CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerp bestemmingsplan Hoogbroeksesteeg ong (achter Donzel 21) Nistelrode - Quickscan flora en fauna

Raadsvergadering 8 april 2021, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan 'Hoogbroeksesteeg ong (achter Donzel 21), Nistelrode' *10.465 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA HOOGBROEKSESTEEG (ACHTER DONZEL 21) TE NISTELRODE

Rapportage quickscan flora en fauna Hoogbroeksesteeg (achter Donzel 21) te Nistelrode Opdrachtgever

RO Connect Graafsebaan 31 5384 RS HEESCH

Rapportnummer Versienummer

8484.002 D1

Status

Eindrapportage

Datum

21 februari 2019

Vestiging

Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 0485 - 581818 boxmeer@econsultancy.nl

Opsteller

ir. F.M. IJdema

Paraaf

Kwaliteitscontrole

S.H.W.M. Claessens, MSc

Paraaf Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 3

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 4

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 5 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 8 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

6

Vogels ............................................................................................................................... 8 Vleermuizen ...................................................................................................................... 9 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 10 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 12 Ongewervelden............................................................................................................... 14 Vaatplanten..................................................................................................................... 14

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 16 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5

7

Zorgplicht .......................................................................................................................... 5 Soortenbescherming ........................................................................................................ 5 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 6 Houtopstanden ................................................................................................................. 7

Broedvogels .................................................................................................................... 16 Zoogdieren...................................................................................................................... 16 Algemene grondgebonden zoogdieren .......................................................................... 17 Algemene amfibieën en alpenwatersalamander ............................................................ 17 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 17

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 18 7.1 7.2

Natura 2000 .................................................................................................................... 18 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 19

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 20

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 21

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 8484.002

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van RO Connect opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan flora en fauna aan de Hoogbroeksesteeg (achter Donzel 21) te Nistelrode. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

Rapport 8484.002 versie D1

Pagina 1 van 22

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 660 m²) ligt aan de Hoogbroeksesteeg (achter Donzel 21), circa 0,5 kilometer ten noordwesten van de kern van Nistelrode. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 45E (schaal 1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 166.580, Y = 413.364.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie is betreft een weiland zonder verharding of bebouwing. Het huidige gebruik van de onderzoekslocatie is weide. Zuidelijk van de onderzoekslocatie loop de weide door tot een hek, waaraan verdere weideland liggen. Ten westen van de onderzoekslocatie ligt de Hoogbroeksesteeg met aan de overzijde een (agrarische) woning met erf en siertuin. De onderzoekslocatie is aan de noodzijde begrenst met een hek, waar aansluitend een siertuin is gelegen. Aan de oostzijde van de onderzoekslocatie bevindt zich een vervallen schuur, een houtopslag, sier- en volkstuin.

In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek (d.d. 30 januari 2019).

Rapport 8484.002 versie D1

Pagina 2 van 22

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.

Figuur 3. Overzichtsfoto onderzoekslocatie (westelijk).

Figuur 4. Overzichtsfotos onderzoekslocatie (zuidelijk).

Figuur 5. Schuur en compostenhopen ten oosten van de onderzoekslocatie.

Figuur 6. Houtopslag ten oosten van de onderzoekslocatie.

Figuur 7. Omheind struikgewas ten noorden van de onderzoekslocatie.

Figuur 8. Zuidzijde van de onderzoekslocatie.

2.2

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens om nieuwbouw op de onderzoekslocatie te realiseren.

