Landgoed Het Geleer_toel_Bijl 6 Notitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
Tekst van het document
Pouderoyen Tonnaer is een handelsnaam van Pouderoyen B.V.
Notitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Bestemmingsplan Landgoed ‘het Geleer’ Gemeente Bernheze Opsteller
Evelyne van Overbeek Adviseur milieu en leefomgeving evanoverbeek@pouderoyentonnaer.nl
Datum Gewijzigd
16 december 2021 20 februari 2023, 19 juni 2023 en 22 september 2023
Project
P203840.012.R3
Vestigingen te Nijmegen, Vught, Baexem en Voerendaal
1 Aanleiding Voor de realisatie van het nieuw te ontwikkelen landgoed 'het Geleer' van circa 14 ha aan de Meerstraat (achter nr. 22) in Heeswijk-Dinther is een bestemmingsplanwijziging in voorbereiding. De landgoedontwikkeling bestaat uit het toevoegen van 2,32 ha nieuwe natuur in de vorm van bosaanplant op nu nog onbebouwde agrarische grond. Daarnaast wordt het aangrenzende bestaande productiebos van 11,4 ha omgevormd naar een structuurrijker natuurbos. Zo ontstaat een openbaar toegankelijk natuurgebied van 13,7 ha met een mogelijkheid voor realisering van een nieuw landhuis met maximaal 2 wooneenheden. Deze vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie is opgesteld zodat de gemeente de milieugevolgen van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling in een vroeg stadium (vóór de terinzagelegging van het ontwerpbesluit) kan beoordelen en besluiten of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de Europese m.e.r.-richtlijn (projecten) en SMB-richtlijn (plannen). Deze richtlijnen zijn in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In het Besluit m.e.r. zijn ontwikkelingen aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu.
Afhankelijk van de ontwikkeling dient een m.e.r.- procedure, een m.e.r.-beoordelingsprocedure of een vormvrije m.e.r.-beoordelingsprocedure doorlopen te worden. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordelingsprocedure gelden twee voorwaarden: •
Het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r.;
•
De omvang van die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst).
Op onze dienstverlening zijn de DNR 2011 voorwaarden van toepassing die u vindt op pouderoyentonnaer.nl
P203840.012/EVO, pagina 2 van 22
De vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd bij activiteiten in kolom 1 van de D-lijst en de plannen (kolom 3) en besluiten (kolom 4) die daaraan zijn gekoppeld, in gevallen waarin de omvang beneden de drempelwaarde (kolom 2) ligt. In de bijlage behorende bij het Besluit m.e.r. is onder D11.2 de volgende activiteit opgenomen: De aanleg, wijziging, of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Het planvoornemen bestaat uit het realiseren van een landgoed bestaande uit een openbaar toegankelijk natuurgebied van 13,7 ha met de mogelijkheid tot maximaal 2 wooneenheden. Deze ontwikkeling valt onder een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’. De omschrijving van de drempelwaarden behorend bij de categorie D.11.2 zijn opgenomen in onderstaande tabel 1. Activiteiten
Gevallen
Plannen
Besluiten
Aanleg , wijziging of
In gevallen waarin de
De structuurvisie,
De vaststelling van het
uitbreiding van een
activiteit betrekking heeft
bedoeld in de artikelen
plan, bedoeld in artikel
stedelijk
op:
2.1, 2.2 en 2.3 van de
3.6, eerste lid,
ontwikkelingsproject met
1°. een oppervlakte van
Wet ruimtelijke ordening,
onderdelen a en b, van de
inbegrip van de bouw van
100 hectare of meer,
en het plan, bedoeld in
Wet ruimtelijke ordening
winkelcentra of
2°. een aaneengesloten
artikel 3.1, eerste lid, van
dan wel bij het ontbreken
parkeerterreinen
gebied en 2000 of meer
die wet.
daarvan van het plan,
woningen omvat, of
bedoeld in artikel 3.1,
3°. een
eerste lid, van die wet.
bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Tabel 1: Omschrijving m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit categorie D11.2 (Bijlage bij Besluit m.e.r.)
Wettelijke plannen, waarvoor een Passende Beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming nodig is, zijn rechtstreeks m.e.r.-plichtig (artikel 7.2a Wet milieubeheer eerste lid). Voor het onderhavige bestemmingsplan is geen Passende beoordeling vereist. Op basis van artikel 7.2.a lid 1 Wet milieubeheer is er geen sprake van een m.e.r.-plicht.
2 Plangebied Het plangebied ligt ten noorden van het dorp Heeswijk-Dinther, op de overgang van de kern naar het buitengebied en De Heeswijkse Bossen (kadastrale percelen gemeente Heeswijk-Dinther E683, E686, E688, E1054, E3240 en E3242). De omgeving bestaat uit agrarisch gebied (akkerbouw en weilanden). Langs de Meerstraat (westelijk van het plangebied) en de Pater van den Elsenstraat (zuidelijk van het plangebied) zijn enkele agrarische bedrijven en burgerwoningen gelegen. De woonkavels van deze boerderijen zijn met beplanting afgeschermd van het omringende agrarisch gebied. Her en der verspreid zijn (delen van) perceelgrenzen gemarkeerd door laanbeplanting of houtsingels. De planlocatie grenst aan de noordzijde aan de beek De Leijgraaf. De Leijgraaf is een vrij brede watergang met aan weerszijden een onderhoudsstrook en vervult ook de functie van Ecologische Verbindingszone (EVZ).
P203840.012/EVO, pagina 3 van 22
Figuur 1: Ligging plangebied en begrenzing beoogd landgoed en globale aanduiding locatie beoogd landhuis (ster)
3 Leeswijzer Voor de ruimtelijke onderbouwing, beleidskaders, visualiseringen, onderzoeksrapporten en bijlagen wordt verwezen naar de toelichting en de bijlagen van het (ontwerp)bestemmingsplan.
4 De (vormvrije) m.e.r.-beoordeling In bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten' staan drie hoofdcriteria centraal: •
de kenmerken van het project;
•
de plaats van het project;
•
de kenmerken van de potentiële effecten.
