CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Landgoed Het Geleer toelichting Bijlage 2 Quickscan flora en fauna en gedragscode bosbeheer

Raadsvergadering 18 april 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Landgoed Het Geleer*17.547 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

 

 

Algemene spits-, woel- en ware muizensoorten komen in heel Nederland verspreid voor in verschillende habitattypen. Zij kunnen zich verschuilen tussen de vegetatie of holen maken in de grond. Dassen hebben een groot leefgebied, variërend tussen 1,5 en 12 kilometer van de burcht, afhankelijk van het voedselaanbod. Graslanden met kort gras zijn geschikte foerageergebieden voor dassen. Van belang is dat er voldoende (lijnvormige) groenstructuren met ondergroei aanwezig zijn als migratieroute. Eekhoorns komen voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos, maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Eekhoorns gebruiken lijnvormige structuren van bomen als nestlocatie en migratieroute. Van belang is daarom de aanwezigheid van grote bomen in (de buurt van) bossen als nestgelegenheid, migratieroute of voedselbomen. Egels komen voor in bijna alle landschappen, mits er voldoende beschutting en dekking biedende elementen aanwezig zijn. Hazen hebben een voorkeur voor kleinschalig bouw- en grasland, maar ook open velden, zoals weilanden en akkers.

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

29

  

  

Konijnen komen voor in (half)open landschappen zoals tuinen, bosranden en parken. Reeën komen voornamelijk voor in bosachtige streken met open plekken om te foerageren, zoals akkers. Steenmarter komt voor nabij dorpen en boerderijen en tegenwoordig zelfs in grote steden. De soort heeft een voorkeur voor gebieden met kleinschalige landbouw, oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. De aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen is van belang, omdat de steenmarter daar foerageert. De soort verblijft in boomholtes, takkenhopen, dichte struwelen, zolders of kruipruimtes, maar ook in spouwmuren of ruimten onder de dakbedekkingen. Vossen komen voornamelijk voor in bos en parken, maar ook in landbouwgebieden, duinen of heide. Individuen uit de omgeving kunnen mogelijk het plangebied incidenteel doorkuizen. Bevers komen voor in overgangsgebieden van allerlei zoete wateren zoals moerassen, rivieren en beken. De aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken op oevers is van belang. Hermelijn komt in alle habitats voor, van open vochtige terreinen tot bossen en houtwallen en van duinen tot akkers. De enige voorwaarde is dat er voldoende dekking aanwezig is. De soort verblijft in een hol, meestal een oud mollennest of konijnenhol.

Waterspitsmuis komt voor in en langs schone beken, rivieren, sloten of plassen met stromend tot stilstaand water met behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Langs het plangebied ligt een plas. Het riet op de oever van het plasje biedt echter niet voldoende beschutting. Tevens is de soort erg schuw, waardoor het voorkomen van de soort in de omgeving van het plangebied onwaarschijnlijk is. Bunzing komt voor in kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. Dit kunnen oeverbegroeiingen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook rietvelden of moerasgebieden en weidegebieden met sloten. Ze verblijven in oude holen van bijvoorbeeld konijn, mol, vos en das maar ook onder steenhopen, in holle bomen of onder boomwortels. Wezel komt voor in open, droog natuur- en cultuurlandschap, bossen, duinen, wei- en akkerland. Echter overal waar woelmuizen ontbreken, ontbreekt ook de wezel. De soort verblijft in takkenbossen, houtstapels of andere hoopjes groenafval, steenhopen, uitgebrokkelde muren of andere bouwwerken en allerhande natuurlijke holen en holtes. Woelrat komt voor in de buurt van schoon, stilstaand zoet water zoals beken, rivieren, sloten, greppels en meren met steile oevers die meerdere vegetatielagen hebben. Het leefgebied ligt langs een rivieroever en is dus lijnvormig.

De soort graaft aan de slootkant schuin oplopende holen bestaande uit een zeer uitgebreid ondergronds gangenstelsel.

Het plangebied is mogelijk onderdeel van het leefgebied van algemene spits-, woel- en ware muizensoorten, das, eekhoorn, egel, haas, konijn, ree, steenmarter, vos, hermelijn, waterspitsmuis, bunzing, wezel en woelrat.

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

30

Tijdens het veldbezoek zijn sporen van reeën, dassen en vossen waargenomen in de akkers en in het bosperceel. In het bosgebied is tevens een burcht van een vos en mogelijk van das waargenomen. De landbouwpercelen zijn onderdeel van het leefgebied en foerageergebied van deze soorten. De bomen in het westelijk gelegen perceel kunnen dienen als nest- en foerageerbomen voor eekhoorns. De steen- en houtstapels kunnen mogelijk dienen als verblijfplaatsen voor algemene spits-, woel- en ware muizensoorten en rust- en voortplantingsplaatsen voor kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) en steenmarter. Struik- en struweelvegetatie in het westelijk gelegen perceel biedt voldoende beschutting voor soorten als algemene spits-, woel- en ware muizensoorten, egel, haas en konijn. Van bever zijn verschillende waarnemingen bekend op circa 1,6 kilometer ten zuiden van het plangebied, langs de Aa. De Aa vormt een verbinding met De Leijgraaf. Bevers hebben een territorium van 100 meter tot wel 3 kilometer langs waterlopen, waardoor het mogelijk is dat de soort ook langs de bosrand voorkomt. Tijdens het veldbezoek is een inspectie uitgevoerd naar vraatsporen, of andere sporen van bevers langs de bosrand. Alhoewel enkele geschikte bomen aanwezig waren (waaronder wilgen), zijn geen (vraat)sporen waargenomen.

Voor de waterspitsmuis en woelrat ontbreken geschikte oevers binnen het plangebied. De sloten bieden geen geschikte vegetatielagen voor deze soorten. Op basis van bovenstaande argumenten kan uitgesloten worden dat bever, waterspitsmuis en woelrat in het plangebied voorkomen. Effectbeoordeling Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden en de omvorming van de akkerlanden naar bos, gaat geschikt foerageergebied voor vleermuizen verloren. De akkerlanden in de directe omgeving en de nieuw te realiseren tuin rondom het landhuis bieden echter voldoende alternatief foerageergebied voor vleermuizen. De voorgenomen werkzaamheden hebben zodoende geen negatief effect op het foerageergebied van vleermuizen. Bij het aanleggen van het nieuwe bos op het westelijk perceel gaat de functie van de huidige bomenrij als mogelijke vliegroute voor vleermuizen verloren. Echter, de aanleg van het bos leidt tot een nieuwe bosrand, die vervolgens ook gebruikt kan worden als migratieroute voor vleermuizen. De voorgenomen werkzaamheden leiden daardoor mogelijk tot tijdelijke verstoring, maar er ontstaat een nieuwe migratieroute. De voorgenomen werkzaamheden hebben daardoor geen negatief effect op de migratieroute van vleermuizen. Tijdens de werkzaamheden, maar ook in de nieuwe situatie, kan verstoring van foeragerende of langsvliegende vleermuizen optreden.

Vleermuizen zijn nacht actieve dieren en kunnen negatieve effecten ondervinden als gevolg van (extra) verlichting in het plangebied.