Rapport 8484.002 versie D1

Pagina 3 van 22

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 30 januari 2019. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

Rapport 8484.002 versie D1

Pagina 4 van 22

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op:   

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;   

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 8484.002 versie D1

Pagina 5 van 22

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:     

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk,

Rapport 8484.002 versie D1

Pagina 6 van 22

genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel V) word de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

Rapport 8484.002 versie D1

Pagina 7 van 22

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1

Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het agrarische buitengebied kunnen dit zijn: huismus, gierzwaluw, steenuil, boomvalk, torenvalk, slechtvalk, kerkuil, buizerd en havik. Van deze soorten kunnen de huismus en de gierzwaluw op voorhand worden uitgesloten. De nestplaatsen van deze soorten zijn in de regel verbonden aan bebouwing. Op de onderzoekslocatie is geen bebouwing aanwezig en de bebouwing direct ten noorden van de onderzoekslocatie blijft in de voorgenomen herontwikkeling onaangetast. Negatieve gevolgen ten aanzien van de gierzwaluw en huismus zijn daarom uit te sluiten. Steenuil Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is er 400 meter ten noorden van de onderzoekslocatie in 2014 en 2015 een enkele steenuil waargenomen. De steenuil broedt voornamelijk in nestkasten en natuurlijke holtes in wilgen op kleinschalige cultuurlandschappen met een variatie aan houtwallen, heggen, weitjes en knoestige bomen. Door het ontbreken van een geschikte nestlocatie op- en nabij de onderzoekslocatie, kan het voorkomen van de steenuil op de onderzoekslocatie worden uitgesloten. Het onderzoeksgebied is echter wel potentieel geschikt als foerageergebied voor aanwezige steenuilen in de omgeving.

In de directe omgeving zijn voldoende alternatieve foerageergebied aanwezig is, waardoor negatieve gevolgen ten opzichte van de steenuil door de voorgenomen herontwikkelingsplannen uit te sluiten zijn. Kerkuil Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is er 2 kilometer ten zuidoosten van de onderzoekslocatie in 2015 één overvliegende kerkuil waargenomen. De kerkuil broedt in schuren, kerktorens en veelal in speciale nestkasten. Heel incidenteel kan de kerkuil in boomholtes broeden. De omgeving rondom de vervallen schuur ten noorden van de onderzoekslocatie is geïnspecteerd op uilenballen en andere sporen, welke kunnen duiden op de aanwezigheid van een kerkuil in de omgeving, echter zijn er geen sporen waargenomen. Tevens zijn er rondom de onderzoekslocatie geen geschikte bomen om een nestlocatie voor de kerkuil te kunnen vormen. In de voorgenomen herontwikkelingsplannen blijft de bebouwing en jonge boomopstand ten noorden van de onderzoekslocatie behouden, waardoor er geen negatieve gevolgen ten opzichte van de steenuil zullen plaatsvinden. Indien er een kerkuil in de omgeving van de onderzoekslocatie zit, gaat er mogelijk geschikt foerageergebied van de kerkuil verloren, echter zijn er in de omgeving nog meer soortgelijke habitattype aanwezig, waardoor het foerageergebied van de kerkuil niet bedreigd wordt.

Rapport 8484.002 versie D1

Pagina 8 van 22

Boomvalk, slechtvalk, torenvalk, havik en buizerd Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn er in de omgeving van de onderzoekslocatie waarnemingen bekend van boomvalk, slechtvalk, torenvalk, havik en buizerd. Ten zuidwesten van de onderzoekslocatie is de hoge boomopstand geïnspecteerd op de aanwezigheid van de roofvogelnesten. Hier is een vermoedelijk eksternest waargenomen, wat deels lijkt te zijn ingestort (figuur 9). Ongeacht of dit nest in gebruik is door een roofvogel, de onderlinge afstand van het nest tot de onderzoekslocatie is dusdanig groot, dat verstoring van roofvogels Figuur 9. Vermoedelijk eksternest op 50 meter ten zuiden kan worden uitgesloten. De onderzoekslocatie van de onderzoekslocatie. kan echter wel als foerageergebied voor deze roofvogelsoorten dienen. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn er echter nog meer geschikte foerageergebieden aanwezig. Negatieve effecten ten aanzien van roofvogels zijn uit te sluiten. 5.1.2

Overige broedvogels

De beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan diverse weidevogels zoals diverse steltlopers en eendensoorten. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). Op de onderzoekslocatie zijn geen stuiken, gewassen of boomopstand aanwezig om een geschikte nestlocatie voor broedvogelsoorten als merel, winterkoning, groenling, roodborst en houtduif te bieden. Tevens zijn op- en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie dergelijke nesten niet waargenomen. De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Gezien het feit dat er geen bomen op de locatie aanwezig zijn, is verstoring ten opzichte van deze soorten uitgesloten. 5.2

