CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing Berg- en Dalseweg 6 H-D

Raadsvergadering 3 juli 2025, gemeente BernhezeBij agendapunt: Afgeven verklaring van geen bedenkingen Berg- en Dalseweg 6 Heeswijk-Dinther14.088 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing activiteit hondenpension

Berg- en Dalseweg 6, Heeswijk-Dinther

Colofon

Projectlocatie:

Berg- en Dalseweg 6, Heeswijk-Dinther

Datum:

27 oktober 2022 Gewijzigd 2 mei 2023 Gewijzigd 22 december 2023 Gewijzigd 25 maart 2024

Opgesteld door:

Van Dun & Van Gerwen BV Heijtmorgen 10 5375 AN Reek T. 0486 450 160 E. info@vandun-vangerwen.nl I. www.vandun-vangerwen.nl

Projectnummer:

00292.A015 / RS

2 van 46

Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1.

Aanleiding en doel ........................................................................................... 5

1.2.

Geldend planologisch regime ............................................................................ 6

1.3.

Procedure ....................................................................................................... 7

1.4.

Leeswijzer ....................................................................................................... 8

2. Projectbeschrijving .......................................................................................... 9 2.1.

Bestaande situatie............................................................................................ 9

2.2.

Beoogde situatie .............................................................................................. 9

3. Beleidskader................................................................................................... 11 3.1.

Provinciaal beleid ............................................................................................ 11

3.1.1. 3.1.2. 3.1.3. 3.2.

Omgevingsvisie Noord-Brabant .................................................................. 11 Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 ............................................ 11 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ........................................... 12

Gemeentelijk beleid......................................................................................... 16

3.2.1. 3.2.2.

Structuurvisie ........................................................................................... 16 Bestemmingsplan ..................................................................................... 19

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten ................................................ 23 4.1.

Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling ...................................... 23

4.1.1. 4.2.

Waterhuishouding ........................................................................................... 23

4.2.1. 4.2.2. 4.2.3. 4.3.

Waterrelevant beleid................................................................................. 23 Bestaande waterhuishoudkundige situatie .................................................. 25 Beoogde waterhuishoudkundige situatie ..................................................... 26

Natuur ........................................................................................................... 26

4.3.1. 4.3.2. 4.4.

Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling ............................... 23

Natuurnetwerk Nederland (NNN) ............................................................... 26 Wet natuurbescherming ............................................................................ 27

Ammoniak ...................................................................................................... 30

4.4.1. 4.4.2.

Kwetsbare gebieden ................................................................................. 30 Besluit emissiearme huisvesting ................................................................. 31

4.5.

Bodemkwaliteit ............................................................................................... 31

4.6.

Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie......................................................... 31

4.6.1. 4.6.2.

Cultuurhistorie en aardkunde..................................................................... 31 Archeologie .............................................................................................. 32

4.7.

Bedrijven en milieuzonering ............................................................................. 33

4.8.

Geur .............................................................................................................. 34

4.8.1. 4.8.2.

Individuele hinder .................................................................................... 34 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 35

3 van 46

4.9.

Luchtkwaliteit ................................................................................................. 35

4.9.1. 4.9.2.

Niet in betekenende mate ......................................................................... 35 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 36

4.10.

Geluid ......................................................................................................... 38

4.11.

Verkeer en parkeren .................................................................................... 38

4.12.

Externe veiligheid ........................................................................................ 39

4.12.1. 4.12.2.

Regelgeving ............................................................................................. 39 Toetsing aan beleid .................................................................................. 40

4.13.

Technische infrastructuur ............................................................................. 41

4.14.

Volksgezondheid .......................................................................................... 42

4.14.1.

Zoönosen ................................................................................................ 42

5. Uitvoerbaarheid ............................................................................................. 43 5.1.

Financiële uitvoerbaarheid ............................................................................... 43

5.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................... 43

6. Planologische afweging ................................................................................. 44 7. Bijlagen .......................................................................................................... 45

4 van 46

1. Inleiding

In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel, het geldend planologisch regime en de procedure aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. 1.1. Aanleiding en doel De eigenaar exploiteert momenteel een agrarisch bedrijf gevestigd op het adres Berg- en Dalseweg 6, 5473 KC te Heeswijk-Dinther (hierna: projectlocatie). Op onderstaande afbeelding is de ligging van de projectlocatie (en de directe omgeving) weergegeven. De locatie is momenteel in gebruik als varkensbedrijf.

Afbeelding 1: weergave projectlocatie (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

De eigenaar is voornemens om in één van de bestaande gebouwen op de projectlocatie te gebruiken ten behoeve van het fokken van honden en het aanbieden van pension. Dit geldt voor dag-perioden en langere (vakantie)perioden voor (tezamen) een maximaal aantal van 50 honden. Op onderstaande afbeelding is weergegeven welk bestaand gebouw het betreft (met gele kleur aangegeven). Dit gebouw heeft een oppervlakte van 372 m2.