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

31

Als gevolg van de omvorming van de akkerlanden naar ‘nieuw’ bos gaat een deel van het leefgebied van haas, ree en vos verloren. In de omgeving is echter voldoende alternatief leefgebied aanwezig. De akkerlanden in de omgeving bieden foerageergebied voor deze soorten. Het aanleggen van nieuw bos leidt tevens tot het vergroten van geschikt leefgebied voor deze soorten. De voorgenomen plannen hebben zodoende geen negatief effect op het voorkomen van haas, ree en vos. Net buiten het plangebied, in een wal ten westen van het bosgebied, is een vossenhol aangetroffen. Van een lokale bewoner is informatie ontvangen dat deze burcht door vossen wordt gebruikt onder andere om jongen groot te brengen. Deze vossenburcht wordt mogelijk ook door das gebruikt. Middels een cameraval is waargenomen dat een das richting de burcht loopt via een wissel. Ook is een mogelijke vluchtpijp van das aangetroffen in de slootkant van het bosgebied. Bovendien zijn op enkele plekken in het bosgebied wroetsporen/snuitputjes waargenomen die waarschijnlijk van das zijn. De sporen en beelden geven aan dat het bosgebied leefgebied is van das. De locaties van holen en sporen zijn weergegeven in figuur 9. De akkerlanden met mais bieden geschikt foerageergebied voor de das. Tijdens het veldbezoek zijn enkele pootafdrukken van das waargenomen op de akkers, geen andere sporen zoals graafsporen.

De maisvelden zijn voornamelijk geschikt als foerageergebied wanneer er mais op staat; dassen eten dan de maiskolven. Het feit dat de mais op het moment van het veldbezoek al geoogst was, kan verklaren waarom er op dat moment niet veel dassensporen op de akkers zijn waargenomen. Dit neemt niet weg dat de akkers deel uitmaken van het foerageergebied van de das(sen). Doordat (mais)akkers maar een deel van het jaar voedsel leveren voor de das vormen ze secundair foerageergebied. Door het omvormen van de akkerlanden naar nieuw bos, gaat een deel van dit secundair foerageergebied voor dassen verloren. Echter, het nieuw aan te leggen bos is tevens geschikt als foerageergebied (en leefgebied) voor dassen. In bossen kunnen dassen het gehele jaar voedsel vinden. Hiermee verbetert het voedselaanbod voor de das. Bovendien zijn langs het plangebied nog verschillende (maïs)akkers die geschikt blijven als foerageergebied voor dassen. Deze akkers blijven bereikbaar voor de das. Het is niet de bedoeling een hek te plaatsen rondom het bosgebied. Gezien het beperkte aantal sporen in het plangebied en het beperkte aantal waarnemingen van das op camerabeeld kan worden gesteld dat de holen niet als hoofdburcht functioneren. Aannemelijk is dat het vluchtpijpen betreft die voornamelijk worden gebruikt in de periode van het jaar dat de das op de maisakkers foerageert.

De aangetroffen holen liggen op circa 300 meter afstand van de locatie van de nieuwe woning met tuin. Verstoring van de burchtlocaties tijdens de bouwfase van de nieuwe woning is gezien deze afstand redelijkerwijs uit te sluiten. In de huidige situatie is het bosgebied openbaar toegankelijk en zijn er wandelpaden aanwezig. Dit wijzigt niet. Extra verstoring voor de das is zodoende niet aan de orde.

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

32

Bovenstaande overwegingen in ogenschouw genomen kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen plannen geen negatief effect hebben op het voorkomen van dassen in het plangebied.

N

Figuur 9. Waarnemingen sporen en holen van (vermoedelijk) das. Ster = hol/burcht, stip= wroetsporen

Door het snoeien en verwijderen van struik- en struweelvegetatie in het westelijk gelegen perceel wordt het plangebied tijdelijk minder geschikt als (onderdeel van het) leefgebied van algemene spits-, woel- en ware muizensoorten, egel, haas en konijn. Tijdens en na de werkzaamheden blijft echter voldoende geschikt leefgebied aanwezig. Het plangebied is na de werkzaamheden weer geschikt als leefgebied voor deze soorten. Het verwijderen van vegetatie heeft zodoende geen negatief effect op het voorkomen van deze soorten. Wel kunnen verblijfplaatsen van algemene spits-, woel- en ware muizensoorten, egel en konijn vernietigd worden bij deze werkzaamheden. De steen- en houtstapels blijven behouden, waardoor eventueel in deze stapels aanwezige verblijfplaatsen van algemene spits-, woel- en ware muizensoorten en rust- en voortplantingsplaatsen van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) en steenmarter behouden blijven. Bij het snoeien en/of kappen van bomen in het westelijk gelegen perceel gaan mogelijk nest- en foerageerbomen van eekhoorns verloren. Dit heeft een negatief effect op het voorkomen van de soort. Mitigerende maatregelen Om negatieve effecten op foeragerende of langsvliegende vleermuizen en andere nachtactieve dieren door verlichting gedurende de nacht te voorkomen, wordt aanbevolen de (bouw)verlichting in de nacht uit te zetten en

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

33

groenstroken niet te verlichten. Indien het noodzakelijk is nachtelijk te verlichten, wordt aangeraden om afschermde armatuur te gebruiken, de ledlampen naar beneden te richten en om rode of amberkleurige verlichting (< 2700 Kelvin) te gebruiken. Voor algemene spits-, woel- en ware muizensoorten, egel, haas, ree, vos en konijn geldt in provincie Noord-Brabant een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor verwonden of niet opzettelijk doden van deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt altijd de Algemene zorgplicht, zie §1.4. Om het verwonden of doden van dieren te voorkomen kan bij het verwijderen van de vegetatie één kant op worden gewerkt, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten. In verband met de winterslaap van egel is het aan te bevelen dichte vegetaties en takkenhopen buiten de overwinteringsperiode (november tot en met half mei) te verwijderen. Voor eekhoorn geldt deze vrijstelling niet. Met betrekking tot eekhoorn kunnen negatieve effecten worden voorkomen door te kappen bomen te controleren op aanwezigheid van eekhoornnesten. Door ecologen is vastgesteld dat er ten tijde van het veldbezoek geen eekhoornnesten aanwezig waren. Indien struiken en bomen gekapt worden, dan dient nog eenmaal een veldcontrole voor aanvang van de werkzaamheden uitgevoerd te worden door een ecoloog.

Tijdens de veldcontrole worden de bomen gecontroleerd op aanwezigheid van eekhoornnesten of het gebruik van de bomen door eekhoorns als voedselbomen. Indien er tijdens de veldcontroles nesten van eekhoorns worden gevonden of belangrijke voedselbomen worden aangetroffen, worden deze bomen, en een nader te bepalen beschermingszone, gemarkeerd en ontzien tijdens de werkzaamheden. Werkzaamheden in de buurt van eekhoornnesten worden uitgevoerd buiten de voortplantingsperiode van eekhoorn. De voortplantingsperiode is van januari tot en met augustus. (Natuurinclusief, 2019; Borst en Sprong, 2020). Als de boom niet behouden kan worden, dient voorafgaand aan de kap een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden verkregen.

