaartbeperkingen, door de impact op de omgeving, of door het ontbreken van maatschappelijk draagvlak. Er moet worden gecontinueerd en versneld. Op dit moment is het nog te vroeg om te zeggen of de regio het bod van 1,6 TWh wel of niet gaat halen.

6.4.3 RES Noordoost-Brabant: Achtergronddocument landschap In het achtergronddocument landschap worden vanuit de RES richtlijnen gesteld voor landschappelijke inpassing. Deze volgen op die van de provincie. Gemeentes wordt aangespoord een solide eigen beleid op te stellen.

Toetsing Het project Zonnepark Bleekseweg draagt bij aan de doelstellingen in de RES. De aanbevelingen voor het landschap worden gevolgd op basis van het gemeentelijk beleid.

39

6.5 Beleid Waterschap Het beleid van het Waterschap is vastgelegd in de Waterschapsverordening, welke is gekoppeld aan de Legger. Hierin staan regels die de watersituatie in Nederland in stand houden en bevorderen. Om het toetsen aan deze regels gemakkelijk te maken is de Digitale Watertoets ontwikkeld. Voor de projectlocatie is een Watertoets uitgevoerd. Hieruit komen drie aandachtspunten: 1. Geen gebruik maken van uitlogende materialen 2. Advies vertraagd afvoeren van eventueel geborgen water 3. Advies inrichtingsmaatregelen ter verbetering van de oppervlaktewaterkwaliteit

Toetsing Bij het zonnepark wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen. Zie voor een toelichting hierop ook paragraaf 7.11 over bodemkwaliteit, en de bijbehorende bijlagen over Verontreiniging. De adviezen voor het vertraagd afvoeren van geborgen water zijn niet van toepassing omdat de waterberging die wordt toegepast op het paneelveld en in poelen en sloten gebeurt in plaats van in een grootschalige borgingseenheid. Het advies voor de inrichtingsmaatregelen ter verbetering van oppervlaktewaterkwaliteit worden gevolgd bij de inrichting van de natuuroever en poelen. De bestaande watergangen worden behouden. Voor het onderhoud hiervan worden onderhoudsstroken vrijgelaten langs de randen. Tenslotte is met het Waterschap gesproken over het project, en hebben zij aangegeven geen verdere belangen te hebben.

6.6 Gemeentelijk beleid 6.6.1 Omgevingsvisie Bernheze 2040 De Omgevingsvisie Bernheze 2040 is de gemeentelijke visie op de fysieke leefomgeving. In de Omgevingsvisie wordt de gemeente in eerste instantie opgedeeld in drie gebieden: A. Peelhorst B. Dekzandgebied C. Beekdallandschap Vervolgens wordt naar die drie gebieden gekeken op basis van vijf strategische thema’s: 1. Gezonde leefomgeving 2. Leefbare kernen 3. Klimaatadaptatie en herstel biodiversiteit 4. Vitale en duurzame landbouw en economie 5. Kwaliteit landschap en erfgoed Per thema en gebied wordt uitgebreid ingegaan op de ambities van de gemeente voor de fysieke leefomgeving.

6.6.2 Beleidsnota zonne-energie gemeente Bernheze De beleidsnota zonne-energie gaat over duurzame opwek met behulp van zonne-energie in de gemeente. Uit de nota wordt duidelijk dat de opgave van de gemeente Bernheze niet kan worden behaald met zon-op-dak alleen.

40

Stel dat Bernheze in de toekomst haar volledig potentieel benut, dan is zo’n 9% van de energiebehoefte van onze gemeente voldaan via zon op dak. Daarbij is dan nog geen rekening gehouden met een toenemende vraag naar elektrische energie door bijv. elektrisch rijden of om onze huizen elektrisch te verwarmen.

6.6.3 Ruimtelijk beleid zonneparken De specifieke voorwaarden voor zonneparken zijn door de gemeente Bernheze opgenomen in het beleidsstuk “Zonneparken Bernheze: Ruimtelijk beleid zonneparken”. De gemeente geeft hierin aan in de jaren 2020 tot 2024 open te staan voor initiatieven voor grootschalige zonneparken. De gemeente Bernheze heeft het beleidsstuk opgesteld om nieuwe initiatieven voor grootschalige zonne-energie installaties te kunnen toetsen. In navolging van de zonneladder wordt prioriteit gegeven aan het stimuleren van zon-op-dak en het gebruik van braakliggende gronden en andere ‘no regret’-locaties. De verwachte opwek die hieruit gehaald kan worden zal echter onvoldoende zijn voor het behalen van de doelstellingen. Daarom moet er ook worden gekeken naar grootschalige duurzame opwek met zonneparken. De voorkeur gaat uit naar locaties langs infrastructuur en in pauzelandschappen. Hierbij dient aandacht te worden besteed aan meervoudig ruimtegebruik, bijvoorbeeld door combinaties met waterberging, natuur- en landschapsontwikkeling en/of creatie. Verder is een goede landschappelijke inpassing van belang. Hiertoe zijn per landschapstype een aantal inpassingsprincipes opgesteld. Er wordt gezocht naar locaties waar meervoudig ruimtegebruik mogelijk is.

