Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u, Vosbergstraat 18-20 Heesch
Tekst van het document
Ruimtelijke motivering TAM-Omgevingsplan ‘Hoofdstuk 22u Vosbergstraat 18-20 Heesch’ Gemeente Bernheze
NL.IMRO.1721.TAM22u-VG01
Colofon Rapport: TAM-Omgevingsplan ‘Hoofdstuk 22u Vosbergstraat 18-20 Heesch’ Rapportnummer: 2025.3570 Status: Vastgesteld Datum: 25 maart 2026 Projectgebied Vosbergstraat 18-20 5384ST Heesch Opdrachtnemer Reland Adviseurs B.V.
Bezoekadres: Mgr. Bekkersstraat 56 5846 AJ Ledeacker
Hurksestraat 60 5652 AL Eindhoven
Correspondentieadres: Postbus 186 5830 AD Boxmeer www.reland.nl Projectleiding Reland Adviseurs
Telefoon 085 043 1949
Email info@reland.nl
© maart 2026 Reland
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Reland. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Reland verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving.
Inhoud HOOFDSTUK 1 Inleiding..................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding en doel ............................................................................................ 5
1.2
Projectgebied .................................................................................................. 5
1.3
Het omgevingsplan........................................................................................... 6
1.4
Leeswijzer ........................................................................................................ 7
HOOFDSTUK 2 Gebieds- en projectprofiel ......................................................................... 8 2.1
Gebiedsprofiel................................................................................................. 8
2.2
Huidige situatie projectgebied .......................................................................... 8
HOOFDSTUK 3 Voorgenomen ontwikkeling ...................................................................... 10 3.1
Projectbeschrijving ......................................................................................... 10
3.2
Landschappelijke inpassing ............................................................................. 12
HOOFDSTUK 4 Beleid en regelgeving ............................................................................... 14 4.1
Rijksbeleid ...................................................................................................... 15
4.2
Provinciaal beleid ........................................................................................... 17
4.3
Gemeentelijk beleid ........................................................................................22
HOOFDSTUK 5 Fysieke leefomgeving ...............................................................................28 5.1
Erfgoed..........................................................................................................28
5.2
Beschermen van de gezondheid ..................................................................... 29
5.3
Bodem .......................................................................................................... 30
5.4
Water(systemen) ............................................................................................ 31
5.5
Ecologie .........................................................................................................33
5.6
Geluid ............................................................................................................35
5.7
Kwaliteit van de buitenlucht ............................................................................ 37
5.8
Geur ............................................................................................................. 39
5.9
Externe veiligheid ........................................................................................... 41
5.10
Milieubelastende activiteiten .......................................................................... 43
5.11
Niet-gesprongen explosieven ......................................................................... 45
5.12
Kabels, leidingen en hoogspanningsverbindingen ............................................ 45
5.13
Mobiliteit ....................................................................................................... 46
5.14
Duurzaamheid en klimaatadaptatie ............................................................... 48
5.15
Trillingen ....................................................................................................... 49
5.16
Energietransitie ............................................................................................. 50
5.17
Lichthinder .................................................................................................... 50
5.18
Bezonning ...................................................................................................... 51
5.19
Slagschaduw .................................................................................................. 51
5.20
Windhinder ....................................................................................................52
5.21
Project-mer-beoordeling ................................................................................52
HOOFDSTUK 6 Uitvoerbaarheid...................................................................................... 54 6.1
Economische uitvoerbaarheid ........................................................................ 54
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................. 54
HOOFDSTUK 7 Juridische planopzet ................................................................................ 56 7.1
Wijzigingsbesluit ............................................................................................ 56
7.2
Analoge kaart ................................................................................................57
HOOFDSTUK 8 Belangenafweging ETFAL ........................................................................58 8.1
Doelen van de wet ..........................................................................................58
8.2
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) ............................... 59
8.3
Verwerken TAM-omgevingsplan .................................................................... 59
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8
Landschappelijk inpassingsplan Berekening kwaliteitsverbetering Verkennend bodemonderzoek Onderbouwing stikstofonderzoek Quickscan flora en fauna Akoestisch onderzoek Verslag omgevingsdialoog Nota van zienswijzen
4
HOOFDSTUK 1.1
1 Inleiding
Aanleiding en doel
De familie Zegers is eigenaar van de locatie aan Vosbergstraat 18-20 in Heesch. Op deze locatie is een agrarisch bedrijf aanwezig dat bestaat uit een varkenshouderij en een akkerbouwtak inclusief twee bedrijfswoningen. De familie is voornemens om de bedrijfsactiviteiten van de varkenshouderij te staken. In de beoogde situatie wordt de locatie in gebruik genomen voor agrarisch verwante en agrarisch technische bedrijfsactiviteiten. De voorgenomen ontwikkeling is niet rechtstreeks mogelijk op basis van het geldende omgevingsplan. Om de gewenste situatie te realiseren, dient derhalve te worden afgeweken van de geldende planologische mogelijkheden. Hiervoor is het noodzakelijk een planologische procedure te doorlopen, in dit geval een wijziging van het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan middels de TAM-IMRO procedure. De initiatiefnemer is al geruime tijd met gemeente Bernheze en provincie Noord-Brabant in overleg over functiewijziging van het projectgebied. Inmiddels heeft op 3 oktober 2024 een studio sessie plaatsgevonden met provincie Noord-Brabant en gemeente Bernheze. Inmiddels is op 4 december 2024 is een alomvattend verzoek ingediend. Op 4 februari 2025 is per brief aangegeven dat het verzoek door de intaketafel als wenselijk is beoordeeld. Het plan is zodoende nader worden uitgewerkt voor de formele procedure.
Voorliggend document betreft de onderbouwing behorende bij de wijziging van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In deze onderbouwing wordt het plan nader toegelicht en wordt gemotiveerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
1.2
Projectgebied
Het projectgebied is gelegen binnen de percelen die kadastraal bekend staan als gemeente Heesch, sectie G, perceelnummers 722, 871 en 872 (figuur 1). De totale oppervlakte van het projectgebied bedraagt circa 23.620 m2.
5
Figuur 1: Kadastrale situatie met projectgebied rood omkaderd.
1.3
Het omgevingsplan
Voor het projectgebied is het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze van toepassing. Dit tijdelijke omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, aangevuld met regels van het Rijk, de zogenaamde bruidsschat. Voor het projectgebied zijn derhalve de regels zoals vastgelegd in de (voormalige) bestemmingsplannen ‘Buitengebied Bernheze’, ‘Buitengebied Bernheze 2012-1’, ‘BPL Teeltondersteunende voorzieningen gemeente Bernheze’ en ‘Vrijkomende Agrarische bebouwing Bernheze 2018’ en bijbehorende herzieningen van toepassing. Het projectgebied beschikt over de enkelbestemming ‘Agrarisch – Landbouwontwikkelingsgebied’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2 en ‘Waarde – Archeologie 3’. Tevens is een bouwvlak aanwezig met een omvang van circa 13.000 m2. Het bouwvlak is voorzien van de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. Tenslotte is een bouwaanduiding aanwezig die twee bedrijfswoningen toestaat binnen het projectgebied (figuur 2). De gewenste activiteiten zijn niet rechtstreeks toegestaan op basis van het geldende omgevingsplan. Om de beoogde situatie mogelijk te maken dient derhalve te worden afgeweken van het geldende omgevingsplan. In dit geval gebeurt dat door een wijziging van het omgevingsplan middels de TAM-IMRO procedure. Op deze manier worden voor het projectgebied afwijkende regels in het omgevingsplan opgenomen.
