Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u, Vosbergstraat 18-20 Heesch
Tekst van het document
aangegeven dat de perceelseigenaar een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de verwerking van hemelwater op zijn eigen terrein, mits doelmatig. Hiertoe heeft zij het mogelijk gemaakt, per verordening bewoners te verplichten om hemelwater af te koppelen. Bij grootschalige uitbreidingen worden duurzame stelsels aangelegd waarbij rekening gehouden dient te worden met een duurzame omgang met hemelwater. Het beleid van waterschap ‘Aa en Maas’ is hierbij ook nadrukkelijk van toepassing. 5.4.1
Kenmerken huidig en beoogd watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het projectgebied en de omgeving, kunnen beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, afvalwater en hemelwater. Grondwater In het projectgebied zal geen grondwater worden onttrokken. Daarnaast zullen er (geen) activiteiten plaats vinden die het grondwater mogelijk kunnen vervuilen. Er worden ten aanzien van grondwater dan ook geen belemmeringen verwacht. Oppervlaktewater In het projectgebied zelf is geen oppervlaktewater aanwezig. In de nieuwe situatie zal oppervlaktewater ontstaan middels de aanleg van een tweetal laagtes voor de berging van hemelwater. Het is echter niet de bedoeling dat in de laagtes jaarrond water blijft staan. Afvalwater Het huidige afvalwater wordt middels het gemeentelijke rioleringsstelsel afgevoerd. Het afvalwater zal in de voorgenomen situatie via dezelfde wijze afgevoerd worden via het gemeentelijke rioleringsstelsel. Naar verwachting zal de hoeveelheid afvalwater binnen de inrichting gelijk blijven of beperkt afnemen als gevolg van een afname van het bebouwd oppervlak. Dit zal naar verwachting geen belemmeringen opleveren ten aanzien van de capaciteit van het rioleringsstelsel.
Hemelwater Op basis van de ‘beleidsregel hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ geldt dat bij een toename van het verhard oppervlak het plan zo veel mogelijk hydrologisch neutraal uitgevoerd dient te worden. Het waterschap maakt hierbij onderscheid in projecten met een toename in verhard oppervlak tot maximaal 500 m², tussen de 500 m² en 10.000 m² en boven de 10.000 m² toename aan verhard oppervlak. Voor plannen met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m² geldt geen compensatie voor het afvoeren van hemelwater. Het gemeentelijk beleid schrijft voor dat bij alle nieuwe verharde oppervlakken er 20 mm/m2 waterberging aangelegd moet worden.
32
Binnen de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een afname aan bebouwing/verhard oppervlak. Er worden ook geen nieuwe verhardingen of nieuwe gebouwen gerealiseerd. Hierdoor geldt er geen compensatie/verplichting met betrekking tot het afvoeren/bergen van hemelwater. Desalniettemin zal er een tweetal laagtes worden gerealiseerd waardoor de mogelijkheid wordt geboden om water vast te houden en vertraagd te laten infiltreren binnen het projectgebied. Toetsing initiatief Uit het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen vormt voor de afvoer, kwaliteit of infiltratie van water.
5.5
Ecologie
5.5.1
Gebiedsbescherming Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht.
De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Het aspect ecologie kent dan ook twee subcategorieën: Natura 2000-gebieden en (beschermde) flora en fauna.
In hoofdstuk 11 van het Bal is bepaald wanneer een vergunning nodig is. Zo is het conform artikel 5.1, lid 1, en onder e Ow verboden om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten. Het verbod geldt: • Niet voor een Natura 2000-activiteit in gevallen die zijn aangewezen in een omgevingsverordening; • In gevallen aangewezen in een omgevingsverordening niet voor zover het gaat om gevolgen die samenhangen met een bij de omgevingsverordening bepaalde factor die een daarbij bepaalde drempel niet overschrijdt. Er is sprake van een algemene zorgplicht voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Toetsing initiatief Het projectgebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden betreffen ‘Vlijmens Ven, Moerputten & 33
Bossche Broek’ en ‘Rijntakken’ welke op een afstand van circa 14,6 en 14,3 kilometer van het projectgebied is gelegen. Om de effecten van onderhavige ontwikkeling op Natura 2000-gebieden inzichtelijk te maken zijn Aeriusberekeningen uitgevoerd. Onderstaand zijn de resultaten van de berekening weergegeven. Voor de onderbouwing van het stikstofonderzoek en de bijbehorende berekeningen wordt verwezen naar bijlage 3. Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator blijkt dat er geen toename (> 0,00 mol/ha/jaar) van stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden wordt berekend als gevolg van het plan. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het aspect stikstof geen belemmering vormt voor onderhavig initiatief. 5.5.2
Soortenbescherming In de Omgevingswet wordt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen geregeld. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. In dit geval is de definitie van een flora- en fauna-activiteiten een 'Activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • Er soorten aanwezig zijn; en • Welke soorten dat zijn. In artikel 11.27 van het Bal is opgenomen dat degene die een flora- en faunaactiviteit verricht en weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen (bedoeld in artikel 11.23 Bal), verplicht is: a. Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c.
Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Toetsing initiatief Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw omgevingsplan waarbij functies gewijzigd worden, dient te worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient vooraf een beoordeling plaats te vinden. In dat kader is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd, zie bijlage 5.
34
Uit deze Quickscan blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling naar verwachting geen negatief effect zal hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het projectgebied zijn geen strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Ondanks dat geen verblijfplaatsen zijn aangetroffen kan niet met volledige zekerheid worden uitgesloten dat er mogelijk verblijfplaatsen van steenmarters en/of vleermuizen aanwezig zijn binnen het projectgebied. Aangezien de aanwezigheid van verblijfplaatsen voor deze soorten niet uit te sluiten zijn, dient nader onderzoek naar deze soorten plaats te vinden. Indien daadwerkelijk verblijfplaatsen voor deze soorten worden aangetroffen dient een omgevingsvergunning voor de activiteit flora en fauna te worden aangevraagd. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfsplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de omgevingsverordening voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Wat kort gezegd inhoudt dat al het mogelijke gedaan dient te worden om het doden van dieren te voorkomen en eventueel aanwezige individuen te laten vluchten als zij verstoord worden.