Tenslotte is het gebruik van productieve landbouwgronden voor zonneparken in principe uitgesloten, maar kan worden toegestaan wanneer omkeerbaarheid naar agrarisch grondgebruik kan worden gegarandeerd.

Afbeelding 17: De projectlocatie (rood) binnen de gemeentelijke beleidskaart

41

Toetsing De toetsing aan de 5 thema’s van de Omgevingsvisie is uitgewerkt in paragraaf 3.3. Het voorliggend initiatief sluit goed aan bij de Omgevingsvisie. Het Ruimtelijk beleid zonneparken is gebruikt als basis voor het ontwerp. Dit is reeds gebeurd voor het principeverzoek tijdens de selectieprocedure, waar de gemeente het project tevens aan dit beleid heeft getoetst. Tijdens de participatiefase zijn verschillende aanpassingen aan het ontwerp gedaan naar aanleiding van opgehaalde belangen. Deze aanpassingen zijn ook door de gemeente getoetst op hun beleid. Het voorliggend initiatief sluit goed aan bij het Ruimtelijk beleid zonneparken. Met het oog op de onrust die is ontstaan over windmolens in de gemeente, en het daaropvolgende voornemen van de gemeente om hun doelstelling in te vullen met behulp van de drie geselecteerde zonneparken, sluit voorliggend initiatief goed aan bij de wensen en ambities van de gemeente op het gebied van grootschalige duurzame opwek.

42

7. Aspecten fysieke leefomgeving 7.1 Milieueffectrapportage (M.E.R.) Voor ieder project dient het bevoegde gezag zich ervan te vergewissen dat activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Dit komt erop neer dat voor elk besluit of voor elk plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de lijst uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit, moet worden nagegaan of de verplichting bestaat ten aanzien van die activiteiten om een M.E.R. op te laten stellen. Hiervoor moet een toets worden uitgevoerd om te zien of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Deze toets kan tot twee conclusies leiden: A. Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: in dat geval is geen M.E.R.-beoordeling vereist; of B. Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: in dat geval moet wel een M.E.R.-beoordeling plaatsvinden of kan direct een M.E.R. opgesteld worden. De toetsing in het kader van de M.E.R.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van de potentiële effecten.

Toetsing De ontwikkeling betreft de realisatie van een zonnepark op agrarische gronden. Een zonnepark valt niet onder de categorieën C1, J11 of J12 uit bijlage V van het Omgevingsbesluit. Hierover heeft de Raad van State uitspraak gedaan in zaak 201807860/1/A1. Het plan is daarmee niet M.E.R.-plichtig. Gelet op de kenmerken van het project zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Het plan ligt niet in de nabijheid van een Natura2000 gebied en zal daar geen negatief effect op hebben.

7.2 Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor Duurzame Verstedelijking is vastgelegd in het Besluit Ruimtelijke Ordening (BRO) in artikel 3.1.6, lid 2. Doel van de Ladder Duurzame Verstedelijking is dat een goede ruimtelijke ordening plaatsvindt door optimale benutting van ruimte in stedelijk gebied en dat een zorgvuldige afweging plaatsvindt in een transparant proces voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen.

Toetsing Het aanleggen van een grootschalig grondgebonden zonnepark op de huidige agrarische percelen is geen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Uit eerdere uitspraken van de Raad van State3 blijkt dat soortgelijke projecten - die niet tot leegstand van bestaande bebouwing leiden - niet als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het BRO kunnen worden aangemerkt. Een (verdere) toets aan de Ladder Duurzame verstedelijking is daarom niet nodig.

3

Uitspraken 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:178 en 23 oktober 2019 ECLI:NL:RVS:2019:3591

43

7.3 Duurzaamheid Met de aanleg van het zonnepark wordt bijgedragen aan de ambitie van de gemeente om te komen tot 100% duurzaam opgewekte energie in 2050. Daarnaast wordt meervoudig ruimtegebruik toegepast op het gebied van ecologie, landbouw, water en recreatie. Zie hiervoor ook paragraaf 3.2.2.

Toetsing Bij de aanleg van het zonnepark worden geen materialen gebruikt waarbij sprake is van uitloging. Gedurende een periode van 25 jaar kan het aflaten van mestgebruik ervoor zorgen dat de projectlocatie kan herstellen en er een ecologisch uitgebalanceerd gebied ontstaat. De transformatie van een intensief gebruikt landbouwgebied naar een zonnepark met ontwikkeling van inheemse bloem‐ of kruidenrijke graslanden met verschralingsbeheer zal een sterke ecologische winst opleveren ten aanzien van de huidige landbouwkundige situatie. Afgeschreven zonnepanelen vallen onder de EU-wetgeving voor elektronisch afval, zoals die geldig is voor bijvoorbeeld televisietoestellen en magnetrons. De wet schrijft voor dat leveranciers verantwoordelijk zijn voor de afvoer en verwerking van afgeschreven panelen. In het verleden kon een producent van zonnepanelen een PVCycle certificaat verkrijgen als bewijs dat hun zonnepanelen recyclebaar waren. Ook kon via deze weg een terugnamegarantie worden verkregen. Sinds 1 maart 2021 is dit echter gewijzigd, doordat het Rijk deze opgave heeft overgenomen. Hiervoor is Stichting Open opgericht, waarbij het verplicht is voor producenten van zonnepanelen om zich hierbij aan te melden. Ook van een terugnamegarantie is niet langer sprake; de producent betaalt een afvalbeheerbijdrage, en Stichting Open haalt de panelen op.