6
Figuur 2: Uitsnede bestemmingsplan Buitengebied Bernheze 2012-1, projectgebied rood omkaderd.
1.4
Leeswijzer
Deze motivering ten behoeve van de wijziging van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze bestaat uit zeven hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het gebiedsprofiel en de huidige situatie van het projectgebied. Hoofdstuk 3 betreft een beschrijving van de voorgenomen ontwikkeling. Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van het relevante beleid en de regelgeving. In hoofdstuk 5 is getoetst of de ontwikkeling al dan niet effect heeft op de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 6 zijn de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst. In hoofdstuk 7 is de juridische planopzet opgenomen en hoofdstuk 8 betreft een afweging van de belangen.
7
HOOFDSTUK
2 Gebieds- en projectprofiel
In dit hoofdstuk is een beschrijving gegeven van de huidige situatie van het projectgebied en de omgeving waarin het zich bevindt.
2.1
Gebiedsprofiel
Het projectgebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Bernheze op een afstand van circa 1,5 kilometer ten zuiden van de kern Heesch. Het gebied wordt gekenmerkt door agrarisch grondgebruik en heeft een relatief open karakter. Langs de wegen en waterlopen is doorgaans sprake van laanbeplanting. Rondom het projectgebied zijn veelal (intensieve) agrarische bedrijven aanwezig. Aan de Vosbergstraat bevindt zich tevens een cluster met diverse woonfuncties.
Figuur 3: Ligging van het projectgebied (rood omcirkeld) ten opzichte van de omgeving.
2.2
Huidige situatie projectgebied
In de huidige situatie zijn binnen het projectgebied een varkenshouderij en een akkerbouwbedrijf aanwezig. Feitelijk zijn er zodoende twee bedrijven gevestigd op de locatie. Ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten zijn in totaal zes bedrijfsgebouwen aanwezig. De totale oppervlakte van deze bebouwing bedraagt in totaal circa 6.105 m2. Naast de bedrijfsbebouwing zijn binnen het projectgebied twee bedrijfswoningen met bijgebouwen aanwezig. Het bedrijfsperceel wordt aan de oostelijke en zuidelijke zijde omzoomd door bosschages. Aan de zuidzijde grenst het projectgebied aan de ‘graanloop’. Aan 8
de westzijde van het perceel is een sloot aanwezig welke afwatert op de graanloop. Het terrein beschikt over twee inritten die het perceel ontsluiten aan de Vosbergstraat. Parkeren vindt plaats op eigen terrein. De overige gronden tussen de bebouwing zijn overwegend verhard. De gronden ten westen van de bedrijfsbebouwing worden gebruikt voor de teelt van gewassen.
bedrijfswoning
6
2
4 3
1 5
Figuur 4: Huidige situatie
9
HOOFDSTUK
3 Voorgenomen ontwikkeling
In dit hoofdstuk wordt de beoogde situatie omschreven. Daarnaast wordt de landschappelijk inpassing van de beoogde situatie toegelicht.
3.1
Projectbeschrijving
De familie is voornemens om de bedrijfsactiviteiten die betrekking hebben op de varkenshouderij te beëindigen. Herontwikkeling van de locatie is derhalve noodzakelijk. Functies Aan de Vosbergstraat 18 zal een agrarisch technisch hulpbedrijf worden gevestigd dat overwegend is gericht op de handel in fourage. Daarnaast zullen de bestaande akkerbouwactiviteiten worden voortgezet. Aangezien de verschillende werkzaamheden seizoensgebonden zijn, is er sprake van een variërende werkdruk. Men is derhalve niet voornemens om personeel aan te nemen. Om ook buiten de piekmomenten een inkomen te verdienen worden de bedrijfsactiviteiten aangevuld met statische opslag. Op deze wijze worden de seizoensgebonden activiteiten gecombineerd met jaarrond stabiele activiteiten en inkomen. Aan de Vosbergstraat 20 zal na de herontwikkeling een agrarisch verwant bedrijf aanwezig zijn. De bedrijfsactiviteiten zijn gericht op bestrating, grondverzet, infrastructurele werkzaamheden en loonwerk, aangevuld met statische opslag. Het bedrijf is momenteel gevestigd aan de Nistelrodeseweg 53 in Heesch en wordt uitgevoerd door een familielid en twee personeelsleden. Voor het uitvoeren van de bedrijfsactiviteiten in een vergunning aanwezig. Gezien de aard en de omvang van de bedrijfsactiviteiten is het niet langer wenselijk om deze binnen/aangrenzend aan de bebouwde kom van Heesch uit te voeren.
De eigenaar van het bedrijf zal de bedrijfswoning aan Vosbergstraat 20 gaan bewonen. Na de verhuizing zal de vergunning voor het uitvoeren van de bedrijfsactiviteiten aan de Nistelrodeseweg worden ingetrokken. Gebouwen Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling wordt overtollige bebouwing gesaneerd. Concreet zal de luchtwasser van stal 1, het achterste (zuidelijke) deel van stal 2, stal 3 in het geheel en het voorste (noordelijke) deel van stal 4 worden gesaneerd. Stal 6 zal in gebruik worden genomen als bijgebouw bij de bedrijfswoning aan Vosbergstraat 20. De totale sloop komt overeen met circa 2.050 m2. De te slopen bebouwing is rood omkaderd in figuur 5. In totaal resteert 4.055 m2 aan bebouwing.
10
bedrijfswoning
6
2
4 3
1 5
Figuur 5: Te slopen bebouwing rood omkaderd.
De bedrijfsactiviteiten ten behoeve van het agrarisch technisch hulpbedrijf aan Vosberstraat 18 zullen plaatsvinden in bedrijfsgebouw 1 en 2. De totale omvang van de bebouwing ten behoeve van deze bedrijfsactiviteiten bedraagt 3.210 m2. Doordat er sprake is van piekmomenten en de wisselende aard van de werkzaamheden kunnen de gebouwen flexibel worden gebruikt voor de diverse functies. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: - Fouragehandel vindt uitsluitend plaats in bedrijfsgebouw 1. De maximale omvang van de fouragehandel bedraagt 2.270 m2. - Statische opslag vindt uitsluitend plaats in bedrijfsgebouw 1. De maximale omvang aan statische opslag bedraagt 1.500 m2. - Bedrijfsactiviteiten in het kader van akkerbouw zijn uitsluitend toegestaan in bedrijfsgebouw 2. De maximale omvang van deze activiteit bedraagt 940 m2. - In bedrijfsgebouw 2 kan een werkplaats worden ingericht voor het herstel en onderhoud van het eigen materieel. De totale omvang van deze werkplaats bedraagt 500 m2. De bedrijfsactiviteiten van het agrarisch verwante bedrijf aan Vosbergstraat 20 zullen plaatsvinden ter plaatse van de bedrijfsgebouwen 3, 4 en 5. De totale omvang van de bebouwing ten behoeve van deze bedrijfsactiviteiten bedraagt 765 m2. De gebouwen zullen als volgt worden gebruikt: - Bedrijfsgebouw 3 zal worden gesaneerd.