4.1 De kenmerken van de activiteit Bij het kenmerk van het project moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a. de omvang van het project; b. de cumulatie met andere projecten; c. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen;
P203840.012/EVO, pagina 4 van 22
d. de productie van afvalstoffen; e. verontreiniging en hinder; f. het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering; g. risico’s voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling). Ad a: de omvang van het project Het plangebied heeft een grootte van circa 14 ha. De landgoedontwikkeling bestaat uit het toevoegen van 2,32 ha nieuwe natuur op nu nog agrarische grond. Daarnaast wordt het aangrenzende bestaande productiebos van 11,4 ha omgevormd naar natuurbos. Zo ontstaat een openbaar toegankelijk natuurgebied van 13,7 ha met een mogelijkheid voor realisering van een nieuw landhuis met maximaal 2 wooneenheden. De aard en omvang van het plan is niet van dien aard dat dit direct leidt tot de conclusie dat hiermee aanzienlijke milieugevolgen gepaard gaan die het uitvoeren van een milieueffectrapportage nodig maken. Ad b: de cumulatie met andere projecten In de omgeving van het plangebied zijn geen ontwikkelingen in voorbereiding die een cumulerend werking kunnen hebben met het planvoornemen. Ad c: het gebruik van natuurlijke hulpbronnen Onder natuurlijke hulpbronnen worden onder andere niet vernieuwbare bronnen, zoals fossiele brandstoffen verstaan, maar ook hernieuwbare bronnen, zoals hout, zon, rubber, drinkwater en zuurstof.
Het nieuwe landhuis zal niet worden aangesloten op aardgas (fossiele brandstof). Het plan ziet toe op ontwikkeling van nieuwe natuur. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen voor de landgoedontwikkeling geven geen aanleiding aanzienlijke gevolgen voor het milieu te veronderstellen, zodanig dat daarvoor een milieueffectrapportage dient te worden opgesteld. Ad d: de productie van afvalstoffen De productie van afvalstoffen is beperkt tot de bouwafvalstoffen tijdens de realisatie van het nieuwe landhuis en de toekomstige huishoudelijke afvalstoffen tijdens het gebruik van de wooneenheden. De productie van afvalstoffen vormen naar aard en omvang geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage. Ad e: verontreiniging en hinder Er is geen sprake van een vergunningplichtige inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of waarop het Activiteitenbesluit van toepassing is. In deze notitie wordt nader ingegaan op de potentiële effecten van de voorgenomen ontwikkeling. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling geen significant negatieve milieueffecten veroorzaakt. Relevante verontreiniging en hinder als gevolg van het toekomstig gebruik van het plangebied is niet aan de orde. Ad f: het risico van zware ongevallen en/of rampen Het nieuwe landhuis met twee maximaal wooneenheden betreft geen risicovolle inrichting.
Er liggen geen risicovolle inrichtingen in de directe nabijheid van het plangebied.
P203840.012/EVO, pagina 5 van 22
Ad g: risico’s voor de menselijke gezondheid De landgoedontwikkeling zorgt niet voor een relevante emissie van gevaarlijke/verontreinigende stoffen die schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid.
4.2 Plaats van het project Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a. het bestaande grondgebruik; b. relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) van het gebied; c. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: − wetlands, oeverformaties, riviermondingen − kustgebieden − berg- en bosgebieden − natuurreservaten en -parken − gebieden die in de nationale wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; Natura 2000-gebieden die door de lidstaten zijn aangewezen krachtens Richtlijn 92/43/EEG en Richtlijn 2009/147/EG; − gebieden waar de milieukwaliteitsnormen al niet worden nagekomen − gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid − landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Ad a: het bestaande grondgebruik Het plangebied bestaat uit productiebos en onbebouwde landbouwgrond. Het bestaande bosgebied wordt door een waterloop gescheiden in twee delen. Het zuidelijk en westelijk deel van het plangebied is nog in regulier agrarisch gebruik als bouw-/weiland. De gronden van het bosgebied waren tot 2005 in agrarisch gebruik als akkerland. De groei en vitaliteit van het aangeplante bos is goed, maar de natuurwaarde is nog vrij beperkt. Aan de randen van de bospercelen is een smalle mantel- en zoomvegetatie tot ontwikkeling gebracht. In het kader van de realisering van de EVZ zijn in het bosgebied, tegen de Leijgraaf, een poel en een paaiplaats voor vissen aangelegd. Ook is een tweetal lanen aangeplant in de bospercelen. De aangeplante laanbomen zijn vrijwel volledig overgroeid door de aangrenzende bospercelen. Het bos is toegankelijk voor wandelaars op de aanwezige paden. Binnen het plangebied zijn er geen infrastructurele voorzieningen in de vorm van wegen voor gemotoriseerd verkeer. Het plangebied is voorzien van enkele onverharde paden voor voetgangers, waarvan de laanstructuren in het bosgebied de prominentste zijn.
P203840.012/EVO, pagina 6 van 22
Ad b: relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) van het gebied Het huidige productiebos en het perceel onbebouwde landbouwgrond heeft een beperkte natuurwaarde en zal fasegewijs worden omgevormd tot een natuurlijker en structuurrijker natuurbos. De biodiversiteit zal door deze natuurontwikkeling toenemen. De aanwezig watergangen in het gebied blijven behouden. Ad c: het opnamevermogen van het natuurlijke milieu In de omgeving van het plangebied bevinden zich enkele van de in de opsomming genoemde (potentieel) waardevolle gebieden. Dit zijn Natura2000 gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. In paragraaf 4.3.8 wordt nader ingegaan op de effecten van de landgoedontwikkeling op beschermde natuurgebieden. Het plangebied ligt binnen een gebied wat aangewezen is voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. In paragraaf 4.3.7 wordt hier op ingegaan.
4.3 Kenmerk van het potentiële effect Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 (de kenmerken van het project en de plaats van het project) in het bijzonder in overweging worden genomen: a. de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden); b. de aard van het effect; c. het grensoverschrijdend karakter van het effect; d. de intensiteit en de complexiteit van het effect; e. de waarschijnlijkheid van het effect; f. de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; g. de cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten; h. de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen. Het potentiële effect van de activiteit is vanwege de omvang zeer beperkt, voor wat betreft het fysieke bereik en de grootte van de getroffen bevolking. Om een beeld te schetsen van de specifieke effecten wordt in de navolgende subparagrafen per deelaspect het effect weergegeven en vanwege de verwaarloosbare effecten niet specifiek stilgestaan bij de bovenstaande punten.