De leveranciers waar we mee werken (Jinko, Longi, JA Solar) zijn allen aangesloten bij Stichting Open: https://www.stichtingopen.org/en/overview-of-producers/.

7.4 Gezondheid Gezondheid gaat om twee aspecten: het beschermen van de gezondheid en het bevorderen van de gezondheid. Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen.

7.4.1 Beschermen van gezondheid Elektromagnetische straling Niet-technische samenvatting Bij de bouw van het zonnepark worden enkel zogenoemde ‘industrial grade’ componenten en elektronische apparaten gebruikt die voldoen aan alle Europese en internationale normen en richtlijnen. Eventuele elektromagnetische emissie blijft onder de grenswaarden die in Nederland worden gehanteerd. Doordat het dichtstbijzijnde emissiepunt minimaal vier meter binnen het hekwerk van het zonnepark is gelegen, is de emissie buiten het zonnepark nihil.

De uitzending van elektromagnetische velden door technische apparatuur kan effect hebben op mens en omgeving. Elektromagnetische velden worden door alle elektrische apparaten geproduceerd en 44

zijn in elk huishouden aanwezig. Om de emissie hiervan zoveel mogelijk te beperken zijn tal van studies uitgevoerd en internationale en Europese richtlijnen opgesteld voor de productie van technische apparatuur. Binnen de context van elektromagnetische emissie is vooral de volgende richtlijn van belang: “EN61000-6-4:2007 Electromagnetic compatibility (EMC) - Part 6-4: Generic standards - Emission standard for industrial environments (IEC 61000-6-4:2006 + A1:2010)” Kronos Solar maakt bij de bouw van zonneparken enkel gebruik van zogenoemde ‘Industrial grade’ componenten en elektronische apparaten die voldoen aan de Europese en internationale normen en richtlijnen. Deze zijn aangemerkt als veilig voor gebruik. Het Fraunhofer Instituut (Europa’s grootste organisatie voor toegepast wetenschappelijk onderzoek) heeft de volgende tabellen gepubliceerd waarin de elektromagnetische emissie van PV-systemen wordt geïllustreerd.

Fluxdichtheid van een fotovoltaïsch systeem Bron van emissie

Afstand

Fluxdichtheid (µT)

Type

Enkel aderige kabel, gelijkstroom, 3 Ampère Enkel aderige kabel, wisselstroom 0,3A/0,03A

10 cm 1m 10 cm 1m

6 0,6 06,/0,06 0,06/0,006

Gelijkstroom magnetisch veld Wisselstroom magnetisch veld

Tabel 1: Fluxdichtheid van een PV-systeem; Bron: Fraunhofer Institute, Germany, Christian Märtel, hyperlink: www.Photovoltaik-Web.de

In Nederland is het advies dat de fluxdichtheid niet hoger dan 0.4 μT mag liggen in gevoelige gebieden. Tabel 1 laat zien dat de emissie zeer snel afneemt zodra de afstand groter wordt. Op één meter afstand zijn de waardes reeds zo laag dat ervan uit kan worden gegaan dat de emissie buiten het park nihil is. Het dichtstbijzijnde emissiepunt ligt vijf meter binnen het hekwerk van het park.

Veldsterkte van een fotovoltaïsch systeem Bron van emissie

Afstand

Veldsterkte (V/m)

Type

Zonnepaneel oppervlak, Transformator loze omvormer Zonnemodule gebied, omvormer met transformator

10 cm 1m 10 cm 1m

350 17 18 0,8

Wisselstroom elektrisch veld Wisselstroom elektrisch veld

Tabel 2: elektrische velden van een PV-Systeem; Bron: Fraunhofer Institute, Germany, Christian Märtel, hyperlink www.Photovoltaik-Web.de

Voor elektrische velden bij wisselspanning is de toegestane kracht maximaal 10V/m gedurende de nacht in een slaapomgeving en 20V/m gedurende de dag. Tabel 2 laat zien dat zelfs in de directe omgeving van de elektrische componenten deze waarden reeds zeer laag zijn (1 meter – 17V/m) en bevindt zich tussen de toegestane waardes van 10V/m en 20V/m. Buiten het park zijn deze waardes nihil, doordat de afstand vanaf het dichtstbijzijnde elektronische component tot aan de omheining minimaal 150 meter is. De elektromagnetische straling van een zonnepark is enkel afkomstig van de omvormers. De overige componenten in het park hebben geen significante straling. Marktleider SMA Solar Technology heeft een onderzoek laten uitvoeren om inzicht in het stralingsniveau van omvormers (de 45

transformatorhuisjes die in een zonnepark worden geplaatst) te krijgen. Conclusie daaruit is dat de omvormers in een zonnepark zijn enkel gedurende de dag in gebruik en worden niet in de nabijheid van mensen ‘gebruikt’. Over het algemeen gedragen PV-omvormers zich niet anders dan typische elektronische huishoudelijke apparaten (zie hiervoor ook onderstaande grafiek). De PV-omvormers die Kronos Solar gebruikt voldoen daarnaast altijd aan de strengste eisen (EG richtlijn van 12 Juli, 1999 - betreffende de beperking van blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden van 0 Hz — 300 GHz4 ).

