Ontwerp bestemmingsplan "Zandstraat ong (naast 7) Heeswijk-Dinther" - Bijlage 6 bij toelichting Verkennend en nader bodemonderzoek
Tekst van het document
Verkennend en nader bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek Zandstraat ong. te Heeswijk-Dinther Kadastrale gegevens: gemeente Heeswijk-Dinther, sectie F, nummer 983
Projectnummer: Datum:
20191795-1 10 juni 2020
Verkennend en nader bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek Zandstraat ong. te Heeswijk-Dinther Kadastrale gegevens: gemeente Heeswijk-Dinther, sectie F, nummer 983
Opdrachtgever de heer B. van Eerd De Streepen 34 5473 PE Heeswijk-Dinther Adviesbureau
Kwaliteitscontrole
MILON bv
ing. Mark Bergmans
Rembrandtlaan 4 5462 CH Veghel info@milon.nl / www.milon.nl 073 - 5477253 Status definitief Datum 10 juni 2020 Projectnummer 20191795-1
Versie 2
Projectleider en auteur Shana Coomans MSc
Inhoudsopgave 1 Inleiding .................................................................................. 3 1.1 Algemeen .......................................................................... 3 1.2 Aanleiding en doel .............................................................. 3 1.3 Opbouw van het rapport ...................................................... 3 1.4 Betrouwbaarheid en onafhankelijkheid .................................. 3 2 Milieuhygiënisch vooronderzoek .............................................. 5 2.1 Algemeen .......................................................................... 5 2.2 Afbakening en locatiegegevens ............................................. 5 2.3 Gebruik, potentiële bronnen en uitgevoerde onderzoeken ........ 8 2.4 Bodemkwaliteitskaart, bodemopbouw en geohydrologie .......... 9 2.5 Hypothese ......................................................................... 9 3 Uitvoering verkennend bodemonderzoek .............................. 10 3.1 Onderzoeksstrategie ......................................................... 10 3.2 Veldwerkzaamheden ......................................................... 10 3.3 Zintuiglijke waarnemingen ................................................. 11 3.4 Laboratoriumwerkzaamheden ............................................
11 3.5 Analyseresultaten ............................................................. 12 3.6 Aanvullend onderzoek (grond) ............................................ 14 3.7 Bespreking van de resultaten ............................................. 17 4 Uitvoering nader bodemonderzoek ........................................ 19 4.1 Algemeen ........................................................................ 19 4.2 Vaststellen informatiebehoefte ........................................... 19 4.3 Onderzoeksopzet .............................................................. 20 4.4 Veldwerkzaamheden en zintuiglijke waarnemingen ............... 20 4.5 Laboratoriumwerkzaamheden ............................................ 21 4.6 Analyseresultaten ............................................................. 22 4.7 Bespreking van de resultaten ............................................. 22 4.8 Risicobeoordeling .............................................................. 23 5 Uitvoering verkennend asbestonderzoek ............................... 25 5.1 Onderzoeksstrategie ......................................................... 25 5.2 Veldwerkzaamheden ......................................................... 26 5.3 Zintuiglijke waarnemingen ................................................. 26 5.4 Laboratoriumwerkzaamheden ............................................
27 5.5 Interpretatie en toetsing .................................................... 28 5.6 Bespreking van de resultaten ............................................. 29 6 Samenvatting en conclusies .................................................. 31
Bijlagen 1. Topografische overzichtskaart 2. Situatietekening 3. Profielbeschrijvingen en zintuiglijke waarnemingen 4. Analysecertificaten 5. Toetsing analyseresultaten 6. Risicobeoordeling Sancrit 7. Omgevingsrapportage
1
Inleiding
1.1
Algemeen
MILON bv te Veghel heeft in opdracht van de heer B. van Eerd een verkennend en nader bodemonderzoek en een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van Zandstraat ong. te Heeswijk-Dinther. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de Nederlandse Normen NEN 5725, NEN 5740, NEN 5707 en NEN 5897.
1.2
Aanleiding en doel
Het verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen bestemmingsplanwijziging van de locatie. Het voornemen bestaat de huidige bebouwing te slopen en woningbouw te realiseren. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het verkrijgen van inzicht in de bodemopbouw en de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater. Het doel van het verkennend asbestonderzoek is om met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of de verdenking van een verontreiniging van de bodem met asbest terecht is. Het nader bodemonderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek en specifiek de verhoogde gehalten PCB in de bovengrond. Het doel van het nader bodemonderzoek is het verkrijgen van inzicht in de mate en omvang van de grondverontreiniging met PCB op de locatie en te bepalen of en welke sanerende maatregelen noodzakelijk zijn.
1.3
Opbouw van het rapport
In onderhavige rapportage komen de volgende aspecten aan de orde: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
resultaten van het vooronderzoek (hoofdstuk 2); resultaten van het verkennend bodemonderzoek(hoofdstuk 3); resultaten van het nader bodemonderzoek (hoofdstuk 4) resultaten van het verkennend asbestonderzoek (hoofdstuk 5); conclusies en aanbevelingen (hoofdstuk 6).
De bijbehorende tekening, boorprofielen, analysecertificaten en toetsingstabellen zijn als bijlagen in deze rapportage opgenomen.
1.4
Betrouwbaarheid en onafhankelijkheid
De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder de BRL SIKB 2000 “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek”, protocol 2001 “Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen”, protocol 2002 “Het nemen van grondwatermonsters” en protocol 2018 “Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem”. MILON bv en SMV Milieukundig Veldwerk BV zijn gecertificeerd volgens dit procescertificaat. Het onderzoek is geheel onafhankelijk uitgevoerd. MILON bv en SMV Milieukundig Veldwerk BV zijn geen eigenaar van de onderzoekslocatie en zijn financieel niet gelieerd aan de opdrachtgever. Projectnummer: 20191795-1 Datum: 10 juni 2020
Pagina 3 van 33
Het onderzoek is met de grootst mogelijke nauwkeurigheid en conform de daarvoor opgestelde normen en richtlijnen uitgevoerd. Hierbij wordt opgemerkt dat een bodemonderzoek slechts bestaat uit een steekproef waarbij een relatief gering aantal boringen en analyses worden uitgevoerd. Daarom kan niet geheel uitgesloten worden dat op de locatie een verontreiniging aanwezig is die bij dit onderzoek niet is aangetroffen. MILON bv en SMV Milieukundig Veldwerk BV achten zich niet aansprakelijk voor eventueel hieruit voortvloeiende (financiële) schade.
Projectnummer: 20191795-1 Datum: 10 juni 2020
Pagina 4 van 33
2
Milieuhygiënisch vooronderzoek
2.1
Algemeen
Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5725:2017 nl Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek. Het doel van het vooronderzoek is inzicht krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen ter plaatse van de onderzoekslocatie. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke bodemverontreinigingen. Ook kunnen de resultaten van het vooronderzoek worden gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het bodemonderzoek. Om dit doel te bereiken wordt relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventueel de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. Uiteindelijk dienen in het vooronderzoek de onderzoeksvragen uit de NEN 5725 'Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek' beantwoord te worden. Ten behoeve van het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: ▪ Informatie opdrachtgever en eigenaar; ▪ Informatie overheid inzake bodemonderzoeken, ophooglagen, vergunningen, (voormalige) brandstoftanks en andere mogelijke relevante informatie; ▪ Website Bodemloket; ▪ Historisch topografisch kaartmateriaal, website topotijdreis; ▪ Actuele luchtfoto’s (Google Earth en Bing Kaarten); ▪ Grondwaterkaart van Nederland/DINOloket; ▪ Kadaster.
Voorafgaand aan de uitvoering van het veldwerk is een terreininspectie uitgevoerd. De resultaten van deze inspectie zijn opgenomen in onderhavig hoofdstuk.
2.2
Afbakening en locatiegegevens
Het onderzoeksgebied voor het vooronderzoek is geografisch afgebakend tot de onderzoekslocatie en de aangrenzende percelen tot 25 meter vanaf de grens van de onderzoekslocatie. In verticale richting is de locatie afgebakend tot 10 meter beneden maaiveld. Gezien de ligging en het gebruik van de locatie in relatie tot het doel van het onderzoek wordt deze afbakening voldoende geacht. De onderzoekslocatie is gelegen aan de Zandstraat (ten zuiden van nummer 7) te Heeswijk-Dinther. In tabel 1 zijn de locatiegegevens weergegeven.