4.3.1 Verkeer Het planvoornemen realiseert een landgoed met landhuis met maximaal 2 wooneenheden en wordt ontsloten op de Meerstraat door aanleg van een nieuwe ontsluitingsweg parallel aan de bestaande bomenlaan langs de minicamping Meerstraat 22. De Meerstraat beschikt over voldoende capaciteit om de verkeersgeneratie van het planvoornemen te kunnen afwikkelen. Op basis van de CROW normen geldt voor een twee onder een kap woning in het buitengebied voor een weinig stedelijk gebied een norm van maximaal 17 verkeersbewegingen per etmaal en
P203840.012/EVO, pagina 7 van 22
een parkeernorm van maximaal 6 parkeerplekken. Er is voldoende ruimte om binnen het plangebied te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte. Het landgoed wordt opengesteld voor publiek, echter is het huidige plangebied ook al toegankelijk voor publiek en ontsloten met wandelpaden. Door het planvoornemen verandert deze structuur niet wezenlijk. Er is geen sprake van significant nadelige milieugevolgen ten aanzien van het aspect verkeer.
4.3.2 Geluid Het beoogde landhuis met twee wooneenheden is een geluidgevoelig object dat moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) is geregeld dat bepaalde wegen, spoorwegen en bedrijven(terreinen) een zone hebben. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. •
Wegverkeerslawaai Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) heeft elke weg een geluidszone, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Met realisering van het landhuis wordt een geluidgevoelig object gerealiseerd. De Meerstraat kent een snelheidsregime van 60 km/uur. De situering van de nieuwe woning bevindt zich op ruime afstand van de weg, maar ligt binnen de geluidszone van de Meerstraat alsmede van de Pater van den Elsenstraat. Uit een indicatieve berekening die door de ODBN is uitgevoerd, blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden als gevolg van het wegverkeerslawaai op de Meerstraat. De Pater van den Elsenstraat is een weg met doorgaans alleen bestemmingsverkeer voor de inrichtingen en woningen aan de Pater van den Elsenstraat. Vanwege het beperkte aantal woningen en inrichtingen aan deze weg, mag worden gesteld dat de verkeersintensiteit op deze weg zeer laag is. Dit valt ook op te maken uit het Regionale verkeersmodel prognosejaar 2030. De Pater van den Elsenstraat is vanwege de lage verkeersintensiteit niet opgenomen in het verkeersmodel. De beoogde landgoedontwikkeling zorgt ook niet tot een wezenlijke toename van de verkeersintensiteiten. O.b.v. CROW-normen bedraagt de verkeersgeneratie voor het landhuis met twee wooneenheden maximaal 17 verkeersbewegingen per etmaal (worstcase benadering).
Vanwege de geringe verkeersintensiteit en de afstand tussen het te ontwikkelen landhuis en de weg mag worden gesteld dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden als gevolg van het wegverkeerslawaai op de Pater van den Elsenstraat. Daarnaast zal met een standaard geluidwering van 20 dB in het landhuis een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden behaald van 33 dB.
P203840.012/EVO, pagina 8 van 22
•
Industrielawaai De planlocatie ligt niet in de buurt van een gezoneerd industrieterrein. Er is geen sprake van een belemmering in het kader van industrielawaai.
•
Spoorweglawaai Het plangebied ligt niet bij een spoorlijn en dus ook niet binnen de geluidzone van een spoorlijn. Het aspect railverkeerslawaai is niet relevant.
De aspecten wegverkeer-, industrie-, spoorweg- en luchtvaartlawaai vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Gesteld kan worden dat een goed akoestisch woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Een akoestisch onderzoek is niet nodig. Goed woon- en leefklimaat is ten aanzien van geluid gewaarborgd. Er zijn ten aanzien van geluid geen significant nadelige milieueffecten te verwachten.
4.3.3 Luchtkwaliteit Op 15 november 2007 is de wijziging van de Wet milieubeheer (Wm) in werking getreden. De paragraaf luchtkwaliteit in de Wm voorziet in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ontwikkelingen als er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde of als een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt (meer dan 3% ten opzichte van de grenswaarde). De NIBMgrens voor een woningbouwlocatie ligt op < 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg met een gelijkmatige verkeersverdeling. De luchtkwaliteit in de omgeving van het plangebied wordt met name bepaald door de uitstoot van PM10, PM2,5 en NO2 door wegverkeer. Het landhuis betreft nieuwbouw en de wooneenheden worden gasloos uitgevoerd. De landgoedontwikkeling zorgt niet tot een significante toename van verkeersintensiteiten. Worstcase o.b.v.
CROW-normen is dit voor de twee wooneenheden een toename van maximaal 17 verkeersbewegingen per etmaal. De verkeersgeneratie door bezoekers van het landgoed blijft hetzelfde als in de huidige situatie. De voorgenomen ontwikkeling is te kenmerken als ‘Niet in betekenende mate’ (NIBM).
P203840.012/EVO, pagina 9 van 22
Als een bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging, kan toch een luchtkwaliteitsbeoordeling nodig zijn voor een goede ruimtelijke ordening. Daarbij staat dan de vraag centraal, of de nieuwe bestemmingen aanvaardbaar zijn bij de bestaande luchtkwaliteit (het woon- en leefklimaat). Voor wat betreft het woon- en leefklimaat zijn de concentraties PM10, PM2,5 en NO2 ter plaatse van het landhuis van belang. Voor de actuele achtergrondconcentraties is de Grootschalige Concentratiekaart Nederland (GCN) geraadpleegd. Binnen het plangebied liggen de concentraties ver onder de wettelijke grenswaarden en benaderen de gezondheidskundige advieswaarden. Zie navolgende tabel en figuren. Wettelijke grenswaarden en WHO-advieswaarden: PM10 PM10
Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m3 15 µg/m3
EU-grenswaarde/ Wm WHO advieswaarde
PM2,5
Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie
20 µg/m3 5 µg/m3
EU-grenswaarde/ Wm WHO advieswaarde
Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m3 10 µg/m3
EU-grenswaarde/ Wm WHO advieswaarde
PM2,5 NO2 NO2
Figuur 2: Detailinformatie grootschalige concentratiekaart Nederland, jaar 2022 (www.geodata.rivm.nl/GCN)
Er is geen dreigende overschrijding van de grenswaarden, aangezien de heersende achtergrondconcentraties ver onder de grenswaarden liggen en bovendien de verwachte toekomstige achtergrondconcentraties lager liggen (dalende trend). In de bestaande situatie is ter plaatse van het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat, aangezien de achtergrondconcentraties ver onder de wettelijke toetswaarden liggen en de gezondheidskundige WHO-advieswaarden benaderen. Ten aanzien van de beoogde planontwikkeling is gezien voorgaande geen sprake van significant nadelige milieueffecten ten aanzien van luchtkwaliteit.