Figuur 1: Vergelijking van stralingsbronnen

In de bovenstaande grafiek zijn enkele elektrische apparaten met elkaar vergeleken op basis van procentuele stralingsbronnen. De twee geteste omvormers zijn aangegeven als Sunny Boy en Sunny Beam, twee omvormers die door marktleider SMA Solar Technology veelvuldig worden gebruikt voor zonneparken. Ook andere studies hebben deze uitkomsten bevestigd.

7.4.2 Bevorderen van gezondheid De lokale gezondheid hangt nauw samen met de gezondheid van de fysieke leefomgeving: waterkwaliteit, luchtkwaliteit en omgevingskwaliteit. Eén van de ambities van de gemeente Bernheze in haar Omgevingsvisie is de ontwikkeling van Groene Gezonde Structuren: Omstandigheden creëren waarin mensen in een aantrekkelijke groen-blauwe omgeving hun gezondheid kunnen bevorderen door bewegen, sporten, spelen, ontspannen of ontmoeten (zie ook paragraaf 3.3.1). Het zonnepark Bleekseweg speelt hier op verschillende manieren op in: •

De waterkwaliteit wordt verbeterd doordat 25 jaar lang de percelen niet agrarisch worden gebruikt. Hierdoor komen geen meststoffen of bestrijdingsmiddelen in het watersysteem terecht. De waterkwaliteit wordt verder bevorderd door de aanleg van een natuuroever aan de zuidzijde en twee poelen;

4 http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:31999H0519&from=EN

46

• • • •

•

Het zonnepark heeft geen uitstoot en daarom geen negatief effect op de lucht. De diverse groenaanplant zorgt voor een verbetering van de luchtkwaliteit; Doordat agrarisch gebruik en daarmee bemesting voor 25 jaar worden gestopt wordt geuroverlast vermindert; Doordat agrarisch gebruik en daarmee de inzet van tractoren en ander groot materieel voor 25 jaar worden gestopt wordt geluidsoverlast vermindert; De groene structuren worden gestimuleerd door de aanplant van een diverse verzameling groen rondom het paneelveld. Daarnaast worden twee poelen en een natuuroever aangelegd. De poel in de noordoosthoek sluit aan op bestaande ecologische verbindingszones. Ook de aanleg van de recreatieve zone op de noordwesthoek stimuleert de groene gezonde structuren doordat iedereen hier kosteloos en vrijelijk kan recreëren. Aan de noordzijde van deze zone komt het startpunt van een nieuwe wandelroute, wat lichaamsbeweging stimuleert.

Toetsing Het zonnepark veroorzaakt geen nieuwe ongezonde invloeden. In plaats daarvan draagt het op verschillende manieren bij aan de gezondheid van de fysieke leefomgeving en daarmee van de lokale samenleving. Gezondheid is dus geen belemmering voor het project.

7.4.3 GGD Omgevingsadvies Voor de volledigheid is het stappenplan van het GGD Omgevingsadvies doorlopen. Hierbinnen bestaat geen aparte categorie voor een zonnepark. Hierom is het advies voor bedrijven/industrie genomen. Het advies ziet op luchtkwaliteit, geur, geluid en trillingen, bodem, duurzaamheid, groen en water. Het advies is terug te vinden in de bijlage.

Toetsing Voor de toetsing van de punten uit het GGD Omgevingsadvies wordt verwezen naar paragrafen elders in deze Ruimtelijke Onderbouwing: Luchtkwaliteit in paragraaf 7.10.3, geur in 7.10.6, geluid en trillingen in 7.10.4, bodem in 7.11, duurzaamheid in 7.3, groen in 7.9 en water in 7.7.

7.5 Energietransitie De energietransitie is één van de ambities uit de Omgevingsvisie Bernheze. Hiervoor staat een opgave van 0,06TWh duurzame energie in 2030.

Toetsing Het zonnepark levert een substantiële bijdrage aan de gemeentelijke doelstellingen voor de energietransitie. De opwek komt grofweg neer op 9500MWh, wat gelijkstaat aan 0,0095TWh. Dit is ongeveer 15,8% van de gemeentelijke opgave.

7.6 Klimaatadaptatie Binnen de gemeente Bernheze ziet klimaatadaptatie vooral op de waterhuishouding, met als doel om verdroging tegen te gaan. Dit vloeit voort uit de beleidsdoelen van het Waterschap en de provinciale en landelijke politiek. Er wordt daarbij onder andere ingezet op een robuust waterbergend landschap.

47

Toetsing Er is met het Waterschap gesproken over hun waterbergingsopgave. Zij hebben aangegeven geen specifieke opgave te hebben op deze locatie. Desondanks zijn ze voorstander van de maatregelen die bij het zonnepark worden genomen op het gebied van water. Dit gaat specifiek om de aanleg van twee poelen en een natuuroever.