Hier zullen sleufsilo’s worden geplaatst waar zand, grond, grind, groenafval en fijn/gebroken puin kan worden opgeslagen tot een maximum omvang tot 1.000 m3. Het opgeslagen groenafval en fijn puin wordt slechts voor een korte periode opgeslagen totdat dit kan worden afgevoerd naar/opgehaald door een verwerker. Op de locatie vindt geen be-/verwerking plaats van het groenafval en puin. 11
-
-
Bedrijfsgebouw 4 (400 m2) wordt gebruikt voor de opslag van materieel ten behoeve van het loonwerk, grondverzet en/of infrastructurele werkzaamheden. Bedrijfsgebouw 5 (365 m2) dient tevens voor opslag van materieel. Hier kan ook statische opslag van derden plaatsvinden. Tevens kan in bedrijfsgebouw 5 een werkplaats ten behoeve van het herstel en onderhoud van eigen materieel worden gerealiseerd.
Bedrijfsgebouw 6 zal in gebruik worden genomen als bijgebouw bij de bedrijfswoning aan Vosbergstraat 20.
3.2
Landschappelijke inpassing
Bij een ruimtelijke ontwikkeling is het van belang dat alle ruimtelijke waarden worden meegewogen. Een plan kan immers afbreuk doen aan bestaande landschappelijke of cultuurhistorische waarden. Bij de inpassing wordt rekening gehouden met de ruimtelijke randvoorwaarden. De ontwikkeling wordt op een natuurlijke en verzorgde wijze ingepast en sluit aan op de aanwezige landschapsstructuren. Onderstaand is de landschappelijke inpassing op hoofdlijnen uiteengezet. Voor een volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 1. In de nieuwe situatie zijn diverse gebouwen gesloopt en de resterende bebouwing wordt geschikt gemaakt voor de nieuwe functies. De oriëntatie is parallel aan de bestaande bossingel ten noordoosten van het perceel. Deze oriëntatie is kenmerkend voor het gebied, en wordt rondom de schuren (dus aan de zowel oost als westzijde van het erf) aangezet met nieuwe robuuste groenstructuren in de vorm van bossingels. Aan de zuidzijde is aandacht voor landschappelijke vochtige inrichting. Door het maken van verlaging, ontstaat er vernatting van het gebied. De verlagingen staan niet in verbinding met het slotensysteem, waardoor het niet versneld wordt afgevoerd. Dit biedt kansen voor vochtminnende kruidsoorten en grassen. Het gebied wordt aangezet met de aanleg van nieuwe knotwilgen rondom de laagtes en bestaande sloot. Rondom de woningen wordt een erfinrichting benadrukt.
De tuinen zijn omgeven door een groene inheemse haag. De inrit wordt benadrukt met inheemse boom/bomen. Ten westen van de Vosbergstraat 18 ligt een omhaagde fruitgaard. Tussen de woningen blijft het bestaande bosje behouden. Deze scheiding wordt tussen de twee bedrijfskavels versterkt door de aanplant van een nieuwe singel op de plek waar voorheen een schuur stond. Het inpassingsplan kent de volgende elementen: Tuin bedrijfswoning. De bestaande haag in de voortuin blijft behouden. Nabij de bedrijfswoning aan Vosbergstraat 18 wordt een nieuwe haag aangeplant van een inheemse soort. Er is soortkeuze in het beplantingsplan ingebouwd, zodat dit kan worden afgestemd op de nog aan te leggen tuin. 12
Bossingel. Bestaande bossingels binnen het plangebied blijven behouden. Nieuwe bossingels worden aangelegd met inheems bosplantsoen. Aanvullingen van bestaand bosplantsoen (noordzijde) bestaan veelal uit zoomvegetatie (struweel), zodat de bestaande bomen niet worden beconcurreerd. Laagtes. Er worden diverse laagtes gecreëerd op de percelen. Hier kan zich regenwater verzamelen, geborgd worden en langzaam infiltreren. Het zal het gebied vernatten en de grond verschraald, wat ten goede komt aan de vochtige kruidenvegetatie en biodiversiteit. Nabij de laagtes staan diverse knotbomen. Solitaire bomen. Op het terrein worden diverse inheemse bomen geplant, om de biodiversiteit te vergroten. Daarbij is ook rekening gehouden met waardbomen voor de bij. Omhaagde fruitgaard. De hoogstam fruitgaard bestaat uit een gemengde haag met diverse inheemse soorten. De bomen betreffen hoogstam fruitsoorten uit de streek. De onderbegroeiing bestaat uit kruidenrijk gras.
13
Figuur 6: Landschappelijk inpassingsplan.
14
HOOFDSTUK
4 Beleid en regelgeving
In dit hoofdstuk wordt onderhavige ontwikkeling getoetst aan het algemene Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid en regelgeving. Aan het eind van iedere paragraaf is een conclusie/beschrijving van de doorwerking van het specifieke beleid en wet- en regelgeving voor het projectgebied opgenomen.
4.1
Rijksbeleid
4.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI. Het gaat om het strategisch beleid, omdat de NOVI een visie is en de hoofdzaken bevat van het beleid voor de fysieke leefomgeving. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) richt zich op vier prioriteiten. Deze onderwerpen hebben onderling veel met elkaar te maken en ze hebben gevolgen voor hoe we onze fysieke leefomgeving inrichten. De Nationale Omgevingsvisie helpt bij het maken van de noodzakelijke keuzes: • Ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie; • De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden; • Onze steden en regio’s sterker en leefbaarder maken; • Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. Bij kleinschalige ontwikkelingen op lokaal niveau dient rekening te worden gehouden met een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan is een kleinschalig initiatief passend binnen de NOVI.
Toetsing initiatief In hoofdstuk 5 van deze motivering is de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de van toepassing zijnde omgevingsaspecten en is beoordeeld of (en zo ja, in hoeverre) deze van invloed is op de fysieke leefomgeving. Op basis hiervan is gebleken dat er vanuit de NOVI geen belemmeringen bestaan voor het initiatief.
4.1.2
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Vanuit de algemene Rijksregels voor de fysieke leefomgeving zijn vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) opgesteld. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft instructieregels van het Rijk voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bovenlokale belangen werken daarmee 15
door in de vaststelling en wijziging van een omgevingsplan. Deze instructieregels (afdeling 5.1 Bkl) gelden ook voor de omgevingsverordening, het projectbesluit en de omgevingsvergunning (artikel 8.0b, 8.0c, 8.0d en 8.0e). Bij deze regels gaat het over normen voor geluid en geur van bedrijfsmatige activiteiten, externe veiligheid en erfgoed. Toetsing initiatief In hoofdstuk 5 van deze motivering is de beoogde ontwikkeling getoetst aan deze Rijksregels uit het Bkl en is beoordeeld of (en zo ja, in hoeverre) deze hieraan voldoet. Op basis hiervan is gebleken dat er vanuit het Bkl geen belemmeringen bestaan voor het initiatief. 4.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 5.129g ‘zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand’ van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De ladder voor duurzame verstedelijking is een uitwerking van hetgeen is opgenomen in het NOVI en ziet op ‘zorgvuldig ruimtegebruik’. De ladder is er voor bedoeld dat zorgvuldig wordt nagedacht over nieuwe ontwikkelingen en de plek van de nieuwe ontwikkeling. Zo gaat bijvoorbeeld inbreiding voor uitbreiding. Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen geldt daarom dat de ladder doorlopen dient te worden om te bepalen of sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. In eerste instantie is het van belang om te bepalen of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Jurisprudentie heeft ervoor gezorgd dat dit begrip steeds verder gedefinieerd werd en in sommige gevallen zelfs kwantitatief is. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Met andere stedelijke voorzieningen worden accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur, indoorsport en leisure bedoelt. In het Bkl is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd.
Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Toetsing initiatief De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op de ontwikkeling agrarisch verwante en agrarisch technische bedrijfsactiviteiten. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling aangezien er geen sprake zal zijn van de ontwikkeling van een bedrijventerrein of een van de overige bovengenoemde functies. Daarnaast zal de omvang van de bebouwing afnemen en is er sprake van een gemengde omgeving waarbij afwisseling in functies gebiedseigen is. Hierdoor is het doorlopen van de overige stappen van ‘de ladder’ niet noodzakelijk. De ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
16
4.1.4
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) stelt het Rijk algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Het Bal geldt voor alle partijen die actief zijn in de fysieke leefomgeving – burgers, bedrijven en overheid. Toetsing initiatief In hoofdstuk 5 van deze motivering is de beoogde ontwikkeling getoetst aan deze Rijksregels uit het Bal en is beoordeeld of (en zo ja, in hoeverre) deze hieraan voldoet. Op basis hiervan is gebleken dat er vanuit het Bal geen belemmeringen bestaan voor het initiatief.
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1
Provinciale Omgevingsvisie Noord-Brabant Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Met deze omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Brabant wil bereiken en biedt daarmee handvatten voor haar handelen in de praktijk. De omgevingsvisie bevat de belangrijkste provinciale ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Conform de Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende en duurzame economie. De omgevingsvisie geeft daarbij richting aan deze opgaven vanwege de ingrijpende veranderingen waarmee zij gepaard gaan. Daarnaast geeft de omgevingsvisie ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De omgevingsvisie is verplicht, maar uitsluitend zelfbindend voor de provincie. De visie zal de komende jaren nader worden uitgewerkt in diverse programma’s. Daarnaast is de omgevingsvisie reeds vertaald in de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Daarin zijn expliciete en concrete instructieregels opgenomen voor gemeenten die zij moeten hanteren bij het opstellen van omgevingsplannen, danwel bij vergunningenprocedures.
Toetsing initiatief De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op of draagt bij aan de hierboven genoemde doelen. Er vindt herontwikkeling plaats van een varkenshouderij waarbij sprake is van verbetering van omgevingskwaliteit. Hierdoor past het initiatief binnen de doelen van de Omgevingsvisie NoordBrabant.
4.2.2
Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 20 september 2025 is de geactualiseerde Omgevingsverordening NoordBrabant in werking getreden. In de omgevingsverordening zijn in hoofdstuk 5 instructieregels opgenomen die door gemeenten moeten worden doorvertaald naar omgevingsplannen. Deze instructieregels zijn zodoende ook van toepassing voor onderhavige ontwikkeling. Er wordt onderscheid gemaakt 17
tussen de basisprincipes die gelden voor alle ontwikkelingen (paragraaf 5.1.2) en specifieke instructieregels voor specifieke gebieden of activiteiten. Toetsing initiatief
Basisprincipes
In het kader van de basisprincipes voor een goede omgevingskwaliteit dient toepassing te worden gegeven aan zorgvuldig ruimtegebruik, lagenbenadering en meerwaardecreatie. De ontwikkeling vindt plaats binnen een bestaand bouwperceel. Binnen het bouwperceel zijn in de huidige situatie twee bedrijven aanwezig (akkerbouw en varkenshouderij). Tevens zijn er twee bedrijfswoningen aanwezig. In de beoogde situatie wordt het bouwvlak in tweeën gesplitst. Splitsing van een bouwperceel is doorgaans niet toegestaan binnen de kaders van zorgvuldig ruimtegebruik. Echter aangezien hier reeds sprake is van twee bedrijven op één bouwperceel en er twee bedrijfswoningen aanwezig zijn, is splitsing in dit geval aanvaardbaar. Aangezien de ontwikkeling plaatsvindt binnen een bestaand bouwperceel en het ruimtebeslag wordt beperkt, kan conform artikel 5.8 worden gesproken van zorgvuldig ruimtegebruik. De lagenbenadering biedt inzicht in de effecten van de ontwikkeling op de diverse lagen (ondergrond, netwerklaag, bovenste laag). Hierbij wordt gekeken naar aspecten zoals het bodem- en watersysteem, aardkundige- en archeologische waarden (ondergrond), natuur- en energienetwerken, infrastructuur (netwerklaag), cultuurhistorische en landschappelijke waarden, omvang van functies en bebouwing en effecten op de gezonde leefomgeving (bovenste laag).
In de diverse paragrafen in deze motivering wordt aandacht besteed aan de aspecten die deel uitmaken van de lagenbenadering. Uit deze toetsing blijkt dat er geen belemmeringen vanuit een van de lagen te verwachten zijn. Onderhavige ontwikkeling kan zelfs een positief effect hebben op de diverse lagen. De bovenste laag wordt immers versterkt door de afname van bebouwing en de investeringen in de landschappelijke kwaliteiten. Dit heeft ook invloed op de ondergrond aangezien deze aspecten ook een positief effect hebben op het watersysteem ter plaatse. In het kader van meerwaardecreatie wordt bekeken of diverse opgaven en ontwikkelingen kunnen worden gecombineerd en of een ontwikkeling kan bijdragen aan andere opgaven en belangen. Aangezien de beoogde ontwikkeling bestaat uit het beëindigen van een intensieve veehouderij, verplaatsen van een bedrijf dat grenst aan de kern van Heesch, het verbeteren van de landschappelijke kwaliteiten en het vestigen van nieuwe toekomstbestendige functies binnen het projectgebied, wordt bijgedragen aan diverse opgaven en belangen. De ontwikkeling zorgt op meerdere plaatsen voor een verbetering van het woon- en leefklimaat, de landschappelijke kwaliteiten en een versterking van de toekomstbestendigheid van het landelijk gebied. Er kan zodoende worden gesteld dat er sprake is van meerwaardecreatie.
Uit het bovenstaande is op te maken dat wordt voldaan aan de basisprincipes die gelden voor een goede omgevingskwaliteit. 18
Instructieregels voor gebieden en activiteiten Het projectgebied is grotendeels gelegen binnen het landelijk gebied. Delen van het projectgebied zijn aangewezen als Natuur Netwerk Brabant, Attentiezone waterhuishouding en reservering waterberging (figuur 7).
Figuur 7: Uitsnede kaartmateriaal omgevingsverordening Noord-Brabant, projectgebied rood omkaderd.