P203840.012/EVO, pagina 10 van 22
4.3.4 Externe veiligheid Het externe veiligheidsbeleid is gericht op beperking en beheersing van risico's door opslag en gebruik van gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een minimum beschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet bij ruimtelijke ontwikkelingen de kans op grote calamiteiten met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord bij een toename van het aantal personen binnen het invloedsgebied of een toetsingszone van een risicobron. Om de risico's ter plaatse van het plangebied te beoordelen is de provinciale risicokaart geraadpleegd.
Figuur 3: Uitsnede risicokaart, plangebied bij blauwe ster
Er zijn in het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Ook buiten het plangebied zijn geen inrichtingen aanwezig waarvan de risicocontouren het plangebied beïnvloeden. In of nabij het plangebied zijn geen routes gelegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of water plaatsvindt. De afstand tot de dichtstbijzijnde routes is zodanig groot dat het plangebied hier niet door wordt beïnvloed. Er zijn ook geen hoogspanningsleidingen en buisleidingen in en in de directe omgeving om het plangebied aanwezig. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. De planontwikkeling leidt niet tot significant nadelige milieueffecten ten aanzien van externe veiligheid.
4.3.5 Bodem Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht. Wanneer een ontwikkeling geen bestemmingswijziging tot gevolg heeft, hoeft er geen bodemonderzoek in het kader van het plan uitgevoerd te worden; de bodem wordt in dat geval geschikt geacht voor de toegestane functie. Het bodemonderzoek wordt in die gevallen
P203840.012/EVO, pagina 11 van 22
uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen. De beoogde planontwikkeling ziet toe op de oprichting van een landhuis met maximaal 2 wooneenheden op onbebouwde agrarische grond. Voor de bestemmingswijziging is een bodemonderzoek noodzakelijk om vast te kunnen stellen of de bodem ter plaatse geschikt is voor woondoeleinden. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, moet de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld worden gebracht. Door NIPA Milieutechniek BV is een verkennend bodemonderzoek (rapportnummer N203927, dd. 10 november 2021) uitgevoerd om vast te kunnen stellen of de bodem ter plaatse geschikt is voor woondoeleinden. Dit onderzoek is als bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan gevoegd. In het onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: −
zowel de vaste bodem als het grondwater zijn niet (noemenswaardig) verontreinigd met de onderzochte parameters;
−
in de bovengrond zijn de parameters PCB en koper in een zeer licht verhoogd gehalte gemeten. De grond voldoet aan de achtergrondwaarde, en is vanuit een indicatieve toetsing aan het Besluit Bodemkwaliteit “Altijd Toepasbaar”;
−
de uitvoering van een aanvullend of nader onderzoek is, ons inziens, niet zinvol. Tegen voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie zijn geen zwaarwegende milieuhygiënische bezwaren aan te voeren;
−
eventueel vrijkomende grond mag op de locatie worden hergebruikt. Indien grond van de locatie afgevoerd dient te worden, is de Regeling bodemkwaliteit van toepassing.
Gezien de resultaten van het bodemonderzoek vormt het aspect bodem geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijzing en zijn er geen significant nadelige milieueffecten te verwachten ten aanzien van bodem en bodemkwaliteit.
4.3.6 Water De bestaande situatie van het plangebied betreft onbebouwde agrarische en bosgrond. Door het plangebied loopt een A-watergang, die vanf de kern Heeswijk-Dinther uitmondt in de Leijgraaf. Deze watergang wordt met het voornemen niet gewijzigd. Bijbehorende beschermingszones worden in acht genomen. Ten westen en zuiden van het bestaande bosgebied zijn tevens een tweetal ondergeschikte, lokale watergangen aanwezig. Ook deze watergangen blijven gehandhaafd. De geomorfologische samenstelling van de bodem van het plangebied wijzigt niet. Omvorming van het bestaande bos en aanplant van nieuw bos zal tot weinig directe effecten op de waterhuishouding leiden. De realisering van een landhuis met eventuele bijgebouwen en aanleg van een toegangspad betekent een toename van het verhard oppervlakte > 500 m2. Een compenserende waterberging is daarom noodzakelijk.
P203840.012/EVO, pagina 12 van 22
Het schoon hemelwater zal worden afgekoppeld van het riool en via een waterbergingsvoorziening in de vorm van een helofytenfilter in de tuin van het landhuis, vertraagd infiltreren in de bodem. Het plangebied biedt voldoende ruimte en de bodem is geschikt voor infiltratie. Hiermee wordt voorkomen dat in extreme situaties overlast ontstaat op eigen terrein of bij derden. Om schoon hemelwater te garanderen worden niet-uitloogbare bouwmaterialen gebruikt (DuBo-maatregelen). Het huishoudelijk afvalwater van het nieuwe landhuis zal op het bestaande vuilwaterriool worden aangekoppeld. Het waterschap heeft een positief wateradvies gegeven. Het planvoornemen leidt niet tot significant nadelige milieueffecten voor het aspect water.
4.3.7 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie De gemeente heeft vanuit haar archeologiebeleid voorwaarden opgesteld ten aanzien van de omgang met het archeologisch erfgoed. Deze zijn in het bestemmingsplan weergegeven als een dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ met daaraan gekoppelde ondergrenzen onderzoeksplicht. Van het noordwestelijk tot het zuidelijk deel van het plangebied ligt een zeer hoge tot middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Door een archeologisch bureau is een inventariserend veldonderzoek en nader karterend onderzoek uitgevoerd om de aanwezigheid van eventuele archeologische waarden te kunnen uitsluiten. Deze onderzoeken zijn als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd. Naar aanleiding van de uitgevoerde archeologische onderzoeken is voor het merendeel van de gronden van het plangebied geen planologische beschermingsregeling nodig voor eventuele archeologische waarden. De kans op archeologische resten is klein. Planologische bescherming wordt nog wel noodzakelijk geacht voor het plangedeelte ter plaatse van een zone van 20 meter rondom een oude geul van de Leijgraaf in het noordwesten van het plangebied. Daarnaast dient ook voor een klein gedeelte van het bestaande bosgebied de geldende planologische bescherming te worden gehandhaafd.