7.7 Water en watersystemen Waterkwaliteit in de omgeving is belangrijk. Ten westen en noorden van de locatie loopt de Grote Wetering, waar het Waterschap recent natuuroevers heeft aangelegd voor het verbeteren van de waterkwaliteit. Dit is tevens een ecologische verbindingszone. Ten zuiden ligt het gebied De Bleeken, waar Brabant Water aan waterwinning doet. Op de locatie van het zonnepark geeft het Waterschap aan geen specifieke opgave te hebben. De sloten langs de oost- west- en zuidrand worden momenteel onderhouden door de grondeigenaren van de aanliggende percelen.

Toetsing Het zonnepark sluit bij de watersituatie aan door de aanleg van een poel op de noordoosthoek, welke een koppeling maakt tussen de Grote Wetering en De Bleeken. In de vrije noordwesthoek wordt een twee poel aangelegd en nat grasland ontwikkeld, welke bijdragen aan de waterberging in het gebied. Ook de natuuroever langs de zuidzijde draagt hieraan bij. Tenslotte zullen de gronden voor een periode van 25 jaar niet agrarisch worden gebruikt, wat de waterkwaliteit verder ten goede komt doordat er geen mest of bestrijdingsmiddelen in het water terecht komen. Het Waterschap staat positief tegenover deze maatregelen. Het beheer van de sloten zal worden overgenomen door het zonnepark. Hiervoor zijn onderhoudsstroken vrijgehouden langs de sloten. Bij de start van de bouw zal een nulmeting worden uitgevoerd om de waterkwaliteit van watergangen op en langs het perceel te bepalen. Deze waarden worden gedurende de looptijd van het zonnepark gemonitord volgens de opzet in het beheerplan (bijlage D). Bij eventuele verslechtering van de waarden zal het beheer worden bijgesteld zodat de waarden verbeteren.

7.8 Wegen, verkeer en parkeren Na ingebruikname wordt het zonnepark incidenteel, circa één keer per maand, bezocht in het kader van beheer en onderhoud. Voor zover sprake is van een verkeer aantrekkende werking is deze zeer beperkt. Zowel de emissiewaarden als de geluidsoverlast kunnen gedurende de bouwperiode tijdelijk hoger uitvallen dan in de (normale) uitgangssituatie waarbij het akkerland regelmatig door tractoren bereden wordt. Deze emissiewaarden en geluidsoverlast zullen echter drastisch afnemen bij ingebruikname van het park, waarbij de incidentele onderhoudsbezoeken in sterk contrast staat tot het intensieve landbouwprogramma dat voorheen op de gronden werd uitgevoerd. Over de gehele projectduur genomen zullen emissiewaarden en geluidsoverlast door het zonnepark afnemen t.o.v. de huidige situatie. Tijdens de bouwfase zullen de verkeersbewegingen tijdelijk toenemen. Het bouwverkeer, frequentie van verkeer en de route, wordt met de aannemer afgestemd. Uiterlijk twee weken voor de start van de bouw wordt de planning aan de gemeente voorgelegd. Ook de omwonenden zullen worden 48

geïnformeerd over de verkeersbewegingen. Tijdens de bouwfase zal een noordelijkere toegang worden aangelegd, om een directere route voor zwaar verkeer te hebben in verband met nauwere bochten vanaf de Bleekseweg. Tijdens de exploitatiefase zal de toegang verderop langs de Bleekseweg worden gebruikt. Deze ligt verder uit het zicht van omwonenden.

Afbeelding 18: Toegangsweg tijdens bouw- en exploitatiefase

Toetsing Het zonnepark wordt ontsloten via de Bleekseweg. Het uitgangspunt is dat een ontwikkeling voorziet in de eigen parkeerbehoefte voor incidenteel bezoek.

7.9 Groen en natuur Op het gebied van groen en natuur wordt bij Zonnepark Bleekseweg uitgebreid ingezet door de ontwikkeling van een natuurinclusief zonnepark. Er worden diverse maatregelen genomen op dit gebied, waaronder de aanleg van twee poelen, een natuuroever, en de aanplant van brede struweelhagen en houtwallen. Deze maatregelen zijn tevens besproken met het IVN Bernheze en de Brabants Milieufederatie, en sluiten tevens aan bij de eisen uit het huidige bestemmingsplan voor het stimuleren van het leefgebied voor struweelvogels. Op het onderwerp groen en natuur wordt in meer detail ingegaan in hoofdstuk 3. Ook wordt dit onderwerp behandelt in paragraaf 7.10.1 en 7.10.2.

Toetsing Er wordt uitgebreid aandacht besteed aan groen en natuur, en dit onderwerp vormt geen belemmering voor het project.

49

7.10 Milieu 7.10.1 Natuur – Soortenbescherming (flora en fauna) Er is een ecologische quickscan uitgevoerd door Econsultancy. De conclusies van dit onderzoek waren de volgende. • Een aanvullend onderzoek naar rugstreeppad, kamsalamander en alpenwatersalamander dient te worden uitgevoerd; • Voor de potentieel aanwezige jaarrond beschermde roofvogelnesten (boomvalk, havik, torenvalk, buizerd en sperwer) hoeft geen aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd zolang de werkzaamheden buiten het gecombineerde broedseizoen (globaal eind februari tot eind augustus) worden gedaan; • Ten aanzien van vliegroutes van vleermuizen geldt dat, zolang de populieren aangrenzend aan de noordzijde van de planlocatie behouden blijven, geen overtreding van de Wet natuurbescherming plaatsvindt; • Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen tevens worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Globaal kan hiervoor de periode half maart tot half augustus worden aangehouden; • Voor beschermde soorten behorend tot overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling, niet aan de orde.