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

34

4

Conclusies deelonderzoek Quickscan flora en fauna

4.1

Beschermde gebieden Gezien de relatief grote afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (11,1 kilometer) is het redelijkerwijs uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen plannen. Vanwege de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied kan redelijkerwijs worden aangenomen dat geen negatieve effecten door stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden optreden. Dit is echter alleen uit te sluiten middels een AERIUSberekening. Het bosgebied grenst aan De Leijgraaf, een ecologische verbindingszone die tot het NNB hoort. Het aanleggen van een brede bosrand met mantel- en zoomvegetatie leidt tot meer structuurvariatie en een geleidelijke en natuurlijkere overgang van bos naar oever. Hiermee wordt de bosrand aantrekkelijker voor verschillende soorten. Door niet binnen 1-2 meter van de beekoever, poel en paaiplaats te werken, blijft de functie van de EVZ behouden en blijft De Leijgraaf geschikt als leefgebied voor soorten. Tevens is het van belang om de (noordelijke) bosrand gefaseerd over ruimte en tijd aan te leggen, zodat een geleidelijke omvorming plaatsvindt. Indien deze maatregelen worden toegepast zal geen negatief effect optreden op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB, maar zelf positieve effecten voor soorten.

Met name de realisatie van een brede bosrand langs de Leijgraaf leidt tot positieve effecten voor soorten.

4.2

Beschermde soorten In het plangebied komen mogelijk verschillende soorten voor die zijn beschermd onder paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Het is uit te sluiten dat in het plangebied beschermde flora, vlinders, libellen, kevers, weekdieren en vissen voorkomen. Wel geldt voor alle aanwezige soorten in het plangebied de algemene zorgplicht, zie §1.4 van dit rapport. Tabel 1 geeft een overzicht van de mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied. Soorten van paragraaf 3.1 van de Wet natuurbescherming De voorgenomen werkzaamheden hebben geen negatief effect op het foerageergebied van vogels met een jaarrond beschermd nest in de omgeving en van algemene vogels, doordat er in de omgeving voldoende alternatief foerageergebied aanwezig blijft. Tevens leidt het ontwikkelen van nieuw bos tot meer nestgelegenheid en leefgebied voor vogels. Wel kan verstoring optreden van broedende vogels. Werkzaamheden in het begroeide deel van het westelijk perceel dienen daarom uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen van vogels. Buiten het plangebied zijn mogelijkheden voor nestplaatsen van steenuil in de knotwilgen langs het zuidelijk perceel en in nestkasten in het bos en de tuin naast het plangebied. De voorgenomen plannen hebben niet tot gevolg dat deze nestplekken verdwijnen.

De bouwfase veroorzaakt voor steenuilen geen negatieve effecten. Door

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

35

de teelt van mais in het plangebied en op de aangrenzend agrarische percelen vormt het gebied geen ideaal leefgebied voor steenuilen. De veranderingen op de agrarische percelen hebben zodoende geen negatieve effecten tot gevolg op het leefgebied van mogelijk in de omgeving aanwezige steenuilen. Buiten het plangebied blijft voldoende leefgebied voor steenuilen aanwezig. Het zuidelijke perceel wordt deels omgevormd naar bos met een brede bosrand-/struweelzone. De ruige vegetatie in deze bosrand-/struweelzone draagt in positieve zin bij aan de kwaliteit van het leefgebied van mogelijk in de omgeving aanwezige steenuilen. De voorgenomen werkzaamheden hebben geen negatief effect op het leefgebied van huismussen die in de omgeving kunnen broeden, doordat er in de omgeving voldoende alternatief leefgebied en schuilmogelijkheden voor huismussen aanwezig blijven. Bij het snoeien of kappen van bomen en struiken kunnen nesten van algemene vogelsoorten worden vernietigd en broedende vogels worden verstoord. Gedurende het broedseizoen zijn nesten strikt beschermd. Het snoeien of kappen van bomen en struiken dient te worden uitgevoerd wanneer geen broedgeval aanwezig is en buiten het broedseizoen van vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli.

Soorten van paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming De poel in het westelijk perceel vormt mogelijk voortplantingshabitat van kamsalamander en poelkikker. Doordat herstelwerkzaamheden op de oevers en in het water van de poel gefaseerd worden uitgevoerd, blijft altijd ongestoord voortplantingshabitat beschikbaar voor deze soorten. Het herstellen van de poel in het westelijk perceel heeft een positief effect op het beschikbare habitat voor kamsalamander en poelkikker. Wanneer in het westelijk perceel bomen en struiken worden verwijderd, kunnen daarmee overwinteringslocaties van amfibieën worden verstoord. Echter blijft wel voldoende land- en overwinteringshabitat in de omgeving aanwezig en ontstaat tevens geschikt habitat in de nieuwe situatie. Het nieuw aan te leggen bos biedt namelijk voldoende rustplaatsen en schuilplaatsen onder de vegetatie, takken etc. Zodoende ontstaat geen negatief effect op het land- en overwinteringshabitat van amfibieën. Door het verwijderen van bomen en struiken uit te voeren buiten de overwinteringsperiode van amfibieën worden negatieve effecten voorkomen. De hout- en steenhopen in het westelijk perceel functioneren mogelijk als overwinteringshabitat voor amfibieën. Deze hopen zullen blijven liggen. Hierdoor is geen sprake van negatieve effecten op mogelijk in deze hopen aanwezig overwinteringshabitat en overwinterende amfibieën.

Met het nemen van de volgende mitigerende maatregelen worden negatieve effecten op mogelijk aanwezige kamsalamander en poelkikker voorkomen:  Werkzaamheden aan het water en de oevers van de poel vinden altijd gefaseerd plaats. Minstens 30% van de oppervlakte blijft ongemoeid.  Werkzaamheden aan het water en de oevers van de poel vinden plaats na het voortplantingsseizoen en voor de overwinteringsperiode van amfibieën. Rekening houdend met de mogelijk aanwezige soorten is de toegestane periode van 1 oktober tot 1 november.

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

36

 

Bij werkzaamheden wordt in één richting gewerkt zodat aanwezige dieren kunnen vluchten. Bij het baggeren moet het water terug kunnen lopen in de poel, bij voorkeur wordt gewerkt met een open bak, zodat eventueel aanwezige dieren kunnen ontsnappen. Baggermateriaal wordt op de kant gezet, zodat eventueel in de bagger aanwezige amfibieën kunnen ontsnappen. Het verwijderen van bomen en struiken anders dan op de oevers van de poel, dient uitgevoerd te worden buiten het overwinteringsseizoen van amfibieën. Rekening houdend met de mogelijk aanwezige soorten kunnen deze werkzaamheden worden uitgevoerd van 15 april tot 1 november. Van het vrijgekomen snoeihout dienen takkenhopen of takkenrillen gemaakt te worden die kunnen dienen als beschutting en overwinteringsplaatsen voor amfibieën en andere soorten. Deze kunnen in het nieuw aan te leggen bos worden geplaatst.

De voorgenomen werkzaamheden hebben geen negatieve invloed op het foerageergebied van vleermuizen, doordat de akkerlanden in de directe omgeving en de nieuw te realiseren tuin rondom het landhuis voldoende alternatief foerageergebied bieden voor vleermuizen. In het plangebied zijn geen mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen. De voorgenomen werkzaamheden hebben geen negatief effect op de migratieroute van vleermuizen, doordat er een nieuwe bosrand ontstaat bij het aanleggen van nieuw bos. De ‘nieuwe’ bosrand kan dienen als migratieroute voor vleermuizen. Om negatieve effecten op foeragerende of langsvliegende vleermuizen en andere nachtactieve dieren door verlichting gedurende de nacht te voorkomen, wordt aanbevolen de (bouw)verlichting in de nacht uit te zetten, groenstroken niet te verlichten, afschermde armatuur te gebruiken en/of rode of amberkleurige verlichting te gebruiken. Soorten van paragraaf 3.3 van de Wet natuurbescherming Het herstellen van de poel in het westelijk perceel heeft een positief effect op het beschikbare habitat voor (beschermde) libellen, amfibieën, waterkevers en slakkensoorten. De poel in het westelijk perceel vormt mogelijk voortplantingshabitat van Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander.