Als voorwaarden wordt gesteld dat alle sloopwerkzaamheden bij voorkeur worden verricht buiten het broedseizoen (15 maar t/m 15 juli), om te voorkomen dat een nest wordt verstoord. Bij de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal hier zo veel mogelijk rekening mee worden gehouden. Hierdoor vormt het aspect soortenbescherming geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.6
Geluid
Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een of meerdere geluidgevoelige objecten of activiteiten worden toegestaan waarbij geluid vrijkomt, dient te worden getoetst aan de regels zoals die aangaande het aspect ‘geluid’ zijn opgenomen in de Omgevingswet. Deze regels in de Omgevingswet betreffen enerzijds ‘direct werkende regels’ (regels die rechtstreeks gelden voor bedrijven, burgers en initiatiefnemers bij het uitvoeren van een activiteit) en anderzijds ‘instructieregels’ (algemene regels waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe een taak of bevoegdheid op het gebied van ‘geluid’ moet worden uitgeoefend). 1. Direct werkende regels omtrent ‘geluid’ zijn/worden door de gemeente vastgelegd in het gemeentelijk Omgevingsplan; 2. Instructieregels omtrent ‘geluid’ zijn terug te vinden in het Bkl en de Provinciale omgevingsverordening. Omdat de rijksoverheid in het kader van gezondheid en milieu mensen wil beschermen tegen geluid, zijn er voor wat betreft de verschillende situaties onder 1 en 2 in het Bkl concrete standaard- en grenswaarden vastgelegd.
35
Voldoen aan de standaardwaarde is vanzelfsprekend het hoofduitgangspunt in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. Als voldaan wordt aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag echter meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Dit ‘gemeentelijk geluidsbeleid’ kan zij dan opnemen in het gemeentelijke Omgevingsplan overeenkomstig de vereisten uit de instructieregels van het Bkl. Toetsing initiatief In de voorgenomen ontwikkeling is sprake van twee reeds bestaande geluidsgevoelige objecten, zijnde de bedrijfswoningen. Ten aanzien van wegverkeerslawaai blijft de situatie ongewijzigd. Er zal echter aangetoond dienen te worden dat de akoestische gevolgen van de bedrijvigheid op de dichtstbij gelegen geluidsgevoelige objecten (incl. de reeds bestaande geluidsgevoelige objecten) aanvaardbaar zijn. In dit kader is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd waarbij onder andere is gekeken naar het aspect industrielawaai, zie bijlage 6. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat voor zowel de activiteiten aan Vosbergstraat 18 en 20 wordt voldaan aan de grenswaarden uit het activiteitenbesluit en de VNG (stap 2 en 3). Gemeente Bernheze streeft echter naar een waarde van 40 LAr,LT, indien niet aan deze waarde kan worden voldaan, kan worden afgeweken tot 45 LAr,LT.
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat aan deze waarden niet kan worden voldaan zonder maatregelen te treffen. Om aan bovenstaande waarden te kunnen voldoen dient in de (voor)tuin van Vosbergstraat 18 en/of 20 een geluidsscherm of geluidswal te worden aangelegd. De locatie en hoogte van het scherm is aangegeven in figuur 9. Indien wordt gekozen voor een wal, zal deze hoogte naar boven moeten worden bijgesteld.
Figuur 9: Geluidwerende voorzieningen.
36
In het kader van de stedenbouwkundige en landschappelijke kwaliteit en de verkeersveiligheid is het niet wenselijk om dermate hoge voorzieningen aan te leggen in de (voor)tuinen bij de bedrijfswoningen. Overwegende dat: - de overschrijding van de gewenste waarde het gevolg is van aan/afrijdend verkeer en aan-/afrijdend verkeer in de dagperiode, op basis van de bruidsschat en de VNG, mag worden uitgesloten van toetsing; - er in de huidige situatie waarbij sprake is van een varkenshouderij ook al transportbewegingen plaatsvinden met zwaar verkeer (zelfs buiten de dagperiode), waarbij sprake is van een zelfde waarde. De waarde neemt immers als gevolg van de ontwikkeling niet toe; - geluidwerende maatregelen op praktische bezwaren stuiten van onder andere stedenbouwkundige, landschappelijk en verkeerskundige aard; - ook zonder maatregelen sprake is van een aanvaardbaar geluid. Er wordt immers voldaan aan de standaardwaarde uit het Bkl (artikel 5.65), waardoor op grond van artikel 5.64 automatisch sprake is van een aanvaardbare situatie; wordt geconcludeerd dat ook zonder de aanleg van geluidwerende maatregelen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het akoestisch onderzoek wordt dan ook geconcludeerd: - dat bij beide binnen het plangebied gelegen bedrijfswoningen sprake blijft van een aanvaardbaar woon-/leefklimaat.
Omdat het reeds wettelijk toegestane woonfuncties betreft, hoeft het optredende geluid vanwege bronnen met een geluidaandachtsgebied niet getoetst te worden aan de waarden uit het Bkl; - dat de beoogde ontwikkeling geen inbreuk doet op de geluidruimte van omliggende bedrijven/inrichtingen; - dat het geluid bij omliggende woningen als gevolg van de nieuw beoogde activiteiten voldoet aan de eisen uit het Omgevingsplan, en dat bij omliggende woningen sprake blijft van een aanvaardbare situatie; - dat eventuele maatregelen om de geluidbelasting terug te dringen stuiten op bezwaren vanuit stedenbouwkundige, landschappelijke en verkeerskundige aard; - dat sprake blijft van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Gezien de onderzoeksresultaten vormt het aspect geluid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.7
Kwaliteit van de buitenlucht
Om de risico's van luchtverontreiniging voor mens en natuur te beperken, zijn op Europees niveau normen vastgelegd. De Europese richtlijnen Luchtkwaliteit en Gevaarlijke stoffen in de lucht stellen grenswaarden en streefwaarden voor stoffen die de kwaliteit van de buitenlucht beïnvloeden. Deze zijn als Rijksomgevingswaarden vastgelegd in paragraaf 2.2.1 van het Bkl. In Artikel 5.50 t/m 5.54 Bkl worden vervolgens de kaders gesteld waarbinnen al dan niet getoetst moet worden aan de luchtkwaliteitseisen. 37
In het kader van een ruimtelijk plan dient het bevoegd gezag te toetsen of aan de (Rijks-)omgevingswaarden wordt voldaan. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling: 1. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; 2. Een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 3. Een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging (een plan is ‘NIBM’ als dat blijkt uit de NIBM-Tool, of als deze valt onder de ‘standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit’ (artikel 5.54 Bkl). 4. Een plan betreft een locatie waarvoor in artikel 5.52 Bkl een uitzondering is opgenomen. Ter plaatse van de te realiseren ontwikkeling dient sprake te zijn van een aanvaardbare luchtkwaliteit. Gemeenten kunnen zelf bepalen welke luchtkwaliteit zij aanvaardbaar vinden bij woningen. Dit kunnen de Rijksomgevingswaarden zijn (40 μg/m3 (PM10) en 40 μg/m3 (NO²)), maar gemeenten kunnen ook strengere waarden hanteren.