Het bestaand bosgebied maakt immers geen onderdeel uit van het onderzoeksgebied van het nader archeologisch onderzoek. Aangezien hier met het voornemen geen bodemingrepen diepen dan 40 cm -mv, onder de reeds omgewerkte Ahorizont, zijn voorzien. Ten behoeve van de bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden bij mogelijk toekomstige diepere bodemingrepen zijn ter plaatse van deze gebieden de geldende archeologische dubbelbestemmingen opgenomen, te weten 'Waarde - Archeologie 1' (grenzend aan de Leijgraaf) respectievelijk 'Waarde - Archeologie 3' (ter hoogte van een gedeelte van het bestaand bosgebied). In het planvoornemen zijn hier geen bodemingrepen dieper dan 40 cm-mv voorzien.
P203840.012/EVO, pagina 13 van 22
Cultuurhistorie De planlocatie ligt niet in een door de provincie aangeduid cultuurhistorisch waardevol gebieden en maakt ook geen onderdeel uit van een overig waardevol historisch geografisch vlak. De Meerstraat is wel aangeduid als historische weg van redelijk belang. Met de beoogde landgoedontwikkeling vindt er geen aantasting van de bestaande wegenstructuur plaats. Op de planlocatie bevindt zich geen monumentaal pand. Er bevinden zich ook geen overige (rijks)monumenten of andere cultuurhistorische elementen die mogelijk ‘aangetast' zouden kunnen worden met het voorgenomen plan. Het plan heeft geen significant nadelige milieueffecten ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie.
4.3.8 Natuur Het plan voorziet in natuurontwikkeling. Voor het bosgebied is een inrichtings- en beheerplan opgesteld, dat als bijlage bij de regels van het bestemmingsplan is opgenomen. Bestaand bos wordt aan de zuid- en westzijde uitgebreid met ca. 2,32 ha. Het bestaande productiebos van ca. 11,6 ha heeft op dit moment een beperkte natuurwaarde en zal natuurlijker en structuurrijker ingericht worden. De productiefunctie van het bestaande bos zal komen te vervallen. Natuurnetwerk Het dichtstbijzijnde NNB gebied (Natuurnetwerk Brabant) ligt op ongeveer 400 meter afstand ten noordwesten van het plangebied. Het planvoornemen heeft door de lokale aard geen aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNB tot gevolg en zal niet leiden tot negatieve effecten, maar vanwege de natuurontwikkeling juist resulteren in versterking van de aanwezige natuurwaarden. Soortenbescherming - Wet natuurbescherming (flora en fauna) De soortbescherming is opgenomen in de Wet Natuurbescherming. Deze bescherming geldt overal in Nederland, ook in de beschermde gebieden. De soortbescherming kent geen externe werking. Projecten worden getoetst aan de directe invloed op beschermde waarden binnen de grenzen van het plangebied. De wet regelt de bescherming van wilde dier- en plantsoorten. Ook omvat de wet de bescherming van Habitatrichtlijnsoorten buiten de aangewezen Natura 2000 gebieden.
Door een ecologisch bureau is een quickscan flora en fauna met veldonderzoek uitgevoerd. Het rapport is als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd. Uit de resultaten van deze rapportage kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen plannen met betrekking tot de nieuwe natuurontwikkeling en oprichting van het landhuis niet leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming, mits rekening wordt gehouden met een aantal aandachtspunten.
P203840.012/EVO, pagina 14 van 22
Daarnaast dient voorafgaand aan de uitvoering van de boswerkzaamheden een ecologisch werkprotocol opgesteld te worden conform de Gedragscode soortbescherming bosbeheer (VBNE, 2022). De genoemde aanbevelingen zullen in acht worden genomen bij uitvoering van de feitelijke werkzaamheden. Bij inachtneming van de aanbevelingen kan op basis van de uitgevoerde quickscan worden uitgesloten dat er significante effecten zijn voor beschermde soorten en dat er een ontheffing van de Wet natuurbescherming is vereist. Gebiedsbescherming - Wet natuurbescherming (stikstof) Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied Bossche Broek & Moerputten ligt op ca. 11 km van het plangebied. Hierdoor kunnen alleen effecten optreden als gevolg van de externe werking. Gezien de relatief grote afstand tussen de planlocatie en Natura 2000-gebieden is uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebieden als gevolg van verstoring. In theorie kan sprake zijn van stikstofdepositie op Natura2000 gebieden door mobiele werktuigen en bouwverkeer in de realisatiefase en/of in de gebruiksfase. Als er op deze afstand geen stikstofdepositie optreedt > 0,00 mol/ha/jaar dan is met zekerheid uitgesloten dat er sprake is van een toename in stikstofdepositie op het 11 km van het plangebied gelegen Natura 2000 gebied 'Bossche Broek en Moerputten' en verder gelegen Natura2000 gebieden.
De Aerius-berekeningen zijn bijgevoegd in de bijlagen bij het bestemmingsplan. Uit deze berekeningen blijkt dat zowel in de gebruiksfase als in de aanlegfase geen toename in stikstofdepositie optreedt en daarmee zijn negatieve effecten voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden uitgesloten. Er is geen Passende beoordeling vereist o.b.v. de Wet natuurbescherming. De landgoedontwikkeling leidt niet tot significant nadelige effecten voor beschermde natuurgebieden.
4.3.9 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader als het gaat om geurhinder door veehouderijen. De Wgv bevat normen en afstanden die veehouderijen moeten aanhouden ten opzichte van geurgevoelige objecten en de gemeente kan afwijkende geurnormen en afstanden vaststellen in een geurverordening. De gemeente Bernheze heeft in 2013 een geurverordening vastgesteld en voor het ‘extensiveringsgebied rond kernen’ (waar het plangebied binnen ligt) een geurnorm van 8 Ou vastgesteld. De Wgv schrijft voor op welke wijze een bevoegd gezag de geurhinder vanwege dierenverblijven moet beoordelen indien een veehouderij een omgevingsvergunning aanvraagt. Omgekeerd hebben de geurregels ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten (oa. woningen). Dit wordt de ‘omgekeerde werking’ genoemd.