5 van 46

Afbeelding 2: weergave projectlocatie beoogde situatie (bron: Qgis)

1.2. Geldend planologisch regime De geldende bestemmingsplannen op deze locatie zijn: - Buitengebied Bernheze, vastgesteld 08-20-2012 - Buitengebied Bernheze 2012-1, vastgesteld 28-05-2015 - Buitengebied Bernheze 2012-1, vastgesteld 10-03-2016 - BPL Teeltondersteunende voorzieningen gemeente Bernheze, vastgesteld 13-12-2018 - Vrijkomende Agrarische bebouwing Bernheze 2018, vastgesteld 18-04-2019 - Herziening vrijkomende Agrarische bebouwing Bernheze 2018, vastgesteld 10-12-2020 Het vigerend bestemmingsplan betreft ‘Buitengebied Bernheze 2012-1’, vastgesteld 10-03-2016. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze 2012-1’ is aan de locatie een bouwvlak toegekend met de volgende bestemmingen en aanduidingen: - Enkelbestemming: Agrarisch – Landbouwontwikkelingsgebied - Bouwvlak - Functieaanduiding: intensieve veehouderij - Maatvoering aanduiding: Vrijetekst: 1 Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan. De projectlocatie (tevens het bouwvlak) is rood omlijnd.

6 van 46

Afbeelding 3: weergave vigerend bestemmingsplan op de projectlocatie (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

De gewenste uitbreiding van activiteiten, het exploiteren van een hondenfokkerij/pension, bij een agrarisch bedrijf is niet rechtstreeks toegestaan in het vigerend bestemmingsplan. Daarom is een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan voorbereid. 1.3. Procedure Voor het gewenste initiatief is gekozen om een omgevingsvergunning aan te vragen voor het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening. De basis is hiervoor gelegd in artikel 2.1, eerste lid, onder c, juncto artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3o van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Blijkens artikel 3.10 Wabo is op de voorbereiding van een omgevingsvergunning met de uitgebreide procedure afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit houdt in dat een ontwerpbeschikking van de omgevingsvergunning gedurende 6 weken voor eenieder ter inzage wordt gelegd. Tijdens deze periode van 6 weken kan eenieder hun zienswijzen kenbaar maken. Gedurende de inzagetermijn ligt de ontwerpbeschikking inclusief eventuele bijlagen ter inzage. Nadat er een definitieve beschikking is verleend, waarbij eventuele zienswijzen in acht worden genomen, wordt het opnieuw 6 weken ter inzage gelegd.

Binnen deze 6 weken kunnen belanghebbenden en eenieder die tijdig zienswijzen kenbaar hebben gemaakt bij het ontwerp beroep indienen bij de Rechtbank Oost-Brabant. Daarna volgt eventueel nog de mogelijkheid om hoger beroep aan te tekenen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is de beschikking na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk.

7 van 46

1.4. Leeswijzer In deze toelichting zijn in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het doel, het geldend planologische regime en de te doorlopen procedure zijn beschreven. In hoofdstuk 2 worden de bestaande en beoogde situatie omschreven. Het van toepassing zijnde nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid wordt uiteengezet in hoofdstuk 3. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieu-hygiënische en planologische aspecten beschreven. De juridische achtergrond van het bestemmingsplan, een toelichting op de verbeelding en een toelichting op de regels wordt gegeven in hoofdstuk 5. De financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief wordt verantwoord in hoofdstuk 6.

8 van 46

2. Projectbeschrijving

In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de projectlocatie. 2.1. Bestaande situatie De eigenaar exploiteert momenteel een agrarisch varkensbedrijf gevestigd op het adres Berg- en Dalseweg 6, 5473 KC te Heeswijk-Dinther (hierna: projectlocatie). De projectlocatie is kadastraal bekend als gemeente Heeswijk-Dinther, sectie F, nummers 1114 en 1531. Op onderstaande afbeelding is de ligging van de initiatieflocatie en directe omgeving weergegeven (rood omcirkeld). De locatie is momenteel in gebruik als varkensbedrijf.

Afbeelding 4: weergave initiatieflocatie (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Op het bedrijf Berg- en Dalseweg 6 te Heeswijk-Dinther wordt een agrarisch bedrijf geëxploiteerd. Voor het bedrijf is op 13 augustus 2013 een omgevingsvergunning onderdeel milieu (1e fase) verleend voor een varkenshouderij. Op 20 mei 2014 is een omgevingsvergunning onderdeel bouwen (2 e fase) verleend, maar is op 18 november 2014 door de gemeente ingetrokken. Door de gedeeltelijke intrekking op 8 juni 2018 van de omgevingsvergunning, onderdeel milieu (intrekking van stal 11 en 12) is deze alsnog in werking getreden en resteert een vergunning voor het houden van 766 guste/dragende zeugen, 2 dekberen, 288 kraamzeugen, 560 gespeende biggen, 200 opfokzeugen, 50 fokstieren en overig rundvee en 4 volwassen paarden. 2.2. Beoogde situatie De eigenaar is voornemens om één van de bestaande gebouwen op de projectlocatie te gebruiken ten behoeve van het fokken van honden en het aanbieden van pension voor dag-perioden en langere (vakantie)perioden voor (tezamen) een maximaal aantal van 50 honden. Binnen de inrichting zullen in totaal maximaal 50 honden tegelijk worden gehuisvest. In het bestaande gebouw (zie afbeelding 5) zijn hiervoor 41 binnen hokken gerealiseerd, waarvan enkele groepshokken. Dit aantal is voldoende voor het houden van maximaal 50 honden. Aan de oostzijde van het gebouw komt een buitenuitloop