Hiervan zijn drie varianten: • een scherpere norm, bijvoorbeeld voor fijnstof; • Een resultaatsverplichting voor een Rijksomgevingswaarde waar in het Bkl een inspanningsplicht voor geldt; • Voor de lokale omgevingswaarde geldt dezelfde getalswaarde op locaties waar de Rijksomgevingswaarde niet geldt. Toetsing initiatief De gemeente Bernheze hanteert de Rijksomgevingswaarden met een maximum voor een jaargemiddelde concentratie van 40 μg/m3 (PM10) en 40 μg/m3 (NO²) als grenswaarden. Het projectgebied is, op basis van de concentratiekaarten van het RIVM, getoetst aan de gestelde omgevingswaarden voor fijnstof en stikstof.
Fijnstof
Binnen het projectgebied is de achtergrondconcentratie voor fijnstof circa 16 μg/m3 (PM10) bedraagt. Er wordt dus voldaan aan de gestelde grenswaarde.
Stikstofdioxide
De waarde voor stikstofdioxide ter plaatse van het projectgebied bedraagt circa 11 μg/m3 (NO2). Er wordt dus voldaan aan de gestelde grenswaarde. Geconcludeerd wordt dat de hoeveelheid fijnstof en stikstofdioxide ter plaatse van het projectgebied beneden de gestelde grenswaarden ligt waardoor er ter plaatse van het projectgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
38
NIBM
Middels de rekentool NIBM is berekend of de beoogde ontwikkeling in betekenende mate bijdraagt aan eventuele luchtverontreiniging. Uit de rekentool (figuur 10) blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt.
Figuur 10: NIBM-tool.
Hierdoor levert de luchtkwaliteit geen belemmeringen op voor de voorgestane ontwikkeling.
5.8
Geur
De Omgevingswet heeft onder andere tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting vanwege dierenverblijven en veehouderijen. Door het opnemen van geurnormen en/of vaste afstanden in het Bkl, wordt er op dit punt gestreefd naar een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. Anderzijds dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde ontwikkeling. In het Bkl zijn in artikel 5.109 standaardwaarden opgenomen die gelden voor landbouwhuisdieren waarvoor (bij ministeriële regeling) geuremissiefactoren zijn opgenomen. Voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactoren gelden de vaste afstanden zoals opgenomen in artikel 5.112 van het Bkl. Gemeenten hebben de bevoegdheid om in hun omgevingsplan afwijkende geurnormen en afstanden op te nemen. Tot het moment dat een gemeente een omgevingsplan heeft vastgesteld, blijven (indien een geurverordening van kracht was onder de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv)), de geurnormen en afstanden uit de geurverordening van kracht. Indien een gemeente geen geurverordening onder de Wgv heeft vastgesteld, gelden de regels zoals opgenomen in artikel 5.109 en 5.112 van het Bkl.
39
De geurhinder dient te worden berekend op geurgevoelige gebouwen. In artikel 5.91 van het Bkl is opgenomen welke gebouwen gedefinieerd zijn als geurgevoelig gebouw. Gemeenten mogen in hun omgevingsplan meerdere gebouwen definiëren als geurgevoelig. Toetsing initiatief Door het beëindigen van de intensieve veehouderijactiviteiten ter plaatse kunnen de bedrijfswoningen aan Vosbergstraat 18 en 20 niet meer worden gezien als bedrijfswoningen bij een veehouderij. Voor deze bedrijfswoningen geldt na de functiewijziging derhalve een ander toetsingskader voor het aspect geur. In afwijking van artikel 5.109 van het Bkl gelden voor bedrijfswoningen die voorheen bij een veehouderij hoorden de vaste afstanden zoals vastgelegd in artikel 5.110 Bkl. Dit houdt in dat er een vaste afstand geldt tussen de bedrijfswoningen en omliggende veehouderijen. Aangezien het projectgebied is gelegen buiten de bebouwingscontour geur, geldt een afstand van 50 meter. Aangezien binnen 50 meter van de bedrijfswoningen geen veehouderijen aanwezig zijn wordt voldaan aan de eisen conform het Bkl. In combinatie met het feit dat de afstand tot omliggende veehouderijen niet wordt verkleind kan worden gesteld dat omliggende veehouderijen niet in hun belangen beperkt worden. Ten aanzien van het borgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is tevens gekeken naar de achtergrondbelasting voor het aspect geur.
Hiervoor is gebruik gemaakt van de achtergrondbelasting kaart van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant (ODZOB) (zie figuur 11). Uit de kaart valt op te maken dat in de beoogde situatie, met het wegvallen van de eigen geuruitstoot, naar verwachting sprake zal zijn van een matig leefklimaat. De achtergrondgeurbelasting zal ten hoogste 20 ouE/m3 bedragen. De beleidsregel ‘ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Bernheze 2013’ stelt dat in het buitengebied een achtergrondgeurbelasting van ten hoogste 20 ouE/m3 aanvaardbaar is. Zodoende wordt voldaan aan deze beleidsregel.
Figuur 11 Achtergrondbelastingkaart geur ODZOB, projectgebied met pin aangegeven
40
Samenvattend wordt geconcludeerd dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.9
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in een wettelijk kader. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden.
Plaatsgebonden risico (PR)
Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 106 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.
Aandachtsgebieden
Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten.
41
Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarbij zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: • Brandaandachtsgebied; • Explosieaandachtsgebied’ • Gifwolkaandachtsgebied. Toetsing initiatief Met behulp van de Pav-kaarten van het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV) is gekeken welke risicobronnen in de nabijheid van het projectgebied zijn gelegen, zie figuur 12.
Figuur 12 Uitsnede Pav-kaart Register EV met projectgebied bij blauwe marker
•
Transport van gevaarlijke stoffen De A59 is op een afstand van circa 2,7 kilometer gesitueerd en de A50 op een afstand van circa 3,6 kilometer. Daarnaast zijn er geen spoor- en waterwegen op korte afstand van het projectgebied gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het projectgebied ligt op voldoende afstand van deze spoor-, auto-, en waterwegen waardoor er geen negatieve gevolgen zijn in relatie tot het aspect externe veiligheid. Zo zijn er geen risico-/ veiligheidscontouren vanuit deze wegen over het projectgebied gesitueerd.