P203840.012/EVO, pagina 15 van 22
Ten aanzien van de beoordeling of sprake is van een goed woon- en leefklimaat wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgrondbelasting en achtergrondbelasting. De voorgrondbelasting betreft de geurbelasting van individuele veehouderij op een geurgevoelig object. De achtergrondbelasting betreft de cumulatieve geurbelasting in een gebied als gevolg van de aanwezige veehouderijen. Voorgrondbelasting De geurcontour van Meerstraat 24 valt over het plangebied maar het landhuis is buiten de indicatieve geurhindercontouren rondom de bouwvlakken van veehouderijen gesitueerd, met name buiten de 8 Ou geurcontour van Meerstraat 24. Zie figuur 4. Dit betekent dat het landhuis geen beperkende werking heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen.
Figuur 4: Indicatieve geurhindercontouren o.b.v. gemeentelijke geurnorm 8 Ou
Achtergrondbelasting De gemeente Bernheze heeft op 20 december 2013 de ‘Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Bernheze 2013’ vastgesteld. Bij het beoordelen van ruimtelijke initiatieven en plannen worden, als vertaling van het criterium ‘een aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ voor het aspect cumulatieve geurhinder uit stallen van veehouderijen, een toetswaarde van maximaal 13 Ou achtergrond-belasting gehanteerd voor nieuwe woongebieden en maximaal 20 Ou voor het buitengebied. Het planvoornemen ziet toe op het buitengebied en daarmee is de gemeentelijke toetswaarde van 20 Ou van toepassing. De gezondheidskundige advieswaarde voor de achtergrondbelasting van geur bedraagt 10 OU voor het buitengebied.
P203840.012/EVO, pagina 16 van 22
Het aantal overige veehouderijbedrijven in de wijde omgeving van het plangebied is dermate laag, dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar achtergrondniveau voor geur. De indicatieve achtergrondbelasting bedraagt ter plaatse van het beoogde landhuis ongeveer 4 tot 5 OU. Daarmee wordt ruim voldaan aan de gemeentelijke toetswaarden in de beleidsregel en ook wordt voldaan aan de gezondheidskundige advieswaarde voor een goed woon- en leefklimaat.
Figuur 5: Indicatieve achtergrondbelasting geur (vergund o.b.v. BVB sept 2020)
Het plan heeft geen beperkende werking voor omliggende veehouderijen (geen ‘omgekeerde werking’). Er is ter plaatse van het landhuis sprake van een goed woon- en leefklimaat en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het plan leidt niet tot significant nadelige milieueffecten ten aanzien van geur.
4.3.10 Gezondheid en veehouderijen Endotoxinen Blootstelling aan stoffen uit de veehouderij (met name pluimvee- en varkenshouderijen in de omgeving) kan leiden tot negatieve gezondheidseffecten. Volgens de Gezondheidsraad is endotoxine een goede indicator voor blootstelling van omwonenden van veehouderijen. Voor endotoxine is nog geen wettelijke norm vastgesteld.
P203840.012/EVO, pagina 17 van 22
Er is een advieswaarde voor omwonenden door de Gezondheidsraad voorgesteld (30 EU/m3) welk door het ondersteuningsteam en de GGD is overgenomen. De endotoxine-risicocontouren waarbinnen de advieswaarde wordt overschreden, worden op basis van de vergunde fijnstof emissie berekend met het Endotoxine-toetsingskader 1.0. Het toetsingskader beschermd woningen ten aanzien van fijnstof-endotoxinen en hiermee kan worden bepaald of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het Endotoxine-toetsingskader 1.0 gaat in hoofdstuk 5 in op de doorwerking van het toetsingskader (dat in beginsel voor vergunningverlening en veehouderijen is bedoeld) binnen de ruimtelijke ordening: •
“Een verhoogd risico voor de volksgezondheid kan spelen bij de ontwikkeling (uitbreiding) van een veehouderij, maar ook bij de realisatie van een nieuwe gevoelige bestemming. Bij dit laatste valt te denken aan de bouw van een nieuwe woning in het buitengebied of de uitbreiding van een dorpskern”.
•
“Binnen de risicocontour is in beginsel geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen en is bijvoorbeeld woningbouw in strijd met een goede ruimtelijke ordening. De mogelijke blootstelling aan endotoxine is daar hoger dan de advieswaarde van de Gezondheidsraad van 30 EU/m3. Van dit beginsel kan worden afgeweken als aannemelijk wordt gemaakt dat het woon- en leefklimaat binnen de afstandscontour wel aanvaardbaar is”.
Het bouwvlak van het nieuwe landhuis ligt buiten de endotoxine-risicocontouren van de veehouderijen in de omgeving, zie volgend figuur. Risico's voor de gezondheid ten gevolge van de endotoxinen uitstoot van veehouderijen kunnen worden uitgesloten. Ten aanzien van endotoxinen is sprake van een goed woon-en leefklimaat. Er is geen sprake van een verhoogd risico voor de volksgezondheid.
Figuur 6: Kaart endotoxine risicocontouren o.b.v. vergunde fijnstof emissies
P203840.012/EVO, pagina 18 van 22
Geitenhouderijen Op basis van verschillende onderzoeken in het kader van Veehouderijen Gezondheid Omwonenden (VGO) is aangetoond dat er een grotere kans is op longontstekingen binnen een straal van ca. 1,5 tot 2 km van een geitenhouderij. Er geldt momenteel een nieuwvestigings- en uitbreidingsverbod voor geitenhouderijen. Deze provinciale verbodsregel heeft geen directe invloed op het mogelijk maken van nieuwe woningen binnen een straal van 1,5-2 km van geitenhouderijen. Er kan nog geen wetenschappelijk verband worden gelegd tussen de maximale blootstelling en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en bestaan nog geen concrete normen of aan te houden afstanden die in acht genomen moeten worden. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet wel gemotiveerd worden dat met betrekking tot gezondheid geen sprake is van belemmeringen en de situatie aanvaardbaar is. Er moet terughoudend omgegaan worden met nieuwe gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. In de omgeving van het plangebied zijn twee geitenhouderijen gevestigd: Meerstraat 29 ligt bij benadering op ca. 320 meter van het beoogde landhuis en Fokkershoek 1 ligt op ruim 1,2 km afstand. Tussen deze geitenhouderijen en het nieuwe landhuis liggen al bestaande woningen. Van een belemmerende werking voor de geitenhouderijen is in ieder geval geen sprake vanwege de tussenliggende bestaande woningen.