Projectnummer: 20191795-1 Datum: 10 juni 2020
Pagina 5 van 33
Tabel 1: Overzicht locatiegegevens Adres locatie
Zandstraat ong.
Kadastrale gegevens locatie
gemeente Heeswijk-Dinther, sectie F, perceelnummer 983
Coördinaten Rijksdriehoekstelsel
x: 162470
Oppervlakte locatie (in m2)
circa 4.000
www.planviewer.nl/kaart
Oppervlakte bebouwd (in m2)
circa 590
www.planviewer.nl/kaart
Huidig gebruik
vtabeloormalig erf met opstallen
Verhardingen
puinverharding (gedeeltelijk)
y: 407232
www.planviewer.nl/kaart https://pdokviewer.pdok.nl
De regionale ligging van de onderzoekslocatie is weergegeven op de topografische overzichtskaart in bijlage 1 en de luchtfoto in figuur 1.
Figuur 1: luchtfoto met globale ligging onderzoekslocatie (rood omrand) bron: Google Maps
Oostelijk van het te onderzoeken gebied is de openbare weg ‘Zandstraat’ gelegen. Ten noorden en ten zuiden van de onderzoekslocatie is een perceel gelegen in gebruik als wonen met tuin. Westelijk van de onderzoekslocatie zijn een aantal agrarische percelen gelegen. De onderzoeklocatie ligt buiten de bebouwde kom. Voor een indruk van de onderzoekslocatie wordt verwezen naar figuur 2 en de situatietekening in bijlage 2.
Projectnummer: 20191795-1 Datum: 10 juni 2020
Pagina 6 van 33
Figuur 2: huidige situatie (6 foto's)
Projectnummer: 20191795-1 Datum: 10 juni 2020
bron: locatie-inspectie MILON bv
Pagina 7 van 33
2.3
Gebruik, potentiële bronnen en uitgevoerde onderzoeken
Gebruik en potentiële bronnen Volgens historisch topografisch kaartmateriaal was de onderzoekslocatie rond 1900 in gebruik als agrarisch gebied. Einde jaren ’70 zijn vier schuren binnen de onderzoekslocatie gerealiseerd. Omstreeks 2000 zijn ten zuiden schuren gesloopt. De twee schuren op de onderzoekslocatie, voormalige stallen met mestkelders, hebben een dakbedekking welke bestaat uit asbestverdacht materiaal. Naar opgave van de opdrachtgever, is het buitenterrein van de locatie in het verleden in gebruik geweest voor de bewerking van hout (zagen en splijten van haardhout). Uit navraag bij de opdrachtgever en omwonenden zijn geen bodembedreigende activiteiten bekend geworden. Voor zover bekend zijn op of nabij de onderzoekslocatie geen verdachte locaties aanwezig of aanwezig geweest. Tevens zijn voor het overige geen potentieel bodembelastende activiteiten uitgevoerd. De opdrachtgever is voornemens om de bestemming van het perceel te wijzigen. Asbest Asbest bevat mineralen met een vezelstructuur en zijn van natuurlijke herkomst. Asbestvezels in de lucht kunnen bij inademing longvlieskanker, buikvlieskanker of longkanker veroorzaken. De hoeveelheid asbest bij blootstelling en type asbestvezels die worden ingeademd, beïnvloeden de risico’s. Niet alle asbesthoudende producten zijn even hard.
Deze hardheid is van invloed op de mate waarin asbestvezels vrij kunnen komen (hechtgebonden of niet-hechtgebonden). Asbest is na de 2de Wereldoorlog tot de jaren 80 van de vorige eeuw veel toegepast. Asbest werd gebruikt in gebouwen en woningen omdat het sterk, slijtvast, isolerend, brandwerend en goedkoop is. De risico's die asbest oplevert voor de gezondheid werden pas later bekend. Losgebonden asbest is vanaf 1983 vrijwel niet meer toegepast. De beroepsmatige toepassing en verkoop van alle soorten asbest is sinds 1 juli 1993 verboden. Sinds 1 juni 1997 zijn voorafgaand aan de sloop van gebouwen asbestinspecties verplicht, waardoor de kans kleiner is geworden dat er asbest in de bodem en recyclinggranulaten terecht komt. Sinds 2005 is het gebruik van alle soorten asbest verboden in de Europese Unie. De schuren ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn voorzien van een asbestdak zonder hemelwaterafvoer. Het is derhalve aannemelijk dat ter plaatse van de afwateringslijn in de bodem asbest is geraakt door afspoeling. Uitgevoerde bodemonderzoeken Binnen de onderzoekslocatie en in de directe omgeving zijn voor zover bekend tot op heden geen bodemonderzoeken uitgevoerd. In bijlage 7 is de omgevingsrapportage van de omgevingsdienst opgenomen.
Projectnummer: 20191795-1 Datum: 10 juni 2020
Pagina 8 van 33
2.4
Bodemkwaliteitskaart, bodemopbouw en geohydrologie
De onderzoekslocatie heeft een globale hoogteligging van circa 8,6 m+NAP. De gegevens van de bodemopbouw tot 25 m-mv zijn verkregen van DINOloket (uitgifte portaal van TNO, Geologische Dienst Nederland). Vanaf maaiveld tot circa 23,5 m-mv bestaat de bodem uit de formatie van Boxtel (zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, weinig zandige klei en grof zand). Hieronder is de formatie van Beegden (zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof zand, grind en midden zand, weinig zandige klei en fijn zand) aanwezig. Volgens opgave van de provincie Noord-Brabant ligt het onderzoeksgebied niet in een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of boringvrije zone. Het aanwezig zijn van ongeregistreerde onttrekkingen in de directe omgeving is niet bekend en wordt derhalve niet uitgesloten. Voor zover bekend wordt binnen het onderzoeksgebied geen grondwater onttrokken. Uit de bodemkwaliteitskaart van de regio Noordoost Brabant blijkt dat de onderzoeklocatie is gelegen in een gebied waarin de bodemkwaliteit op onbelaste percelen naar verwachting voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse AW2000. De onderzoekslocatie is gelegen in de bodemfunctieklasse AW2000 (landbouw/natuur).
2.5
Hypothese
Op basis van de verkregen informatie uit het vooronderzoek is de milieuhygiënische bodemkwaliteit van de bodem binnen de onderzoekslocatie niet eerder vastgesteld. Aangezien op de bebouwing asbestdaken aanwezig zijn (geweest) zonder hemelwaterafvoer, is de afwateringslijn verdacht op het voorkomen van asbest. Voor het verkennend asbestonderzoek wordt conform NEN 5707 de locatie onderzocht met de onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming (VED-HE) met de toplaag als verdachte laag. Gelet op het gebruik van de locatie en de verdere afwezigheid van bodembedreigende activiteiten op de locatie en in de directe omgeving is de locatie onverdacht op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Hierom wordt, conform de NEN 5740, de locatie onderzocht met de onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie niet lijnvormig (ONV-NL). Binnen de onderzoekslocatie worden geen andere stoffen verwacht dan de parameters uit het standaardpakket grond en het standaardpakket grondwater. Het standaardpakket voor grond bestaat uit barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, PAK, PCB, minerale olie, lutum en organisch stof.
Het standaardpakket voor grondwater bestaat uit barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, minerale olie, vluchtige aromatische en vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen.
Projectnummer: 20191795-1 Datum: 10 juni 2020
Pagina 9 van 33
3
Uitvoering verkennend bodemonderzoek
3.1
Onderzoeksstrategie
Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5740:2009+A1:2016 nl bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond. Op basis van de verkregen informatie uit het vooronderzoek en gestelde hypothese wordt het bodemonderzoek uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie niet lijnvormig (ONV-NL). De veldwerkzaamheden en de te analyseren grond- en grondwatermonsters zijn vastgesteld op basis van de totale oppervlakte van de onderzoekslocatie en weergegeven in tabel 2. Tabel 2: Veldwerkzaamheden en analyses Oppervlakte
4.000 m
2
3.2
Boringen en peilbuizen tot 0,5 m-mv
tot 2,0 m-mv
peilbuis
10
2
1
Laboratorium (analyses) grond
grondwater
bovengrond
ondergrond
2x standaardpakket
1x standaardpakket
1x standaardpakket
Veldwerkzaamheden
De veldwerkzaamheden zijn onder certificaat uitgevoerd door MILON bv en SMV Milieukundig Veldwerk BV, conform de vigerende versie van de BRL SIKB 2000 en protocollen 2001 en 2002. MILON bv (nummer EC-SIK-20269) en SMV Milieukundig Veldwerk BV (nummer K46241/09) zijn voor deze werkzaamheden gecertificeerd door Normec Certification en zijn erkend door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Op 21 augustus 2019 zijn de veldwerkzaamheden uitgevoerd door de heer A.P.J. (Antoine) Franken, erkend en ervaren veldwerker en een medewerker van SMV Milieukundig Veldwerk BV. Veldwerkers van MILON bv en SMV Milieukundig Veldwerk BV zijn opgeleid voor het herkennen van asbesthoudende materialen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn de volgende werkzaamheden uitgevoerd: ▪ het verrichten van handboringen en plaatsen van peilbuizen conform tabel 2; ▪ het zintuiglijk beoordelen, beschrijven en het bemonsteren van de grond per 0,5 meter of gelijkwaardige laag; ▪ het afpompen van het grondwater in de peilbuis na plaatsing. Op 30 augustus 2019 heeft de bemonstering van het grondwater plaatsgevonden, uitgevoerd door de heer A.P.J. (Antoine) Franken, erkend en ervaren veldwerker en medewerker van MILON bv.