•
Buisleidingen
Op een afstand van circa 370 meter ten noorden van het projectgebied ligt een aardgasleiding . Daarnaast ligt op een afstand van circa 675 meter ten
42
zuidoosten van het projectgebied een aardgasleiding. Het projectgebied is niet gelegen binnen de risicocontour van deze leidingen. Wel is het projectgebied gelegen binnen een brandaandachtsgebied. Wanneer er zich een ramp voor doet, kan worden uitgegaan dat ramen en deuren goed gesloten kunnen worden en dat zowel de bebouwing als de locatie in verschillende richtingen te ontvluchten is. Hierdoor kan men zich van de ramp af bewegen. Het aspect externe planvoornemen.
5.10
veiligheid
vormt
geen
belemmering
voor
het
Milieubelastende activiteiten
Onder een milieubelastende activiteit wordt verstaan: een activiteit die
nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit. In het Bal worden in
hoofdstuk 3 de hoofdcategorieën van milieubelastende activiteiten benoemd en worden de procedureregels vastgesteld. In hoofdstuk 4 worden voor deze hoofdcategorieën en daarbij behorende nevengeschikte milieubelastende activiteiten de gedragsregels vastgesteld. Daarnaast zijn in het Bal regels opgenomen over thematische onderwerpen, zoals bodem, luchtkwaliteit en industrielawaai, activiteiten bij rijkswaterstaatswerken en -infrastructuur, activiteiten die de natuur beïnvloeden en overige activiteiten van nationaal belang. De voorgenomen ontwikkeling ziet binnen het projectgebied niet toe op milieubelastende activiteiten zoals genoemd in hoofdstuk 3 van het Bal. Derhalve is toetsing aan de (gedrags-)regels niet aan de orde. Daarnaast is er bepaald of er voldoende ruimtelijke scheiding aanwezig is tussen de voorgenomen bedrijfsactiviteiten enerzijds en omliggende gevoelige functies anderzijds. Om e.e.a. hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot een gevoelige functie dient te zijn (zogenaamde richtafstanden). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur.
Het ruimtelijk scheiden van bedrijven en gevoelige functies bij nieuwe ontwikkelingen heeft als doel om: • Het al in het ruimtelijk spoor voorkomen, danwel het zoveel mogelijk beperken, van hinder en gevaar voor omliggende gevoelige objecten zoals woningen; • Het voldoende zekerheid bieden aan bedrijven om de voorgenomen milieubelastende activiteit uit te voeren. De afstanden uit de VNG-publicatie zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustig buitengebied/woonwijk’. Indien er sprake is van een ‘gemengd gebied’ mogen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. De omgevingstypen zijn te definiëren als: 43
•
•
Rustig buitengebied/woonwijk: Een omgevingstype dat gericht is op het principe van functiescheiding. Er komen enkel gebiedsgerichte activiteiten voor waarbij geen tot kleinschalige functiemenging plaatsvindt. Tevens is er weinig verstoring door verkeer. Gemengd gebied: Een omgevingstype dat gekenmerkt wordt door een matige tot sterke functiemenging. In de directe nabijheid van woningen vinden meerdere verschillende functies plaats in de vorm van winkels, horeca en kleine bedrijven. Met betrekking tot het buitengebied geldt dat sprake is van lintbebouwing met overwegend agrarische en nietagrarische bedrijvigheid.
Toetsing initiatief In het gebied zijn diverse functies aanwezig. Gezien de relatief grote afstand tussen deze functies is er sprake van een rustig buitengebied. De aan te houden afstanden conform de VNG-publicatie mogen daarom niet met één stap worden verkleind. Met onderhavige ontwikkeling wordt een agrarisch verwant bedrijf (Vosbergstraat 20) en een agrarisch technisch hulpbedrijf (Vosbergstraat 18) mogelijk gemaakt. Het agrarisch technisch hulpbedrijf is wat betreft bedrijfsactiviteiten gelijk te stellen aan een dienstverlenend bedrijf ten behoeve van de landbouw (loonbedrijven) zoals opgenomen in de VNG Handleiding. Het agrarisch verwante bedrijf is gezien de bedrijfsactiviteiten gelijk te stellen aan een bedrijf dat actief is in de plantsoenendienst/hovenier of als bouw/aannemersbedrijf. Gezien de oppervlakte van de bebouwing resulteert dit in beide gevallen in een bedrijf in categorie 3.1. Voor beide bedrijven geldt zodoende een richtafstand van 50 meter. In beide gevallen is de grootste richtafstand van 50 meter van toepassing vanwege het aspect geluid. Voor de aspecten geur, stof en gevaar gelden kleinere richtafstanden. De dichtstbij gelegen gevoelige objecten voor de bedrijfsactiviteiten aan Vosbergstraat 18 betreffen de (bedrijfs)woningen aan Vosbergstraat 20 en 21.
Deze woningen zijn gelegen op een afstand van respectievelijk circa 40 en 30 meter van het beoogde bouwvlak. Hierbij moet worden opgemerkt dat het noordelijke deel van het bouwvlak, dat het dichtst bij de woningen op nummer 20 en 21 is gelegen, in gebruik is ten behoeve van de bedrijfswoning en bijgebouw. Op deze locatie vinden zodoende geen bedrijfsactiviteiten plaats. De afstand tussen de (bedrijfs)woning op nummer 21 en de bedrijfsactiviteiten en bebouwing ten dienste van het bedrijf aan Vosbergstraat 18 bedraagt in reële zin circa 60 meter. Deze afstand is gemeten vanaf de voorgevel van huisnummer 21 tot de achterzijde van het bijgebouw van huisnummer 18. De dichtstbij gelegen gevoelige objecten ten aanzien van de bedrijfsactiviteiten aan Vosbergstraat 20 betreffen de (bedrijfs)woningen aan Vosbergstraat 18 en 21. Beide woningen zijn gelegen op minimaal 50 meter afstand vanaf het beoogde bouwvlak, waardoor wordt voldaan aan de richtafstanden. Desalniettemin kan voor beide bedrijven gesteld worden dat de bedrijfsactiviteiten overwegend meer naar het zuiden zullen plaatsvinden waardoor de afstand tot omliggende gevoelige objecten wordt vergroot.