Vleermuizen

Volgens het cursusdictaat “Vleermuizen en Planologie” (Limpens H., Regelink J. (2017)) en de verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, watervleermuis, meervleermuis, franjestaart en baardvleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd en er zijn geen bomen aanwezig, waardoor uitgesloten kan worden dat er verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen is niet aan de orde. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Ten oosten van de onderzoekslocatie bevindt zich een vervallen schuur (figuren 10 t/m 12). Aan de kopse kant van de schuur loop een grote scheur door de muur, die toegang geeft tot de spouw. Op inspectie van de scheur blijkt dat ruimte tussen de muren door de vervallen staat niet afgesloten is

Rapport 8484.002 versie D1

Pagina 9 van 22

van tocht en weersomstandigheden, waardoor de schuur minder geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen. Eventueel kunnen de ruimtes onder het dak benut worden door vleermuizen. In de huidige herontwikkelingen blijft de schuur behouden en wordt de voorgenomen nieuwbouw op enkele meters van de bestaande schuur gebouwd. In de voorgenomen herontwikkelingsplannen zullen derhalve geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen buiten de onderzoekslocatie worden verstoort. Tevens zullen, gezien de afstand van de schuur tot de voorgenomen nieuwbouw, er geen eventuele invliegroutes worden verstoord. Tijdens de werkzaamheden dient er rekening te houden met verlichting ten oosten van de onderzoekslocatie (zie hoofdstuk 6).

Figuur 10. Schuur met scheur ten noorden van de onderzoekslocatie.

Figuur 11. Zichtbare spouw in de muur.

Figuur 12. Zijaanzicht schuur ten oosten van de onderzoekslocatie.

Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en mogelijk ruige dwergvleermuis om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft de weilanden ten zuiden, westen en noorden van de onderzoekslocatie. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord. 5.3

Overige zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et. al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bunzing, wezel, hermelijn, steenmarter, das en eekhoorn.

Rapport 8484.002 versie D1

Pagina 10 van 22

5.3.1

Streng beschermde soorten

Eekhoorn De onderzoekslocatie vormt door de afwezigheid van boomopstand geen geschikt habitat voor de eekhoorn. De aanwezigheid van een vaste- rust of verblijfplaats van eekhoorn kan derhalve worden uitgesloten. Bunzing, wezel en hermelijn De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de bunzing, wezel en hermelijn. De bunzing, wezel en hermelijn maken gebruik van oude holen van onder andere konijnen, mollen en muizen, maar ook houtwallen, steenhopen, holle bomen, ruimtes onder boomwortels, hooizolders en stallen. Desbetreffende soorten hebben binnen hun territorium verscheidene verblijfplaatsen. Op de onderzoekslocatie zijn geen holen van muizen of konijnen waargenomen. Rondom de onderzoekslocatie en met name aan de oostzijde van de locatie zijn enkele muizenholen waargenomen (figuur 13), welke potentieel als verblijfFiguur 13. Muizenhol ten noorden van de onderzoekslocatie. plaats voor de wezel kunnen dienen. Bij de houtopslag zijn prooiresten waargenomen, die mogelijk door een marterachtige zijn gemaakt. Tevens is er den oosten van de onderzoekslocatie een houtopslag met composthopen, een vervallen schuurtje en veel beschutting, welke geschikt zijn als potentiele verblijfplaats voor de bunzing, wezel en hermelijn. Verstoring van deze soorten kan voorkomen worden indien de werkzaamheden volgens een ecologisch werkprotocol worden uitgevoerd (zie hoofdstuk 6).