9 van 46

voor de honden. De honden kunnen overdag buiten worden gelaten. Een speelweide voor de honden wordt ten noordoosten van het gebouw gerealiseerd. Initiatiefnemer heeft momenteel reeds een klein aantal honden hobbymatig op de locatie. In de loop der jaren is gebleken dat het creëren van een veilige omgeving voor honden in een landelijk gebied op deze locatie erg prettig werkt. Het ontlast de druk bevolkte bebouwde kom en biedt voor de toekomst meer mogelijkheden. Vanwege de toenemende vraag naar de honden die aanvrager fokt en de mogelijkheden om een honden in een pension in deze omgeving (buitengebied) op te vangen heeft aanvrager ervoor gekozen om het aantal honden uit te breiden en dit te exploiteren op het agrarisch bedrijf. De activiteit biedt het bedrijf een tweede inkomen en dus meer risicospreiding wat inkomen en bedrijfstakken betreft. Op onderstaande afbeelding is weergegeven welk bestaand gebouw het betreft (met gele kleur aangegeven). Dit gebouw heeft een oppervlakte van 372 m2. De buitenuitloop voor de honden is met zwarte omlijning weergegeven.

Legenda Buitenuitloop honden Verblijf honden 372 m2

Afbeelding 5: weergave beoogde situatie (bron: Qgis)

10 van 46

3. Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid uiteengezet. Het initiatief wordt getoetst aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. 3.1. Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie, Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

3.1.1. Omgevingsvisie Noord-Brabant

De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is: ‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten

beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is:

‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Het initiatief voldoet aan het tussendoel voor 2030 omdat aan alle milieu wet- en regelgeving wordt voldaan. Door een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de projectlocatie wordt ook een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het initiatief past dus binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant.

3.1.2. Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014

De Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 (Sv 2014) betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie ruimtelijke ordening. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en in werking getreden op 19 maart 2014. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De genoemde visie is vertaald in de regels van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid.

11 van 46

Volgens de structurenkaart, zie afbeelding 5, ligt de projectlocatie in het gemengd landelijk gebied. In het gemengde landelijke gebied vindt een vermenging van functies plaats. Naast het gebruik van de gronden ten behoeve van de land- en tuinbouw, is er ook plaats voor natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. Omdat de locatie in het gemengde landelijk gebied ligt, hanteert de provincie het multifunctionele gebruik als uitgangspunt. Onderhavig initiatief is dus onderdeel van een multifunctioneel gebied. Er vinden naast de bestaande veehouderij ook niet-agrarische functies, kleinschalige stedelijke functies, waterfuncties en natuur plaats. Het initiatief past daarom binnen de uitgangspunten van de Sv 2014.

Afbeelding 6: uitsnede structurenkaart Sv 2014 (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

3.1.3. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De laatste versie van de Iov is op 27 november 2020 door Provinciale Staten vastgesteld en is per 5 december 2020 in werking getreden. De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveaus zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2.

Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waarin de projectlocatie ligt. In dit geval ligt de projectlocatie in de werkingsgebieden ‘Gemengd landelijk gebied’, ‘Landelijk gebied’ en ‘Stalderingsgebied’, zie afbeelding 6.

12 van 46

Projectlocatie

Afbeelding 7: uitsnede plankaart met structuren en aanduidingen IOV (bron: viewer Noord-Brabant)

De voorwaarden behorende bij deze aanduidingen zijn opgenomen in de volgende artikelen - 3.49 veehouderij in landelijk gebied - 3.51 aanvullende regels stalderen - 3.58 Overig-agrarisch bedrijf in Gemengd landelijk gebied - 3.61 Vestiging agrarisch-verwant bedrijf in Gemengd landelijk gebied - 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied Hierna wordt achtereenvolgens aan de relevante artikelen van de Iov getoetst. Aangezien het initiatief geen betrekking heeft op een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren binnen een bouwperceel, vindt geen nadere toetsing plaats met betrekking tot artikel 3.52. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: - zorgvuldig ruimtegebruik; - de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; - meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikel 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel.