Doordat herstelwerkzaamheden op de oevers en in het water van de poel gefaseerd worden uitgevoerd, blijft altijd ongestoord voortplantingshabitat beschikbaar. Wanneer in het westelijk perceel bomen en struiken worden verwijderd, kunnen daarmee overwinteringslocaties van amfibieën worden verstoord. Echter blijft wel voldoende land- en overwinteringshabitat in de omgeving aanwezig en ontstaat tevens geschikt habitat in de nieuwe situatie. Het nieuw aan te leggen bos biedt namelijk voldoende rustplaatsen en schuilplaatsen onder de vegetatie, takken etc. Zodoende ontstaat geen negatief effect op het land- en overwinteringshabitat van amfibieën. De hout- en steenhopen in het westelijk perceel functioneren mogelijk als overwinteringshabitat voor amfibieën. Deze hopen zullen blijven liggen. Hierdoor is geen sprake van negatieve effecten op mogelijk in deze hopen aanwezig overwinteringshabitat en overwinterende amfibieën.

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

37

Voor bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander geldt bij ruimtelijke ingrepen in provincie Noord-Brabant een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor het verwonden of niet opzettelijk doden van deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Voor Alpenwatersalamander geldt deze vrijstelling niet. Negatieve effecten voor deze soort kunnen worden voorkomen door het nemen van de volgende mitigerende maatregelen, waarmee tevens invulling wordt gegeven aan de Algemene zorgplicht:  Werkzaamheden aan het water en de oevers van de poel vinden altijd gefaseerd plaats. Minstens 30% van de oppervlakte blijft ongemoeid.  Werkzaamheden aan het water en de oevers van de poel vinden plaats na het voortplantingsseizoen en voor de overwinteringsperiode van amfibieën. Rekening houdend met de mogelijk aanwezige soorten is de toegestane periode van 1 oktober tot 1 november.  Bij werkzaamheden wordt in één richting gewerkt zodat aanwezige dieren kunnen vluchten.  Bij het baggeren moet het water terug kunnen lopen in de poel, bij voorkeur wordt gewerkt met een open bak, zodat eventueel aanwezige dieren kunnen ontsnappen. Baggermateriaal wordt op de kant gezet, zodat eventueel in de bagger aanwezige amfibieën kunnen ontsnappen.

 Het verwijderen van bomen en struiken anders dan op de oevers van de poel, dient uitgevoerd te worden buiten het overwinteringsseizoen van amfibieën. Rekening houdend met de mogelijk aanwezige soorten kunnen deze werkzaamheden worden uitgevoerd van 15 april tot 1 november.  Van het vrijgekomen snoeihout dienen takkenhopen of takkenrillen gemaakt te worden die kunnen dienen als beschutting en overwinteringsplaatsen voor amfibieën en andere soorten. Deze kunnen in het nieuw aan te leggen bos worden geplaatst. De hout- en steenhopen in het westelijk perceel functioneren mogelijk als schuilplaats voor levendbarende hagedis. Deze hopen zullen blijven liggen. Hierdoor is geen sprake van negatieve effecten op mogelijk in deze hopen aanwezige schuilplaatsen en schuilende levendbarende hagedis. De voorgenomen plannen zullen geen negatief effect hebben op het voorkomen van dassen in het plangebied. Door het aanleggen van nieuw bos gaan de landbouwpercelen weg, maar gaat geen foerageergebied verloren, doordat het nieuwe bos ook als foerageergebied (en leefgebied) kan functioneren. Tevens blijft voldoende foerageergebied in de vorm van landbouwpercelen in de omgeving aanwezig en bereikbaar. Hierdoor blijft het plangebied geschikt als leefgebied voor dassen. De bouwlocatie van de nieuwe woning ligt op circa 300 meter afstand van aangetroffen holen van das.

Gezien deze afstand is verstoring als gevolg van bouwwerkzaamheden redelijkerwijs uit te sluiten. In de huidige situatie is het bos openbaar toegankelijk en zijn wandelpaden aanwezig. Zodoende treedt geen extra verstoring op in de nieuwe situatie. Het snoeien en verwijderen van struik- en struweelvegetatie in het westelijk gelegen perceel heeft geen negatief effect op het voorkomen van algemene spits-, woel- en ware muizensoorten, egel, haas, konijn, ree en vos, doordat voldoende geschikt

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

38

leefgebied in het plangebied en de omgeving aanwezig blijft. Het plangebied is na de werkzaamheden ook weer geschikt als leefgebied voor deze soorten. Het nieuw aan te leggen bos leidt tot het vergroten van geschikt leefgebied. Wel kunnen verblijfplaatsen van algemene spits-, woel- en ware muizensoorten, egel, konijn en haas vernietigd worden bij deze werkzaamheden. Voor algemene spits-, woel- en ware muizensoorten, egel, haas, ree, vos en konijn geldt in provincie Noord-Brabant een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor verwonden of niet opzettelijk doden van deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt altijd de Algemene zorgplicht, zie §1.4. Om het verwonden of doden van dieren te voorkomen kan bij het verwijderen van de vegetatie één kant op worden gewerkt, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten. In verband met de winterslaap van egel is het aan te bevelen dichte vegetaties en takkenhopen buiten de overwinteringsperiode (november tot en met half mei) te verwijderen. De steen- en houtstapels blijven behouden. Mogelijk in deze stapels aanwezige verblijfplaatsen van algemene spits-, woel- en ware muizensoorten en rust- en voortplantingsplaatsen van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) en steenmarter blijven behouden.

De bomen in het westelijk gelegen perceel kunnen dienen als nest- en foerageerbomen voor eekhoorns. Bij het snoeien en/of kappen van deze bomen gaan mogelijk nest- en foerageerbomen van eekhoorns verloren. Met betrekking tot eekhoorn kunnen negatieve effecten worden voorkomen door te kappen bomen te controleren op aanwezigheid van eekhoornnesten. Voorafgaand aan de werkzaamheden dienen de te kappen bomen te worden gecontroleerd op aanwezigheid van eekhoornnesten of het gebruik van de bomen door eekhoorns als voedselbomen. Indien nesten van eekhoorns of belangrijke voedselbomen worden aangetroffen, worden deze bomen en een nader te bepalen beschermingszone, gemarkeerd en ontzien tijdens de werkzaamheden. Werkzaamheden in de buurt van eekhoornnesten worden uitgevoerd buiten de voortplantingsperiode van eekhoorn. De voortplantingsperiode is van januari tot en met augustus. (Natuurinclusief, 2019; Borst en Sprong, 2020). Als de boom niet behouden kan worden, dient voorafgaand aan de kap een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden verkregen.