Hierbij zijn de volgende werkzaamheden uitgevoerd: ▪ het bepalen van de grondwaterstand; ▪ het afpompen van het grondwater in de peilbuis, waarbij gelijktijdig de zuurgraad, geleiding en troebelheid van het grondwater zijn gemeten; ▪ het bemonsteren van het grondwater. Ten behoeve van de analyse van zware metalen is het grondwater tijdens de grondwaterbemonstering gefiltreerd middels een 0,45 μm filter.
Projectnummer: 20191795-1 Datum: 10 juni 2020
Pagina 10 van 33
3.3
Zintuiglijke waarnemingen
Ter plaatse van de onderzoekslocatie is op het zuidoostelijke terreindeel een puinverharding aanwezig. De dikte van de puinverharding varieert van 0,35 tot 0,40 meter. Ter plaatse van boring 08 is asbest is asbest aangetroffen in de puinverharding. De bovengrond bestaat overwegend uit zwak humeus, zwak siltig, zeer fijn zand. Plaatselijk wordt grindhoudend zand aangetroffen. Zintuiglijk zijn bij diverse boringen op het zuidelijk terreindeel in de bovengrond bijmengingen aangetroffen met puin. Op het maaiveld zijn ter plaatse van boring 10 en 12 asbestverdachte materialen aangetroffen, welke afkomstig zijn van het beschadigde dak. Ter plaatse van de zuidelijke zijde van de meest zuidelijk schuur is mogelijk puinhoudende grond opgebracht gezien het hoogteverschil op het terrein. Voor meer informatie betreffende de bodemopbouw en de zintuiglijke waarnemingen wordt verwezen naar de boorbeschrijvingen in bijlage 3. Voor de ligging van de boorpunten wordt verwezen naar de situatietekening in bijlage 2. In tabel 3 zijn de resultaten van de uitgevoerde veldmetingen tijdens de grondwaterbemonstering weergegeven. Tabel 3: Veldmetingen en zintuiglijke waarnemingen Peilbuis 01
Filterstelling (m -mv) 2,70 - 3,70
Grondwaterstand (m -mv) 2,46
pH (-) 7,7
EGV (µS/cm) 744
Troebelheid (NTU) 225
De gemeten zuurgraad (pH) en geleidingsvermogen (EGV) zijn als normaal te beschouwen voor de waargenomen bodemopbouw en de ligging van de locatie. Opgemerkt wordt dat de troebelheid in het grondwater hoger is dan de waarde die voor grondwater als normaal wordt geacht (< 10 NTU). Een verhoogde troebelheid kan in sommige gevallen leiden tot een overschatting van de concentratie van matig/slecht oplosbare organische parameters. Tijdens de monsterneming van het grondwater zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen die zouden kunnen duiden op een mogelijke bodemverontreiniging.
3.4
Laboratoriumwerkzaamheden
De grond- en grondwatermonsters zijn ter analyse aangeboden aan Eurofins Analytico B.V. te Barneveld. Eurofins Analytico B.V. is door de Raad voor Accreditatie (RvA) geaccrediteerd conform NEN-EN-ISO/IEC 17025:2005 en erkend door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat voor de 'Analyse milieuhygiënisch bodemonderzoek' (AS3000). Van de in het veld genomen en separaat verpakte grondmonsters zijn, in opdracht van de projectleider van MILON bv, in het laboratorium mengmonsters samengesteld. In tabel 4 zijn per mengmonster de individuele grondmonsters en de zintuiglijke waarnemingen weergegeven.
Projectnummer: 20191795-1 Datum: 10 juni 2020
Pagina 11 van 33
Tabel 4: Monstersamenstelling en zintuiglijke waarnemingen Analysemonster MMBG1
Monstertraject (m -mv) 0,00 - 0,50
MMBG2
0,00 - 0,50
MMOG
0,50 - 1,30
Deelmonsters
Zintuiglijke waarnemingen
Aangevraagde analyses
11 (0,00 - 0,20) 13 (0,00 - 0,50) 02 (0,00 - 0,50) 04 (0,00 - 0,50) 05 (0,00 - 0,50) 07 (0,00 - 0,50) 14 (0,00 - 0,50) 15 (0,00 - 0,50) 01 (0,50 - 1,00) 01 (1,00 - 1,30) 03 (0,50 - 1,00) 09 (0,90 - 1,10) 14 (0,50 - 1,00) 14 (1,00 - 1,20)
matig puinhoudend
Standaardpakket
zwak wortelhoudend
Standaardpakket
-
Standaardpakket
- : geen bijzonderheden waargenomen; sporen/resten: <1% antropogene bijmenging; zwak: 1%-5% antropogene bijmenging; matig: 5%-15% antropogene bijmenging; sterk: 15%-50% antropogene bijmenging.
Alle analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 4. In de bijlage van deze certificaten zijn opmerkingen geplaatst omdat verschillen zijn geconstateerd met de te hanteren richtlijnen. Beïnvloeding van de betrouwbaarheid van de analyses wordt echter minimaal geacht.
3.5
Analyseresultaten
3.5.1. Wet bodembescherming Voor de bepaling of (en in welke mate) bodemverontreiniging aanwezig is, zijn toetsingswaarden opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit en de Circulaire bodemsanering. In deze beleidstukken wordt onderscheid gemaakt in twee verschillende toetsingsniveaus: ▪ het toetsingsniveau waarbij sprake is van een duurzame en goede bodemkwaliteit waarbij geen noemenswaardige risico’s bestaan voor het ecosysteem en er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen. Getalsmatig wordt dit voor grond ingevuld door de achtergrondwaarde (AW), voor grondwater door de streefwaarde (S); ▪ het toetsingsniveau dat aangeeft waarboven ernstige vermindering of dreigende vermindering optreedt van de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant. Getalsmatig wordt dit voor zowel grond als grondwater ingevuld door de interventiewaarde (I). Voor de toetsing van de analyseresultaten is gebruik gemaakt van BOTOVA-gevalideerde software. De analyseresultaten van de grond en het grondwater zijn respectievelijk getoetst aan testcode T12 (Beoordeling kwaliteit van grond volgens Wbb) en T13 (Beoordeling kwaliteit van grondwater volgens Wbb).
Voordat de meetwaarden van grond kunnen worden getoetst aan de achtergrond- en interventiewaarden dienen deze op basis van het lutumen/of organisch stofgehalte van de bodem gecorrigeerd te worden naar gestandaardiseerde meetwaarden (GSSD). Voor grondwater vindt geen correctie plaats. Om de mate van verontreiniging aan te geven wordt een indexwaarde berekend (Index grond = (GSSD - AW) / (I - AW) en Index grondwater = (GSSD - S) / (I - S)). In tabel 5 is weergegeven wat deze indexwaarde betekend, welke termen worden gehanteerd en hoe overschrijdingen worden weergeven in de toetsingstabellen. In de tabel wordt de indexwaarde tussenhaakjes achter de verhoogde parameter weergegeven.
Projectnummer: 20191795-1 Datum: 10 juni 2020
Pagina 12 van 33
Tabel 5: Mate van bodemverontreiniging en weergave in tabellen indexwaarde
betekenis
weergave in tabellen
<0
niet verontreinigd / niet verhoogd Een negatieve waarde voor de index houdt in dat de gestandaardiseerde waarde lager is dan achtergrond- of streefwaarde. Er is sprake van een goede bodemkwaliteit en geen sprake van een verontreiniging.