Niet agrarische activiteit in landelijk gebied
Binnen het landelijk gebied is het mogelijk middels artikel 5.78 (lid 1, 2 en 3) nietagrarische activiteiten te vestigen. Hieronder is de uitwerking van lid 1, lid 2 en lid 3 van artikel 5.78 weergegeven. Lid 1 Een omgevingsplan ter plaatse van Landelijk gebied kan bepalen dat de ontwikkeling van een niet-agrarische activiteit binnen een bestaand bouwperceel mogelijk is als: a. Dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in artikel 5.12;
Gemeente Bernheze heeft op 5 juni 2025 de ‘Beleidsnotitie buitenkansen’ vastgesteld. Dit kan worden gezien als de ontwikkelingsrichting voor het landelijk gebied van de gemeente Bernheze. Uit paragraaf 4.3.2 blijkt dat de ontwikkeling aansluit bij de uitgangspunten van deze notitie. Hierdoor past de voorgenomen ontwikkeling bij de ontwikkelingsrichting van het gebied.
b. Aanwezige, overtollige bebouwing wordt gesloopt; en
Overtollige bebouwing, zijnde circa 2.050 m² bedrijfsbebouwing wordt gesloopt.
c. Dit geen betrekking heeft op: 1. Een kantoor met baliefunctie; 2. Het toelaten van een nieuwe lawaaisport; en
19
3. Een toename van de bestaande gebruiksoppervlakte mestbehandeling, mestvergisting en mestbewerking.
voor
Niet van toepassing.
Lid 2 Het omgevingsplan regelt: a. Welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan;
Binnen de planregels worden specifieke gebruiksactiviteiten opgenomen.
b. Een bij de omgeving passende maximale omvang;
De maximale omvang wordt begrensd en is afgestemd met de gemeente.
c. Dat de niet-agrarische activiteit, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied als bedoeld in artikel 5.12;
Zie lid 1 onder a.
d. Dat een ontwikkeling naar een functie met grote publieksaantrekkende werking is uitgesloten;
De gebruiksactiviteiten worden gespecificeerd. Er is geen sprake van grote publieksaantrekkende activiteiten. Dit blijkt tevens uit paragraaf 5.13.
e. Dat opslag en stalling van voorwerpen of materialen plaatsvindt in gebouwen, behalve als de activiteit de opslag van zand, grond en grind betreft; en
Er vindt geen buitenopslag plaats met uitzondering van zand, grond, grind, groenafval en fijn/gebroken puin tot een maximum van 1.000 m3. Zoals omschreven in hoofdstuk 3 wordt groenafval en fijn/gebroken puin slechts voor korte periode opgeslagen totdat dit kan worden afgevoerd naar een verwerker. Deze opslag vindt plaats binnen het bouwvlak.
f. Dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de toegelaten omvang, bedoeld onder a.
Uitbreiding in de toekomst wordt binnen het plan uitgesloten. Hierdoor zal het bedrijf verplaatst dienen te worden wanneer een uitbreiding van het bedrijf niet meer past binnen de ontwikkelrichting voor deze omgeving.
Lid 3 Als uitgangspunt voor een bij de omgeving passende omvang als bedoeld in het tweede lid geldt voor: a. Een bedrijfsmatige activiteit, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein;
De activiteiten die worden ontplooid aan Vosbergstraat 18-20 zijn gezien de omgeving van een kleinschalige aard. Het gebied betreft immers een voormalig landbouwontwikkelingsgebied waar met name grote (intensieve) agrarische bedrijven aanwezig zijn. Gezien de omvang van omliggende bedrijven zijn de beoogde activiteiten passend in de gemengde omgeving waar het projectgebied in is gelegen. Vanwege de combinatie aan activiteiten waaronder akkerbouwactiviteiten is het niet doelmatig deze bedrijvigheid naar het bedrijventerrein te verplaatsen.
b. Een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²;
Niet van toepassing.
c. Een voorziening ten dienste van vrijetijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. 20
Niet van toepassing. Natuur Netwerk Brabant
De regels in het Natuur Netwerk Brabant (NNB) strekken tot het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van ecologische waarden en kenmerken van het natuurgebied. De meest noordelijke en oostelijke gronden binnen het projectgebied zijn aangewezen als NNB. De aangewezen gronden overlappen gedeeltelijk met het vigerende en beoogde bouwvlak. Feitelijk zijn op deze gronden (rood omkaderd in figuur 8) de bedrijfswoningen en bedrijfsgebouwen van het agrarische bedrijf gelegen. Deze gebouwen zijn legaal aanwezig. De gronden om de bedrijfswoningen heen worden gebruikt als tuin en inrit naar de bedrijfslocatie. Met uitzondering van het bijgebouw behorende bij de bedrijfswoning aan Vosbergstraat 18, zijn deze gronden al geruime tijd in gebruik voor deze doeleinden. Gezien het historische en huidige gebruik van deze gronden kan niet worden gesteld dat deze een hoge ecologische waarde hebben. Er wordt dan ook verondersteld dat deze gronden ten onrechte zijn aangewezen als NNB en er sprake is van een tekenfout. Het voorgaande wordt kracht bij gezet door het feit dat ten noordwesten van het projectgebied tevens gronden tot NNB zijn aangewezen met een woonfunctie waarop diverse woningen gelegen zijn. Als gevolg hiervan wordt de provincie Noord-Brabant verzocht om de aanduiding NNB te verwijderen van de rood omkaderde gronden op figuur 8.
Figuur 8: NNB (groen) en BAG (grijs).
Op de gronden in het oostelijke deel van het projectgebied die tevens zijn aangewezen als NNB worden geen bouwwerken toegevoegd. De aanduiding NNB overlapt echter deels met het bestaande en te behouden bouwvlak en de bestaande en te behouden bebouwing. Waar dat het geval is wordt tevens verzocht de aanduiding NNB te laten vervallen (figuur 8). Op de locaties waar de aanduiding NNB van toepassing blijft worden, als gevolg van de beoogde landschappelijke inpassing, de bestaande groenstructuren versterkt. Op deze 21
wijze wordt een bijdrage gedaan aan de versterking van de bestaande NNB. De ontwikkeling voldoet daarmee aan de gestelde regels voor NNB.
Attentiezone waterhuishouding
De gronden die zijn aangewezen als NNB zijn tevens aangewezen als attentiezone waterhuishouding. Deze aanduiding beoogt de hydrologische instandhoudingsdoelen van het NNB te beschermen. Gezien het gestelde onder het kopje NNB moet worden bezien of ook hier een herbegrenzing noodzakelijk is.
Reservering waterberging
De gronden aangewezen als reservering waterberging strekken tot het behoud van het waterbergend vermogen van het gebied. In de omgevingsverordening is vastgelegd dat als een plan activiteiten toestaat op deze gronden, het plan een beschrijving moet bevatten dat de gronden geschikt blijven ten behoeve van waterberging. In dit geval wordt er geen nieuwe bebouwing toegevoegd binnen de aanduiding reservering waterberging. Er is dan ook geen sprake van afname van het bergend vermogen. Het plan voldoet daarmee aan de regels die gelden voor reservering waterberging. Uit bovenstaande motivering blijkt dat wordt voldaan aan de uitgangspunten van de provinciale omgevingsverordening.
