Regels
Tekst van het document
8.
permanente bewoning of huisvesting van tijdelijke werknemers is niet toegestaan;
9.
het kampeerterrein qua situering aansluit op bestaande (en reeds geplande) infrastructuur;
10. geen noodzaak is voor aanpassing van het wegennet wegens onvoldoende capaciteit; 11. parkeren op eigen terrein zal plaatsvinden. b.
het bepaalde in 3.5.2 onder d en toestaan dat bijgebouwen tot een maximum oppervlak van 100 m2 gebruikt worden ten behoeve van mantelzorg onder de voorwaarden dat: 1.
een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg;
2.
de zorgbehoefte is aangetoond door een van gemeenteweg erkende instelling;
3.
belangen van derden (natuur, veiligheid en milieu) niet worden geschaad;
4.
parkeren op eigen terrein zal plaatsvinden;
5.
er geen zelfstandige woonruimte ontstaat
6.
er een privaatrechtelijke overeenkomst (met boetebedingen) is afgesloten om controle en beëindiging van het tijdelijke gebruik als woonruimte veilig te stellen;
De omgevingsvergunning wordt ingetrokken en het tijdelijke gebruik als woonruimte wordt beëindigd als, en zodra de noodzaak inzake mantelzorg komt te vervallen.
3.6.2 Aanvullend afwegingskader Een in 3.6.1 genoemde omgevingsvergunning kan bovendien slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a.
het straat- en bebouwingsbeeld;
b.
de milieusituatie; er dient sprake te zijn van een goede milieuhygienische uitvoerbaarheid;
c.
de verkeersveiligheid;
d.
het woon- en leefmilieu van de omgeving; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
e.
de waterhuishoudkundige situatie.
3.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.7.1 Verbod Het is verboden zonder een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: ; a.
het rooien van houtgewas;
b.
Het slopen van gebouwen
3.7.2 Uitzonderingen op verbod Het in 3.7.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die: a.
ten aanzien van het verbod zoals bedoeld in artikel 3.7.1 onder a, uitgevoerd worden binnen een op de verbeelding opgenomen bouwvlak;
b.
het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
c.
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan;
d.
ten aanzien van het verbod zoals bedoeld in artikel 3.7.1 onder b, voorzover dat betrekking heeft op de gebouwen 1 en 2 uit figuur 1
1
2
3
4
Figuur 1 Bebouwing Aa Brugstraat 19
3.7.3 Onderzoek Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in 3.7.1 onder b dient aanvullend flora en faunaonderzoek uitgevoerd te worden naar steenuil, kerkuil, huismus, gierzwaluw en vleermuizen en overlegd te worden aan bevoegd gezag met daaruit volgend eventueel te nemen maatregelen.
3.7.4 Afwegingskader Uitvoering van de in 3.7.1 genoemde werken of werkzaamheden is in strijd met de bestemming, indien daardoor dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen een onevenredige aantasting van de waarden van deze gronden kan plaatsvinden.
3.7.5 Waarden Onder de in 3.7.4 genoemde waarden worden verstaan: a.
ten aanzien van de in 3.7.1 onder a genoemde werken of werkzaamheden: de waarden van landschapselementen;
b.
ten aanzien van de in 3.7.1 onder b genoemde werken of werkzaamheden: de flora en faunawaarden die betrekking hebben op steenuil, kerkuil, huismus, gierzwaluw en vleermuizen.
Artikel 4 Waarde - Archeologie 2 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden van archeologische waarde en gronden met een hoge archeologische verwachtingswaarde.
4.2 Bouwregels 4.2.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m2 en dieper dan 40 centimeter, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van de vergunningverlener in voldoende mate zijn vastgesteld, waarbij advies wordt ingewonnen van een senior-archeoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek.
4.2.2 Voorwaarden Indien uit het in 4.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen of kunnen worden verstoord, kan de vergunningverlener één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: a.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
b.
de verplichting tot het doen van opgravingen;
c.
de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door de vergunningverlener bij de vergunning te stellen kwalificaties.
4.2.3 Bouwverbod Indien uit het in 4.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in 4.2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de vergunning geweigerd.
4.3 Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden 4.3.1 Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in 4.1 bedoelde gronden de volgende andere-werken uit te voeren: a.
het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden;
b.
het bodemverlagen of afgraven van gronden;
c.
het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,40 m vanaf maaiveld;
d.
het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
e.
het aanleggen of verharden van wegen, rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
f.
het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport- energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies.
4.3.2 Verlening Een omgevingsvergunning wordt slechts verleend, indien door de werken en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.
4.3.3 Uitzondering omgevingsvergunning Het in 4.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing, indien: a.
het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
b.
er sprake is van bodemingrepen kleiner dan 250 m2 en niet dieper dan 0,4 m vanaf het maaiveld;
c.
op basis van bureauonderzoek, inventariserend of aanvullend archeologisch vooronderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn;
d.
de werken en werkzaamheden 1.
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
2.
mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
e.
de werken en werkzaamheden op aanvullend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht;
f.
de werken en werkzaamheden het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen.
Artikel 5 Waarde - Archeologie 3 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden van archeologische waarde en gronden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde.
5.2 Bouwregels 5.2.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 centimeter, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van de vergunningverlener in voldoende mate zijn vastgesteld, waarbij advies wordt ingewonnen van een senior-archeoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek.