Steenmarter Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en takkenrillen als verblijfplaats. Tevens kunnen steenmarters oude holen van konijnen gebruiken als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Op de onderzoekslocatie ontbreekt het van geschikte bebouwing, echter is ten oosten van de onderzoekslocatie een houtopslag met composthopen, een vervallen schuurtje en veel beschutting. Direct naast de houtopslag is het stoffelijk overschot van minstens twee verschillende konijnen gevonden. Tevens lijkt er een spoor te lopen van de prooidieren naar een opening in de houtopslag (figuur 12 en 13). Prooiresten zijn indicatief voor het gebruik van deze locatie voor deze soort. Verstoring van de steenmarter kan voorkomen worden indien de werkzaamheden buiten de kwetsbare periode en volgens een ecologisch werkprotocol worden uitgevoerd (zie hoofdstuk 6).

Rapport 8484.002 versie D1

Pagina 11 van 22

Figuur 14. Prooiresten (stoffelijk overschot konijn).

Figuur 15. Recente prooiresten met mogelijke toegang tot houtopslag.

Figuur 16. Houtopslag ten noorden van de onderzoekslocatie met stoffelijk overschot.

Das De das komt volgens de verspreidingsgegevens voor in de omgeving. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf en/of schuilmogelijkheden ongeschikt als vaste rust- en verblijfplaats door dassen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving eveneens geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in de nabij gelegen natuurgebieden en de aansluitende weilanden. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. 5.3.2

Licht beschermde soorten

De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel, bosmuis, ree, haas, konijn en rosse woelmuis. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van konijnen en muizen worden vergraven (zie hoofdstuk 6). 5.4 5.4.1

Reptielen, amfibieën en vissen Reptielen

Volgens verspreidingsgegevens van RAVON (van Delft et al. 2015) en de werkatlas amfibieën en reptielen Noord-Brabant (Van Delft & Schuitema, 2005) is binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie in de afgelopen 10 jaar de levendbarende hagedis. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. De levendbarende hagedis komt voor in heide- en hoogveengebieden. Tevens komt de soort voor in open bossen en ruige graslanden. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor de levendbarende hagedis aanwezig. De streng beschermde levendbarende hagedis is waargenomen in het bosgebied 1 kilometer ten noorden van de onderzoekslocatie. Gezien de afstand van de waarnemingen tot de onderzoekslocatie en het ongeschikte habitattype op de onderzoekslocatie, zijn verstoringen ten opzichte van de levendbarende hagedis op de onderzoekslocatie uit te sluiten. 5.4.2

Amfibieën

Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soorten waargenomen: alpenwatersalamander, kamsalamander, heikikker, poelkikker en rugstreeppad.

Rapport 8484.002 versie D1

Pagina 12 van 22

Alpenwatersalamander De alpenwatersalamander is een streng beschermde soort die weinig kritisch is over zijn habitat. De soort heeft een voorkeur voor zandige leemgronden, waar hij voorkomt in beboste gebieden (loofbos) of kleinschalige landschappen met heggen en struwelen. In het voorjaar komt de soort in allerlei typen water voor, zolang het niet snel stromend of rijk aan vis is. In de winter overwintert de soort op het land (BIJ12, 2018). 200 meter ten westen van de onderzoekslocatie is een slootje gelegen. Tussen de onderzoekslocatie en deze kleine sloot bevindt zich een weg en een erf, waardoor dit mogelijk geschikt habitat voor de alpenwatersalamander relatief geïsoleerd blijft. Tevens is aan de westkant van de sloot een meer geschikt landhabitat voor de alpenwatersalamander aanwezig. Echter is het niet uit te sluiten dat incidenteel een zwervend individu zich over de huidige onderzoekslocatie kan verplaatsen (zie hoofdstuk 6). Kamsalamander De kamsalamander is een streng beschermde soort die aangetroffen wordt in een verscheidenheid visvrije en matige voedselrijke wateren. De soort prefereert kleinschalige landschappen met bosschage, struweel of houtwallen in de directe omgeving van hun voortplantingswater. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF is de kamsalamander op meer dan 1 kilometer van de locatie waargenomen, aan de andere kant van Nistelrode, waargenomen.