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1
Omgevingsvisie Bernheze 2040 De gemeenteraad heeft op 7 maart 2024 de ‘Omgevingsvisie Bernheze 2040’ vastgesteld. In deze omgevingsvisie wordt de gewenste ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de totale gemeente weergegeven. De omgevingsvisie betreft een lange termijnvisie (20 jaar) op hoofdlijnen en vormt het kader voor de beoordeling en afweging van nieuwe ruimtelijke plannen, maar ook een toetsing van de voortgang van lopende plannen. In de ‘Omgevingsvisie Bernheze 2040’ zijn de volgende aanknopingspunten om ‘slim’ met de ruimte om te gaan gehanteerd: • Kenmerken en identiteit van het gebied centraal stellen; • Meervoudig ruimtegebruik, waar het kan; • Voorkomen van afwenteling. De omgevingsvisie beschrijft nog niet alle beleidsterreinen van de fysieke leefomgeving. De gemeente Bernheze heeft vijf jaar de tijd om al deze visies te integreren. Dit betekent dat in 2029 slechts één visie voor de fysieke leefomgeving zal bestaan. De omgevingsvisie is opgedeeld in drie deelgebieden met drie ontwikkelperspectieven, zijnde: • De Peelhorst (de rug): De Maashorst is hier een kenmerkend natuurgebied. De westgrens van de Peelhorst is de kenmerkende Peelrandbreuk met de wijstgronden. In een ‘levendige schil’ rondom het natuurgebied extensiveert de landbouw en bieden we mogelijkheden voor meer bos en andere natuur. 22
•
•
De dekzandgebieden (de flank): Intensieve veehouderij draagt hier bij aan grootschalige en innovatieve voedselproductie. Hier ontwikkelen we kansen voor nieuwe verdienmodellen op het gebied van bijvoorbeeld biobased grondstoffen, natuur en landschap in perceelsranden, toerisme en recreatie, klimaatadaptatie en lokaal voedsel. Het beekdallandschap van de Aa en de Leijgraaf, waar het watersysteem van afvoeren ombuigt naar water vasthouden in combinatie met natuurontwikkeling en extensieve landbouw.
De omgevingsvisie is verder uitgewerkt in vijf strategische thema’s. Binnen deze thema’s zijn de ambities en doelen uitgewerkt. De thema’s zijn: • Gezonde leefomgeving • Leefbare kernen • Klimaatadaptatie en herstel biodiversiteit • Vitale en duurzame landbouw en economie • Kwaliteit landschap en erfgoed In het kader van het thema vitale en duurzame landbouw en economie is in de omgevingsvisie ook aandacht voor de agrarische sector. Hier wordt aangegeven dat de gemeente Bernheze ook in de toekomst een trotse agrarische gemeente zal blijven en op zoek is naar een nieuwe balans met andere functies en een realistisch verdienmodel. Tegelijkertijd geeft men aan dat niet alle agrarische ondernemers door kunnen of willen met hun bedrijf. Voor deze groep biedt de gemeente kansen voor herontwikkeling. Het gebruiken van vrijkomende erven wordt gekoppeld aan het toevoegen van extra kwaliteit aan het buitengebied. Naast agrarische bedrijvigheid zet de gemeente Bernheze zich ook in voor andere vormen van lokale bedrijvigheid. Zo wil men ZZP’ers, startups en kleine en middelgrote bedrijven beter faciliteren. Een en ander is overigens nader uitgewerkt in de beleidsnotitie buitenkansen zoals in de volgende paragraaf beschreven. Het projectgebied is gelegen binnen het deelgebied ‘dekzandruggen’.
De strategische thema’s zijn voor dit deelgebied uitgewerkt in onder andere de volgende ambities en doelen: - Aantrekkelijk landschap met houtwallen, zandwegen, natuurlijke perceelsranden en waterlopen (gezonde leefomgeving); - Meer water vasthouden en infiltreren, waterberging, aandacht waterkwaliteit (klimaat en herstel biodiversiteit); - Grotere bouwblokken, nieuwe verdienmodellen, plek waar we boeren naar verplaatsen uit de twee andere deelgebieden zodat ze kunnen groeien en innoveren (vitale en duurzame landbouw en economie); - Aandacht voor bodemleven, houtwallen en zandwegen (kwaliteit landschap en erfgoed). Toetsing initiatief De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op de herontwikkeling van een varkenshouderij en akkerbouwbedrijf. Zoals beschreven in de omgevingsvisie willen en kunnen niet alle agrarische bedrijven hun activiteiten voortzetten. Wanneer dit zich voordoet is het noodzakelijk een passende nieuwe functie te vinden. Kwaliteitsverbetering van het buitengebied staat hierbij centraal. 23
In dit geval wordt het bestaande erf heringericht met nieuwe bedrijfsactiviteiten gericht op het buitengebied. De economische draagkracht van de locatie en het buitengebied in het algemeen blijft daarmee behouden. Tevens vindt kwaliteitsverbetering plaats in de vorm van sloop van vrijkomende bebouwing en aanleg van groenelementen. Door de landschappelijke inpassing en het creëren van waterberging wordt een bijdrage geleverd aan het herstellen van de biodiversiteit, klimaat, kwaliteit van landschap. Hierdoor voldoet de voorgenomen ontwikkeling aan de ‘Omgevingsvisie Bernheze 2040’. 4.3.2
Beleidsnotitie buitenkansen Op 5 juni 2025 is de ‘Beleidsnotitie buitenkansen’ in de gemeenteraad vastgesteld. Deze beleidsnotitie is opgesteld om te komen tot een integraal kansenbeleid voor het buitengebied dat bijdraagt aan een toekomstbestendig ondernemers- en woonklimaat. Het beleid vervang de beleidsnotitie ‘Aanpak VAB Bernheze 2017’. In de beleidsnotitie wordt het landelijk gebied van gemeente Bernheze ingedeeld in drie deelgebieden: • Het Agrarisch Hart; • Het Mixgebied; • De Groene zone. Het projectgebied is gelegen binnen het agrarisch hart, direct grenzend aan het mixgebied. Het agrarisch hart omvat de voormalige grootschalige heidevelden en broekgebieden in het hart van de gemeente. Dit gebied wordt gekenmerkt door een grote maat, openheid, lange rechte lijnen, lanen en struwelen langs de wegen. In dit gebied zijn veel grote intensieve agrarische bedrijven gevestigd. Richting de toekomst ligt de focus in dit gebied op de ontwikkeling van een duurzame, innovatieve, grootschalige voedsel- en grondstofproductie. Vrijkomende erven bieden mogelijkheden voor de inplaatsing van agrarische bedrijven uit de andere deelgebieden. Ook is er ruimte voor niet-agrarische bedrijvigheid, die aansluit op de gewenste ontwikkelingsrichting. Hierbij dient het te gaan om nieuwe economische dragers die inspelen op de landbouwsector met agrarische innovatie.