44
Tenslotte zal het aspect geluid de grootste richtafstand geven. Uit het uitgevoerde geluidsonderzoek, zie paragraaf 5.6, blijkt dat dit geen belemmering geeft. Gezien er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gesteld dat het aspect milieubelastende activiteiten geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.11
Niet-gesprongen explosieven
Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen, blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Voor ontplofbare oorlogsresten zijn geen rijksregels opgenomen in de Omgevingswet. De Omgevingswet biedt decentrale overheden wel de mogelijkheid om zelf decentrale regels op te stellen voor de fysieke leefomgeving. Gemeente Bernheze heeft geen regels opgesteld met betrekking tot niet-gesprongen explosieven. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vindt desondanks toetsing plaats van dit aspect.
Toetsing initiatief Conform de BeoBOM ruimingskaart heeft binnen het projectgebied geen ruiming plaatsgevonden van niet-gesprongen explosieven. Het projectgebied is ook niet aangeduid als verdachte locatie met betrekking tot niet-gesprongen explosieven. Het aspect niet-gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.12
Kabels, leidingen en hoogspanningsverbindingen
Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of er door of nabij het projectgebied kabels, leidingen en/of hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden dient te worden. Kabels en leidingen Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse leidingen kunnen een risico zijn voor de omgeving. In het gemeentelijk omgevingsplan zijn normaliter geen of zeer beperkte gebruiksregels voor ondergrondse kabels en leidingen opgenomen aangaande ligging, type leiding en gebruikskenmerken. In het kader van een voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is het echter wel belangrijk om te bezien of er in de omgeving kabels en/of leidingen (al dan niet met veiligheidszone) aanwezig zijn. Hoogspanningsverbindingen Hoogspanningsverbindingen zijn essentieel voor het energienetwerk, maar hebben ook effect op (ontwikkelingen in) de omgeving. Zo is vanwege de magneetvelden rondom een hoogspanningsverbinding afstand nodig tot gevoelige functies zoals woningen.
Toetsing initiatief 45
Binnen het projectgebied, dan wel in de directe omgeving van het projectgebied, zijn geen kabels en leidingen aanwezig welke een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast is de dichtstbij zijnde hoogspanningsverbinding gelegen op een afstand van 3,6 kilometer ten oosten van het projectgebied, nabij de A50. Hierdoor zijn geen belemmeringen te verwachten ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Kabels, leidingen en hoogspanningsverbindingen vormen dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.13
Mobiliteit
Het Bkl bevat verschillende rijkinstructieregels voor de instandhouding van de Rijksinfrastructuur. Mobiliteit is daarnaast ook een belangrijk aspect dat meeweegt in het kader van de afweging of er sprake is van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Bij nieuwe ontwikkelingen moet in acht genomen worden dat er geen belemmeringen zullen ontstaan voor de omliggende wegen. Daarnaast moeten er ook voldoende parkeerplaatsen voor (deel)auto’s en voor fietsen gerealiseerd worden. Wat voldoende is, is afhankelijk van de locatie en gemeentelijk beleid. Vanuit de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zijn er twee nationale belangen gericht op mobiliteit: • Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; • In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren. Verkeersgeneratie Op basis van gemeentelijk beleid of de kencijfers van kennisplatform CROW kan berekend worden of er sprake is van een wijziging van het aantal verkeersbewegingen afkomstig van de locatie en kan worden bepaald of dit gevolgen heeft met betrekking tot de infrastructuur.
Voor het aantal verkeersbewegingen wordt aansluiting gezocht bij de CROW publicatie 381. Toetsing initiatief Om te bepalen wat effect is met betrekking tot verkeersgeneratie dient inzichtelijk te worden gemaakt met de huidige verkeersgeneratie is en wat de voorgenomen verkeersgeneratie wordt. In de huidige situatie is sprake van een varkensbedrijf en akkerbouwbedrijf. Hieronder is de verkeersgeneratie opgenomen voor deze situatie conform de CROW publicatie 381. Hierbij is het agrarisch bedrijf vergeleken met een 46
arbeids- en bezoekersextensief bedrijf en is uitgegaan van een worst-case norm. In praktijk ligt deze verkeersgeneratie vele malen lager. Verkeersgeneratie huidige situatie Functie Norm (per etmaal) Agrarisch bedrijf 5,7 / 100 m² bvo Bedrijfswoning 8,6/woning Totaal
Aantal 6.105 m2 2
Totaal (per etmaal) 348 17,2 366 (per etmaal)
De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op de ontwikkeling van een agrarisch technisch hulpbedrijf en een agrarisch verwant bedrijf. De verkeersgeneratie behorende bij deze activiteiten zijn weergegeven in onderstaande tabel. Hierbij wordt onveranderd uitgegaan van een arbeids- en bezoekersextensief bedrijf en is wederom uitgegaan van een worst-case norm. In praktijk ligt deze verkeersgeneratie naar verwachting vele malen lager. Verkeersgeneratie huidige situatie Functie Norm (per etmaal) Agrarisch 5,7 / 100 m² bvo technische en verwante activiteiten Bedrijfswoning 8,6/woning Totaal
Aantal 4.050 m2
Totaal (per etmaal) 231
2
17,2 249 (per etmaal)
Zoals blijkt uit bovenstaande tabellen is er theoretisch gezien een afname van het aantal verkeersbewegingen. In praktijk zal de verkeersgeneratie naar verwachting lager liggen. Zo worden de activiteiten met name uitgevoerd door de bewoners van de bedrijfswoningen en vinden veel bedrijfsactiviteiten elders plaats waardoor de verkeersgeneratie in de omgeving van het projectgebied beperkt zal zijn. Het huidige wegennet kan de te verwachte verkeersgeneratie dragen. Hierdoor zal de verkeersgeneratie geen belemmering zijn voor de voorgenomen ontwikkeling. Parkeren Op basis van gemeentelijk parkeerbeleid of de kencijfers van kennisplatform CROW kan berekend worden hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn voor de beoogde ontwikkeling. Voor parkeren wordt aansluiting gezocht bij de ‘Nota parkeerbeleid gemeente Bernheze’, wat op 9 september 2024 in werking is getreden. Toetsing initiatief De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op het opvangen van de parkeervraag op eigen terrein. Dit sluit aan bij de gemeentelijke nota. Voor de parkeerkencijfers wordt aangesloten bij de CROW publicatie 381. Hierbij wordt in het buitengebied uitgegaan van de minimale CROW parkeerkencijfers.