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

39

Tabel 1. Overzicht mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied Soort(groep)

Bescherming

Functie

Mogelijk

Ontheffing

plangebied

effect

nodig

Foerageergebied

Nee

Nee

Maatregelen

§3.1 Wnb Vogels

(nest jaarrond

-

beschermd)

Vogels

§3.1 Wnb

Nee, mits

(nest niet

maatregelen

jaarrond

Nestgelegenheid

Ja

beschermd)

worden uitgevoerd

Snoeien en kappen wanneer geen broedgeval aanwezig is en buiten broedseizoen

§3.1 Wnb Vogels

(nest niet jaarrond

Foerageergebied

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

-

beschermd)

Steenuil

§3.1 Wnb

Nestgelegenheid

(nest jaarrond

en (onderdeel)

beschermd)

leefgebied

§3.1 Wnb Huismus

(nest jaarrond beschermd)

(Onderdeel van) Leefgebied

-

- werkzaamheden rond poel gefaseerd uitvoeren tussen 1 oktober en 1 november Voortplantings-, Kamsalamander en poelkikker

§3.2 Wnb

land- en overwinteringshabitat

Nee, mits Ja

maatregelen worden uitgevoerd

- Bij baggeren zorgen dat dieren kunnen ontsnappen. - Verwijderen van bomen en struiken uitvoeren tussen 15 april en 1 november,. - Vrijgekomen snoeihout verwerken tot takkenhopen of -rillen

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

40

Soort(groep)

Bescherming

Functie

Mogelijk

Ontheffing

plangebied

effect

nodig

Maatregelen

Nee, mits Vleermuizen

§3.2 Wnb

Foerageergebied en migratieroute

Ja

maatregelen

Extra kunstlicht in de nacht uitzetten of

worden

afschermen

uitgevoerd - werkzaamheden rond poel gefaseerd uitvoeren tussen 1 oktober en 1 november

Alpenwatersalamander

§3.3 Wnb

Voortplantings-,

Nee, mits

land- en

maatregelen

overwinterings-

Ja

habitat

worden uitgevoerd

- Bij baggeren zorgen dat dieren kunnen ontsnappen. - Verwijderen van bomen en struiken uitvoeren tussen 15 april en 1 november,. - Vrijgekomen snoeihout verwerken tot takkenhopen of -rillen - werkzaamheden rond poel gefaseerd uitvoeren tussen 1 oktober en 1 november

Bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en

Land- en §3.3 Wnb

kleine water-

overwinterings-

Nee, Ja

habitat

algehele vrijstelling

salamander

- Bij baggeren zorgen dat dieren kunnen ontsnappen. - Verwijderen van bomen en struiken uitvoeren tussen 15 april en 1 november,. - Vrijgekomen snoeihout verwerken tot takkenhopen of -rillen

Das, haas, ree en vos

§3.3 Wnb

(Onderdeel van) leefgebied

Nee

Algemene spits-, woel- en ware muizen, egel, haas

§3.3 Wnb

Verblijfplaatsen

Ja

en konijn Bunzing, hermelijn, wezel en

-

-

Nee,

Bij het verwijderen van vegetatie één

algehele

kant op werken en werken buiten de

vrijstelling

overwinteringsperiode van de egel

Rust- en §3.3 Wnb

steenmarter

voortplantings-

Nee

Nee

plaatsen Voorafgaand aan de werkzaamheden

Eekhoorn

§3.3 Wnb

Nest- en voedselbomen

Ja

Nee, mits

een veldcontrole uitvoeren op

maatregelen

aanwezigheid nesten of belangrijke

worden

voedselbomen. Nest- en voedselbomen

uitgevoerd

ontzien of ontheffing Wet natuurbescherming aanvragen.

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

41

4.3

Advies en aanbevelingen Wanneer de volgende maatregelen worden getroffen dan wordt overtreding van de Wet natuurbescherming bij uitvoering van de voorgenomen plannen voorkomen: 1. werkzaamheden in het begroeide deel van het westelijk perceel dienen uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen van vogels om verstoring van broedparen te voorkomen. Het snoeien of kappen van bomen en struiken wordt uitgevoerd tussen augustus en half maart en wanneer geen broedgeval aanwezig is. Zo wordt rekening gehouden met de broedperiode van vogels; 2. Negatieve effecten op amfibieën kunnen worden voorkomen door het nemen van de volgende mitigerende maatregelen, waarmee tevens invulling wordt gegeven aan de Algemene zorgplicht:  Werkzaamheden aan het water en de oevers van de poel vinden altijd gefaseerd plaats. Minstens 30% van de oppervlakte blijft ongemoeid.  Werkzaamheden aan het water en de oevers van de poel vinden plaats na het voortplantingsseizoen en voor de overwinteringsperiode van amfibieën. Rekening houdend met de mogelijk aanwezige soorten is de toegestane periode van 1 oktober tot 1 november.  Bij werkzaamheden wordt in één richting gewerkt zodat aanwezige dieren kunnen vluchten.  Bij het baggeren moet het water terug kunnen lopen in de poel, bij voorkeur wordt gewerkt met een open bak, zodat eventueel aanwezige dieren kunnen ontsnappen.

Baggermateriaal wordt op de kant gezet, zodat eventueel in de bagger aanwezige amfibieën kunnen ontsnappen.  Het verwijderen van bomen en struiken anders dan op de oevers van de poel, dient uitgevoerd te worden buiten het overwinteringsseizoen van amfibieën. Rekening houdend met de mogelijk aanwezige soorten kunnen deze werkzaamheden worden uitgevoerd van 15 april tot 1 november.  Van het vrijgekomen snoeihout dienen takkenhopen of takkenrillen gemaakt te worden die kunnen dienen als beschutting en overwinteringsplaatsen voor amfibieën en andere soorten. Deze kunnen in het nieuw aan te leggen bos worden geplaatst. 3. door (extra) kunstmatige verlichting ’s nachts uit te zetten of door de lichtstralen af te schermen, wordt verstoring van foeragerende en langsvliegende van vleermuizen voorkomen; 4. voorafgaand aan het kappen van bomen dient een controle te worden uitgevoerd om de aanwezigheid van eekhoornnesten of voedselbomen voor eekhoorns vast te stellen. Nest- en voedselbomen worden behouden, inclusief een nader te bepalen beschermingszone. Indien behoud niet mogelijk is, dient voorafgaand aan de kap een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden verkregen. Werkzaamheden in de buurt van eekhoornnesten worden uitgevoerd buiten de voortplantingsperiode. Deze periode loopt van januari tot en met augustus. 5.

Bij het verwijderen van vegetatie wordt in één richting gewerkt zodat eventueel aanwezige dieren kunnen vluchten. 6. In verband met de winterslaap van egel is het aan te bevelen dichte vegetaties en takkenhopen buiten de overwinteringsperiode (november tot en met half mei) te verwijderen.

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

42

4.4

Gevolgen voor (het tijdpad van) de voorgenomen plannen Nader onderzoek  Voorafgaand aan de kap van bomen op het westelijke perceel, dient een controle uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van eekhoornnesten of voedselbomen voor eekhoorns vast te stellen. Dit dient maximaal 7 of 14 dagen en minimaal 1 dag voor aanvang van de werkzaamheden plaats te vinden. Ontheffing Wet natuurbescherming  Indien eekhoornnesten of voedselbomen voor eekhoorns die niet ontzien kunnen worden aanwezig zijn in het plangebied, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd bij provincie Noord-Brabant.  De aanvraag kan pas worden ingediend als het nader onderzoek helemaal is afgerond. De gemeente of Omgevingsdienst heeft 26 weken nodig om uw vergunning in orde te maken, gerekend vanaf het moment dat u uw aanvraag heeft ingestuurd. Als u niet alle gevraagde informatie bij uw aanvraag meestuurt, duurt de afhandeling langer.  Voor het aanvragen van een ontheffing dient een mitigatieplan/activiteitenplan te worden opgesteld ten behoeve van de verblijfplaatsen van de beschermde soort(en).  Daarnaast dienen mitigerende maatregelen genomen te worden om een ontheffing te kunnen verkrijgen indien noodzakelijk.