Wel dient te allen tijde rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht ten aanzien van zoogdieren, amfibieën en incidenteel op de onderzoekslocatie voorkomende reptielen. Er is ecologisch vervolgonderzoek uitgevoerd door Econsultancy. Hierbij is gekeken naar de aanwezigheid van rugstreeppad, kamsalamander en alpenwatersalamander. Ook is bij de veldbezoeken op verzoek van de gemeente gekeken naar de aanwezigheid van dassen. De conclusies van dit onderzoek waren de volgende. • De onderzoekslocatie heeft geen beschermde functie voor rugstreeppad, alpenwatersalamander en kamsalamander. Wel zijn enkele licht beschermde soorten aangetroffen, als bruine kikker en kleine watersalamander. Voor deze soorten geldt de algemene zorgplicht; • Verder is een nest van buizerd aangetroffen, binnen de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden. De buizerd is een beschermde soort conform artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Met betrekking tot roofvogels dient, aangezien geen volledig onderzoek uitgevoerd is, gewerkt te worden buiten het gecombineerde broedseizoen. Dat wil zeggen dat de werkzaamheden in de periode september tot en met half februari uitgevoerd kunnen worden; • Het terrein wordt waarschijnlijk af en toe gebruikt door dassen om te foerageren.

De omgeving is echter ook erg geschikt voor das, dus zullen de plannen geen directe invloed hebben op het foerageergebied van de dassen(burchten) in de omgeving. Onze aanbeveling is wel om het terrein geschikt te houden voor das.

50

Toetsing De ecologische onderzoeken zijn te vinden in de bijlage. Naar aanleiding van deze onderzoeken zijn de volgende maatregelen opgenomen in de plannen. • Met het oog op de geschiktheid van de omgeving voor bepaalde beschermde amfibieën worden twee poelen en een natuuroever aangelegd om deze soorten een betere habitat te geven op het terrein; • Met het oog op de das wordt het hekwerk op 10cm afstand van de grond geplaatst zodat de das zijn eigen wissels kan maken en de grond onder het zonnepark kan blijven gebruiken als foerageergebied. Deze maatregel zorgt er ook voor dat andere kleine zoogdieren en marterachtigen op het terrein kunnen blijven foerageren; • Verder met het oog op de das zorgt schapenbegrazing op het terrein voor natuurlijke bemesting waar kevers op afkomen. Ook het plaatsen van dood hout trekt verschillende soorten insecten aan. Deze dienen allen als voedsel voor de das; • Er is overwogen om nestkasten voor roofvogels op te hangen.

In overleg met IVN is hiervan af gezien, omdat de aanplant van struweel en houtwal voldoende organische nestgelegenheid biedt; • Er zal buiten het gecombineerde broedseizoen van broedvogels en roofvogels worden gebouwd; • Alle bestaande bomen, struiken en watergangen worden behouden; • Met het oog op vleermuizen wordt geen kunstlicht toegepast; • Verschillende maatregelen, zoals de aanplant van struweel en houtwallen, de aanleg van kruidenzones, poelen en een natuuroever, en het plaatsen van takkenrillen of dood hout op vrije ruimtes zorgen ervoor dat er voor verschillende soorten een aantrekkelijkere habitat wordt gecreëerd op het zonnepark. De uitgevoerde ecologische onderzoeken dienen tevens als nulmeting voor de ecologische waarden op de locatie. Deze waarden worden gedurende de looptijd van het zonnepark gemonitord volgens de opzet in het beheerplan (bijlage D). Bij eventuele verslechtering van de waarden zal het beheer worden bijgesteld zodat de waarden verbeteren.

7.10.2 Natuur – Gebiedsbescherming (stikstofdepositie) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van natuur- en landbouwgebieden met hoge natuurwaarden. Het NNN heeft als doel het behouden, beschermen en versterken van de rijkdom aan plant- en diersoorten (biodiversiteit). Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze Natura 2000-gebieden worden bepaalde dieren, planten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden.

Toetsing De ecologische quickscan van Econsultancy van april 2021 zegt: Met betrekking tot Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en beschermde houtopstanden worden geen bezwaren voorzien ten aanzien van de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie.

51

Het plangebied ligt niet binnen een NNN of Natura 2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied ligt op minimaal 12,8 kilometer afstand, tegen ’s-Hertogenbosch aan. In het licht van stikstofdepositie moet met dit Natura2000 gebied rekening worden gehouden. In verband met de grote afstand worden hier geen beperkingen verwacht. Voor nader inzicht in de cijfers omtrent stikstofdepositie is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Het projecteffect op de Natura2000-gebieden is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning benodigd is voor het aspect stikstof. De AERIUS-berekening is terug te vinden in de bijlage.