3.6) Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag ligt binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Ladder duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking dient te worden toegepast als een bestemmingsplan (of een ander ruimtelijk plan) wordt opgesteld voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De definitie voor een stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1, lid 1, Besluit ruimtelijke ordening) luidt als volgt: Stedelijke

13 van 46

ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Bij voorliggend initiatief is sprake van een bestaand bouwperceel. Dit plan betreft geen ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. De voorgenomen ontwikkelingen vinden plaats binnen bestaande gebouwen en neemt derhalve geen beslag op de ruimte. De beoogde situatie kan volledig binnen het bestaande bouwperceel worden gerealiseerd. Daarom is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: - de ondergrond - de netwerklaag - de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer.

In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Meerwaardecreatie (artikel 3.8) Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. In dit bestemmingsplan wordt meerwaarde gecreëerd doordat de gewenste ontwikkeling wordt gecombineerd met een goede landschappelijke inpassing. Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9) Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap.

Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Bernheze zijn de afspraken voor de regio Noordoost Brabant (2 december 2015) van toepassing. Hierin is de ontwikkeling aangemerkt als een categorie 2 ontwikkeling. Voor deze ontwikkeling is een goede landschappelijke inpassing op basis van een goedgekeurd landschapsplan en borging van uitvoering en beheer noodzakelijk. Voorliggend initiatief betreft het fokken van en aanbieden van pension voor honden in reeds bestaande bebouwing. De ruimtelijke uitstraling wordt, door voorliggend initiatief, niet belemmerd of teniet gedaan. De ruimtelijke uitstraling van het bedrijf veranderd niet of nauwelijks. Enkel wordt er een

14 van 46

gesloten omheining toegevoegd ten behoeve van de buitenuitloop voor de honden. Deze is vanaf de openbare weg niet direct zichtbaar. Verder is de locatie goed ingepast en is er sprake van een goede ruimtelijke uitstraling. Het landschappelijke inpassingsplan is toegevoegd in bijlage 17. De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met artikel 3.9 van de Iov. Overig-agrarisch bedrijf in Gemengd landelijk gebied (artikel 3.58)

Een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied kan voorzien in uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een overig-agrarisch bedrijf tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare bouwperceel, als de toelichting een verantwoording bevat dat de ontwikkeling noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering.

Bij onderhavig initiatief blijft de varkenshouderijtak van het bedrijf gehandhaafd. De activiteit, met de honden die eigenaar wenst kan worden gezien als overig-agrarisch bedrijf. het bestaande bedrijfsgebouw waar de activiteit plaatsvind zal circa 372 m2 groot zijn, en is hiermee passend binnen de maximale aangegeven omvang. Onderhavige toelichting bevat een verantwoording dat de ontwikkeling noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering. Artikel 3.61 Vestiging agrarisch-technisch hulpbedrijf / agrarisch-verwant bedrijf in Gemengd landelijk gebied Lid 1

Een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een agrarisch-technisch hulpbedrijf of een agrarisch-verwant bedrijf als: a. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving qua omvang, effect op omliggende functies en ontsluiting past in de omgeving; b. de ontwikkeling niet leidt tot splitsing (IOV) van het bouwperceel; c. is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. mestbewerking is uitgesloten. De gewenste wijziging van het gebruik van het bestaande bedrijfsgebouw plaats in het buitengebied van de gemeente Bernheze. In de directe omgeving zijn al diverse niet-agrarische bedrijven gevestigd, naast de aanwezige woon- en agrarische bestemmingen. Het gewenste gebruik van gebouw 3 draagt bij aan de leefbaarheid van het buitengebied, doordat gebruik wordt gemaakt van een bestaand bouwperceel. Ten behoeve een goede omgevingskwaliteit is een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld (sub a). Er vindt geen splitsing van het bouwperceel plaats (sub b.). Er is geen overtollige bebouwing: de gewenste bedrijfsactiviteit kan binnen de bestaande bebouwing plaatsvinden (sub c.). En tot slot heeft de gewenste bedrijfsactiviteit geen betrekking op mestbewerking (sub d.).

Lid 2 Als een binnen de omgeving passende omvang van een agrarisch-technisch hulpbedrijf of een agrarisch-verwant bedrijf geldt een bouwperceel van ten hoogste 1,5 hectare. Het bouwperceel in de beoogde situatie blijft onveranderd, de omvang van het bouwperceel is circa 1,3 hectare. Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied (artikel 3.73)

Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een nietagrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. b. er vindt geen splitsing (IOV) plaats van het bouwperceel; c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. de vestiging heeft geen betrekking op:

15 van 46

1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. Met betrekking tot sub a. vindt de gewenste wijziging van het gebruik van het bestaande bedrijfsgebouw plaats in het buitengebied van de gemeente Bernheze. In de directe omgeving zijn al diverse niet-agrarische bedrijven gevestigd, naast de aanwezige woon- en agrarische bestemmingen. Het gewenste gebruik van gebouw 3 draagt bij aan de leefbaarheid van het buitengebied, doordat gebruik wordt gemaakt van een bestaand bouwperceel. Ten behoeve van het versterken van de omgevingskwaliteit is een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld. Er vindt geen splitsing van het bouwperceel plaats (sub b.). Er is geen overtollige bebouwing: er vindt geen wijziging van de bebouwing plaats. De gewenste bedrijfsactiviteit kan binnen de bestaande bebouwing plaatsvinden (sub c.). En tot slot heeft de gewenste bedrijfsactiviteit geen betrekking op een kantoor met baliefunctie, lawaaisport of mestbewerking (sub d.).