-
>0 <0,5
licht verontreinigd / licht verhoogd Een indexwaarde tussen de 0 en 0,5 betekend dat de gestandaardiseerde meetwaarde hoger is dan de achtergrond- of streefwaarde, maar (ver) onder de interventiewaarde ligt. Ondanks de lichte verhoging kan voor de parameter uitgegaan worden van verwaarloosbare risico's.
>AW of >S
>0,5 <1,0
matig verontreinigd / matig verhoogd. Een indexwaarde tussen de 0,5 en 1,0 betekend dat de gestandaardiseerde meetwaarde (dicht) bij de interventiewaarde ligt. Mogelijk is sprake van een ernstige verontreiniging. Afhankelijk van de specifieke situatie geeft deze waarde aanleiding voor het uitsplitsen van een mengmonster en/of het uitvoeren van een aanvullend of nader onderzoek.
> index
>1,0
ernstig verontreinigd / sterk verhoogd. Bij een indexwaarde boven de 1 ligt de gestandaardiseerde meetwaarde boven de interventiewaarde. Voor de parameter is sprake van een ernstige vermindering of dreigende vermindering van de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant of dier.
>I
3.5.2. Toetsing van de analyseresultaten De toetsing van de analyseresultaten voor de (boven- en onder)grond en het grondwater is weergegeven in bijlage 5. Een samenvatting van de toetsing is weergegeven in tabel 6 en tabel 7. In deze tabellen zijn uitsluitend de verhoogde parameters en de bijbehorende indexwaarde weergegeven. Tabel 6: Toetsing van de analyseresultaten (grond) Analysemonster MMBG1
Monstertraject (m -mv) 0,00 - 0,50
MMBG2
0,00 - 0,50
MMOG
0,50 - 1,30
Deelmonsters 11 (0,00 - 0,20) 13 (0,00 - 0,50) 02 (0,00 - 0,50) 04 (0,00 - 0,50) 05 (0,00 - 0,50) 07 (0,00 - 0,50) 14 (0,00 - 0,50) 15 (0,00 - 0,50) 01 (0,50 - 1,00) 01 (1,00 - 1,30) 03 (0,50 - 1,00) 09 (0,90 - 1,10) 14 (0,50 - 1,00) 14 (1,00 - 1,20)
Zintuiglijke waarnemingen matig puinhoudend zwak wortelhoudend
> AW
Index >0,5
>I
koper (0,27) zink (0,33) PCB (som 7) (-) koper (0,01)
PCB (som 7) (2,02) -
PCB (som 7) (0,08)
-
-
-: het gehalte is lager of gelijk aan de betreffende toetsingswaarde; >AW: het gehalte is hoger dan de achtergrondwaarde, maar de indexwaarde is maximaal gelijk aan 0,5 (licht verontreinigd); Index >0,5: het gehalte is hoger dan de achtergrondwaarde en de indexwaarde is hoger dan 0,5, maar maximaal gelijk aan 1 (matig verontreinigd); >I: het gehalte is hoger dan de interventiewaarde (ernstig verontreinigd).
Projectnummer: 20191795-1 Datum: 10 juni 2020
Pagina 13 van 33
Tabel 7: Toetsing van de analyseresultaten (grondwater) Analysemonster 01-1-1
Filterstelling (m -mv) 2,70 - 3,70
> S (+index)
Index >0,5
>I
barium (0,19)
-
-
-: de concentratie is lager of gelijk aan de betreffende toetsingswaarde; >S: de concentratie is hoger dan de streefwaarde, maar de indexwaarde is maximaal gelijk aan 0,5 (licht verontreinigd); Index >0,5: het gehalte is hoger dan de streefwaarde en de indexwaarde is hoger dan 0,5, maar maximaal gelijk aan 1 (matig verontreinigd); >I: het gehalte is hoger dan de interventiewaarde (ernstig verontreinigd).
3.6
Aanvullend onderzoek (grond)
Naar aanleiding van het sterk verhoogde gehalte PCB in mengmonster MMBG1, is in overleg met de opdrachtgever (d.d. 6 september 2019), besloten de individuele monsters van dit mengmonster te laten analyseren op PCB. De aanvullende analyses zijn uitgevoerd door Eurofins Analytico B.V. en weergegeven op het analysecertificaat in bijlage 4. De toetsing van de analyseresultaten is weergegeven in bijlage 5. Een samenvatting van de toetsing is weergegeven in tabel 8. In deze tabel zijn uitsluitend de verhoogde parameters weergegeven. Tabel 8: Toetsing van de analyseresultaten (uitsplitsing mengmonster mm3) Analysemonster 11.1 13.1
Monstertraject Deelmonsters (m -mv) 0,00 - 0,20 11 (0,00 - 0,20) 0,00 - 0,50 13 (0,00 - 0,50)
Zintuiglijke waarnemingen matig puinhoudend matig puinhoudend
> AW en <= I PCB (som 7) (0,12)
Index >0,5 -
>I PCB (som 7) (8,35) -
-: >AW:
het gehalte is lager of gelijk aan de betreffende toetsingswaarde; het gehalte is hoger dan de achtergrondwaarde, maar de indexwaarde is maximaal gelijk aan 0,5 (licht verontreinigd); Index >0,5: het gehalte is hoger dan de achtergrondwaarde en de indexwaarde is hoger dan 0,5, maar maximaal gelijk aan 1 (matig verontreinigd); >I: het gehalte is hoger dan de interventiewaarde (ernstig verontreinigd).
De sterke verontreiniging met PCB bevindt zich in de bovengrond ter plaatse van boring 11. Om de omvang en de mate van de verontreiniging te bepalen is in overeenstemming met de opdrachtgever (d.d. 16 september 2019) aanvullend onderzoek uitgevoerd. Het doel van het aanvullend bodemonderzoek is het verkrijgen van inzicht in de verontreinigingssituatie ter plaatse van de aangetroffen verhoging en het afperken van deze verontreiniging. Op basis van de beschikbare gegevens wordt een beperkte omvang van verontreiniging verwacht. Voor de horizontale afperking worden 3 boringen tot circa 1 m-mv geplaatst (boring 202 t/m 204) rondom boring 11 en wordt de bovengrond geanalyseerd op het PCB en organisch stofgehalte. Opgemerkt wordt dat de verontreiniging in zuidelijke richting is afgeperkt vanwege de aanwezige kelder in de schuur. Voor de verticale afperking is ter plaatse van boring 11 één boring tot 1,5 m-mv verricht (boring 201) en is hiervan een ondergrondmonster geanalyseerd op PCB. Ten behoeve van eventuele afvoer van de grond bij eventuele sanering, is de bovengrond ter plaatse van boring 11 aanvullend op PFAS onderzocht. Op 28 september 2019 zijn de veldwerkzaamheden uitgevoerd door de heer R.P.W.M. (Ruud) van Galen, erkend en ervaren medewerker van MILON bv. Veldwerkers van MILON bv zijn opgeleid in het herkennen van asbesthoudende materialen.
Tijdens de veldwerkzaamheden zijn de volgende werkzaamheden verricht: ▪ het verrichten van 1 handboring tot 1,5 m-mv ter plaatse boring 11; ▪ het verrichten van 3 handboringen tot 1,0 m-mv rondom boring 11;
Projectnummer: 20191795-1 Datum: 10 juni 2020
Pagina 14 van 33
▪ het zintuiglijk beoordelen, beschrijven en het bemonsteren van de grond per 0,5 meter of gelijkwaardige laag. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn bijmengingen waargenomen met metselpuin en bakstenen. Voor meer informatie betreffende de bodemopbouw en de zintuiglijke waarnemingen wordt verwezen naar de boorbeschrijvingen in bijlage 3. Voor de ligging van de boorpunten wordt verwezen naar de tekening in bijlage 2. De aanvullende grondanalyses zijn uitgevoerd door SYNLAB Analytics & Services B.V. te Rotterdam. SYNLAB Analytics & Services B.V. is door de Raad voor Accreditatie (RvA) geaccrediteerd conform NEN-EN-ISO/IEC 17025:2005 en erkend door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat voor de 'Analyse milieuhygiënisch bodemonderzoek' (AS3000). PFAS De stoffen uit de PFAS-stofgroep behoren tot de niet-genormeerde stoffen. Dit betekent dat voor deze stoffen in de Circulaire bodemsanering en de Regeling Bodemkwaliteit geen normen zijn opgenomen. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft in de afgelopen jaren onderzoek gedaan naar de toxicologie van PFOS, PFOA en GenX en heeft voorlopige risicogrenswaarden vastgesteld. Verslaglegging van deze afgeleide risicogrenzen staan beschreven in de volgende rapporten: • Risicogrenzen PFOS voor grond en grondwater.