7.10.3 Luchtkwaliteit Het wettelijk stelsel voor luchtkwaliteitseisen is geregeld in de Wet milieubeheer en daarbij geldende algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen indien: • Geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarden; • Een project, al dan niet per saldo, niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • Een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging; en • Een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Toetsing In de aanlegfase is sprake van een tijdelijke beperkte toename in verkeersbewegingen en in de gebruiksfase zal sprake zijn van zeer incidenteel verkeer in verband met beheer en onderhoud. Met behulp van de NIBM-tool wordt berekend of de toename van verkeersbewegingen leidt tot een dusdanige verslechtering van de luchtkwaliteit dat er aanvullend onderzoek vereist is. De tool gaat uit van een worst-case scenario. Daarnaast is voor de berekening gewerkt met een overdreven inschatting om verder te verzekeren dat de toename de grenzen niet overstijgt. Voor de aanlegfase is gerekend met een verhoging van verkeersbewegingen met een weekdaggemiddelde van 30, waarvan 90% vrachtverkeer. Dit overstijgt de grens van de NIBM-tool niet. Voor de gebruiksfase is gerekend met een verhoging van verkeersbewegingen met een weekdaggemiddelde van 2, waarvan 0% vrachtverkeer. Dit overstijgt de grens van de NIBM-tool niet. In beide gevallen is het jaar van planrealisatie op 2028 gezet.

52

Afbeelding 19: Resultaten NIBM-tool

Daarnaast is er een AERIUS-berekening gemaakt, waaruit blijkt dat er geen depositieresultaten zijn boven 0,00 mol/ha/jaar. De beoogde ontwikkeling leidt dus niet tot een vermindering van de luchtkwaliteit en vormt daarom geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

7.10.4 Geluid door activiteiten In de Wet geluidhinder, en de daarbij behorende Besluiten en Regelingen, is bepaald dat bij de beslissing op een aanvraag voor een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan op binnen de onderzoekzones van industrieterreinen, wegen en spoorwegen te realiseren geluidsgevoelige gebouwen of terreinen, de waarden uit de Wet geluidhinder in acht dienen te worden genomen.

Toetsing Een zonnepark is van zichzelf geen geluidgevoelig gebouw of terrein. De onderdelen van het zonnepark die in beperkte mate geluid produceren (de transformatoren) worden op minimaal 50 meter van woningen geplaatst. Een verdere toetsing aan de Wet geluidhinder kan daarmee achterwege blijven. Het aspect geluid is derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en uitvoerbaarheid van het project.

7.10.5 Wegverkeerslawaai Bij het zonnepark wordt een half-verharde toegangsweg aangelegd. Het zonnepark zal tijdens de exploitatiefase alleen incidenteel worden bezocht voor onderhoud. Tijdens de bouwfase zal er meer wegverkeerslawaai zijn, maar dit is tijdelijk. De aanrijroutes en een overzicht van verkeersbewegingen zal in die periode met gemeente en omwonenden worden gedeeld.

Toetsing Doordat er geen sprake zal zijn van een permanente vermeerdering van het wegverkeer is er ook geen vergroot risico op wegverkeerslawaai. Het aspect ‘wegverkeerslawaai’ is daarom geen belemmering voor het project.

7.10.6 Geur Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op basis hiervan worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe 53

geurgevoelige objecten (zoals woningen). Er dient voor de bouw van deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mag geen inbreuk ontstaan op de milieuruimte van omliggende veehouderijen.

Toetsing Een zonnepark is geen geurgevoelig object, het project produceert namelijk geen geur. Daarmee kan verdere toetsing aan de instructieregels in het Bkl achterwege blijven en vormt het aspect ‘geur’ geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

7.10.7 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid hebben als doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder meer door milieuzonering. Onder milieuzonering wordt het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds, verstaan. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; • Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in eerste instantie doorgaans de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009 gehanteerd, waarin richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zijn opgenomen.

Toetsing De voorgenomen inrichting van de betrokken gronden als zonnepark levert geen hinder of gevaar op voor omliggende gevoelige functies. Wel worden transformatorstations geplaatst. In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ valt dit onder de activiteit ‘elektriciteits-distributiebedrijven met transformatorvermogen tussen de 10 en 100 MVA’. De grootste richtafstand is die van geluid en bedraagt 50 meter. Hier wordt aan voldaan. Er zal ten alle tijden een minimale afstand van 50 meter tussen de transformatorstations en woningen worden aangehouden. Het zonnepark is geen gevoelig object, waardoor omliggende bedrijven niet beperkt worden in hun activiteiten.

7.10.8 Externe veiligheid Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. De beoogde ontwikkeling omvat geen kwetsbare objecten en maakt ook geen nieuwe bronnen mogelijk met veiligheidscontouren. Daarnaast blijkt uit de Risicokaart Nederland dat er zich in de directe omgeving van de projectlocatie geen risicovolle objecten bevinden waarvan de contouren over het plangebied liggen. In de directe omgeving zijn geen inrichtingen aanwezig. Dit is ook besproken in paragraaf 5.1.3 en 5.2.3.

54

Er is ook contact geweest met de Veiligheidsregio Brabant Noord als belangenpartij bij deze ontwikkeling. Zij hebben een advies gegeven voor het project inclusief het EOS en ook een algemeen advies voor zonneparken dat is gebaseerd op een landelijk advies van de veiligheidsregio’s.

