Raadsbesluit Verordening Rioolheffing Bernheze 2025
Tekst van het document
\r
Rée'stan€numms.: 78371 / 80676
@::".::': í
Raadsbesluit oarum vereacrorins 12 december 2024
Agendapunt:
17
oód€e€rp
Verordening Rioolheffing Bernheze 2025
De raad van de gemeente Bernheze besluit, op basis van het bijbehorende voorstel van burgemeester en wethouders van 5 november 2024:
gelet op artikel 228a van de Gemeentewet; vast te stellen de volgende verordening VERORDENING OP DE HEFFING EN OE INVORDERING VAN RIOOLHEFFING BERNHEZE 2025.
Artikel 1 : Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: 1. 'onroerende zaak': als onroerende zaak wordt aangemeíkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk lll van de Wet waardering onroerende zaken; Een onÍoerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk lV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hooÍdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroeÍende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden; 2. 'gemeentelijke riolering'i een voorziening oÍ combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of tfansport van afualwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in ondeÍhoud bij de gemeente, een en ander met inbegrip van het gemeentelijk grondwater en oppervlaktewater; 3.'water': huishoudelijk afualwater, bedrijfsafualwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater.
AÉikel 2: Aard van do bolasting Onder de naam RioolhefÍlng' wordt een directe belasting geheven ter bestri.iding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: 1. de inzameling en het transport van huishoudeliik afualwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en 2. de inzameling van afuloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Artikel 3: Bolastbaar feit en bèlastingplicht 1
. De belasting wordt geheven van degene die bij het begin van het belasting.iaar het genot
heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een onroerende zaak verder te noemen: eigenarenbelasting. 2. Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit oÍ beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt Íecht is.
Artikel 4: Maatstaf van heffing 1
. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk lV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar zoals bedoeld in
artikel 3.
2. lndien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk lV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij oÍ krachtens de artikelen 1 7, '18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. 3. De heffing bedraagt een vast percentage van de Woz-waarde van de onroerende zaken, zoals genoemd in artikel 1, lid '1.
Artikel 5: Tarief Het tarief bedraagt:
a. voor onroerende zaken die in hoofdzaak lot woning dienen 0,0410% van de WOZwaarde zoals die is vastgesteld voor het belastingjaar, betreffende de onroerende zaken, zoals genoemd in artikel 1 , lid 1. b. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen O,0410o/o van de WOZwaarde zoals die is vastgesteld voor het belastingjaaÍ, betreffende de onroerende zaken, zoals genoemd in artikel 1 , lid '1.
Artikel 6: Vrijstellingon ln afi,vijking in zoverre van artikel 4 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b. glasopstanden, die bedÍiJfsmatig worden aangewend vooÍ de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouweli.ike aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de in artikel 1, derde lid,
2
onderdeel b, van die wet bedoelde voorwaarden met uitzondering van de daarop voorkomende gèbouwde eigendommen; e. natuurterreinen, waafonder mede worden veÍstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon len doel stellen, beheerd worden; f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afualwater en die worden beheerd dooÍ organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondeÍing van de delen van zodanige werken die dienen als woning; i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelí als gebouwde eigendommen zi.in aan te merken; j.
onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondeÍing van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs; k. straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanig gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen; l. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bii de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeenle het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woningl m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning. 2. De vrijstelling met betrekking tot de in ondeÍdeel .i van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.
AÍtikel 7: Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikol 8: Wijze van hsfÍing De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.
AÉikel 9: Ontstaan yan de bolastingschuld De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar
Artikel 10: Termijnen van betaling 1
. ln aír,vijking van artikel 9, eerste lid, van de lnvoíderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van
de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden lateÍ. 2. Het bedrag inzake een bestuurlijke boete moet worden betaald in twee gelijke termilnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. 3. ln afwijking van het eersle en tweede lid moeten, indien een machtiging voor automatische incasso is afgegeven en zolang de verschuldigde bedragen via automatische incasso kunnen worden aÍgeschreven, de aanslag(en) en bestuurlijke boete(s) worden betaald in tien gelijke maandeli.ikse termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die van de dagtekening van het aanslagbiljet en de volgende termijnen telkens een maand later. 4. ln aftvijking van het derde lid is betaling via automatische incasso alleen mogelijk voor zover het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde belastingaanslagen en bestuurli.lke boetes minder is dan € 5.000,00. 5. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel í 1 : Nader€ Íegels door het Dagelijks Bestuur Het Dagelijks Bestuur van de Belastingsamenwerking OosLBrabant kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en invordering van de RioolheíÍing.
Artikel l2: Overgangsbepaling, inwerkingtreding en citeertitel 1
. De 'Verordening RioolhefÍing Bernheze 2024' van '14 december 2023, oÍ zoals laatstelijk
gewijzigd, wordt ingetrokken met ingang van de in het deíde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening tÍeedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de hefflng is 1 januari 2025. 4. Deze verordening woÍdt aangehaald als'Verordening RioolhefÍing Bernheze 2025'.
Vastgesteld door de raad van de gemeente Bernh I 2 decem 2024
l['-
in zijn openbare vergadering van
rk
vooÍzitter
grifÍier
4