Uitwerking voor generiek en gebiedsspecifieke waarden voor het gebied rond Schiphol, RIVM Briefrapport 2016-0001 (A.M. Wintersen / J.P.A. Lijzen / R. van Herwijnen); • Risicogrenzen PFOA voor grond en grondwater. Uitwerking voor generiek en gebiedsspecifiek beleid (herziene versie), RIVM Briefrapport 2018-0060 (J.P.A. Lijzen et al.); • Risicogrenzen GenX voor grond en grondwater, RIVM Briefrapport 2019-0027 (M. Rutgers et al.). De risicogrenswaarden zijn afgeleid volgens de interventiewaardensystematiek, maar hebben tot nu toe (nog) geen officiële status. De door het RIVM vastgestelde risicogrenswaarden zijn voor grond en grondwater weergegeven in tabel 9. Tabel 9: Risicogrenswaarden PFAS, voor grond en grondwater medium
grond
grondwater
risicogrenswaarde RIVM
eenheid
PFOS
PFOA
bepalingsgrens (ondergrens)
µg/kg ds
0,1
0,1
GenX 0,1
ad hoc interventiewaarde (bovengrens)
µg/kg ds
6600
900
100
wonen met tuin
µg/kg ds
11
900
100
wonen met moestuin
µg/kg ds
-
86
8
ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie
µg/kg ds
8
1137
960
bepalingsgrens (ondergrens)
µg/l
0,005
0,005
0,01
ad hoc interventiewaarde (bovengrens)
µg/l
4,7
0,39
0,66
wonen met tuin
µg/l
310
130
102
wonen met moestuin
µg/l
-
12
-
Voor de overige PFAS parameters zijn vooralsnog geen risicogrenswaarden vastgesteld.
Projectnummer: 20191795-1 Datum: 10 juni 2020
Pagina 15 van 33
Op 8 juli 2019 is een Tijdelijk handelingskader PFAS geïntroduceerd, waarin voorlopige toepassingsnormen opgenomen voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Deze normen zijn gebaseerd op het advies van het RIVM over risicogrenzen voor PFOS, PFOA en GenX. De toepassingsnorm voor grond en baggerspecie op de landbodem bedraagt voor PFOA maximaal 7 µg/kg ds en voor andere PFAS (waaronder PFOS en GenX) maximaal 3 µg/kg ds, mits toegepast boven het grondwaterniveau en buiten grondwaterbeschermingsgebieden. Deze toepassingsnormen gelden voor locaties die zijn ingedeeld op de bodemfunctieklassekaart in de bodemfunctieklassen Wonen en Industrie en het toepassen in een grootschalige bodemtoepassing. Voor de overige toepassingen op de landbodem, dus op bodems die zijn ingedeeld als bodemfunctieklasse landbouw/natuur en/of een bodemkwaliteit ‘voldoet aan achtergrondwaarden’, binnen grondwaterbeschermingsgebieden of toepassingen onder het grondwaterniveau geldt in principe de bepalingsgrens (0,1 µg/kg) als toepassingseis. Ook voor het toepassen van grond in oppervlaktewater of diepe plassen geldt de bepalingsgrens als normwaarde. De BoToVa-gevalideerde software is nog niet ingericht op het toetsen op PFAS. Dit betekent dat tijdelijk de uitslagen voor PFAS door MILON bv handmatig zijn geverifieerd.
Als bijvoorbeeld een partij grond op basis van de overige stoffen middels van testcode T1 is gekwalificeerd als bodemkwaliteitsklasse wonen, dan moet aanvullend het PFAS-gehalte worden getoetst aan de norm voor bodemfunctieklasse wonen die in het tijdelijk handelingskader is opgenomen. Het analysecertificaat en de toetsing van de analyseresultaten voor de grond zijn weergeven in bijlage 4 en 5. Een samenvatting van de toetsing is weergeven in tabel 10. In deze tabel zijn uitsluitend de verhoogde parameters weergegeven. Tabel 10: Toetsing van de analyseresultaten (uitsplitsing mengmonster mm3) Analysemonster
Deelmonsters
Zintuiglijke waarnemingen
Wbb > AW
201.2
201 (0,30 - 0,50)
sporen baksteen
PFOA PFOS
202.1
202 (0,00 - 0,30)
zwak metselpuinhoudend
-
-
203.1
203 (0,00 - 0,30)
matig metselpuinhoudend, matig baksteenhoudend
-
204.1
204 (0,00 - 0,50)
matig metselpuinhoudend, matig baksteenhoudend
PCB (som 7) (0,09) -
Index >0,5 -
PCB (som 7) (0,83)
>I
Bbk t.a.v. PFAS
PCB (som 7) (2,1) PCB (som 7) (6,11) -
Wonen
-
~
~ ~
~: -: >AW:
niet onderzocht het gehalte is lager of gelijk aan de betreffende toetsingswaarde; het gehalte is hoger dan de achtergrondwaarde, maar de indexwaarde is maximaal gelijk aan 0,5 (licht verontreinigd); Index >0,5: het gehalte is hoger dan de achtergrondwaarde en de indexwaarde is hoger dan 0,5, maar maximaal gelijk aan 1 (matig verontreinigd); >I: het gehalte is hoger dan de interventiewaarde (ernstig verontreinigd).
Projectnummer: 20191795-1 Datum: 10 juni 2020
Pagina 16 van 33
3.7
Bespreking van de resultaten
Grond Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de boven- en ondergrond zintuiglijk bijmengingen waargenomen met puin. Ter plaatse van boring 08 is asbestverdacht materiaal in de puinverharding aangetroffen. Op het maaiveld is ter plaatse van boring 10 en 12 asbestverdacht materiaal waargenomen, welke afkomstig zijn van het beschadigde asbestdak. Analytisch zijn in de bovengrond licht verhoogde gehaltes aan koper en zink aangetoond. Daarnaast is in de bovengrond een sterk verhoogd gehalte aan PCB gemeten. In de ondergrond is enkel een licht verhoogd gehalte aan PCB aangetoond. Koper en zink De licht verhoogde gehaltes aan koper en zink zijn naar alle waarschijnlijkheid veroorzaakt door de waargenomen bijmengingen met puin. Bekend is dat in grond met dergelijke bijmengingen verhoogde gehaltes aan zware metalen kunnen voorkomen. De hier aangetroffen gehaltes zijn gering en vormen geen aanleiding tot vervolgonderzoek. PCB De licht tot sterk verhoogde gehaltes aan PCB worden naar alle waarschijnlijkheid veroorzaakt door de ophoging van het terrein met sterk PCB-verontreinigde en puinhoudende grond. Uit navraag bij de opdrachtgever en buurtbewoners is niet bekend geworden wanneer de ophoging precies heeft plaatsgevonden.
Aangezien het terrein naar opgave van de opdrachtgever meer dan 30 jaar niet meer in gebruik is, wordt het waarschijnlijk geacht dat de verontreiniging voor 1987 is ontstaan. Daarnaast is bekend dat het gebruik en de productie van PCB sinds 1985 is verboden. Ten aanzien van het sterk verhoogde gehalte aan PCB in de bovengrond is aanvullend onderzoek uitgevoerd. De verontreiniging situeert zich ter plaatse van boring 11. In de noordelijke richting is de verontreiniging in gekaderd middels boring 203. In de oostelijke en westelijke richting is een sterk verhoogd gehalte in de bovengrond gemeten. In de verticale richting is tot een diepte van 0,50 m-mv een sterk verhoogd gehalte aan PCB gemeten. De mate en de omvang van de verontreiniging zijn middels het uitgevoerde aanvullende onderzoek niet voldoende vastgesteld en nader onderzoek is noodzakelijk. PFAS Het gehalte PFOS en PFOA is hoger dan de bepalingsgrens ter plaatse van de aangetoonde verontreiniging met PCB, maar ruimschoots lager dan de ad hoc interventiewaarde en de maximale waarde voor bodemfunctieklasse Wonen. Bij eventueel hergebruik van de grond kan deze in aanmerking komen voor het toepassen van de grond in een grootschalige bodemtoepassing (boven grondwaterstand).