Binnen de beleidsnotitie (deel A) zijn concrete kaders opgenomen die relevant zijn voor de voorgenomen ontwikkeling. Dit gaat onder andere over: - Bij een omvang van een huidig bouwvlak van meer dan 1 ha mag de beoogde nieuwe omvang van het nieuwe bestemmingsvlak max. 5.000 m² zijn; - De nieuwe activiteit draagt bij aan de ontwikkeling van de plattelandseconomie en versterkt de kernkwaliteiten van het gebied; - Andere functies in de omgeving mogen niet worden belemmerd; - De bedrijvigheid dient kleinschalig te zijn; - Indien er sprake is van hergebruik van reeds aanwezige bedrijfsbebouwing dient gemotiveerd te worden hoeveel oppervlakte bedrijfsbebouwing maximaal noodzakelijk is; 24
-
Parkeren dient op eigen erf plaats te vinden en wordt uit het zicht gerealiseerd; Een bedrijfswoning op het terrein blijft bewoond; Buitenopslag wordt uitgesloten.
Daarnaast zijn de uitgangspunten uit het stoplichtenmodel (opgenomen in deel A) relevant. Gezien de ligging op de grens van het agrarisch hart en het mixgebied zijn beide deelgebieden meegenomen. Het mixgebied
Het agrarisch hart
Gebiedsgebonden functies nietagrarisch bedrijf
- Kleinschalig landbouwproduct verwerkende bedrijven - Statische opslag tot 1.000 m²
- Agrarisch verwant bedrijf - Agrarisch technisch hulpbedrijf - Statische opslag tot 1.000 m²
Gebiedspassende functies nietagrarisch bedrijf
- Statische opslag tot 1.500 m² - Agrarisch verwante bedrijven - Agrarisch technische hulpbedrijven
- Statische opslag tot 1.500 m²
Toetsing initiatief De voorgenomen ontwikkeling speelt in op de landbouwsector middels ondersteuning van deze sector met fouragehandel en het loonwerk (agrarisch technische en agrarisch verwante activiteiten). Daarnaast is er sprake van akkerbouwactiviteiten wat passend is op de dekzandruggen en in het agrarisch hart. Om volwaardige nieuwe verdienmodellen te creëren zal ondergeschikt statische opslag plaatsvinden, aanvullend op de veelal seizoensgebonden activiteiten. Dit is in geringe omvang passend (1.500 m²) in deze omgeving. De beoogde bouwpercelen zullen tezamen kleiner zijn dan het voorheen geldende bouwvlak. Gezien er sprake is van twee bedrijfswoningen met twee volwaardige bedrijfsactiviteiten (akkerbouw en varkenshouderij) is het afwijken van het maximum van 5.000 m² bouwperceel, in de vorm van maatwerk, passend. De beoogde bouwpercelen worden waar mogelijk verkleind waarbij rekening wordt gehouden dat de voorzieningen en functies behorende bij de bedrijfsactiviteiten binnen het bouwvlak worden gesitueerd. Dit sluit aan bij de uitgangspunten van de beleidsnotitie. Door de landschappelijke inpassing en het creëren van waterberging wordt daarnaast onder andere een bijdrage geleverd aan de biodiversiteit en een versterking van de kwaliteit van landschap. Voor een uitwerking zie paragraaf 3.2. Er is sprake van het verwijderen van circa 2.050 m² overtollige bebouwing. 25
Hierdoor neemt het aantal vierkante meters aan bedrijfsbebouwing in het landelijk gebied af, dit wordt geborgd in de planregels. De omvang, situering en vormgeving sluit aan bij datgeen wat reeds is gerealiseerd. Dit zal op termijn worden opgeknapt, passend binnen de op dat moment geldende kaders. Vanuit erfgoed gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 5.1. Het parkeren zal worden ingepast binnen de bedrijfsbestemming, uit het zicht van de doorgaande weg. Gezien er in de huidige situatie sprake is van twee bedrijfswoningen is er sprake van twee erven, waardoor de twee erfontsluitingen behouden zullen blijven. Tenslotte zal er in beperkte omvang (max. 1.000 m³) sprake zijn van buitenopslag van zand, grond en grind. Dit is passend binnen de provinciale verordening en noodzakelijk voor de bedrijfsvoering ter plaatse. Een maatwerkoplossing is in dit geval wenselijk. Concluderend ziet de voorgenomen ontwikkeling toe op het ontwikkelen van nieuwe niet-agrarische functies, waarbij aangesloten wordt bij de uitgangspunten van de ‘beleidsnotitie buitenkansen’. 4.3.3
Beleidsregel landschappelijke kwaliteitsverbetering De gemeente Bernheze is vanuit de provinciale omgevingsverordening verplicht om bij ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied regels op te stellen voor de landschappelijke inpassing. Dit biedt inzicht in de wijze waarop kwaliteitsverbetering bij ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied vorm moeten krijgen. De kwaliteitsverbetering van het landschap dient conform de ‘Beleidsregel landschappelijke kwaliteitsverbetering’ van gemeente Bernheze van 14 maart 2013 plaats te vinden. Voor het bepalen van de benodigde kwaliteitsverbetering is de categorie-indeling van de ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied van toepassing: • Categorie 1: geen ruimtelijke impact; geen tegenprestatie nodig; • Categorie 2: beperkte impact; alleen inpassing nodig; • Categorie 3: grote impact; berekende kwaliteitsverbetering van het landschap nodig. De voorgenomen ontwikkeling valt binnen categorie 3. Voor de ontwikkeling dient dan ook naast een goede landschappelijke inpassing sprake te zijn van een extra verplichting ten aanzien van de landschappelijke kwaliteit. Er dient minimaal 20% van de waardestijging van de gronden te worden geïnvesteerd in kwaliteitsverbetering. Er is een berekening gemaakt op van de huidige en toekomstige planologische situatie, zie bijlage 2.
Hieruit blijkt wat de waardestijging is van de gronden, waardoor tevens de minimale investering in kwaliteitsverbetering inzichtelijk
26
wordt. Uit deze berekening blijkt dat er voldoende kwaliteitsverbetering wordt gerealiseerd en er geen aanvullende compensatie/investering noodzakelijk is.
27
HOOFDSTUK
5 Fysieke leefomgeving
Binnen dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op omgevingsaspecten voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.1
de
relevante
Erfgoed
Vanuit hoofdstuk 13 van het Bal gelden Rijksregels met betrekking tot cultureel erfgoed. In het Bal staan regels die te maken hebben met erfgoed. Artikelen 13.7 en 13.8 geven gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels en -voorschriften te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (art. 5.130 lid 2 Bkl) over: • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; • Verplaatsing van beschermde monumenten; • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; • Aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Uitgaande van de wettelijke begripsbepaling kan cultureel erfgoed in het stelsel van de Omgevingswet worden gezien als een soort ‘schijf van vijf’ die bestaat uit de volgende elementen: • Monumenten (gebouwd en aangelegd (groen) cultureel erfgoed); • Archeologische monumenten; • Stads- en dorpsgezichten; • Cultuurlandschappen; • Roerend en immaterieel erfgoed, voor zover in het omgevingsplan aan een locatie te verbinden.
