Ruimtelijke onderbouwing Berg- en Dalseweg 6 H-D
Tekst van het document
Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen de projectlocatie geen NNB aanwezig, zie afbeelding 11. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016. Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.
Projectlocatie
Afbeelding 13: uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ IOV (bron: Provincie NoordBrabant)
4.3.2. Wet natuurbescherming
In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Vlijmens Ven, Moerputten
27 van 46
& Bossche Broek, Kampina en Oisterwijkse Vennen, Rijktakken en Strabrechtse Heide & Beuven. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek, dat op een afstand van circa 13,5 kilometer ligt. Er zijn verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.
Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht
Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden.). Het bedrijf is in het bezit van een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswetvergunning 1998 d.d. 05-02-2014. Deze vergunning is van rechtswege per 01-01-2017 overgaan in een vergunning als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming. Daar dit de bestaande, planologisch legale situatie direct voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan betreft geldt die vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming als uitgangssituatie. Voor de beoogde situatie is een separate aanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming ingediend. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen spraken van het aanhaken aan de omgevingsvergunningaanvraag. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd.
Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten.
Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de projectlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Berg- en Dalseweg 6 te Heeswijk-Dinther, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van het hondenverblijf, beschermde natuurwaarden voorkomen, die
28 van 46
verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Door middel van de ‘Effectenindicator soorten’ van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is gekeken of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormt voor de beschermde diersoorten. Voor de realisatie is er sprake van de activiteiten ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’. Uit de effectenindicator volgt dat er aanwezigheid van beschermde soorten is, zie onderstaande afbeeldingen.
Afbeelding 14: uitsnede kaart ‘Effectenindicator soorten’ (bron: Ministerie van LNV)
Afbeelding 15: conclusie ‘Effectenindicator soorten’ (bron: Ministerie van LNV)
Daar in het gebouw sinds 2006 (zie besluit 31 oktober 2006) ook al honden gehuisvest waren is niet aannemelijk dat de huismussen en vleermuizen in de beoogde situatie worden verstoord. Het gebouw was reeds in gebruik als dierenverblijf, in de beoogde situatie wordt dit gebruik voortgezet enkel met meerdere honden.
29 van 46
Het opzetten van het hondenpension zou een verstorend effect kunnen hebben op de huismus en vleermuizen. Echter met het opzetten van hondenpension worden geen gebouwen gesloopt (het pension wordt gerealiseerd in reeds bestaande bebouwing) of nesten weggehaald mochten deze aanwezig zijn. De activiteiten hebben geen effect op de functionaliteit van de nesten en rustplaatsen. Het leefgebied van de huismus en vleermuis wordt niet verstoord, de nesten, voortplantsingsplaatsen en rustplaatsen worden niet beschadigd of vernield. Met het initiatief wordt de huismus en vleermuis niet gedood of gevangen. Tevens worden de huismussen en vleermuizen niet opzettelijk gestoord. Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het aantreffen van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Binnen de projectlocatie is hier geen sprake van.
Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4. Ammoniak Ammoniak is een belangrijk milieuthema bij veehouderijen. Er is wet- en regelgeving voor het beoordelen van het aspect ammoniak. Hierna wordt het initiatief getoetst aan deze wet- en regelgeving.
4.4.1. Kwetsbare gebieden De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) is het exclusieve toetsingskader voor ammoniakemissies van veehouderijen. In de Wav zijn regels gesteld voor het oprichten en uitbreiden van veehouderijen die in of op minder dan 250 meter van een (zeer) kwetsbaar bos- of natuurgebied liggen. Deze bedrijven mogen hun bedrijf slechts uitbreiden indien de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger is dan het gecorrigeerde emissieplafond. Wanneer de ammoniakemissie op grond van de geldende vergunning lager is dan het gecorrigeerd emissieplafond, mag de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger zijn dan de vergunde ammoniakemissie.
Afbeelding 16: uitsnede kaart WAV gebieden (bron: Provincie Noord-Brabant)
30 van 46
Er is te zien dat het bedrijf buiten een zone van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied ligt. In het kader van de Wet ammoniak en veehouderij kan het bedrijf uitbreiden in ammoniak.