Toetsing De adviezen van de Veiligheidsregio zijn beargumenteerd meegenomen in het ontwerp. Een totaaloverzicht van de adviezen van de Veiligheidsregio en de verwerking hiervan in het ontwerp is terug te vinden in de bijlage. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het project.

7.10.9 Spuitzones Een spuitzone is een gebied waarin het gebruik van pesticiden en herbiciden is toegestaan. Het doel van spuitzones is om de omgeving te beschermen tegen schadelijke effecten van deze stoffen. Voorkomen moet worden dat deze stoffen in de nabijheid van mensen, dieren of planten worden gespoten. Het gebruik van deze middelen kan leiden tot vervuiling van grond en het oppervlaktewater en ook tot gezondheidseffecten.

Toetsing Het zonnepark zorgt ervoor dat agrarische activiteit op de percelen voor 25 jaar stopt. Hierdoor zal er dus ook niet met pesticiden of herbiciden worden gewerkt. Ook zal dit niet gebeuren bij het onderhoud van de aanplant van het zonnepark. Het aspect ‘spuitzones’ vormt dus geen belemmering voor het project.

7.11 Bodemkwaliteit Bij de toetsing van de uitvoerbaarheid van een project dient te worden nagegaan of er risico op bodemverontreiniging aanwezig is. Bij functiewijzigingen en nieuwe ontwikkelingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit past binnen het toekomstige gebruik van de bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. In dit kader is gekeken naar de eventuele uitloging binnen het park. De palen die de bodem beroeren zijn van staal. Zowel de draagconstructie waarop de panelen liggen als de behuizing van de panelen is van aluminium, deze staan niet in direct contact met de bodem. Kronos Solar heeft het LfL (Bayerische Landesanstalt für Landwirschaft) verzocht om een inschatting te maken van de mogelijke uitloging van de panelen en behuizing. De uitkomst hiervan is dat de kans op uitloging nihil is en enkel kan voorkomen wanneer sprake is van extreme situaties of opzet (vandalisme). De bevestiging van het LfL is als bijlage bij deze aanvraag bijgevoegd.

Toetsing Gezien de beperkte bodemroering (alleen de basisconstructies voor de zonnepalen en de transformatorstations) en het huidige agrarische gebruik van het plangebied, is de kans zeer gering dat bodemverontreinigingen aanwezig zijn, noch dat hier een groot risico op bestaat. De Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN) heeft de bodemsituatie verder beoordeeld aan de hand van een bureauonderzoek. Zij geven de volgende opmerkingen.

55

A. In Nazca is nagegaan of er ter plaatse van het terrein en de directe nabijheid van dit terrein waarvoor het voornemen bestaat een zonnepark aan te leggen bodemonderzoeken zijn verricht dan wel bodemkwaliteitsgegevens bestaan. Hieruit blijkt dat er geen bodemgegevens voorhanden zijn. B. Tevens is in de website “Topotijdreis” nagegaan of er verdachte activiteiten aanwezig zijn (geweest) die mogelijk hebben geleid tot een bodemverontreiniging. Hieruit blijkt dat er geen verdachte activiteiten aanwezig zijn geweest. Hierbij is aangenomen dat het dempen van enkele in het verleden aanwezige slootjes niet tot verontreiniging heeft geleid. C. Ten slotte is de te verwachten bodemkwaliteit nagegaan op basis van het document “Bodemkwaliteitskaart regio Noordoost Brabant, Lievense Milieu B.V., documentcode 16M1041.RAP001, 28-02-2019”. Uit de ontgravingskaart 0,0-0,5 m-mv en 0,5-2,0 m-mv blijkt dat voor beide bodemlagen uitgegaan kan worden van de bodemklasse Landbouw/Natuur. Uit de bodemfunctieklassenkaart blijkt dat sprake is van de functie Landbouw/Natuur. D. Op basis van de hierboven genoemde drie bronnen is gebleken dat er geen bodemverontreiniging verwacht wordt. In milieuhygiënisch opzicht bestaat er geen belemmering tegen de voorgenomen aanleg van het zonnepark. Bij de start van de bouw zal een nulmeting worden uitgevoerd om de bodemwaarden te bepalen.

Deze waarden worden gedurende de looptijd van het zonnepark gemonitord volgens de opzet in het beheerplan (bijlage D). Bij eventuele verslechtering van de waarden zal het beheer worden bijgesteld zodat de waarden verbeteren. Nader bodemonderzoek is dan ook niet noodzakelijk en het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

7.12 Archeologie Op grond van het Verdrag van Malta en de daaruit voortvloeiende Wet op de archeologische monumentenzorg, dient te worden gekeken naar de archeologische waarden in het plangebied. De projectlocatie bevindt zich in een gebied met een lage archeologische verwachting op basis van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Bernheze. Zie ook paragraaf 5.1.2 en 5.2.2.

Toetsing Er is geen archeologisch vooronderzoek vereist. Het aspect ‘archeologie’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project. Vermeld kan worden dat bij de bouw van het zonnepark, bodemverstoring zeer gering is en het terrein gedurende 25 jaar niet aan agrarische bodembewerking (zoals (diep) ploegen of ontgrondingen) wordt blootgesteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=1511b534-39f4-4dcd-9ef6-ba0f1f3ca6b4