Omdat de bepalingsgrens voor PFOS wordt overschreden komt de grond niet in aanmerking voor toepassingen onder grondwaterniveau, diepe plassen en binnen grondwaterbeschermingsgebieden. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de definitieve classificering van de grond in het kader van het Besluit bodemkwaliteit, alleen kan worden bepaald middels uitvoering van een partijkeuring. Asbest De herkomst van de puinverharding en de aangetroffen bijmengingen met puin ter plaatse van het zuidelijk terreindeel is niet bekend. Daarnaast is in de puinverharding en op het
Projectnummer: 20191795-1 Datum: 10 juni 2020
Pagina 17 van 33
maaiveld asbestverdacht materiaal aangetroffen. De schuren ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn voorzien van een asbestdak zonder hemelwaterafvoer. Derhalve is de puinverharding en de bodem ter plaatse van het zuidelijke terreindeel verdacht op het voorkomen van asbest. Het uitvoeren van een verkennend asbestonderzoek conform NEN 5897 ter plaatse van de puinverharding en conform NEN 5707 ter plaatse van het onverharde zuidelijk terreindeel is noodzakelijk. Middels dit onderzoek wordt bepaald of de verdenking van op het voorkomen van een verontreiniging met asbest terecht is. De resultaten van het uitgevoerde verkennend asbestonderzoek zijn beschreven in hoofdstuk 5. Grondwater Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de bodem geen bijzonderheden waargenomen die duiden op een mogelijke verontreiniging van het grondwater. Analytisch is in het grondwater een licht verhoogde concentratie aan barium gemeten. De overige onderzochte parameters zijn niet in verhoogde concentraties aangetoond. Barium Barium is een zwaar metaal dat als spoorelement van nature in het grondwater voorkomt. Voor de lichte verhoging ten opzichte van de streefwaarde is geen eenduidige verklaring voorhanden.
Omdat barium in de grond niet noemenswaardig verhoogd is gemeten en geen locatie specifieke bron kan worden aangewezen, wordt het waarschijnlijk geacht dat het hier een verhoogde achtergrondconcentratie betreft. Toetsing hypothese Door de aangetoonde verhoogde gehaltes in de grond en verhoogde concentraties in het grondwater dient de opgestelde hypothese ‘onverdachte locatie’ verworpen te worden en te worden vervangen door de hypothese ‘verdachte locatie’.
Projectnummer: 20191795-1 Datum: 10 juni 2020
Pagina 18 van 33
4
Uitvoering nader bodemonderzoek
4.1
Algemeen
In verband met de sterk verhoogde gehaltes aan PCB is een nader onderzoek conform de NTA 5755 uitgevoerd. De NTA 5755 vormt de basis voor het onderzoeksvoorstel. De belangrijkste stappen voor een goed onderbouwd nader onderzoek zijn het formuleren van het onderzoeksdoel en de informatiebehoefte en het bepalen van de onderzoeksstrategie. Voor het bepalen van de onderzoeksstrategie wordt op basis van de informatie behoefte onderzoekvragen geformuleerd, waarna de beste onderzoeksstrategie gekozen kan worden.
4.2
Vaststellen informatiebehoefte
Aanleiding Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en de aangetroffen verontreiniging met polychloorbifenyl (PCB) tijdens het verkennend bodemonderzoek. Doel Het doel van het nader bodemonderzoek is het verkrijgen van inzicht in de mate en omvang van de verontreiniging met PCB op de locatie en te bepalen of en welke sanerende maatregelen noodzakelijk zijn. Informatiebehoefte Op basis van de aanleiding en de doelen van het onderzoek wordt de informatiebehoefte bepaald. De aard van de te verzamelen informatie is als volgende: • Omvangsbepaling van de grondverontreiniging, gericht op de interventiewaarde en maximale waarde voor klasse “wonen”; • Het bepalen van de financiële gevolgen van een mogelijke sanering in relatie tot de herontwikkeling. Formuleren onderzoeksvragen Op basis van de informatiebehoefte kunnen de volgende onderzoeksvragen geformuleerd worden: • Tot hoe ver heeft de verontreiniging zich in de grond in de horizontale en verticale richting verspreid? • Wat is de omvang van de verontreiniging? • Wat zijn de risico’s van de bodemverontreiniging voor mens, ecosysteem en verspreiding?
Projectnummer: 20191795-1 Datum: 10 juni 2020
Pagina 19 van 33
4.3
Onderzoeksopzet
Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de verontreiniging met PCB zich bevindt aan de noordelijke zijde van de meest noordelijk schuur binnen de onderzoekslocatie. De horizontale of verticale omvang van de verontreiniging zijn vooralsnog niet vastgesteld. Middels het plaatsen van boringen op de veronderstelde grens van de verontreiniging, kan bepaald worden of de aanname van de verontreinigingscontour klopt. In tabel 11 is een overzicht gegeven van de onderzoeksopzet. Tabel 11: onderzoeksopzet aantal boringen
4.4
tot 0,6 m-mv
tot 1,50 m-mv
25
5
Aantal analyses grond 15x PCB en organisch stofgehalte
Veldwerkzaamheden en zintuiglijke waarnemingen
De veldwerkzaamheden zijn onder certificaat uitgevoerd door MILON bv en SMV Milieukundig veldwerk bv, conform de vigerende versie van de BRL SIKB 2000 en protocollen 2001. MILON bv (nummer EC-SIK-20269) en SMV Milieukundig veldwerk bv (nummer K46240/09) zijn voor deze werkzaamheden gecertificeerd door Normec Certification en is erkend door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Het veldwerk is gefaseerd uitgevoerd. Op 23 december 2019, 7 en 27 januari 2020, 14 februari 2020 en 29 mei 2020 zijn de veldwerkzaamheden uitgevoerd door de heer R.P.W.M. (Ruud) van Galen (MILON bv, 23 december 2019), de heer R.C.J. de Jong (MILON bv, 7 januari en 14 februari 2020), de heer A.P.J. (Antoine) Franken (MILON bv, 29 mei 2020) en de heer A.J.M. Heddes (SMV Milieukundig veldwerk bv, 27 januari 2020), allen erkend en ervaren veldwerkers. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn de volgende werkzaamheden uitgevoerd: ▪ het verrichten van handboringen en plaatsen van peilbuizen conform tabel 11; ▪ het zintuiglijk beoordelen, beschrijven en het bemonsteren van de grond per 0,5 meter of gelijkwaardige laag. Ter plaatse van de onderzoekslocatie is gedeeltelijk een puinverharding aanwezig. De dikte van de puinverharding varieert van 0,35 tot 0,40 meter. De bovengrond bestaat overwegend uit zwak humeus, zwak siltig, zeer fijn zand. Plaatselijk wordt grindhoudend zand aangetroffen.
Zintuiglijk zijn bij diverse boringen bijmengingen met puin aangetroffen. Voor meer informatie betreffende de bodemopbouw en de zintuiglijke waarnemingen wordt verwezen naar de boorbeschrijvingen in bijlage 3. Voor de ligging van de boorpunten wordt verwezen naar de situatietekening in bijlage 2.