In de lijn met het VGO onderzoek, het provinciale uitbreidingsverbod voor geitenhouderijen en het feit dat het nieuwe landhuis binnen 1,5 - 2 km van een geitenhouderij ligt moet worden afgewogen of sprake is van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Het gaat om slechts twee wooneenheden op ca. 320 meter afstand van een geitenhouderij. Er liggen bestaande woningen tussen de geitenhouderijen en het nieuwe landhuis. Er wordt aan alle milieuregelgeving voldaan (met name geur en fijnstof), het landhuis ligt niet binnen een endotoxine-risicocontour en er is ten aanzien van deze aspecten sprake van een goed woon- en leefklimaat. Op basis van hiervan kan het extra risico op longontstekingen vanwege de zeer beperkte toename van het aantal blootgestelden als aanvaardbaar beschouwd worden. Het is aan het gemeentebestuur om bij de besluitvorming over het ruimtelijke plan deze afweging te maken. Het nieuwe landhuis ligt op circa 500 meter van het pluimveebedrijf op Meerstraat 24. Uit het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO), onderzoeksprogramma VGO-III (looptijd 2017-2024) bleek dat in de jaren 2009-2013 sprake was van een verhoogd voorkomen van longontstekingen onder omwonenden die binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij woonden. In de jaren daaropvolgend (2014-2016) werd dat verband niet meer gevonden.
Elke drie jaar worden in het kader van het onderzoeksprogramma VGO-III de onderzoeksresultaten geactualiseerd. Voor de periode 2017-2019 geldt dat bovenstaand verband opnieuw werd gevonden voor een afstand van 500 meter. Tot het moment dat de herziene versie van de Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid wordt uitgegeven op basis van de meest recente onderzoeksresultaten, adviseert de GGD om een advies van de GGD te blijven vragen binnen een afstand van 500 meter van een pluimveehouderij. De afweging en beslissing om een GGD-advies te vragen dient het bevoegd gezag te maken.
P203840.012/EVO, pagina 19 van 22
Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 Om het bevoegd gezag te ondersteunen in de besluitvorming over veehouderijen in relatie tot de gezondheid van omwonenden, is de Handreiking veehouderij en volksgezondheid opgesteld. De handreiking bevat een overzicht van de belangrijkste gevonden verbanden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden laat zien wat decentrale overheden kunnen doen om gezondheidsrisico’s van veehouderijen mee te wegen in besluitvorming. De mogelijkheden op grond van milieuregelgeving en regelgeving en beleid voor de ruimtelijke ordening staan centraal. De handreiking geeft een stappenplan voor de ontwikkeling van veehouderijen. Na het doorlopen van het stappenplan kan het advies zijn om een GGD-advies op te vragen. Dit stappenplan is in principe ook te gebruiken om voor ruimtelijke plannen na te gaan of er knelpunten zijn. In het stappenplan komen onderwerpen als geurhinder, fijnstof, endotoxine en veehouderijensectoren aan de orde. Navolgend wordt het stappenplan doorlopen. De bijbehorende gegevens zijn te vinden in hoofdstuk 3 en 4 van onderhavig rapport. Beoordeling aan het stappenplan 2.0: 1 Endotoxinen (varkens-/pluimveehouderijen): - Omgevingsdienst beoordeelt aan de hand van het endotoxinen toetsingskader 1.0 dat de ontwikkeling NIET voldoet aan de endotoxinen richtafstand tussen een veehouderij en gevoelige bestemming.
Het bevoegd gezag en ondernemer komen in een dialoog niet tot een goede oplossing om een beperking van de berekende endotoxinen-afstand te realiseren. - Overige bedrijven: ga verder naar stap 2. Antwoord: Het bouwvlak van het nieuwe landhuis ligt buiten de endotoxine-risicocontouren van de veehouderijen in de omgeving. Geen noodzaak om advies te vragen aan de GGD. 2 Emissies: - ontwikkeling leidt tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Een toename van geur, fijnstof en/of ammoniak (via vorming van secundair fijnstof) kan mogelijk leiden tot een negatief effect op de volksgezondheid. Antwoord: Het plan ziet niet toe op een veehouderij activiteit en resulteert niet in een toename van emissies, dus geen noodzaak om advies te vragen aan de GGD. 3a Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader Antwoord: De geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten is aanvaardbaar en voldoet aan het wettelijk kader en de gezondheidskundige advieswaarde, dus geen noodzaak om advies te vragen aan de GGD. 4a Binnen één veehouderij (1 adres of 1 ondernemer) worden bedrijfsmatig meerdere diersoorten gehouden. 4b De afstand tussen de inrichtingsgrenzen van een varkensbedrijf en een pluimveebedrijf
P203840.012/EVO, pagina 20 van 22
bedraagt in de nieuwe situatie minder dan 100 meter. Antwoord: Het plan ziet toe op het planologisch mogelijk maken van een woonfunctie, dus dit is niet van toepassing. Er is geen noodzaak om advies te vragen aan GGD. 5a Geitenhouderij: - binnen afstand van 2 km liggen woon- en verblijfsruimten van derden 5b Pluimveebedrijven: - binnen afstand van 1 km liggen woon- en verblijfsruimten van derden 5c Overige veehouderijen: - binnen afstand van 250 meter ligt een bebouwde kom Antwoord: Het nieuwe landhuis ligt op ca. 320 meter van een geitenhouderij en op circa 500 meter van een pluimveebedrijf. Geadviseerd wordt om een GGD advies te vragen. Het bestemmingsvlak voor het landhuis ligt niet binnen een afstand van 250 meter van veehouderijen en betreft geen bebouwde kom, dus voor overige veehouderijen is geen noodzaak om advies te vragen aan GGD. 6 Er is sprake van mestbe- of ververwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. Antwoord: Niet van toepassing, dus geen noodzaak om advies te vragen aan GGD. 7 Bij omwonenden is sprake van ongerustheid over de volksgezondheid; Antwoord: Er is in en nabij het plangebied geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid, dus geen noodzaak om advies te vragen aan GGD.