Gezien de afstand van de waarneming tot de onderzoekslocatie en doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden en tevens winterverblijven voor de kamalamander op de onderzoekslocatie uitgesloten (BIJ12, 2018). Heikikker De heikikker is een soort die erg kritisch is ten aanzien van zijn habitat. Het habitat waar de heikikker wordt aangetroffen is in grote lijnen te kenschetsen als schraal, ietwat ruig en vochtig. Het bestaat vooral uit heide, hoogveen, laagveen en half natuurlijk grasland, maar ook bos en struweel, alles met een hoge grondwaterstand. De heikikker komt veel voor in relatief voedselarme, vaak zwak zure wateren. Verzuurt het water verder of vervuilt het, dan verliest het water haar voortplantingsfunctie. Waterhabitat is vaak relatief voedselarm en bestaat uit ondiep, zon beschenen water. Heidevennen en wateren op hoog- en laagveen zijn de belangrijkste voortplantingswateren. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF is de heikikker op meer dan 1 kilometer van de locatie waargenomen, aan de andere kant van Nistelrode, waargenomen.

Gezien de afstand van de waarneming tot de onderzoekslocatie en doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden en tevens winterverblijven voor de heikikker op de onderzoekslocatie uitgesloten (BIJ12, 2018). Poelkikker De poelkikker leeft vooral in gebieden met zwak zure, oligotrofe, schone, stilstaande wateren. Bij voorkeur in de landschapstypen bos, heide en hoogveen. De soort komt ook voor in half natuurlijke graslanden, agrarische kleipolders met kwel, laagveen en op ruderaal terrein. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF is de poelkikker op meer dan 1 kilometer van de locatie waargenomen, aan de andere kant van Nistelrode, waargenomen. Gezien de afstand van de waarneming tot de onderzoekslocatie en doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden en tevens winterverblijven voor de poelkikker op de onderzoekslocatie uitgesloten (BIJ12, 2018). Rugstreeppad De rugstreeppad is een streng beschermde soort die graag van ondiepe wateren gebruik maakt. Ondiepe wateren warmen snel op en zijn voor deze moeilijk zwemmende soort toegankelijk. De rugstreeppad plant zich in dergelijke tijdelijke wateren voort.

Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF is de rugstreeppad enkele kilometers ten oosten van de onderzoekslocatie waargenomen. Ge-

Rapport 8484.002 versie D1

Pagina 13 van 22

zien de afstand van de waarneming tot de onderzoekslocatie en doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden en tevens winterverblijven voor de rugstreeppad op de onderzoekslocatie uitgesloten (BIJ12, 2018). Algemene amfibieën De onderzoekslocatie vormt weinig geschikt landhabitat voor amfibieën. 250 meter ten oosten van de onderzoekslocatie ligt een nauwe sloot. Incidenteel kunnen algemene soorten als bruine kikker en gewone pad op de onderzoekslocatie voorkomen. Voor de mogelijk incidenteel te verwachten soorten geldt een algehele vrijstelling van de Wet natuurbescherming (zie hoofdstuk 6). Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. 5.5

Ongewervelden

Libellen Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de streng beschermde beekrombout en gevlekte witsnuitlibel waargenomen. Voor libellen geldt dat water nodig is ter voortplanting. Gezien het ontbreken hiervan kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. Vlinders Volgens gegevens van de NDFF is binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie de afgelopen 5 jaar de volgende streng beschermde soorten waargenomen: bruine eikenpage en grote vos. Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort.

Overige soorten Volgens gegevens van de NDFF is binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in afgelopen 5 jaar geen streng beschermde overige soorten waargenomen. Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6

Vaatplanten

Volgens gegevens van de NDFF is binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie de afgelopen 10 jaar de streng beschermde dennenorchis waargenomen. DE dennenorchis groeit op beschaduwde, droge tot iets vochtige, voedsel- en stikstofarme, meestal zure, goed doorluchte zand- en lemige grond, waarbij hij wortelt in de bovenste humuslaag van verteerd (naalden). De onderzoekslocatie bestaat uit grasland, waar door het ontbreken van de humuslaag de locatie niet geschikt is voor de dennenorchis. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste

Rapport 8484.002 versie D1

Pagina 14 van 22

beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde vaatplanten op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde planten waargenomen. Het is onwaar Het is redelijkerwijs uit te sluiten dat op de onderzoekslocatie een beschermde plantensoort voorkomt.