4.5

Weergave van planning werkzaamheden

Uitvoering werkzaamheden - soortgroep Snoeien en baggerwerkzaamheden poel Amfibieën Verwijderen vegetatie, bomen en struiken Amfibieën Egel Bomen snoeien en/of kappen Algemene vogels *1 Eekhoorn *2

Periode jan feb mrt apr mei juni juli aug sep okt nov dec

*1) Indien geen broedgeval aanwezig is *2) Afhankelijk van de periode waarbinnen de werkzaamheden worden uitgevoerd

Legenda Werkzaamheden mogen uitgevoerd worden Werkzaamheden mogen NIET uitgevoerd worden Nader onderzoek laten uitvoeren

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

43

5

Deelonderzoek Gedragscode bosbeheer Dit hoofdstuk is opgesteld ter beoordeling van de door middel van bosbeheer te realiseren omvorming naar meer natuurlijk bos van de bospercelen binnen het plangebied (figuur 5).

5.1

Maatregelen bij boswerkzaamheden Deze paragraaf beschrijft welke maatregelen genomen dienen te worden bij het uitvoeren van beheerwerkzaamheden in het bosgebied om aanwezige soorten en hun leefgebied in stand te houden en verstoring te beperken. Daarbij wordt aangesloten op de Gedragscode soortbescherming bosbeheer (VBNE, 2022). Per soortgroep wordt beschreven welke habitats en sporen zijn waargenomen tijdens de inventarisatie en in hoeverre het bosgebied mogelijk leefgebied is voor de soorten. Op basis hiervan wordt beschreven welke maatregelen genomen kunnen worden om de effecten van de ingreep te beperken en of het nemen van mitigerende maatregelen nodig is. Boswerkzaamheden dienen ten alle tijden uitgevoerd te worden volgens de Gedragscode soortbescherming bosbeheer (VBNE, 2022).

5.1.1

Algemene maatregelen

 Boswerkzaamheden dienen uitgevoerd te worden volgens een ecologisch

5.1.2

werkprotocol conform de Gedragscode soortbescherming bosbeheer (VBNE, 2022) om verstoring van (verblijfplaatsen van) voorkomende dieren te voorkomen. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een ecologisch deskundige een controle uit te voeren in het bosgebied en worden belangrijke flora en fauna elementen gemarkeerd. Hiervoor kan de Checklist bosbeheer toegepast worden.

Flora Tijdens de inventarisatie van het bosgebied zijn geen bijzondere of beschermde vaatplanten waargenomen. Het bosgebied heeft weinig ondergroei door de dichte kronen, waardoor weinig lichttoevoer is. Daarom worden bijzondere of beschermde plantensoorten niet verwacht.

5.1.3

Vlinders en libellen Tijdens de inventarisatie van het bosgebied zijn geen vlinders of libellen waargenomen. Het bos is vrij jong en bestaand uit dunne en jonge bomen van maximaal 15 jaar. De bomen voldoen daardoor niet aan de habitateisen van de meeste beschermde vlindersoorten die in bossen voorkomen, zoals grote vos, waarbij grote (solitaire) bomen optimaal zijn. Beschermde vlindersoorten worden zodoende niet verwacht.

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

44

Tussen het meest oostelijk gelegen bosperceel en het middelste bosperceel ligt een brede sloot. Langs de bosrand in het noorden ligt een bospoel. Het is niet uit te sluiten dat libellensoorten hierin voorkomen (er zijn libellenlarven gevangen tijdens de quickscan). Met het oog op regulier beheer zullen poelen en waterlopen periodiek gebaggerd / geschoond worden. Hierbij kunnen individuen worden verwond of gedood. Van belang is dat deze beheerwerkzaamheden gefaseerd worden uitgevoerd, zodat altijd leefgebied voor (beschermde) soorten aanwezig blijft. Dit dient vastgelegd en verder uitgewerkt te worden in een ecologisch werkprotocol.

5.1.4

Kevers en weekdieren Tijdens de inventarisatie van het bosgebied zijn geen kevers of weekdieren waargenomen. (Hout)kevers zijn afhankelijk van grote, dode bomen. In het bosgebied zijn enkele dode bomen aanwezig, maar deze zijn vrij jong en dun en voldoen niet aan de habitateisen van de beschermde (hout)kevers. Tussen het meest oostelijk gelegen bosperceel en het middelste bosperceel ligt een brede sloot. Langs de bosrand in het noorden ligt een bospoel. Het is niet uit te sluiten dat waterkevers of weekdieren hierin voorkomen. Met het oog op regulier beheer zullen poelen en waterlopen periodiek gebaggerd / geschoond worden. Hierbij kunnen individuen worden verwond of gedood. Van belang is dat deze beheerwerkzaamheden gefaseerd worden uitgevoerd, zodat altijd leefgebied voor (beschermde) soorten aanwezig blijft. Dit dient vastgelegd en verder uitgewerkt te worden in een ecologisch werkprotocol.

5.1.5

Vissen Het is niet uit te sluiten dat vissen voorkomen in de brede sloot tussen de bospercelen en/of in de bospoel. Met het oog op regulier beheer zullen poelen en waterlopen periodiek gebaggerd / geschoond worden. Hierbij kunnen individuen worden verwond of gedood. Van belang is dat deze beheerwerkzaamheden gefaseerd worden uitgevoerd, zodat altijd leefgebied voor (beschermde) soorten aanwezig blijft. Dit dient vastgelegd en verder uitgewerkt te worden in een ecologisch werkprotocol.

5.1.6

Amfibieën Het is niet uit te sluiten dat de brede sloot tussen de bospercelen en de bospoel voortplantingshabitat voor beschermde amfibiesoorten vormen. Met het oog op regulier beheer zullen poelen en waterlopen periodiek gebaggerd / geschoond worden. Hierbij kunnen individuen worden verwond of gedood. Van belang is dat deze beheerwerkzaamheden gefaseerd worden uitgevoerd, zodat altijd leefgebied voor (beschermde) soorten aanwezig blijft. Dit dient vastgelegd en verder uitgewerkt te worden in een ecologisch werkprotocol. Zo dienen de poelen geschoond en gebaggerd te worden tussen 1 oktober en 1

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

45

november. Verdere uitwerking dient omschreven te worden in het ecologisch werkprotocol. Het bosgebied is tevens geschikt als land- en overwinteringshabitat van amfibieën. Soorten kunnen tussen de vegetatie, onder boomwortels of in holen in de grond schuilen en verblijven. Door te werken volgens een ecologisch werkprotocol wordt de impact op individuen en hun leefgebied zoveel mogelijk beperkt. Zo dient bij het verwijderen van vegetatie en takken op de grond gefaseerd en één kant op gewerkt te worden. Verdere uitwerking dient omschreven te worden in het ecologisch werkprotocol.

5.1.7

Reptielen Het bos kan onderdeel zijn van het leefgebied van reptielen, zoals levendbarende hagedis. De soort kan voorkomen in open delen van het bos, of langs de bosrand. Over een totale lengte van circa 1,6 km worden de bosranden verbreed. Hierbij worden bomen en struiken gesnoeid en/of gekapt en wordt struikvegetatie aangeplant. Door de werkzaamheden in de bosrand kunnen individuen worden verwond of gedood. Door te werken volgens een ecologisch werkprotocol ecologisch werkprotocol conform de Gedragscode soortbescherming bosbeheer (VBNE, 2022) wordt de impact op individuen en hun leefgebied zoveel mogelijk beperkt. Door de bosrand over tijd en ruimte gefaseerd aan te leggen, wordt de impact op het leefgebied van levendbarende hagedis vermindert. Verdere uitwerking dient omschreven te worden in het ecologisch werkprotocol.