Lid 2 Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. over een bij de omgeving passende omvang en publiek aantrekkende werking; b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang. De omvang is passend binnen de omgeving; het initiatief zal geen publiek aantrekkende werking hebben. De activiteiten vinden plaats binnen de bestaande bebouwing. Er zijn geen plannen voor verdere uitbreiding. Daarnaast wordt met deze vergunning de specifieke activiteit, de beoogde nevenfunctie, geborgd.

Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c. een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. De activiteiten vinden plaats binnen de bestaande bebouwing. Er zijn geen plannen voor verdere uitbreiding. Conclusie In deze paragraaf is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de regels zoals gesteld in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Zoals blijkt uit deze toelichting kan worden voldaan aan de voorwaarden die gelden voor een bestemmingplan en wordt een zorgvuldige veehouderij verzekerd door opname van voorwaarden in de regels bij dit bestemmingsplan. 3.2. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke structuurvisie en het bestemmingsplan.

3.2.1. Structuurvisie

De gemeenteraad van de gemeente Bernheze heeft op 1 februari 2010 de Structuurvisie Bernheze vastgesteld. De Structuurvisie Bernheze geeft een samenhangend beeld van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de hele gemeente. De structuurvisie is een visie op hoofdlijnen en vormt daarmee een belangrijk (toetsing)kader voor het initiëren, beoordelen, afwegen en vaststellen van nieuwe

16 van 46

ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen en projecten. In de structuurvisie staan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen beschreven voor de komende jaren. Onderdeel van de Structuurvisie Bernheze 2010 is het Ruimtelijk Casco. Het Ruimtelijk Casco betreft het ontwikkelingskader voor de gemeente Bernheze en vormt een casco voor concrete projecten en plannen. Het Ruimtelijk Casco bestaat uit een kaartbeeld en toelichting. De locatie Berg- en Dalseweg 6 heeft op de Ruimtelijke Cascokaart betrekking op de aanduidingen ‘LOG’ en ‘Open landschap’, zie onderstaande afbeelding.

Projectlocatie

Afbeelding 8: uitsnede kaart ‘Structuurvisie Bernheze’ (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Het open landschap, dat deels bestaat uit jonge ontginningen, kent een grootschalige, rationele verkaveling ten behoeve van de landbouw. Groei staat ook synoniem voor innovatie en duurzaamheid. Nieuwe landgebruiksvormen kunnen een plek krijgen, al dan niet in combinatie met verbreding van inkomsten uit andere activiteiten. Ontwikkelingen dienen hierbij wel te passen in de aanwezige grootschalige openheid van het gebied. In het LOG (landbouwontwikkelingsgebied) bestaan mogelijkheden voor de ontwikkeling van intensieve veehouderijen. Dit is bij voorliggend initiatief niet van toepassing. Tegelijk zal het initiatief, gelegen bij een bestaand varkensbedrijf, geen belemmering vormen voor de eventuele ontwikkeling van intensieve veehouderijbedrijven, de ontwikkeling is passend binnen de aanwezige grootschalige openheid van het gebied. Het initiatief is derhalve passend binnen de ‘Structuurvisie Bernheze’.

3.2.2. Ontwerp omgevingsvisie Bernheze 2040

De gemeenteraad van de gemeente Bernheze heeft op 28 september 2023 het Ontwerp-omgevingsvisie Bernheze 2040 vastgesteld. De omgevingsvisie Bernheze 2040 is een richtinggevende visie voor de fysieke leefomgeving. Nieuwe initiatieven worden getoetst op basis van deze omgevingsvisie. Met deze omgevingsvisie wil de gemeente de kwaliteit van de leefomgeving behouden en versterken. Daarvoor worden de volgende aanknopingspunten gehanteerd om slim met de ruimte om te gaan:

17 van 46

-

Kenmerken en identiteit van het gebied centraal stellen; Meervoudig ruimtegebruik, waar het kan; Voorkomen van afwenteling.