Rapport 8484.002 versie D1

Pagina 15 van 22

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 6.1.1

Broedvogels Algemene broedvogels

Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. 6.2 6.2.1

Zoogdieren Vleermuizen

De schuur ten oosten van de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantsoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. In het onderhavig herontwikkelingsplan blijft de schuur behouden, echter zou er verstoring van eventuele aanwezige vleermuizen kunnen optreden wanneer er in de avond en nacht kunstmatige verlichting wordt toegepast. Verstoring is te voorkomen door werkzaamheden overdag uit te voeren en geen kunstmatige verlichting in de avond in de richting van de schuur toe te passen. 6.2.2

Bunzing, wezel en hermelijn

In de provincie Noord-Brabant behoren de bunzing, wezel en hermelijn tot de beschermde inheemse diersoorten. Het gebied ten noorden van de onderzoekslocatie biedt door de aanwezige struiken en de houtopslag een geschikte migratie route voor kleine marterachtigen. Daarnaast bevat dit gebied meerder oude muizenholen die kunnen dienen als potentieel vaste rust- en verblijfplaats voor de wezel en zijn er binnen dit gebied meerdere takken- en steenhopen en struiken aangetroffen die kunnen dienen als potentieel vaste rust- en verblijfplaatsen voor de bunzing, wezel en hermelijn. Het grasland en akkerland op- en rondom de onderzoekslocatie kan dienen als foerageergebied voor desbetreffende soorten. Graaf- en maaiwerkzaamheden op de onderzoekslocatie kunnen een verstorend effect hebben op kleine marterachtigen. Indien de werkzaamheden volgens een ecologisch werkprotocol en buiten de kwetsbare periode (van april t/m september) worden uitgevoerd, kan de verstoring op eventueel aanwezige kleine marterachtige in de omgeving worden beperkt.

Rapport 8484.002 versie D1

Pagina 16 van 22

6.2.3

Steenmarter

Rondom de onderzoekslocatie zijn sporen gevonden die indiceren dat het gebied door een steenmarter in gebruik is. Het grasland op de huidige onderzoekslocatie kan dienen als foerageergebied voor deze soort. De houtopslag en de schuur oostelijk op de onderzoekslocatie kunnen potentieel als vaste rust- en verblijfplaats voor de steenmarter dienen. Verstoringen van de steenmarter kunnen worden voorkomen door met behulp van een ecologisch werkprotocol en buiten de kwetsbare periode (van maart t/m april) de werkzaamheden uit te voeren. 6.3

Algemene grondgebonden zoogdieren

Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.4

Algemene amfibieën en alpenwatersalamander

De werkzaamheden kunnen verstorend werken voor amfibieën die zich op de onderzoekslocatie bevinden. Door de werkzaamheden kunnen dieren gewond raken of worden gedood. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de Wet natuurbescherming, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.5

Overige soort(groep)en

Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

Rapport 8484.002 versie D1

Pagina 17 van 22

7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1

Natura 2000

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Rijntaken, bevindt zich op circa 17 kilometer afstand ten noordwesten van de onderzoekslocatie (zie figuur 15).

Figuur 15. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 17 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (sloop en woningbouw) niet te verwachten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht.

Rapport 8484.002 versie D1

Pagina 18 van 22

7.2

Natuurnetwerk Nederland

De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 400 meter ten zuidwesten van de onderzoekslocatie. Het betreft een houtwal en houtsingle. In figuur 16 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Figuur 16. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.

Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken. De omgevingscondities zullen ten opzichte van de oorspronkelijk situatie echter niet veranderen. Door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland niet worden aangetast, mits geluid- en lichttoename niet zal toenemen in de richting van het Natuurnetwerk Nederland. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.

Rapport 8484.002 versie D1

Pagina 19 van 22

8

HOUTOPSTANDEN

De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Op de onderzoekslocatie zijn geen houtopstand aanwezig.