Voor een arbeids- en bezoekersextensief bedrijf met een oppervlakte van 4.055 m² bvo (33 parkeerplaatsen) inclusief twee bedrijfswoningen met oprit (4 parkeerplaatsen) is er een parkeerbehoefte van afgerond 37 parkeerplaatsen. 47
Gezien dit een abnormaal grote parkeerbehoefte is voor de voorgenomen ontwikkeling wordt hiervan gemotiveerd afgeweken. Hierbij wordt de volgende uitgangspunten aangehouden: - De parkeerbehoefte van de bedrijfswoningen is conform het gemeentelijk beleid twee parkeerplaatsen per vrijstaande woning; - Per personeelslid wordt één parkeerplaats noodzakelijk geacht. In de praktijk zullen de personeelsleden ook vaak direct naar een project rijden en niet naar het bedrijf binnen het projectgebied; - Voor de parkeerbehoefte van de bedrijvigheid wordt enkel het bezoekerspercentage (5% aandeel bezoekers bij arbeidsextensief en bezoekersextensief bedrijf, conform CROW publicatie 381) als noodzakelijk geacht gezien de activiteiten veelal buiten het projectgebied plaatsvinden. Daarnaast worden de activiteiten ter plaatse uitgevoerd door de toekomstige bewoners van de woningen en een tweetal personeelsleden, waar reeds parkeerplaatsen voor worden voorzien. Hierdoor wordt een meer realistisch beeld geschetst van de toekomstige parkeerbehoefte.
Parkeerbehoefte voorgenomen ontwikkeling Functie Norm (per etmaal) Aantal Vosbergstraat 18 2/woning 1 – woning Vosbergstraat 18 (0,8/100m²)*5% 3.210 m² – bedrijfsactiviteiten Totaal Vosbergstraat 18 Vosbergstraat 20 2/woning 1 – woning Vosbergstraat 20 1/personeelslid 2 – personeel Vosbergstraat 20 (0,8/100m²)*5% 845 m² – bedrijfsactiviteiten Totaal Vosbergstraat 20
Parkeerplaatsen 2 1,3
4 2 2 1
5
Op basis van de gemotiveerde afwijking vormt het aspect parkeren geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.14
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) is in 2016 opgesteld. In 2022 is de NAS in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat geëvalueerd. Om de NAS te versnellen is in 2023 het Nationaal Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie (NUPKA) verschenen. Het NUPKA laat zien welke aanpak al in gang is gezet voor de komende jaren én welke extra maatregelen er nodig zijn. Zo is het uitgangspunt dat vanaf nu bij elke ontwikkeling in Nederland standaard rekening moeten worden gehouden met zeespiegelstijging, toenemende hitte, langere periodes van droogte en meer 48
extreme neerslag. Verder moet het beleid om Nederland op tijd klimaatbestendig te maken slimmer, intensiever en inclusiever worden. Toetsing initiatief De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op het landschappelijk inpassen van de beoogde bedrijvigheid waarbij rekening wordt gehouden met water vasthouden en het verbeteren van biodiversiteit. Dit draagt bij in het kader van duurzaamheid en klimaatadaptatie. Hierdoor vormt het aspect duurzaamheid en klimaatadaptatie geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.15
Trillingen
Ten behoeve van de bescherming van de fysieke leefomgeving, kunnen gemeenten regels opnemen ten aanzien van trillingen. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen door activiteiten. Deze instructieregels zijn gericht op de bescherming van trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen. Deze instructieregels gelden voor het op een locatie toelaten van een activiteit en/of een trillinggevoelig gebouw en/of het aanpassen daarvan.
De centrale beoordelingsregel voor trillingen door activiteiten is geformuleerd in artikel 5.83 van het Bkl: • In een omgevingsplan (of in het kader van een wijziging of afwijking daarvan) wordt rekening gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen; • Een omgevingsplan (of in het kader van een wijziging of afwijking daarvan) voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. In artikel 5.87 en 5.87a van het Bkl staan de standaardwaarden voor continue en herhaald voorkomende trillingen. De gemeente hanteert deze standaardwaarden bij het opnemen van waarden voor trillingen door activiteiten voor een bepaald gebied in haar omgevingsplan. Niet op alle locaties leiden de voornoemde standaardwaarden voor een activiteit die trillingen genereert tot het gewenste evenwicht tussen ‘beschermen’ en ‘benutten’. Een gemeente kan dan ook gemotiveerd kiezen voor andere waarden voor specifieke locaties. Zo kan een gemeente, uit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, bijvoorbeeld een lagere waarde vaststellen voor een activiteit op een bedrijventerrein om hiermee een woonwijk te beschermen. Toetsing initiatief Met onderhavige ontwikkeling worden trilgevoelige ruimten toegevoegd.
Er zullen daarnaast ook trilgevoelige activiteiten uitgevoerd worden (wonen). In de nabijheid van het projectgebied zijn geen functies aanwezig die bovenmatig veel trillingen veroorzaken. Er is derhalve geen aanleiding voor het uitvoeren van een specifiek onderzoek. Het aspect trillingen zal voor het realiseren van de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen vormen.
49
5.16
Energietransitie
In navolging van de hogere overheden, werkt ook de gemeente in haar omgevingsplan haar visie op het gebied van energietransitie uit in regels voor haar grondgebied. Bijvoorbeeld door (al dan niet in navolging van het Rijksen/of provinciaal beleid) regels te stellen over de aanwijzing van functies of locaties die windparken mogelijk maken of een verbod op houtstook. De ruimte in de fysieke leefomgeving die de energietransitie vraagt, maakt dit een belangrijk onderwerp voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het gaat daarbij deels over fysieke ingrepen bovengronds, zoals de aanleg van windmolens, zonneparken of schakelstations. Maar de energietransitie heeft ook gevolgen voor de ondergrond. Denk bijvoorbeeld aan de aanleg van warmtenetten, geothermie of de ondergrondse opslag van warmte voor verwarming van gebouwen. Gemeenten dienen conform de artikelen in paragraaf 5.1.7.3 Bkl rekening te houden met de elektriciteitsvoorziening. In Bijlage XV bij het Bkl staan de van rijkswege gemarkeerde locaties voor ontwikkelingen binnen de energietransitie, maar daarnaast kunnen gemeenten zelf ook locaties reserveren voor deze doeleinden.