De kern van de omgevingsvisie bestaat uit de uitwerking in vijf strategische thema’s. In deze uitwerking worden de opgaven vertaald naar ambities en doelen. De vijf thema’s zijn: - Gezonde leefomgeving. Een gezonde leefomgeving bevordert de fysieke, sociale en mentale gezondheid van inwoners en nodigt uit tot activiteit voor jong en oud; - Leefbare kernen. Passende woningen, duurzame mobiliteit, veiligheid, voldoende voorzieningen en een levendige gemeenschap; - Klimaatbestendig en (herstel) biodiversiteit. Schoner water, herstel biodiversiteit, minder wateroverlast, droogte en hittestress; - Vitale en duurzame landbouw & economie. Gezondheid als randvoorwaarde, meer kringlooplandbouw, schone energie en circulaire economie; - Kwaliteit landschap & erfgoed. Versterken cultuurhistorie, beschermen en behouden landschappelijke waarden, kwaliteit openbare ruimte. Volgens het ontwerp omgevingsvisie is de locatie gelegen in de gebiedsindeling ‘Beeklandschap’. Het gebied wordt niet aangemerkt voor de doorontwikkeling c.q. voor het vergroten van de intensieve veehouderij. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de verbreding van de activiteiten door de realisatie van nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf in plaats van een verdere groei van de intensieve veehouderij. De ontwikkeling vindt plaats binnen de bestaande aanwezige bebouwing.

Realisatie van de nevenactiviteit draagt bij aan het ondernemersklimaat van het bedrijf. Nieuwe kansen/verdienmodellen opzetten is een passende ontwikkeling in het gebied. Het gehele plangebied wordt tevens landschappelijk ingepast in de omgeving. Op deze wijze draagt onderhavige ontwikkeling bij aan de thema’s gezonde leefomgeving, vitale en duurzame landbouw en economie en kwaliteit van landschap en erfgoed. Onderhavige ontwikkeling is passend in het gestelde beleid in de omgevingsvisie Bernheze 2040.

3.2.3. Welstandsnota Bernheze

De welstandsnota van de gemeente Bernheze is in werking getreden op 8 oktober 2015. In de gemeente Bernheze gelden beperkte regels voor welstand. Het welstandstoezicht geldt alleen voor enkele cultuurhistorische gebieden en voor reclame-uitingen. De welstandskaart die bij deze welstandsnota behoort, geeft aan voor welke gebieden welstandcriteria gelden. Hieronder is een uitsnede van de welstandskaart weergegeven. Hieruit blijkt dat onderhavige initiatieflocatie niet is gelegen in een gebied waar welstandscriteria van toepassing zijn.

18 van 46

Projectlocatie

Afbeelding 9: uitsnede welstandskaart (bron: gemeente Bernheze)

3.2.4. Bestemmingsplan

De geldende bestemmingsplannen op deze locatie zijn: - Buitengebied Bernheze, vastgesteld 08-20-2012 - Buitengebied Bernheze 2012-1, vastgesteld 28-05-2015 - Buitengebied Bernheze 2012-1, vastgesteld 10-03-2016 - BPL Teeltondersteunende voorzieningen gemeente Bernheze, vastgesteld 13-12-2018 - Vrijkomende Agrarische bebouwing Bernheze 2018, vastgesteld 18-04-2019 - Herziening vrijkomende Agrarische bebouwing Bernheze 2018, vastgesteld 10-12-2020 Het vigerend bestemmingsplan betreft ‘Buitengebied Bernheze 2012-1’, vastgesteld 10-03-2016. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze 2012-1’ is aan de locatie een bouwvlak toegekend met de volgende bestemmingen en aanduidingen: - Enkelbestemming: Agrarisch – Landbouwontwikkelingsgebied - Bouwvlak - Functieaanduiding: intensieve veehouderij - Maatvoering aanduiding: Vrijetekst: 1 Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan. De projectlocatie (tevens het bouwvlak) is rood omlijnd.

19 van 46

Projectlocatie

Afbeelding 10: weergave vigerend bestemmingsplan initiatieflocatie (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

De gewenste uitbreiding van activiteiten, het exploiteren van een hondenfokkerij/pension, bij een agrarisch bedrijf is niet rechtstreeks toegestaan in het vigerend bestemmingsplan. Wél is er in het vigerend bestemmingsplan een afwijkingsbevoegdheid (artikel 3.6.1 lid b) opgenomen ten behoeve van het uitoefenen van verbrede landbouw of recreatieve nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf. Aan de voorwaarden van deze afwijkingsbevoegdheid kan grotendeels voldaan worden. Hierna worden deze weergegeven, waarbij in het cursief is aangegeven of en hoe voorliggende aanvraag hieraan kan voldoen.

3.6 Afwijken van de gebruiksregels 3.6.1 Algemeen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van: a. (…) b. het bepaalde in 3.1 onder h en de uitoefening van verbrede landbouw, of recreatieve nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf (functietype 'agrarisch bedrijf') toestaan, onder de voorwaarden dat: 1. de activiteit blijft ondergeschikt aan het bestaand gebruik van het perceel; In de begripsomschrijving, in artikel 1.63 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied, wordt onder nevenactiviteit het volgende verstaan: een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de op de ingevolge dit bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie op een bouwperceel. De nevengeschiktheid volgt in dit kader uit de afhankelijkheid van de hoofdfunctie.