Rapport 8484.002 versie D1

Pagina 20 van 22

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van RO Connect een quickscan flora en fauna uitgevoerd aan de Hoogbroeksesteeg (achter Donzel 21) te Nistelrode. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De initiatiefnemer is voornemens om nieuwbouw op de onderzoekslocatie te realiseren. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

algemeen

ja

nee

nee

nee

het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren, bij werken binnen broedseizoen broedvogelcontrole uitvoeren

jaarrond beschermd

nee

nee

nee

nee

-

verblijfplaatsen

nee

mogelijk

nee

nee

potentiële verblijfplaats van gebouwbewonende vleermuizen ten oosten van de onderzoekslocatie. Aandacht voor verlichting in de richting van de schuur buiten de onderzoekslocatie

foerageergebied

ja

ja

nee

nee

-

vliegroutes

nee

nee

nee

nee

-

marterachtige

nee

mogelijk

nee

nee

potentiële verblijfplaats van kleine marterachtige ten oosten van de onderzoekslocatie. Werkzaamheden volgens ecologisch werkprotocol uitvoeren, aandacht voor zorgplicht

steenmarter

nee

mogelijk

nee

nee

potentiële verblijfplaats van steenmarter ten oosten van de onderzoekslocatie. Werkzaamheden volgens ecologisch werkprotocol uitvoeren, aandacht voor zorgplicht

algemene soorten

nee

nee

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van konijn, egel, ree en diverse muissoorten

Amfibieën

minimaal

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten

Reptielen

nee

nee

nee

nee

-

Vissen

nee

nee

nee

nee

-

Libellen en dagvlinders

nee

nee

nee

nee

-

Broedvogels

Vleermuizen

Grondgebonden zoogdieren

Rapport 8484.002 versie D1

Bijzonderheden / opmerkingen*

Pagina 21 van 22

Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

Overige ongewervelden

nee

nee

nee

nee

-

Vaatplanten

nee

nee

nee

nee

-

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

Natura 2000

17 km

nee

nee

nee

-

Natuurnetwerk Nederland

400 m

nee

nee

nee

-

Houtopstanden

nee

nee

nee

nee

-

Gebiedsbescherming

Bijzonderheden / opmerkingen*

Conclusie Op de onderzoekslocatie bevinden zich geen verblijfplaatsen van vleermuizen, echter is de schuur ten oosten van de onderzoekslocatie potentieel geschikt als vaste rust- en verblijfplaats van gebouwbewonende vleermuizen zoals de normale dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Verstoringen voor deze vleermuissoorten kunnen worden voorkomen door de werkzaamheden overdag uit te voeren en ’s avonds geen kunstmatige verlichting in de richting van de schuur toe te passen. De schuur en houtopslag ten oosten van de onderzoekslocatie is potentieel geschikt als verblijfplaats voor (kleine) marterachtigen en de steenmarter. Verstoringen aan deze soorten kunnen worden voorkomen door de werkzaamheden uit te voeren volgens een ecologisch werkprotocol. Tevens dient er rekening te worden gehouden met de zorgplicht. Verder kunnen overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels worden voorkomen door eventuele nesten op het grasland te verwijderen buiten het broedseizoen. Daarnaast dient bij werkzaamheden te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van onder andere algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Met betrekking tot beschermde gebieden worden geen bezwaren verwacht. Er is geen beschermde houtopstand aanwezig.

Econsultancy Boxmeer, 21 februari 2019

Rapport 8484.002 versie D1

Pagina 22 van 22

GERAADPLEEGDE BRONNEN Limpens H., Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, zoekgebied Nistelrode, periode 2009-2019 Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J. Thissen, K. Canters, & J. Buys 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. www.verspreidingsatlas.nl/ (verspreidingsgegevens NDFF) Provinciale websites www.brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant)

Rapport 8484.002 versie D1

Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

2.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;   

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 8484.002 versie D1

Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

2. 3. 4. 5.

Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.

Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn

1. 2. 3. 4. 5.

Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten

drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=1436d16f-ff77-4e38-bf92-c35872bfd10c