5.1.8

Vogels Verspreid over het bosgebied zijn verschillende vogelnesten aangetroffen. Dit betreft voornamelijk vogelnesten van algemene soorten; merel, kraai, gaai, etc. In een grove dennenbosje zijn verschillende nesten aangetroffen die van een sperwer lijken te zijn. Tevens is een geplukte vogel aangetroffen, wat ook wijst op een sperwer. Het grove dennenbosje lijkt daardoor een sperwerbosje te zijn (figuur 10, foto 17 en 18).

N

Figuur 10. Mogelijk sperwerbosje binnen bosgebied

Foto 17. Mogelijke horst van sperwer

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

46

Foto 18. Geplukte vogel, mogelijk door sperwer

Langs de bomenlaan is een steenuilkast en sperwerkast aangetroffen, beide aan een laanboom. Het is niet uit te sluiten dat naast de sperwer nog andere vogels met een jaarrond beschermd nest broeden in het bosgebied. Als gevolg van het ringen van bomen, aanplant van bomen en struiken en overige boswerkzaamheden, kunnen broedende vogels worden verstoord of nesten worden vernietigd. Gedurende het broedseizoen zijn nesten strikt beschermd. Boswerkzaamheden dienen uitgevoerd te worden volgens een ecologisch werkprotocol ecologisch werkprotocol conform de Gedragscode soortbescherming bosbeheer (VBNE, 2022) om verstoring van broedgevallen of bijzondere nestbomen te voorkomen. In de periode van 15 maart tot 15 juli worden geen boswerkzaamheden uitgevoerd, zo wordt rekening gehouden met het broedseizoen van vogels. Buiten deze periode mogen bomen met verlaten nesten wel gekapt, geringd of geveld worden, maar enkel als er geen broedgeval vastgesteld is. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een ecologisch deskundige een controle uit te voeren in het bosgebied en worden bijzondere nestbomen – bomen met jaarrond beschermde nesten, holtebomen – gemarkeerd. Deze dienen ontzien te worden van de werkzaamheden. De bomen die direct naast een bijzondere nestboom of direct naast een nestboom met broedgeval staan mogen tevens niet gekapt, geringd of geveld worden.

Zo wordt voorkomen dat de nestboom vrij komt te staan en wordt de kans op verstoring van het nest of verontrusting van de vogels tot minimum beperkt. Verdere uitwerking van deze maatregelen dient omschreven te worden in het ecologisch werkprotocol.

5.1.9

Zoogdieren Vleermuizen Verspreid over het bosgebied zijn verschillende holtebomen aangetroffen die geschikt zijn als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen (figuur 11 en foto 19).

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

47

Figuur 11. Aangetroffen holtebomen in bosgebied

Foto 19. Dode populierenboom met 3 holtes

Als gevolg van het kappen en ringen van bomen, aanplant van bomen en struiken en overige boswerkzaamheden, kunnen vleermuizen worden verstoord of verblijfplaatsen worden vernietigd. Boswerkzaamheden dienen uitgevoerd te worden volgens een ecologisch werkprotocol ecologisch werkprotocol conform de Gedragscode soortbescherming bosbeheer (VBNE, 2022) om verstoring en vernietiging van (verblijfplaatsen van) vleermuizen te voorkomen. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een ecologisch deskundige een controle uit te voeren in het bosgebied en worden holtebomen gemarkeerd. Deze dienen ontzien te worden van de werkzaamheden. Overige zoogdieren Tijdens de inventarisatie zijn verschillende (sporen van) zoogdieren waargenomen:  Haas: Tijdens de inventarisatie is een haas waargenomen.  Reeënsporen: Verspreid over het bosgebied zijn verschillende reeënlegers aangetroffen, evenals veegsporen aan jonge en dunne bomen en pootafdrukken. Dit geeft aan dat het bosgebied onderdeel is van het leefgebied van reeën (foto 20 en 21). De legers waren nog erg recent, doordat er geen bladeren overheen zijn gevallen.

Foto 20. Veegspoor ree

Foto 21. Recente legers van ree

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

48

 Vossensporen: Net buiten het bosgebied is een vossenhol aangetroffen. Van een lokale bewoner is informatie ontvangen dat de burcht door vossen wordt gebruikt om onder andere jongen groot te brengen (figuur 12 en foto 24). Middels een cameraval is waargenomen dat er ook in het bos een vossenburcht aanwezig is (foto 25 en 26). In het bos zijn tevens pootafdrukken van vossen aangetroffen. Dit geeft aan dat het bosgebied leefgebied is van vos.

N Foto 22

Foto 23

Figuur 12. Locatie van aangetroffen vossenburcht in wal en vossenhol onder boomwortel (geel omlijnd)

Foto 22. Vossenburcht in wal

Foto 23. Vossenhol onder omgevallen boom

Foto 24. Waargenomen vos op cameraval

 Dassensporen: Mogelijk wordt de vossenburcht tevens gebruikt door dassen. Middels een cameraval is waargenomen dat een das richting de burcht loopt via een wissel (figuur 13 en foto 25). Ook is een mogelijke vluchtpijp aangetroffen in de slootkant van het bosgebied die mogelijk door een das is gegraven (foto 26). Bovendien zijn verspreid over het bosgebied enkele wroetsporen waargenomen die mogelijk van das zijn (foto 27). Tevens zijn op enkele locaties vermoedelijke wissels aangetroffen. De sporen en beelden geven aan dat het bosgebied leefgebied is van das.

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

49

Foto 26

Foto 25

N Foto 27

Figuur 13. Locatie van genomen foto’s

Foto 25. Waargenomen das op camera, loopt richting de burcht in de wal

Foto 26. Mogelijke vluchtpijp van das in slootkant

Foto 27. Wroetsporen das

Het bosgebied is tevens geschikt als leefgebied voor zoogdieren benoemd in het deelonderzoek quickscan flora en fauna: algemene spits-, woel- en ware muizensoorten, eekhoorn, egel, konijn, kleine marterachtigen, steenmarter, waterspitsmuis en woelrat. Het bos biedt voldoende beschutting en mogelijkheden voor verblijfplaatsen voor deze soorten. Algemene spits-, woel- en ware, egel en konijn kunnen schuilen en foerageren tussen het struweel en holen maken in de grond. De bomen zijn geschikt als nest- en foerageerbomen voor eekhoorns. Kleine marterachtigen en steenmarter kunnen schuilen tussen de begroeiing, verblijven in boomholtes of andere holen in de grond. De bosranden zijn geschikte migratieroutes voor deze soorten, vanwege voldoende beschutting. De oever van De Leijgraaf is mogelijk leefgebied van waterspitsmuis en woelrat. Deze soorten kunnen mogelijk in de bos(randen) schuilen en foerageren. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden waarbij een omvorming naar natuurlijk bos wordt gerealiseerd, ontstaat uiteindelijk meer variatie binnen het bosgebied. Door de omvorming van het huidig bos naar natuurlijk bos met meer variatie, ontstaat een bos met (meer) leefgebied voor verschillende soorten.