Projectnummer: 20191795-1 Datum: 10 juni 2020
Pagina 20 van 33
4.5
Laboratoriumwerkzaamheden
De grondmonsters zijn ter analyse aangeboden aan SYNLAB Analytics & Services B.V. te Rotterdam. SYNLAB Analytics & Services B.V. is door de Raad voor Accreditatie (RvA) geaccrediteerd conform NEN-EN-ISO/IEC 17025:2005 (onder nummer L028) en erkend door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat voor de 'Analyse milieuhygiënisch bodemonderzoek' (AS3000). Van de in het veld genomen en separaat verpakte grondmonsters zijn, in opdracht van de projectleider van MILON bv, in het laboratorium (meng)monsters samengesteld. In tabel 12 zijn per mengmonster de individuele grondmonsters en de zintuiglijke waarnemingen weergegeven. Tabel 12: Monstersamenstelling en zintuiglijke waarnemingen3 Analysemonster 303.1
Aanleiding
303 (0,30 - 0,60)
Zintuiglijke waarnemingen -
301 (0,35 - 0,75)
-
304 (0,25 - 0,60)
-
305.1
305 (0,25 - 0,50)
-
302.4
302 (0,00 - 0,40)
-
306.1
306 (0,00 - 0,30)
-
307.1
307 (0,00 - 0,30)
-
403.1
403 (0,00 - 0,30)
-
406.1
406 (0,00 - 0,30)
-
407.1
407 (0,00 - 0,30)
zwak baksteenhoudend
408.1
408 (0,00 - 0,30)
-
409 (0,00 - 0,30)
resten wortels
412.1
412 (0,00 - 0,30)
resten wortels
414.1
414 (0,00 - 0,30)
resten wortels
416.1
416 (0,00 - 0,30)
resten wortels
503.1
503 (0,00 – 0,30)
zwak puinhoudend
503.1
503 (0,00 - 0,30)
zwak puinhoudend
504.1
504 (0,00 – 0,25)
sterk puinhoudend
505.1
505 (0,00 – 0,25)
sterk puinhoudend
301.1 304.1
409.1
Verticale inkadering
Horizontale inkadering
Deelmonsters
Aangevraagde analyses PCB organisch stofgehalte PCB organisch stofgehalte PCB organisch stofgehalte PCB organisch stofgehalte PCB organisch stofgehalte PCB organisch stofgehalte PCB organisch stofgehalte PCB organisch stofgehalte PCB organisch stofgehalte PCB organisch stofgehalte PCB organisch stofgehalte PCB organisch stofgehalte PCB organisch stofgehalte PCB organisch stofgehalte PCB organisch stofgehalte PCB organisch stofgehalte PCB organisch stofgehalte PCB organisch stofgehalte PCB organisch stofgehalte
- : geen bijzonderheden waargenomen; sporen/resten: <1% antropogene bijmenging; zwak: 1%-5% antropogene bijmenging; matig: 5%-15% antropogene bijmenging; sterk: 15%-50% antropogene bijmenging.
Projectnummer: 20191795-1 Datum: 10 juni 2020
Pagina 21 van 33
Alle analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 4. In de bijlage van deze certificaten zijn opmerkingen geplaatst omdat verschillen zijn geconstateerd met de te hanteren richtlijnen. Beïnvloeding van de betrouwbaarheid van de analyses wordt echter minimaal geacht.
4.6
Analyseresultaten
Toetsing van de analyseresultaten De toetsing van de analyseresultaten voor de grond is weergegeven in bijlage 5. Een samenvatting van de toetsing is weergegeven in tabel 13. In deze tabellen zijn uitsluitend de verhoogde parameters en de bijbehorende indexwaarde weergegeven. Tabel 13: Toetsing van de analyseresultaten (grond) Analyse- Aanleiding monster 303.1 Verticale 301.1 inkadering 304.1 305.1 302.4 306.1 307.1 403.1 406.1 407.1 408.1 Horizontale inkadering 409.1 412.1 414.1 416.1 503.1 504.1 505.1 ~: -: >AW: Index >0,5: >I:
4.7
Deelmonsters 303 (0,30 - 0,60) 301 (0,35 - 0,75) 304 (0,25 - 0,60) 305 (0,25 - 0,50) 302 (0,00 - 0,40) 306 (0,00 - 0,30) 307 (0,00 - 0,30) 403 (0,00 - 0,30) 406 (0,00 - 0,30) 407 (0,00 - 0,30) 408 (0,00 - 0,30) 409 (0,00 - 0,30) 412 (0,00 - 0,30) 414 (0,00 - 0,30) 416 (0,00 - 0,30) 503 (0,00 – 0,30) 504 (0,00 – 0,25) 505 (0,00 – 0,25)
Zintuiglijke waarnemingen zwak baksteenhoudend resten wortels resten wortels resten wortels resten wortels zwak puinhoudend sterk puinhoudend sterk puinhoudend
> AW en <= I PCB (0,02) PCB (0,02) PCB (0,03) PCB (0,15) PCB (0,18) PCB (-) PCB (0,48) PCB (0,18) PCB (0,42) PCB (0,15)
Index >0,5
>I
PCB (0,72) PCB (0,65) -
PCB PCB PCB PCB PCB -
(3,53) (4,52) (4,14) (4,76) (1,32)
zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen; het gehalte is lager of gelijk aan de betreffende toetsingswaarde; het gehalte is hoger dan de achtergrondwaarde, maar de indexwaarde is maximaal gelijk aan 0,5 (licht verontreinigd); het gehalte is hoger dan de achtergrondwaarde en de indexwaarde is hoger dan 0,5, maar maximaal gelijk aan 1 (matig verontreinigd); het gehalte is hoger dan de interventiewaarde (ernstig verontreinigd).
Bespreking van de resultaten
Op basis van de resultaten blijkt dat op de locatie de toplaag verontreinigd is over een oppervlakte van 260 m². De verontreiniging bevindt zicht maximaal tot een diepte van circa 0,30 m-mv. Hiermee is 78 m³ verontreinigde grond aanwezig. Geschat wordt dat hiervan circa 36 m³ sterk verontreinigd is. Opgemerkt wordt dat ter plaatse van boringen 301, 304 en 305 de toplaag uiterst puinhoudend is. Aangezien de grond hier meer dan 50 % aan bodemvreemde bijmengingen bevat, valt dit niet onder de wet bodembescherming (Wbb). Derhalve is de bodemlaag hieronder geanalyseerd. Op de tekening in bijlage 2 is de achtergrondwaarde en de interventiewaarde contour weergeven. Saneringsnoodzaak De licht tot sterk verhoogde gehaltes aan PCB worden naar alle waarschijnlijkheid veroorzaakt door de ophoging van het terrein met sterk PCB-verontreinigde en Projectnummer: 20191795-1 Datum: 10 juni 2020
Pagina 22 van 33
puinhoudende grond. Uit navraag bij de opdrachtgever en buurtbewoners is niet bekend geworden wanneer de ophoging precies heeft plaatsgevonden. Aangezien het terrein naar opgave van de opdrachtgever meer dan 30 jaar niet meer in gebruik is, wordt het waarschijnlijk geacht dat de verontreiniging voor 1987 is ontstaan. Daarnaast is bekend dat het gebruik en de productie van PCB sinds 1985 is verboden. Aangezien meer dan 25 m³ sterk verontreinigd is met PCB is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Dit houdt in dat de sanering moet plaats vinden als er sprake is van risico’s of bij een natuurlijk moment. Om te bepalen of er in de huidige situatie of in de toekomstige situaties risico’s zijn, is een risicobeoordeling uitgevoerd. Deze is beschreven in onderstaande paragraaf.
4.8
Risicobeoordeling
Om de spoedeisendheid van een verontreiniging te bepalen dient een risicobeoordeling te worden uitgevoerd conform de circulaire bodemsanering. De risico’s worden verdeeld in: A. Risico’s voor de mens (humane risico’s); B. Risico’s voor het ecosysteem (ecologische risico’s); C. Risico’s van verspreiding van de verontreiniging (verspreidingsrisico’s). Uitgangspunten risicobeoordeling De risicobeoordeling is uitgevoerd middels het programma Sancrit (versie 2.7.0) via www.risicotoolboxbodem.nl. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • • • • • •
De risicobeoordeling is gebaseerd op het huidig gebruik (landbouw) en toekomstig gebruik (wonen met (moes)tuin); Voor het bepalen van de humane risico’s is het worst-case-scenario gehanteerd. Dit houdt in dat de hoogste gemeten waarden voor de bestrijdingsmiddelen zijn ingevoerd; Uitgegaan wordt dat sprake is van één geval van ernstige bodemverontreiniging; Zich op de locatie geen grondwaterverontreiniging bevindt; Voor het bepalen van ecologische risico is er van uit gegaan dat over het gehele oppervlakte waarover zich de interventiewaardecontour bevind, de msPaf de 25% norm overschrijdt; Alleen stap 1 van de risicobeoordelingen is uitgevoerd.
Een uitdraai van de risicobeoordeling is toegevoegd in bijlage 6. Uit de beperkte risicobeoordeling blijkt dat er met de huidige gehaltes onaanvaardbare humane risico’s aanwezig zijn. Ten aanzien ecosysteem en verspreiding zijn er geen risico’s. Hierbij is vanuit gegaan dat het gebied in gebruik wordt genomen als wonen met tuin. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de uiteindelijke risico’s en derhalve de saneringsnoodzaak worden bepaald door het bevoegd gezag. Uit de risicobeoordeling blijkt dat er sprake is van een ernstige bodemverontreiniging en dat de locatie met spoed moet worden gesaneerd voor het beoogde gebruik als wonen met tuin.