4.4.2. Besluit emissiearme huisvesting
Naast de regels voor bedrijven binnen de 250 meter-zones bevat de Wav generieke regelgeving voor de toepassing van emissiearme stalsystemen. Op 23 juni 2015 is het Besluit emissiearme huisvesting vastgesteld (voorts Besluit). Dit Besluit vervangt het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij en is op 1-8-2015 in werking getreden. In dit Besluit is onderscheid gemaakt tussen melk- en kalfkoeien (artikel 3) en varkens, kippen en kalkoenen (artikel 5). Binnen het Besluit zijn maximale emissiewaarden opgenomen, in bijlage 1 bij het Besluit, voor nieuwe stallen (kolom B en C) en zijn de maximale emissiewaarden voor bestaande stallen gewijzigd (kolom A). Omdat honden niet zijn opgenomen in het Besluit emissiearme huisvesting is toetsing aan dit Besluit niet aan de orde. Het initiatief voldoet hiermee aan het Besluit emissiearme huisvesting 4.5. Bodemkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden. Als gevolg van voorliggend initiatief wordt ter plaatse van de projectlocatie geen bebouwing toegevoegd en/of gesloopt. Daarnaast wordt met dit project geen verblijfsruimte gerealiseerd.
Een bodemonderzoek is in het kader van de beoogde ontwikkeling niet noodzakelijk. 4.6. Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
4.6.1. Cultuurhistorie en aardkunde
Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de projectlocatie niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie afbeelding 15. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.
31 van 46
Projectlocatie
Afbeelding 17: uitsnede kaart ‘Stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ IOV (bron: provincie Noord-Brabant)
4.6.2. Archeologie
Voorafgaand aan de realisatie van het beoogde initiatief moet worden onderzocht of er sprake is van aantasting van archeologische waarden. De zorg voor archeologische monumenten wordt gespeeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. De gemeenteraad van de gemeente Bernheze heeft de Archeologische beleidskaart gemeente Bernheze vastgesteld. Hierna is een uitsnede weergegeven van deze beleidskaart.
32 van 46
Projectlocatie
Afbeelding 18: uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Bernheze (bron: gemeente Bernheze)
Uit de Archeologische beleidskaart van de gemeente Bernheze blijkt dat de initiatieflocatie is gelegen binnen categorie 5 ‘gebieden met een middelhoge archeologische verwachting’ en binnen categorie 4 ‘gebieden met een hoge archeologische verwachting’. Binnen categorie 5 geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 2.500 m2. Binnen categorie 4 geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m2. Omdat gebouw 3 waarbinnen de activiteiten plaatsvinden gelegen is binnen beleidscategorie 4 en categorie 5 moet bij bodemverstorende activiteiten moet uitgegaan van de hoogste ondergrenzen van beide categorieën. Met voorliggend initiatief wordt op de projectlocatie als gevolg van het initiatief geen bebouwing toegevoegd dan wel gesloopt. De bodem wordt derhalve niet verstoord. Nader archeologisch onderzoek is hier dan ook niet noodzakelijk. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze 2012-1’ zijn archeologische waarden opgenomen. Ter plaatse van de projectlocatie zijn geen archeologische waarden opgenomen. Dit betekent dat er geen archeologische verwachtingen zijn ter plaatse van de projectlocatie. 4.7.
Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende
33 van 46
richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De projectlocatie ligt conform de definitie in de VNG-publicatie in het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. In de directe omgeving vindt geringe functiemenging plaats. Tevens is er weinig verstoring door verkeer. Qua aanvaardbare milieubelasting is dit omgevingstype dus vergelijkbaar met een rustige woonwijk. Voor verschillende typen bedrijven worden milieuzoneringen aangegeven in de richt afstandenlijst (uit de hierboven genoemde handreiking).