5.2.2 Voorwaarden Indien uit het in 5.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen of kunnen worden verstoord, kan de vergunningverlener één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: a.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
b.
de verplichting tot het doen van opgravingen;
c.
de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door de vergunningverlener bij de vergunning te stellen kwalificaties.
5.2.3 Bouwverbod Indien uit het in 5.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in 5.2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de vergunning geweigerd.
5.3 Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden 5.3.1 Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in 5.1 bedoelde gronden de volgende andere-werken uit te voeren: a.
het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden;
b.
het bodemverlagen of afgraven van gronden;
c.
het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,40 m vanaf maaiveld;
d.
het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
e.
het aanleggen of verharden van wegen, rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
f.
het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport- energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies.
5.3.2 Verlening Een omgevingsvergunning wordt slechts verleend, indien door de werken en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.
5.3.3 Uitzondering omgevingsvergunning Het in 5.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing, indien: a.
het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
b.
er sprake is van bodemingrepen kleiner dan 2.500 m2 en niet dieper dan 0,4 m vanaf het maaiveld;
c.
op basis van bureauonderzoek, inventariserend of aanvullend archeologisch vooronderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn;
d.
de werken en werkzaamheden 1.
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
2.
mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
e.
de werken en werkzaamheden op aanvullend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht;
f.
de werken en werkzaamheden het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen.
Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 7 Algemene aanduidingsregels 7.1 reconstructiewetzone - extensiveringsgebied Ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' zijn specifieke regels van toepassing, die zijn opgenomen in de artikelen 3.2.2,
7.2 wro-zone - recreatie-ontwikkelingsgebied Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'wro-zone - recreatie-ontwikkelingsgebied' zijn specifieke regels van toepassing die zijn opgenomen bij: 3.1, 3.4.1 onder m, 3.6.1 onder a, b en d, 3.9.1 onder d, i en j,
7.3 wro-zone - woonwerkontwikkelingsgebied Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'wro-zone - woonwerkontwikkelingsgebied' zijn specifieke regels van toepassing die zijn opgenomen bij: 3.1, 3.4.1 onder j, 3.6.1 onder a, 3.9.1 onder d, f, h, i en j,
Artikel 8 Algemene afwijkingsregels 8.1 Afwijkingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen: a.
voor het toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven;
b.
van de planregels met het oog op de aanpassing aan de werkelijke afmetingen van het terrein, mits de structuur van het plan niet wordt aangepast, de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en de omgevingsvergunning gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan;
c.
van de planregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en toestaan dat de bouwhoogte van kunstwerken en van zend-, ontvang- en/of sirenemasten wordt vergroot tot maximaal 40 m.;
d.
van het bepaalde ten aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de bouwhoogte van gebouwen wordt vergroot ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen hoger dan 2,5 m., luchtkokers, liftkokers en lichtkappen;
e.
van in het plan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlaktematen, mits: 1.
dit noodzakelijk is vanuit constructieve vereisten, architectonisch belang of oogpunt van duurzaamheid;
2.
de vergroting maximaal 10% bedraagt;
3.
de toegestane maximale inhoudsmaat niet wordt overschreden.
8.2 Afwegingskader Een in 8.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a.
het straat- en bebouwingsbeeld;
b.
de milieusituatie;
c.
de verkeersveiligheid;
d.
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
e.
de sociale veiligheid;
f.
de externe veiligheid.
Artikel 9 Algemene wijzigingsregels 9.1 Wijzigingsbevoegdheid 9.1.1 Algemeen Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en: a.
nadere aanduidingen met betrekking tot de functie van de verbeelding verwijderen of wijzigen in een andere nader te bepalen aanduiding;
b.
bestemmingsgrenzen met max. 5 m. verschuiven.
9.1.2 Afwegingskader Ter beoordeling van de toelaatbaarheid van de in 9.1.1 genoemde wijzigingsregels vindt een evenredige belangenafweging plaats, waarbij betrokken worden: a.
de mate waarin waarden, die het plan beoogt te beschermen, kunnen worden geschaad;
b.
de mate waarin de belangen van gebruikers en/of eigenaren van de aanliggende gronden worden geschaad;
c.
de mate waarin de uitvoerbaarheid, waaronder begrepen de milieutechnische-, de waterhuishoudkundige-, de archeologische-, de ecologische-, de verkeerstechnische toelaatbaarheid en de stedenbouwkundige inpasbaarheid is aangetoond.
Artikel 10 Overige regels 10.1 Werking wettelijke regelingen De wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van de inwerkingtreding van het plan.
10.2 Schema van volgorde dubbelbestemmingen Waar een enkelbestemming samenvalt met een dubbelbestemming geldt primair het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht 11.1 Overgangsrecht bouwwerken Een bouwwerk dat op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
11.2 Omgevingsvergunning Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 11.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 11.1 met maximaal 10%.
11.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken Het bepaalde in 11.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsregel van dat plan.
11.4 Overgangsrecht gebruik Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet naar die aard en omvang, behoudens voor zover uit de Vogel- en Habitatrichtlijnen (richtlijn 79/409/EEG van 2 april 1979 en richtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992) beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan bestaand gebruik.
11.5 Strijdig gebruik Het is verboden het met het plan strijdige gebruik, bedoeld in 13.4 , te veranderen of te laten veranderen in een ander met het plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
11.6 Verboden gebruik Indien het gebruik, bedoeld in 11.4 , na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
11.7 Uitzondering op het overgangsrecht gebruik Het bepaalde in 13.4 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 12 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Aa-Brugstraat 19, Veldstraat ong. te Heeswijk-Dinther.