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

50

De werkzaamheden worden geleidelijk over de tijd uitgevoerd, waardoor er afwisselend in bepaalde delen van het bos geen werkzaamheden plaatsvinden en daardoor altijd ‘rustplekjes’ zijn voor aanwezig dieren. Als gevolg van boswerkzaamheden kunnen echter mogelijk wel verblijfplaatsen van zoogdieren verloren gaan en kunnen individuen worden gestoord, verwond of gedood. Boswerkzaamheden dienen uitgevoerd te worden volgens een ecologisch werkprotocol conform de Gedragscode soortbescherming bosbeheer (VBNE, 2022) om verstoring van (verblijfplaatsen van) zoogdieren te voorkomen. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een ecologisch deskundige een controle uit te voeren in het bosgebied en worden belangrijke elementen gemarkeerd. Voorbeelden van belangrijke elementen zijn dassen- en vossenburchten, muizen- of konijnenholen, eekhoornnesten en/of takkenrillen (voor marterachtigen). De gemarkeerde elementen dienen ontzien te worden van de werkzaamheden. Indien nodig, wordt tevens een verstoringsvrije zone rondom het element gemarkeerd, waarbinnen geen werkzaamheden uitgevoerd mogen worden. Door de bosrand over tijd en ruimte gefaseerd aan te leggen, wordt de impact op het leefgebied van zoogdieren vermindert. Hierdoor blijft de bosrand geschikt als migratieroute voor marterachtigen en leefgebied voor andere zoogdieren.

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

51

6

Conclusie deelonderzoek Gedragscode bosbeheer Het bosgebied is leefgebied voor verschillende planten- en diersoorten. De boswerkzaamheden vallen onder bestendig bosbeheer, waardoor de werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden conform de Gedragscode soortbescherming bosbeheer (VBNE, 2022). Op deze manier blijft de leefomgeving dusdanig constant waardoor voorkomende soorten zich kunnen handhaven. De Gedragscode soortbescherming bosbeheer (VBNE, 2022) dient dan ook ten alle tijden nagevolgd te worden, een ontheffing van de Wet natuurbescherming is dan niet nodig. Voorafgaand aan de uitvoering van de boswerkzaamheden dient een ecologisch werkprotocol opgesteld te worden conform de Gedragscode soortbescherming bosbeheer (VBNE, 2022). Voorafgaand aan beheerwerkzaamheden dient een inventarisatie door een deskundige plaats te vinden, waarbij aanwezige flora- en fauna elementen worden gemarkeerd die tijdens de boswerkzaamheden ontzien of beschermd dienen te worden. Hiervoor kan de Checklist bosbeheer toegepast worden. Om de impact van de werkzaamheden te minimaliseren, wordt geadviseerd om werkzaamheden gefaseerd over tijd en ruimte uit te voeren. Zo wordt geadviseerd om de bosrand geleidelijk over tijd en ruimte aan te leggen, zodat een deel van de huidige bosrand behouden blijft en geschikt blijft als leefgebied voor verschillende soortgroepen.

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

52

Geraadpleegde bronnen

Literatuur

 Bos F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting, 2006. De

        

dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Bouwens, S. Provincie Noord-Brabant, 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Zoogdiervereniging - rapport 2017.32. Creemers R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie). 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland, Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey Nederland, Leiden. De Jonge, H. (2021). Inrichtings- en beheerplan Landgoed het Geleer. Bos- en natuurontwikkeling. Bosgroep Zuid Nederland, projectnummer 21013123. Korsten, E. en Regelink J.R. Herkennen van potentiële vleermuiswaarden: in het kader van quickscans en andere ecologisch vooronderzoek. Zoogdiervereniging - rapport 2010.44. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Limpens, H., K. Mostert, W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen, onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Ministerie van Economische Zaken. Brochure: Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3 december 2016. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2010.

Buiten aan het werk? Houd tijdig rekening met beschermde dieren en planten! Brochure BIJ12, 16 p. Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse libellen (Odonata). Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. VBNE, 2022. Gedragscode soortenbescherming bosbeheer 2022. Vereniging van bos- en natuurterreineigenaren, Driebergen.

Internet

 Natura 2000-gebieden,       

https://geocontent.rvo.nl/Natura2000/Overzichtskaart/index.html?provincie=Noord_Brabant, 1611-2021 Natuurnetwerk Nederland, https://noordbrabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=aadeed0954ee4cebaa058ed0ae6a4 c40, 16-11-2021 NDFF – 10-11-2021 16:33:21 www.eis-nederland.nl www.vlinderstichting.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl www.verspreidingsatlas.nl

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

53

Bijlagen Bijlage 1

Wet- en regelgeving

Wet natuurbescherming In Nederland is de bescherming van natuurwaarden sinds 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van soorten, gebieden en houtopstanden en vervangt daarmee de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en Boswet. Daarnaast geldt per provincie beleid voor de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd). Soortbescherming Op het gebied van soortbescherming is het uitgangspunt van de Wet natuurbescherming dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan; het ‘nee, tenzij-principe’. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. De Wet natuurbescherming kent de volgende drie categorieën beschermde soorten: 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Europese Vogelrichtlijn; 2.

Soorten, niet vogels zijnde, van de Europese Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a, het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt; 3. ‘Andere soorten’, waaronder soorten die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven. De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 2 zijn de verbodsbepalingen per regime weergegeven. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan:  Er mag alleen van de verbodsbepalingen worden afgeweken als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is;  Er moet sprake zijn van een in de wet genoemd belang. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn, zoals ruimtelijke ontwikkeling, volksgezondheid of openbare veiligheid;  Er mag geen afbreuk worden gedaan aan de staat van instandhouding van de soort.

Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen is bovendien vrijstelling mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode.

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

54

Tabel 2. Verbodsbepalingen per categorie beschermde soorten Categorie 1 (§ 3.1 Wnb)

Categorie 2 (§ 3.2 Wnb)

Categorie 3 (§ 3.3 Wnb)

Art 3.1 lid 1

Art 3.5 lid 1

Art 3.10 lid 1a

Het is verboden in het wild levende

Het is verboden soorten in hun

Het is verboden soorten opzettelijk te

vogels opzettelijk te doden of te

natuurlijke verspreidingsgebied

doden of te vangen

vangen

opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.1 lid 2

Art 3.5 lid 4

Art 3.10 lid 1b

Het is verboden opzettelijk nesten,

Het is verboden de

Het is verboden de vaste

rustplaatsen en eieren van vogels te

voortplantingsplaatsen of rustplaatsen

voortplantingsplaatsen of rustplaatsen

vernielen of te beschadigen, of nesten

van dieren te beschadigen of te

van dieren opzettelijk te beschadigen

van vogels weg te nemen

vernielen

of te vernielen

Art 3.1 lid 3

Art. 3.5 lid 3

-

Het is verboden eieren te rapen en

Het is verboden eieren van dieren in

deze onder zich te hebben

de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen

Art 3.1 lid 4 en lid 5

Art 3.5 lid 2

Het is verboden vogels opzettelijk te

Het is verboden dieren opzettelijk te

storen, tenzij de storing niet van

verstoren

-

wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort -

Art 3.5 lid 5

Art 3.10 lid 1c

Het is verboden plantensoorten in hun

Het is verboden plantensoorten in hun

natuurlijke verspreidingsgebied

natuurlijke verspreidingsgebied

opzettelijk te plukken en te

opzettelijk te plukken en te

verzamelen, af te snijden, te

verzamelen, af te snijden, te

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=079c7a9f-717d-4fd5-a95c-3d980e357025