In onderstaande tabel worden de richtafstanden (in meters) van de beoogde ontwikkeling weergegeven. Conform de handreiking behoren deze bedrijven tot de milieucategorie 3.1, waarvoor een richtafstand van 50 meter is vastgesteld. De dichtstbij gelegen woning van derden (Elleboogsteeg 2 te Heeswijk-Dinther) bevindt zich op een afstand van ca. 75 meter van de initiatieflocatie. De naastgelegen woning (aan de Hogeweg 3 te Heeswijk-Dinther) ligt tevens op een afstand van circa 75 meter van de initiatieflocatie. Voor het houden van honden gelden de volgende richtafstanden. Tabel 1: richtafstanden toekomstige situatie Omschrijving Milieucat. Fokken en houden van overige 3.1 dieren: - huisdieren
Geur 30
Stof 0
Geluid 50
Gevaar 10
Op grond hiervan kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden. 4.8. Geur
4.8.1. Individuele hinder
De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels betreffende geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. Voor kleinere bedrijven zijn deze regels opgenomen in het Activiteitenbesluit. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen of vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen vaststelt in een gemeentelijke geurverordening. Met deze opgenomen normen moet rekening gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Binnen de initiatieflocatie kunnen dieren worden gehouden waarvoor in de wet geuremissiefactoren zijn opgenomen. Het gaat hierbij om de intensieve veehouderijtak van het bedrijf. Deze geuremissie wordt samen met de brongegevens van de stallen ingevoerd in het rekenprogramma V-stacks, dit programma rekent geurbelasting uit op objecten in de omgeving. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de geurnormen die gelden op de woningen in de directe omgeving van de initiatieflocatie. Voor woningen die behoren tot andere veehouderijen (of op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij) zijn enkel vaste afstanden van toepassing.
Met betrekking tot de intensieve veehouderijtak van het bedrijf vinden door onderhavige afwijking geen wijzingen plaats. De momenteel aanwezige stallen zijn middels een omgevingsvergunning vergund en
34 van 46
voldoen op deze manier aan de Wet geurhinder en veehouderij. Een nader onderzoek naar de geuremissie van de intensieve veehouderijtak is voor onderhavige afwijking derhalve niet noodzakelijk.
4.8.2. Woon- en leefklimaat
In het kader van de ruimtelijke procedure is het wenselijk dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op het woon- en leefklimaat in de omgeving van de projectlocatie. Ook na de beoogde ontwikkeling dient er sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het initiatief vindt plaats in een loods. Deze loods wordt momenteel gebruikt als paarden/rundveestal en machineloods. Wat betreft de richtafstanden zoals weergegeven in tabel 1 voldoet geur aan de gegeven normen, en kan er gesproken worden over een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de beoogde situatie. 4.9. Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht.
Er dient te worden aangetoond dat het wonen leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.
4.9.1. Niet in betekenende mate
Indien ontwikkelingen binnen de projectlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.
Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: - Categorie woningbouwlocaties; - Categorie kantoorlocaties; - Combinatie van woningbouw en kantoren; - Categorie inrichtingen. Voorliggend initiatief betreft het fokken van en aanbieden van pension voor honden in reeds bestaande bebouwing, de ontwikkeling behoort tot de categorie inrichtingen. In de Regeling NIBM zijn voor twee categorieën inrichtingen (getalsmatige) grenzen opgesteld: Landbouwinrichtingen en Spoorwegemplacementen. De beoogde ontwikkeling betreft een veehouderijbedrijf. Hiervoor gelden een aantal vuistregels, voor het bedrijf geldt dat er wordt getoetst op een afstand van ruim 70 meter. Voor honden zijn geen emissiefactoren vastgesteld als het gaat om honden, voor de varkens geldt dat er een totale fijnstof emissie van 143.290 gram/jaar is. Op een grens van 70 meter ligt de NIBM vuistregelgrens op een emissie van 324.000 gram/jaar. De conclusie is dat er op ruim 70 meter geen sprake kan zijn van een IBM toename, het is dus NIBM.
35 van 46
4.9.2. Woon- en leefklimaat
Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie NOx bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM 2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m 3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO 2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de projectlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 15,41 μg/m3, voor PM2,5 8,751 μg/m3 en voor NO2 14,92 μg/m3, zie navolgende afbeeldingen.