Projectnummer: 20191795-1 Datum: 10 juni 2020
Pagina 23 van 33
4.9
Bespreking saneringsvariant
Om op de locatie woningbouw te realiseren zijn sanerende maatregelen nodig, hierbij zijn verschillende varianten mogelijk. Indien gekozen wordt om de gehele verontreiniging te verwijderen moet men rekening houden met circa 78 m³ sterk verontreinigde grond welke afgevoerd dient te worden. De globale saneringskosten hiervoor liggen rond de € 20.000,tot € 30.000,-. Deze saneringskosten zijn echter sterk afhankelijk van hoe het terrein in de toekomst wordt ingericht. Bij het bepalen van de saneringsaanpak geldt het uitgangspunt dat bij het toekomstig gebruik geen risico’s mogen zijn voor de mens, het ecosysteem of mogelijke verspreiding van de verontreiniging.
Projectnummer: 20191795-1 Datum: 10 juni 2020
Pagina 24 van 33
5
Uitvoering verkennend asbestonderzoek
5.1
Onderzoeksstrategie
Op de aanwezige schuren zijn asbestdaken aanwezig zonder hemelwaterafvoer. Ter plaatse de afwateringslijn is de bodem verdacht op het voorkomen van asbest door afspoeling van met het regenwater. Tijdens de uitvoering van het verkennend bodemonderzoek is op het zuidoostelijke terreindeel een puinverharding aangetroffen. In de puinverharding is asbestverdacht materiaal waargenomen. Daarnaast is in de bovengrond ter plaatse van het zuidelijke terreindeel bijmengingen met puin aangetroffen. Herkomst van het materiaal is niet bekend. Bij het ontbreken van informatie is de bodem verdacht op de aanwezigheid van asbesthoudende materialen en is in overleg met de opdrachtgever besloten een verkennend asbestonderzoek uit te voeren. Het verkennend asbestonderzoek ten behoeve van de puinverharding is uitgevoerd conform NEN 5897+C1:2016 Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat. Het verkennend asbestonderzoek ter plaatse van de afwateringslijn van de schuren en het zuidelijk terreindeel is uitgevoerd conform de NEN 5707+C1:2016 Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond. Op basis van de verkregen informatie uit het vooronderzoek en gestelde hypothese wordt het asbestonderzoek ter plaatse van de puinverharding uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie voor een open halfverharding.
Ter plaatse van de afwateringslijn van de schuren en het overige zuidelijke terreindeel wordt het asbestonderzoek uitgevoerd middels de onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming met de bovengrond als verdachte laag. De veldwerkzaamheden en de te analyseren grondmonsters zijn vastgesteld op basis van de totale oppervlakte van de onderzoekslocatie en zijn weergegeven in tabel 14. Tabel 14: Veldwerkzaamheden en analyses locatie
onderzoeksopzet
veldwerkzaamheden
laboratorium
oppervlakte (m2)
aantal proefgaten
aantal te onderzoeken verzamelmonsters
NEN 5897, halfverharding
280
5
1x asbest in puin
strategie 1
Puinverharding
2
Afwateringslijn schuren
NEN 5707, VED-HE
-
8
3x asbest in grond
3
Overig zuidelijk terrein
NEN 5707, VED-HE
1.500
8
2x asbest in grond
Opgemerkt wordt dat ter plaatse van de puinverharding een proefgat extra is gegraven in afwijking tot de gehanteerde onderzoeksstrategie. Op deze manier zijn de gaten optimaal verdeeld over de gehele puinverharding en wordt een goed beeld van de kwaliteit van de bodem verkregen ten aanzien van asbest. Gestart wordt met het uitvoeren van een maaiveldinspectie. Een maaiveldinspectie is essentieel om de locatie op te delen in homogene (deel)locaties zodat de effectiviteit van het onderzoek wordt vergroot. Daarnaast kan de maaiveldinspectie worden gebruikt om een schatting te geven van het asbestgehalte in de toplaag. Projectnummer: 20191795-1 Datum: 10 juni 2020
Pagina 25 van 33
In de uitvoeringsfase van het asbestonderzoek worden conform de NEN 5707 en/of NEN 5897 laagsgewijs proefgaten gegraven, waarbij de vrijkomende grond wordt gezeefd of uitgeharkt. Eventuele asbestverdachte materialen (> 20 mm) welke niet door de zeef of hark gaan, worden per proefgat verzameld en in gesloten plastic zakken aan het laboratorium aangeboden voor onderzoek op de aanwezigheid van asbest. Van de fijne grondfractie (< 20 mm) wordt een mengmonster samengesteld van minimaal 10 kilogram droge stof en analytisch onderzocht op het gehalte en soort asbest. Indien in één of meer proefgaten zintuiglijk asbest wordt aangetroffen, zullen de verdachte monsters apart geanalyseerd worden.
5.2
Veldwerkzaamheden
De veldwerkzaamheden zijn onder certificaat uitgevoerd door MILON bv, conform de vigerende versie van de BRL SIKB 2000 en protocol 2018. MILON bv is voor deze werkzaamheden gecertificeerd door Normec Certification (nummer EC-SIK-20269) en is erkend door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Op 21 en 30 augustus zijn de veldwerkzaamheden uitgevoerd door respectievelijk de heer A.J.M. Heddes en de heer A.P.J. (Antoine) Franken, erkend en ervaren veldwerker en medewerker van respectievelijk SMV Milieukundig Veldwerk BV en MILON bv. Op 30 augustus 2019 zijn de veldwerkzaamheden ondersteund door de heer A. (Antoon) Kokkes, veldwerker in opleiding bij MILON bv. Veldwerkers van MILON bv en SMV Milieukundig Veldwerk BV zijn opgeleid voor het herkennen van asbesthoudende materialen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn de volgende werkzaamheden uitgevoerd: ▪ Het uitvoeren van een visuele maaiveldinspectie; ▪ het laagsgewijs graven van proefgaten conform tabel 10; ▪ het zeven en inspecteren van het uitgegraven grondmateriaal; ▪ het samenstellen van verzamelmonsters (< 20 mm); ▪ het herstellen van de gegraven gaten.
5.3
Zintuiglijke waarnemingen
Een deel van de onderzoekslocatie was moeilijk inspecteerbaar door de sterke begroeiing en de aanwezigheid van objecten op het maaiveld. Het te inspecteren maaiveld was vrij van waterplassen. Ten tijde van de visuele inspectie was het droog, bewolkt en circa 23 °C. De geschatte inspectie-efficiëntie voor de berm is weergegeven in tabel 15. Tabel 15: Schatting van de inspectie-efficiëntie Type grond
Conditie maaiveld
Inspectie-efficiëntie klassen
Zand
Droog, los en geen vegetatie
90 % – 100 %
Zand
Vochtig, vastgereden en/of matige vegetatie
70 % – 90 %
Klei/leem en veen
Droog, los en geen vegetatie
70 % – 90 %
Klei/leem en veen
Vochtig, vastgereden en/of matige vegetatie
50 % – 70 %
schatting
X
De resultaten van de maaiveldinspectie wijken niet af van de gestelde onderzoekshypothese. De onderzoeksopzet hoeft niet te worden aangepast en er hoeft geen overweging plaats te vinden om direct door te gaan tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest.
Projectnummer: 20191795-1 Datum: 10 juni 2020
Pagina 26 van 33
Inspectie en monsterneming bodem Tijdens het uitvoeren van de maaiveldinspectie zijn tussen de schuren en ten noorden van de schuren asbestverdachte materialen aangetroffen. Het aangetroffen materiaal is naar alle waarschijnlijkheid afkomstig van de beschadiging van de daken van de schuur. De dikte van de puinverharding varieert van 0,40 tot 0,50 meter. In de puinverharding is zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. De bovengrond ter plaatse van de afwateringslijn en het overige zuidelijke terrein bestaat uit zwak siltig, zwak humeus, zeer fijn zand. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de bovengrond bijmengingen met puin en asbest waargenomen. Al het ontgraven materiaal uit de proefgaten is gezeefd en geïnspecteerd, waarbij geen asbestverdachte materialen zijn aangetroffen. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen zijn door de monsternemer in het veld verschillende verzamelmonsters samengesteld tabel 12. Voor meer informatie betreffende de bodemopbouw en de zintuiglijke waarnemingen wordt verwezen naar de profielbeschrijvingen in bijlage 3. De ligging van de proefgaten en waar het asbestverdachte materiaal op het maaiveld is aangetroffen is weergegeven op de situatietekening in bijlage 2.