Toetsing initiatief Het projectgebied ligt niet binnen een aangewezen gebied voor ontwikkelingen binnen de energietransitie. Hierdoor vormt dit aspect geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.17
Lichthinder
Er zijn veel locaties met kunstmatige verlichting. Afhankelijk van de positionering van deze verlichting en de functies in de omgeving kan er sprake zijn van lichthinder. Dit kan verschillende soorten negatieve effecten veroorzaken: • hinder voor de mens; • hinder langs wegen; • verstoring van de natuur; • horizonvervuiling. Voorbeelden hiervan zijn verstoring voor verkeer door het optreden van reclameverlichting, of natuurimpact als gevolg van onvoldoende duisternis. Lichthinder is dan ook een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Rijksregels zijn er alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen. In het gemeentelijke omgevingsplan kan het aspect lichthinder meewegen in het kader van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit.
Toetsing initiatief In de huidige situatie is reeds sprake van beperkte verlichting van de buitenruimte. Met de voorgenomen ontwikkeling zal in beperkte mate verlichting aanwezig zijn. Naar verwachting leidt dit niet tot negatieve effecten 50
van de in de omgeving aanwezige natuur. Het aspect lichthinder vormt derhalve geen belemmering.
5.18
Bezonning
Voor gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken is het belangrijk dat er voldoende zonlicht of juist voldoende schaduw aanwezig is. Een toename van schaduw – door beplanting, nieuwbouw of andere ruimtelijke ontwikkelingen – kan ongewenst zijn. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat er voldoende bezonning en schaduw is en blijft. De Rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving echter geen instructieregels opgesteld, waardoor de gemeente deze regels zelf in kan vullen. Het onafhankelijke onderzoeksinstituut TNO (Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek) heeft een norm voor bezonning bepaald: De bezonningsliniaal – een eenvoudig hulpmiddel voor de beoordeling van de bezonning en de dagverlichting. Veel gemeenten hanteren deze TNOnorm, maar dit is niet verplicht. Een aantal gemeenten heeft haar beleid op het gebied van bezonning gebaseerd op deze norm. Zo kan een gemeente er eventueel voor kiezen om een verplichting voor een onderzoek volgens deze TNO-norm in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan) op te nemen.
TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm: • De 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam; • De 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. Om voldoende zonlicht en schaduw te borgen kunnen gemeenten bouwregels opnemen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan). Ook behoren een omgevingsvergunningplicht en/of een meldingsplicht voor het bouwen van hoge gebouwen tot de mogelijkheden.
Toetsing initiatief Binnen het projectgebied is enkel sprake van sloop van bebouwing. Hierdoor zal er juist minder sprake zijn van mogelijke schaduwwerking en meer kans op zonlicht. Gezien de afstand tot gevoelige objecten in de omgeving, zal het woongenot van omwonenden niet worden beïnvloedt. Dit aspect zorgt derhalve niet voor belemmeringen.
5.19
Slagschaduw
De passerende schaduw van draaiende wieken van een windturbine kan bij zonnig weer een hinderlijk schaduweffect veroorzaken. Wanneer een windturbine met een rotordiameter van 2 meter of meer op een locatie wordt toegelaten, gelden er voor het aspect slagschaduw instructieregels (paragraaf 5.1.4.4a Bkl). Deze regels gelden alleen ter bescherming tegen slagschaduw op gevoelige gebouwen, zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven. Gemeenten kunnen de regels voor slagschaduw van de 51
windturbines en windparken op hun grondgebied aanpassen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan). Toetsing initiatief In de omgeving van het projectgebied zijn geen windmolens gelegen die slagschaduw kunnen veroorzaken. Het aspect slagschaduw vormt geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.20
Windhinder
Windhinder treedt vooral op rond hoge gebouwen zoals kantoren, woontorens of hotels. Wanneer het gemiddelde windklimaat te wensen overlaat (het waait te hard en te vaak) zullen mensen (recreatieve) plekken eerder mijden. Dit betekent dat de aantrekkingskracht van bijvoorbeeld winkelgebieden, pleinen en terrassen afhankelijk is van het gemiddelde windklimaat. Gemeenten kunnen de gevolgen van windhinder beperken door regels aan bouwwerken te stellen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan). Deze (stedenbouwkundige) oplossingen kunnen zijn: • Voldoende afstanden tussen (hoge) bebouwing; • Per locatie bekijken welke bouwhoogte toegestaan kan worden; • Rekening houden met de fysieke vorm van de gebouwen. Voor het beoordelen van het windklimaat is een norm opgesteld, namelijk NEN 8100. Deze norm werkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans (in percentage van het aantal uren per jaar). In de NEN-norm wordt aangegeven wanneer een windonderzoek nodig is: • Ingeval van gebouwen hoger dan 30 meter: windonderzoek is nodig; • Bij beschut gelegen gebouwen met een hoogte van 15 tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is; • Bij onbeschut gelegen gebouwen met een hoogte tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is.
Deze normering is echter niet wettelijk verplicht, maar een gemeente kan er wel voor kiezen om hiertoe regels op te nemen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan). Toetsing initiatief In de nabijheid van het projectgebied is geen hoge bebouwing gelegen tevens zal geen nieuwbouw van hoge gebouwen plaatsvinden. Derhalve is het niet aannemelijk dat er windhinder zal plaatsvinden. Het aspect windhinder vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.21
Project-mer-beoordeling
Een milieueffectrapportage (mer) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. In het milieueffectrapport worden de effecten van een plan of project, en de effecten van alternatieven, op het milieu beschreven. Het doel van een mer is het milieubelang een volwaardige plaats geven in de besluitvorming. Het gaat dan om besluitvorming over plannen en programma’s en projecten die duidelijke milieueffecten kunnen hebben. Milieu is een breed 52
begrip. Het gaat onder andere om water, bodem, lucht, afval, natuur, gezondheid en archeologisch erfgoed. Een project kan op twee manieren leiden tot een project-mer-plicht: 1. de generieke aanwijzing geldt voor plannen waarvoor direct een projectmer-plicht geldt 2. de project-mer-beoordeling geldt voor een project dat kaderstellend is Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die al dan niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn opgenomen. Staat het project niet in bijlage V dan geldt geen project-mer-(beoordelings-)plicht. Staat het project wel in kolom 1, dan dient te worden gekeken of de ondergrenzen voor een (beoordelings-)plicht al dan niet worden overschreden. Toetsing initiatief De voorgenomen ontwikkeling is niet opgenomen in kolom I van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Hierdoor is er geen project-mer-(beoordelings-)plicht.