Projectlocatie
Afbeelding 19: uitsnede GCN-kaart fijnstof PM10
36 van 46
Projectlocatie
Afbeelding 20: uitsnede GCN-kaart fijnstof PM2,5
Projectlocatie
Afbeelding 21: uitsnede GCN-kaart fijnstof NOx
De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.
37 van 46
4.10. Geluid De Wet geluidhinder is sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. De geluidsproductie van een varkenshouderij is in hoofdzaak afkomstig van transportbewegingen, het laden en lossen, ventilatie en overige motoren binnen de inrichting. In de Wet geluidhinder is bepaald dat voor locaties in het bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting wordt onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In deze situatie is geen sprake van een nieuwe geluidgevoelige bestemming, het betreft namelijk het exploiteren van een hondenfokkerij/pension in een bestaand gebouw. In de inrichting vinden wel activiteiten plaats die een geluidsuitstraling hebben naar de omgeving. Om de geluiduitstraling naar de omgeving, als gevolg van de bedrijfsvoering, te bepalen is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Op 22 maart 2024 is door M&A een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar industrielawaai. Dit onderzoek is als separate bijlage toevoegt als bijlage 15 aan deze onderbouwing.
Uit het onderzoek kan worden geconcludeerd dat de voorkeursgrenswaarden niet zal worden overschreven. De beoogde hondenverblijf wordt aangepast om de geluidsuitstraling op de omliggende woningen zo veel mogelijk te beperken. Zo wordt de buitenzijde van de honden buitenuitloop, over een hoogte van 1,8 meter hoogte afgesloten met een geluidsabsorberende schutting. Tevens wordt geluidisolatie van het bestaande dak van het hondengebouw, waar de honden verblijven, verbeterd. Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.11. Verkeer en parkeren De initiatieflocatie is gelegen aan de Berg- en Dalseweg 6, buiten de bebouwde kom van HeeswijkDinther. In beoogde situatie wordt een hondenfokkerij/pension geëxploiteerd met maximaal 50 honden. Dit betreffen een deel dagjes honden en een deel vakantie honden die meerdere dagen verblijven. In het akoestisch onderzoek (bijlage 15) wordt uitgegaan van maximaal 40 auto’s per dag. Dit betreft een worstcase scenario op enig moment. In werkelijkheid zal dit aantal veel lager liggen omdat eigenaren meerdere honden kunnen hebben en de honden meerdere dagen gebruik maken van het pension. De initiatieflocatie aan de Berg- en Dalseweg 6 wordt ontsloten door Dodenhoeksestraat naar Heeswijk en Dinther en de N606 naar en Heeswijk, Dinther en Veghel.
Deze ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit voor de afwikkeling van de beperkte toename in verkeersbewegingen. Het aspect verkeer vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief. Op basis van de Parkeernormennota van de gemeente Bernheze (in werking getreden 09-07-2015) dient parkeren op eigen terrein plaats te vinden. Op het erf van initiatieflocatie is voldoende ruimte aanwezig voor het parkeren op eigen terrein. In CROW toekomstbestendig parkeren is een hondenpension niet specifiek opgenomen, daarom is aansluiting gezocht bij de categorie werken; bedrijf arbeidsintensief/bezoekers extensief. Het hondenpension is een arbeidsintensief bedrijf omdat de dieren dagelijkse verzorgen behoeven, al dan niet specifieke verzorging waarbij extra aandacht wordt vereist. De dieren worden op afspraak gebracht en gehaald. Vaak alleen in de ochtend en avond periodes, zoals hierboven beschreven, vandaar de aansluiting bij extensief. De parkeereis in het buitengebied is 2,6 per 100 m2 bvo, de erfverharding zoals hierboven genoemd is circa 690 m2 groot. Dit houdt in dat er 17,9 afgerond 18 parkeerplaatsen aangelegd moeten worden. Op bijgevoegde uitsnede van de milieutekening is aangegeven waar parkeermogelijkheden zijn. Het aspect parkeren vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief.