Conclusie stappenplan Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0: vanwege het feit dat op 350 meter afstand van de beoogde woonfunctie een geitenhouderij aanwezig is en op 500 meter afstand een pluimveehouderij aanwezig is, wordt het opvragen van een GGD-advies geadviseerd. Het bevoegd gezag heeft hierin beleidsvrijheid en kan een GGD-advies opvragen en deze meenemen in de overwegingen of medewerking kan worden verleend aan de beoogde ontwikkeling en/of er extra voorschriften moeten worden opgenomen.
4.3.11 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen Bij het telen van gewassen in open lucht worden gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening, een veilige afstand worden aangehouden tussen gevoelige objecten (zoals woningen met tuin) en percelen waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. In het algemeen wordt in de ruimtelijke ordening als vuistregel een richtafstand van 50 meter gehanteerd tussen gevoelige functies en agrarische
P203840.012/EVO, pagina 21 van 22
bedrijvigheid waarbij gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag, mensen verblijven of samenkomen. Een woning met tuin wordt als zodanig aangemerkt. De 50 meter afstand is een indicatieve afstand. Kortere afstanden zijn mogelijk, indien dat blijkt uit een locatie specifiek onderzoek. Met de beoogde ontwikkeling worden nieuwe gevoelige objecten in het buitengebied mogelijk gemaakt. Binnen een afstand van 50 meter vanaf de gronden binnen onderhavig plangebied waarop woningen kunnen worden gerealiseerd, zijn landbouwgronden gelegen waar mogelijk open teelt plaatsvindt. Op deze gronden is echter geen sprake van bomenteelt of andere bijzondere teelten die vragen om bijzondere besproeiing met gewasbeschermingsmiddelen. Bovendien liggen er op korte afstand van de akkers al diverse woningen die bepalend zijn voor de door het agrarisch bedrijf op basis van het Activiteitenbesluit te treffen driftreducerende maatregelen. Ook is rondom de beoogde woningen de aanplant van nieuw bos beoogd, wat driftreducerend fungeert. De kans op gezondheidsschade binnen het plangebied, door de toepassing van
gewasbeschermingsmiddelen op omliggende landbouwgronden, is nihil. In het voorgenomen plan is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De landgoedontwikkeling leidt niet tot significant nadelige effecten ten aanzien van spuitzones van gewasbeschermingsmiddelen.
5 Beoordeling van milieueffecten De beoogde landgoedontwikkeling leidt slechts in beperkte mate tot effecten voor de omgeving. Ter onderbouwing van de milieukundige haalbaarheid van het bestemmingsplan is naar alle milieukundige aspecten onderzoek verricht. Op grond van deze onderzoeken is aangetoond dat voor alle milieukundige aspecten geldt dat er geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Beperkte effecten zijn te verwachten ten aanzien van het verhoogde risico op longontstekingen vanwege de ligging t.o.v. geitenhouderij Meerstraat 29 en pluimveehouderij Meerstraat 24. Het plan kan als aanvaardbaar beschouwd worden, echter deze afweging is aan het gemeentebestuur. De gemeente heeft hierin beleidsvrijheid en kan hierbij een GGD-advies aanvragen en betrekken in de besluitvorming. Bij inachtneming van de aanbevelingen kunnen eventuele nadelige effecten voor soorten worden beperkt door het treffen van maatregelen, zodat wordt voldaan aan de Wet natuurbescherming. Dit is voldoende waarborg dat geen sprake zal zijn van significant nadelige effecten voor soorten.
P203840.012/EVO, pagina 22 van 22
6 Conclusies In deze (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsnotitie zijn de verwachte milieu- en omgevingseffecten als gevolg van de beoogde landgoedontwikkeling beschreven. Hieruit blijkt dat: • •
De landschappelijke- en natuurlijke waarden van het plangebied zullen toenemen. Archeologische en cultuurhistorische waarden niet worden aangetast.
•
De bodemkwaliteit voldoende is voor onderhavige ontwikkeling.
•
Het schone hemelwater wordt ter voorkoming van wateroverlast afgevoerd naar een waterbergingsvoorziening. Ten behoeve van het huishoudelijk afvalwater wordt het landhuis aangesloten op het vuilwaterriool.
•
Ten aanzien van wegverkeer-, industrie-, spoorweg- en luchtvaartlawaai is sprake van een goed akoestisch woon- en leefklimaat.
•
De toename van de verkeersgeneratie beperkt is tot de twee nieuwe wooneenheden en deze toename door het bestaande netwerk kan worden opgevangen. De benodigde parkeerplaatsen kunnen binnen het plangebied gerealiseerd worden.
•
Er zijn geen negatieve effecten door stikstofdepositie of verstoring voor Natura-2000 gebieden. Een passende beoordeling i.k.v. de Wet natuurbescherming is niet vereist.
•
De voorgenomen ontwikkeling draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Er is t.a.v. luchtkwaliteit sprake van een goed woon- en leefklimaat.
•
Het beoogde landhuis ligt niet binnen de bestaande en/of toekomstige geurcontouren van omliggende veehouderijen. Er is t.a.v. geur sprake van een goed woon- en leefklimaat. Van omgekeerde werking is geen sprake.
•
Het beoogde landhuis ligt niet binnen de endotoxine-risicocontouren van omliggende veehouderijen. Er is t.a.v. endotoxinen sprake van een goed woon- en leefklimaat. Van omgekeerde werking is geen sprake.
•
Er is sprake van een verhoogd risico op longontstekingen vanwege met name de ligging t.o.v. geitenhouderij Meerstraat 29 en pluimveehouderij Meerstraat 24. De toename van het aantal blootgestelden is bij slechts twee wooneenheden zeer beperkt en er liggen al bestaande woningen tussen de geiten-/pluimveehouderij en het beoogde landhuis. De afweging van de aanvaardbaarheid is aan het gemeentebestuur. De GGD adviseert hiervoor een GGD-advies op te vragen.
•
Bij inachtneming van de aanbevelingen uit het flora- en fauna onderzoek kunnen eventuele nadelige effecten voor soorten worden beperkt door het treffen van maatregelen, zodat wordt voldaan aan de Wet natuurbescherming. Van significant nadelige effecten voor soorten zal hierdoor geen sprake zijn. De natuurontwikkeling zorgt voor een positief effect voor de biodiversiteit en de flora en fauna in het gebied.