53
HOOFDSTUK
6 Uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid
6.1.1
Financieel economische haalbaarheid Uitgangspunt is dat de kosten die gemaakt worden voor het opstellen van een wijziging van het omgevingsplan voor rekening komen van de initiatiefnemer.
6.1.2
Kostenverhaal Daar waar nodig zal op basis van artikel 13.18 het publiekrechtelijke kostenverhaal worden verrekend door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow).
In deze paragraaf wordt de wijze van bekostiging van het initiatief beschreven.
In dit geval is een anterieure overeenkomst, zoals bedoeld in artikel 13.13 Ow) gesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer. In deze overeenkomst is de vergoeding opgenomen die de initiatiefnemer aan de gemeente Bernheze verschuldigd is voor het in behandeling nemen van deze wijziging van het omgevingsplan. Het kostenverhaal is hiermee voldoende geregeld. 6.1.3
Nadeelcompensatie Onderhavige ontwikkeling wordt gerealiseerd door de initiatiefnemer en derhalve is een overeenkomst nadeelcompensatie van toepassing. Kosten als gevolg van nadeelcompensatie zullen aan de initiatiefnemer worden doorbelast. Dit is geregeld middels een anterieure overeenkomst. Zodoende is voor wat betreft nadeelcompensatie de uitvoerbaarheid van het initiatief geborgd (zoals bedoeld in artikel 13.3C Ow).
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Participatie Voorafgaand aan de formele procedure heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden. Omwonenden zijn middels een gesprek door de initiatiefnemer geïnformeerd over de beoogde ontwikkeling. Tijdens het gesprek zijn enkele vragen gesteld over de beoogde situatie en de beoogde bedrijfsactiviteiten. Initiatiefnemer heeft deze vragen kunnen beantwoorden. Een verslag van de omgevingsdialoog is bijgevoegd als bijlage 7 bij deze onderbouwing.
6.2.2
Ontwerp Conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geldt voor de wijziging van het omgevingsplan de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Als gevolg hiervan is de ontwerp wijziging van het omgevingsplan voor 6 weken ter inzage gelegd. Eenieder heeft hierbij de
In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze de belangen van belanghebbenden zijn meegenomen in onderhavige ontwikkeling.
54
mogelijkheid gehad een zienswijze in te dienen. Tijdens de inzageperiode is één reactie met zienswijzen ontvangen. Voor de inhoud van de zienswijze en de beantwoording wordt verwezen naar de nota van zienswijzen die is opgenomen in bijlage 8. 6.2.3
Vaststellen Na het vaststellen van de wijziging van het omgevingsplan kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien sprake is van spoedeisend belang kan een voorlopige voorziening worden aangevraagd.
55
HOOFDSTUK 7.1
7 Juridische planopzet
Wijzigingsbesluit
Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan. De beoogde activiteiten op deze locatie zijn in strijd met in het tijdelijke deel onderdeel uitmakende bestemmingsplan Buitengebied Bernheze en bijbehorende herzieningen, waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden. Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22j van het omgevingsplan.
Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen
Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling aan Vosbergstraat 18-20 (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling van Vosbergstraat 18-20 . Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over de het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen.
Hoofdstuk 2 - functies en activiteiten
Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op de (nog tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Voor onderhavig voorbeeld-TAM-omgevingsplan voor de is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel omgevingsplan gemeente Bernheze (bestemmingsplan Buitengebied Bernheze). Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet. 56
Hoofdstuk 3: Algemene regels Voor dit hoofdstuk zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels in die gelden voor het gehele grondgebied van de ontwikkellocatie.
Bijlagen bij de regels
Conform kernvereiste 1 wordt er zo min mogelijk gebruik gemaakt van bijlagen bij regels, om het plan zo overzichtelijk mogelijk te houden. Voor dit plan is er wel] een bijlage opgenomen bij de regels. Deze bijlage dienen om de voorwaardelijke verplichtingen te borgen.
Verbeelding
De verbeelding die is opgesteld voor het voorbeeld TAM-omgevingsplan dient te worden opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat er op de verbeelding wel 'bestemmingen' zijn te zien, en dat specifieke functies alszijnde 'functieaanduidingen' worden benoemd. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijke plannen komt. Voor een weergave van de analoge kaart, zie 7.2.
7.2
Analoge kaart
57
HOOFDSTUK
8 Belangenafweging ETFAL
Bij het nemen van een besluit op een aanvraag tot wijziging van het omgevingsplan gelden in ieder geval de volgende criteria: 1. de doelen van de Omgevingswet (zie artikel 1.3 en 2.1, lid 1, Omgevingswet) 2. de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (zie artikel 4.2, Omgevingswet) 3. de instructieregels over het omgevingsplan uit hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) 4. de instructieregels over het omgevingsplan uit de omgevingsverordening Redenen voor de gemeente om het omgevingsplan niet te wijzigen zijn dan bijvoorbeeld: 1. De gewenste ontwikkeling past niet binnen gemeentelijk beleid. Dit kan blijken uit bijvoorbeeld de omgevingsvisie en programma's van de gemeente. Dan is er geen sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties of is er strijd met andere doelen van de Omgevingswet. 2. Voor de gewenste ontwikkeling zijn regels nodig die in strijd zijn met de doelen van de Omgevingswet. 3. Er is geen bereidheid bij de gemeenteraad om het omgevingsplan aan te passen. Hierbij kunnen ook financiële overwegingen meespelen. De aanvrager dient bij zijn aanvraag de gegevens aan te leveren die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en die hij redelijkerwijs kan krijgen. De gemeente Bernheze mag besluiten de aanvraag niet te behandelen indien de aangeleverde stukken (ook na aanvulling) onvoldoende zijn.
Zie de artikelen 3:10, derde lid, 4:2, tweede lid en 4:5 en Awb.
8.1
Doelen van de wet
De maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (artikel 1.3 Omgevingswet) geven richting over welke belangen in deze afweging mee te nemen. Bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet de gemeente in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet) en een aantal aspecten uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hiervoor zijn algemene instructieregels opgesteld. Uit de toetsing van de fysieke aspecten (hoofdstuk 5) blijkt dat de ontwikkeling voldoet aan de criteria uit het Bkl. Aangezien er met onderhavige ontwikkeling een intensieve veehouderij wordt beëindigd, draagt de ontwikkeling op diverse aspecten bij aan het versterken van de gezondheid. De vrijkomende ruimte wordt opnieuw benut voor niet-agrarische bedrijfsactiviteiten. De leefomgeving wordt zo efficiënt benut.