38 van 46
4.12. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.
4.12.1.
Regelgeving
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico:
Plaatsgebonden risico (PR)
Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.
Groepsrisico (GR)
Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= ‘1’). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
Verantwoordingsplicht groepsrisico
Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.
39 van 46
Figuur 1: wanneer groepsrisico verantwoorden?
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘ (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Barro, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’, zie nader uitgewerkt in de volgend paragraaf.
4.12.2.
Toetsing aan beleid
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van het plangebied. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede van de Risicokaart Nederland, zie navolgende afbeelding.
Afbeelding 22: uitsnede Risicokaart (bron: Signaleringskaart EV)
40 van 46
Afbeelding 23: uitsnede legenda behorende bij de Risicokaart (bron: Signaleringskaart EV)
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Het plan voorziet niet in de realisatie van nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Aangezien het plangebied niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De ontwikkeling ligt ver buiten de invloedsfeer van zowel het spoortraject als de A50 en N279. Het plangebied ligt op ca 3,2 kilometer van het spoortraject voor personenvervoer (Eindhoven – Nijmegen) (het dichtst bijgelegen spoortraject voor gevaarlijke stoffen ligt op een afstand van meer dan 10 kilometer) en op ca. 1,8 kilometer afstand van de Rijksweg A50 en op ca. 1,9 kilometer afstand van de N279. De autosnelweg A50 (afrit 11 en 12, knooppunt Veghel en Veghel-Noord) is opgenomen in de regeling Basisnet. De veiligheidszone bedraagt hier 48 meter. Binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’ is de provinciale weg N279 gelegen waarover structureel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is opgenomen dat langs de N279 geen PR 10-6 contour aanwezig is.
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’ is in de nabijheid geen dubbelbestemming ‘Leiding-[…]’ opgenomen. De voorgenomen ontwikkelingen liggen buiten deze dubbelbestemming en de voorgenomen ontwikkelingen hebben geen invloed op het bepaalde in de bijbehorende regels. De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van de in het Bevb opgenomen buisleidingen. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevb niet van toepassing.
Conclusie
Aangezien onderhavige projectlocatie niet is gelegen binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden zijn geen risico’s aanwezig voor de betreffende ontwikkeling. Derhalve kan worden geconcludeerd dat er voor dit project geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid. 4.13. Technische infrastructuur In of nabij de projectlocatie liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in afbeelding 22).
41 van 46
4.14. Volksgezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. De beoogde ontwikkeling betreft het fokken van honden en aanbieden van een pension mogelijkheid voor honden. In zowel de bestaande als beoogde situatie is er sprake van een gevoelig object. Het plan voorziet niet in de realisatie van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten gericht op verblijf van mensen (langer dan 2 uur). In het kader van volksgezondheid wijzigt de situatie niet en neemt het aantal blootgestelde in de toekomst niet toe. Met het oog op het woon- en leefklimaat kan daarom worden gesteld dat er geen wijziging plaatsvindt die een aanvaardbaar woon- en leefklimaat negatief beïnvloed. Daarom kan worden geconcludeerd dat er vanuit het aspect volksgezondheid geen onevenredige nadelige effecten zullen optreden binnen de projectlocatie.
4.14.1.
Zoönosen
Zoönosen zijn infectieziekten die van dieren op mensen kunnen overgaan. Per diersoort kunnen verschillende ziekten voorkomen die zich via de lucht verspreiden naar mensen, via direct contact tussen dier en mens of via voedsel. Voor omwonenden zijn vooral de via de lucht overdraagbare aandoeningen van belang. Uitgangspunt is dat er op bedrijfsmatig niveau geen varkens en pluimvee op één bedrijf samen gehouden mogen worden in verband met het risico op transmissie en vermenging van influenzavirus. Ook het bedrijfsmatig samenhouden van verwante soorten als rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten) en kleine herkauwers onderling wordt afgeraden (o.a. vanwege Q-koorts), tenzij er sprake is van een gescheiden bedrijfsvoering. Uit dossieronderzoek is niet gebleken dat er binnen de invloedsfeer van de initiatieflocatie veehouderijen aanwezig zijn waarbij sprake zou zijn van een gemengde bedrijfsvoering van beide categorieën. Tevens is op de projectlocatie hier geen sprake van, de honden worden gescheiden van de varkens gehouden.