In de beoogde situatie wordt een bestaand bedrijfsgebouw van 372 m2 gebruikt ten behoeve van het exploiteren van een hondenfokkerij/pension. Gezien de omvang, van maximaal 50 honden, is er geen sprake van ondergeschiktheid met betrekking tot inkomenswervend en wordt er niet aan voorwaarden voldaan.

20 van 46

De beoogde activiteit, het exploiteren van een hondenfokkerij/pension, is daarmee een zelfstandige activiteit naast het agrarisch bedrijf. Wel is de beoogde activiteit in oppervlakte bebouwing ondergeschikt aan het agrarisch bedrijf. Het agrarisch bedrijf blijft daardoor duidelijk zichtbaar op de locatie.

2. de activiteit qua aard en omvang dient te passen bij de specifieke agrarische kwaliteit en schaal van de omgeving;

Aanvrager heeft momenteel reeds een klein aantal honden hobbymatig op de locatie. In de loop der jaren is gebleken dat het creëren van een veilige omgeving voor honden in een landelijk gebied op deze locatie erg prettig werkt. Het ontlast de drukt bevolkte bebouwde kom van overlast en biedt voor de toekomst meer mogelijkheden. Vanwege de toenemende vraag naar de honden die aanvrager fokt en de mogelijkheden om een honden in een pension in deze omgeving (buitengebied) op te vangen heeft aanvrager ervoor gekozen om het aantal honden uit te breiden en dit als een verbrede landbouwtak op te zetten. De activiteit biedt het bedrijf een tweede inkomen. Dit tweede inkomen ondersteund de varkenshouderij en zorgt voor risicospreiding. Het initiatief neemt hierom deel aan het behouden van de agrarische kwaliteit van de leefomgeving en heeft geen invloed op de schaal van de locatie.

3. de maximale oppervlakte voor de recreatieve nevenactiviteit niet groter mag zijn dan 500 m², met uitzondering van voorzieningen in de op de verbeelding nader aangeduide 'wro-zone -recreatie-ontwikkelingsgebied', waarvoor geen maximale oppervlaktemaat geldt; Er is geen sprake van een recreatieve nevenactiviteit.

4. de activiteit niet mag leiden tot toename van bebouwing;

De beoogde activiteit zal gaan plaatsvinden in een bestaand bedrijfsgebouw. Hier wordt aan voldaan.

5. de activiteit geen onevenredige (extra) hinder of belemmeringen mag veroorzaken voor omliggende bedrijven of woningen; Bij het houden van honden kan het geluid mogelijk hinder veroorzaken in de nabije omgeving. Middels een akoestisch onderzoek is aangetoond dat aan de gestelde eisen wordt voldaan. Het akoestisch onderzoek is te vinden in bijlage 15 van deze aanvraag. Tevens wordt geen geurgevoelig nieuw object toegevoegd dus brengt de activiteit ook geen hinder voor omliggende bedrijven.

6. de activiteit qua situering aansluit op bestaande (en reeds geplande) infrastructuur; De activiteit vindt plaats binnen het bestaande bouwvlak. Er wordt gebruik gemaakt de bestaande in- en uitrit. Deze sluit aan op de bestaande infrastructuur.

van

7. ondergeschikte en ondersteunende horeca is toegestaan, met een inpandige oppervlakte van maximaal 30 m2 en een buitenpandige oppervlakte van maximaal 70 m2; Er is geen sprake van ondersteunende horeca.

8. geen noodzaak is voor aanpassing van het wegennet wegens onvoldoende capaciteit;

De beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen hebben geen invloed op het verkeersnetwerk. De Berg- en Dalseweg sluit aan op de Dodehoeksestraat richting HeeswijkDinther en de Laag-Beugt richting snelweg A50 (Oss-Eindhoven). Deze wegen beschikken allen over voldoende capaciteit voor de beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen door voorliggende aanvraag. Dit is nader toegelicht in paragraaf 4.11 Verkeer en parkeren.

9. parkeren op eigen terrein zal plaatsvinden;

Op de milieutekening bijgevoegd in bijlage 2 is aangegeven waar parkeer-mogelijkheden zijn. Dit is nader toegelicht in paragraaf 4.11. Verkeer en parkeren. Hier wordt aan voldaan.

21 van 46

10. sprake is van een goede ruimtelijke uitstraling;

De ruimtelijke uitstraling van het bedrijf verandert niet. Enkel wordt er een gesloten omheining toegevoegd ten behoeve van de buitenuitloop voor de honden. Deze is vanaf de openbare weg niet direct zichtbaar. Verder is de locatie al goed ingepast en is er sprake van een goede ruimtelijke uitstraling. Op navolgende afbeelding is het aanzicht van de locatie weergegeven. Aan deze voorwaarde wordt derhalve voldaan.