Voor de ontwikkeling dient te worden aangetoond dat er geen negatieve effecten zijn ten aanzien van cultureel erfgoed. Wanneer een van de bovenstaande elementen voorkomt in het projectgebied, dient te worden bekeken welke mogelijkheden er zijn tot bescherming van het cultureel erfgoed. Cultureel erfgoed Het is verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Conform de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant zijn er geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig 28
binnen het projectgebied. Met onderhavige ontwikkeling zijn de cultuurhistorische en landschappelijke kenmerken dan ook niet in het geding. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Archeologie Vanuit artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 van het Bkl kan een gemeente lokale regels opstellen over archeologisch onderzoek. Conform het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Bernheze heeft het projectgebied de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 2’ en ‘Waarde - Archeologie 3’ . In de planregels is opgenomen dat een onderzoeksplicht naar mogelijk aanwezige archeologische waarden verplicht is indien er sprake is van het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m² en dieper dan 40 centimeter binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Voor de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ geldt dat er een onderzoeksplicht naar mogelijk aanwezige archeologische waarde verplicht is indien er sprake is van het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 40 centimeter. Binnen de voorgenomen ontwikkeling is er geen sprake van de bouw van bouwwerken waarvoor de onderzoeksplicht geldt. Er zal enkel sprake zijn van sloop van bebouwing. Hierdoor vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.2
Beschermen van de gezondheid
Conform artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Hierbij spelen onder andere aspecten zoals geur, bodem, spuitzones, ligging ten opzichte van veehouderijen, in het bijzonder geitenhouderijen, en externe veiligheid een belangrijke rol.
Veehouderijen
Er zijn verschillende onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond intensieve veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stofemissie afkomstig van veehouderijen. Specifiek geldt dat in een straal van 2 kilometer rond geitenhouderijen er sprake is van een verhoogd risico op longklachten. Toetsing initiatief In de nabijheid van het projectgebied zijn diverse intensieve veehouderijen aanwezig. Middels het rekenmodel behorende bij het endotoxine toetsingskader is berekend welke afstanden tot omliggende intensieve veehouderijen aangehouden moet worden om aan de advieswaarde van 30 EU/m3 te voldoen. De resultaten van de berekening zijn in onderstaande tabel weergegeven. Uit de tabel blijkt dat aan alle richtafstanden kan worden 29
voldaan. Tenslotte zijn er binnen een straal van 2 km geen geitenhouderijen aanwezig. De ligging van de projectlocatie ten opzichte van veehouderijen vormt voor wat betreft het aspect gezondheid geen belemmering. Adres
Diersoort
Vosbergstraat 30 Grolderseweg 9 Grolderseweg 11 Grolderseweg 13 Grolderseweg 15
Vleeskuikens Varkens Varkens Varkens Varkens
Fijnstofemissie (kg/jaar) 1452 303 97 555 663
Richtafstand (m)
Afstand tot projectgebied (m)
233 111 43 148 158
Ca. 600 Ca. 300 Ca. 260 Ca. 300 Ca. 400
Verder blijkt uit de algehele toetsing van de fysieke leefomgevingsaspecten in het vervolg van dit hoofdstuk, dat er geen belemmeringen zijn voor het realiseren van de voorgenomen ontwikkeling en de gezondheid hiermee niet in het geding komt.
5.3
Bodem
Het onderdeel bodem dient getoetst te worden aan de volgende paragrafen uit artikel 2.34 Bkl: • §5.1.4 Beschermen van de gezondheid en van het milieu; • §5.1.4.5 Bodemkwaliteit; - §5.1.4.5.1 Toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie; - §5.1.4.5.2 Nazorg (in stand houden afdeklagen en tijdelijke beschermingsmaatregelen om blootstelling aan bodemverontreiniging te voorkomen); - §5.1.4.5.3 Aanwijzing bodembeheergebieden en indeling landbodem in bodemfunctieklassen.
Toetsing initiatief In de beoogde situatie wordt geen gevoeligere functie mogelijk gemaakt dan voorheen. De bedrijfswoningen blijven onveranderd in gebruik ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten ter plaatse. Noemenswaardig in dit kader is wel het in gebruik nemen van bedrijfsgebouw 6 als bijgebouw bij de bedrijfswoning aan Vosbergstraat 20. Dit gebouw wordt weliswaar als bijgebouw in gebruik genomen, het is echter niet aannemelijk dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn in het gebouw. Er kan zodoende worden gesteld dat er geen sprake is van een bodemgevoelig gebouw zoals bedoeld in artikel 5.89g van het Bkl. Gezien er geen sprake is van een bodemgevoelig gebouw, er geen bouwwerkzaamheden plaatsvinden en er enkel sprake is van sloop binnen reeds geroerde grond is het vanuit ruimtelijk aspect niet noodzakelijk om een bodemonderzoek uit te voeren. Met de beoogde functiewijziging worden de bestaande bedrijfsactiviteiten beëindigd. Locaties die mogelijk verdacht zijn op bodemverontreiniging dienen onderzocht te worden. In dit geval is bodemonderzoek noodzakelijk op de locatie van de luchtwasser. De volledige 30
rapportage van het bodemonderzoek is opgenomen in bijlage 3 bij deze motivering. Uit het onderzoek blijkt dat de aangetoonde gehaltes aan stikstof (nitriet, nitraat, N-Kjeldahl) in de vaste bodem en grondwater ter plaatse van de luchtwasser worden beschouwd als natuurlijke concentraties. Aanvullend onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Het aspect bodem vormt zodoende geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.4
Water(systemen)
Op grond van artikel 5.37 van het Bkl moet bij een wijziging of afwijking van het planologisch regime rekening gehouden worden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij is aangegeven dat daarbij de opvattingen van de beheerder van deze watersystemen moeten worden betrokken. Er zijn diverse beleidsdocumenten op verschillende bestuursniveaus die ten grondslag liggen aan de uitgangspunten op het gebied van duurzaam waterbeheer. De relevante beleidsdocumenten zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), het Nationaal Waterplan (NW), het Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21), het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en de Waterwet. Onder de Omgevingswet is het beleid van de waterschappen die de kwaliteit en veiligheid van watersystemen borgen opgenomen in de waterschapsverordeningen. Binnen de ruimtelijke planvorming vormt water een belangrijk aspect. De toename van verhard oppervlak zorgt voor hitte, verdroging en vergroot de kans op wateroverlast. Bij alle ruimtelijke plannen moeten de waterhuishoudkundige doelstellingen binnen het projectgebied op een evenwichtige wijze beschouwd worden. Deze zogenaamde Watertoets is verplicht. In paragraaf 5.1.3 van het Bkl zijn aanvullende eisen gesteld ten aanzien van relevante waterhuiskundige elementen.
Aangezien onderhavige ontwikkeling niet in de nabijheid ligt van een van deze waterhuishoudkundige elementen is een nadere toetsing niet aan de orde. Waterschap Het waterschap, zijnde waterschap Aa en Maas, gaat niet over ruimtelijke ordening. Uit artikel 5.37 van het Bkl volgt dat de gemeente de opvattingen van de waterbeheerder moet betrekken bij het vaststellen van het omgevingsplan. Op basis van het uitgangspunt ‘water en bodem sturend’ kan de rol van het waterschap in de ruimtelijke ordening wellicht wijzigen. Gemeente Bernheze De gemeente Bernheze stelt dat verantwoord afkoppelen op twee manieren uitgevoerd kan worden: • Vasthouden op het eigen terrein; • Aansluiten op gemeentelijke voorzieningen. In het beleid van de gemeente Bernheze zijn verder regels opgenomen om bij bouwplannen een duurzame omgang met regenwater eventueel te verpilchten. Dit geldt zowel voor nieuwbouw als voor herbouw. Met de wet is specifiek 31