42 van 46
5. Uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk wordt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan uiteengezet. 5.1. Financiële uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een plan, verplicht is maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Bernheze zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. Dit wordt met de initiatiefnemer kortgesloten middels een anterieure overeenkomst. In deze overeenkomst zijn onder andere de verplichtingen van initiatiefnemers met betrekking tot het planschadeverhaal opgenomen. De initiatiefnemers zijn zich ervan bewust dat alle kosten die gemaakt worden in of ten behoeve van de procedure en de uitvoering voor rekening van de initiatiefnemers komen. Dit betreft onder meer de kosten voor de benodigde beoordelingen, onderzoeken, de kosten voor het opstellen van omgevingsvergunning, de legeskosten die voldaan dienen te worden en eventuele planschade die door uitvoering van de omgevingsvergunning optreedt.
De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 5.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is de gelegenheid tot inspraak geboden. Ook heeft vooroverleg plaatsgevonden met de daartoe aangewezen instanties en heeft er een omgevingsdialoog plaats gevonden. Vooroverleg en omgevingsdialoog In het kader van artikel 3.1.1 Bro is overleg gevoerd over het voorontwerp bestemmingsplan met de gebruikelijke overlegpartners, Waterschap Aa en Maas en provincie Noord-Brabant. Naar aanleiding van dit overleg hebben de overlegpartners geen opmerkingen gemaakt. Initiatiefnemers hebben de beoogde plannen voorgelegd aan omwonenden middels een bezoek. De reacties hierop zijn toegevoegd als separaat document (bijlage 18) bij deze ruimtelijke onderbouwing. De opmerkingen uit de omgevingsdialoog hebben niet geleid tot wijziging van het bestemmingsplan/wijzigingsplan. Samenvattend kan worden gesteld dat de omwonenden niet negatief tegenover de gewenste ontwikkeling staan.
43 van 46
6. Planologische afweging
Deze ruimtelijke onderbouwing betreft de planologische verantwoording voor de voorgenomen activiteit, het fokken van honden en aanbieden van pension mogelijkheid, op de locatie aan de Bergen Dalseweg 6 te Heeswijk-Dinther. Het initiatief is niet rechtstreeks toegestaan volgens het geldende bestemmingsplan. In het vigerend bestemmingsplan is een afwijkingsbevoegdheid (artikel 3.6.1 lid b) opgenomen welke de beoogde ontwikkeling toch mogelijk maakt. Door middel van deze ruimtelijke onderbouwing wordt aangetoond dat met het initiatief geen nadelige gevolgen ontstaan voor milieu, mens en leefomgeving. Het initiatief is getoetst aan alle relevante beleidskaders op provinciaal en gemeentelijk niveau. Het beleid op provinciaal niveau vormt geen belemmering voor het initiatief. Tevens is het initiatief getoetst aan alle relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. Hieruit is gebleken dat met het initiatief geen nadelige effecten ontstaan voor de omgeving. De onderzoeken naar geluid, bodem, luchtkwaliteit en geur tonen aan dat het initiatief milieu-hygiënisch aanvaardbaar is. door de onderzoeken van natuur, archeologie, externe veiligheid en de waterparagraaf wordt aangetoond dat het initiatief planologisch aanvaardbaar is. Samenvattend kan worden geconcludeerd dat het initiatief een verantwoord initiatief betreft.
Daarom kunnen de voorgenomen ontwikkelingen op de projectlocatie aan de Berg- en Dalseweg 6 te HeeswijkDinther doorgang vinden.
44 van 46
7. Bijlagen Bijlage 15: Bijlage 17: Bijlage 18:
Akoestisch onderzoek Landschappelijk inpassingsplan Omgevingsdialoog
45 van 46
46 van 46