Afbeelding 11: aanzicht locatie vanaf de Berg- en Dalseweg (bron: Google Street View)

22 van 46

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten

Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling

4.1.1. Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling

Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Voor de beoogde activiteit dient een omgevingsvergunning, met o.a. de activiteit projectafwijkingsbesluit, te worden verleend. Een omgevingsvergunning wordt in het kader van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als een project. In hetzelfde besluit staat vervolgens beschreven wanneer een project onder de m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht valt. Voor verschillende diercategorieën worden aantallen weergegeven wanneer dergelijke plichten van toepassing zijn bij een oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren (categorie C 14 en D 14 Besluit m.e.r.). Voorliggende ontwikkeling komt echter niet voor op de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r In de beoogde situatie is sprake van een uitbreiding met 50 honden. Er is daarom geen sprake van een m.e.r.(beoordelings)plichtig besluit. 4.2. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie.

4.2.1. Waterrelevant beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

23 van 46

De belangrijkste aspecten zijn: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding Zoals reeds uiteen is gezet in paragraaf 3.1.3 liggen er binnen de Iov geen werkingsgebieden voor wat betreft het aspect water op de plangebied. Er zijn derhalve geen voorwaarden waar in het kader van de Iov aan getoetst dient te worden. De wijze waarop de provincie omgaat met water, is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Hiermee is de RWP de opvolger van het Provinciaal Milieu en waterplan (PMWP). Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050, en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht).

Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we dat het doel om moet; we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem. Doel van RWP: - Voldoende water - Schoon water - Veilig water - Vitale bodem - Klimaatadaptatie Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun RWP stelt. De RWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Waterschap Waterschap Aa en Maas is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van het plangebied. Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. De missie van waterschap Aa en Maas in het waterbeheerplan 2022-2027: “Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde, robuuste en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met oog voor economische aspecten.” Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2.

Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: - schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; - de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; - de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is;

24 van 46

-

de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.

Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.

Keur

De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels.

Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.

4.2.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie

In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het nietverontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten. In de omgeving van de initiatieflocatie zijn A- en B-watergangen te vinden, op onderstaande afbeelding zijn deze weergegeven.

Afbeelding 12: uitsnede kaart Waterschap Aa en Maas – Legger (bron: waterschap Aa en Maas)

25 van 46

4.2.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie

In de beoogde situatie wordt, net zoals in de bestaande situatie, het afvalwater van huishoudelijke aard wordt geloosd op het gemeentelijk riool. De hondenhokken worden enkel met water en biologisch afbreekbaar schoonmaakmiddel schoongemaakt. De hokken worden vooraf droog schoongemaakt, uitwerpselen van de honden worden afgevoerd door een erkend afnemer. Het bedrijfsafvalwater afkomstig van het hondenpension zal worden geloosd in de onderliggende putten, in deze putten wordt momenteel het spoelwater van de spoelgoten opgeslagen. De opslag van het spoelwater zal in de beoogde situatie worden in de “voormalige” rundveestal. (stal 1). De opvangputten onder stal 3 hebben voldoende capaciteit om het afvalwater gedurende een langer periode op te slaan. Er zal 2 keer per jaar een grote schoonmaak plaatsvinden. Het afvalwater wat hierbij vrijkomt wordt opgeslagen in de opvangput. In de hondenkennel loopt van links naar rechts een afvoer welke uitmondt in deze opvangputten van 74 en 95 m3. Dit afvalwater wordt afgevoerd naar een erkend verwerker. Zoals aangegeven is Waterschap Aa en Maas de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het gronden oppervlaktewater binnen de initiatieflocatie. Middels de Keur van Waterschap Aa en Maas, welke in werking is getreden op 19 november 2021, is bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregelen getroffen moeten worden.

Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De Keur van Waterschap Aa en Maas schrijft voor dat voor een toename van minder dan 500 m2 verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. In de beoogde situatie zal er geen toename van verhard oppervlak plaatsvinden, de beoogde hondenren bestaat uit reeds aanwezige verharding. Het waterschap heeft in een reactie (d.d. 17 maart 2023) aangegeven dat er geen bijzondere water(-schaps)belangen aan de orde zijn. De beoogde speelweide is onverhard en betreft een hydrologisch neutrale ontwikkeling. De gemeente Bernheze stelt ook eisen aan ontwikkelingen onder de 500 m 2. Er dient 20 mm / m2 verharding (daken en terreinverhardingen) op eigen terrein geborgen te worden. Zoals reeds benoemd vindt er met onderhavige plan geen toename van verharding of dak plaats. Zoals aangegeven is de beoogde speelweide onverhard en kan dit worden gezien als een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Het hemelwater kan op deze gronden direct infiltreren in de bodem. Hieruit kan geconcludeerd worden dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving.

Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de

26 van 46

NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=bdad085e-a633-4ec0-9e9b-5a1c948622f6