Landgoed Het Geleer_toel_Bijl 4 Archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek
Tekst van het document
Bureau voor Archeologie Rapport 1050 Meerstraat, Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze: een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase
2
Colofon titel:
Bureau voor Archeologie Rapport 1050. Meerstraat, HeeswijkDinther, gemeente Bernheze: een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase
auteur:
C. de Jong
autorisatie:
A. de Boer (KNA senior prospector)
datum:
5 oktober 2021
ISSN:
2214-6687
© Bureau voor Archeologie Koningsweg 244 Utrecht T 030 245 18 95 E info@bureauvoorarcheologie.nl I https://www.bureauvoorarcheologie.nl
Bureau voor Archeologie Rapport 1050
Heeswijk-Dinther Meerstraat
3
Administratieve gegevens Projectnummer
2021021701
Provincie
Noord-Brabant
Gemeente
Bernheze
Plaats
Heeswijk-Dinther
Toponiem
Meerstraat
Naam
Landgoed Het Geleer
Centrum locatie (m RD)
• • • • •
plandeel 1: plandeel 2: plandeel 3: plandeel 4: plandeel 5:
161.600; 408.070 (x; y) 161.160; 408.180 (x; y) 161.300; 408.030 (x; y) 161.300; 408.340 (x; y) 161.220; 407.980 (x; y)
Omvang plangebied
• • • • •
plandeel 1: plandeel 2: plandeel 3: plandeel 4: plandeel 5:
16.780 7.900 9.620 10.460 5.610
m2 m2 m2 m2 m2
Omvang onderzoeksgebied booronderzoek 24.660 m2 Kadastrale gegevens
gemeentecode: Heeswijk-Dinther, sectie: E, nummer(s): 686, 688, 1054, 3240, 3242
ARCHIS onderzoeksmeldingsnummer
5071291100 (ABU); 5071323100 (ABO)
Soort onderzoek
een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase
Opdrachtgever
Buro BOOT
Uitvoerder
Bureau voor Archeologie
Kaartblad
45G
(RO) kader onderzoek
Aanvraag omgevingsvergunning
Periode van uitvoering veldwerk
23 september 2021
Bevoegde overheid
Gemeente Bernheze
Deskundige namens bevoegde overheid
Monumentenhuis Brabant
Status goedkeuring bevoegde overheid
Onbekend
Beheerder en plaats van documentatie
Digitale documentatie: ARCHIS en E-Depot Vondstdocumentatie: geen vondsten
Bureau voor Archeologie Rapport 1050
Heeswijk-Dinther Meerstraat
4
Figuur 1: Het onderzoeksgebied (kaartbeeld) met plangebied (rood; www.opentopo.nl).
Bureau voor Archeologie Rapport 1050
Heeswijk-Dinther Meerstraat
5
Inhoudsopgave 1 2
3
4
5 6
Samenvatting...............................................................................................8 Inleiding.....................................................................................................10 1.1 Doelstelling en vraagstelling...............................................................10 Bureauonderzoek......................................................................................12 2.1 Methode..............................................................................................12 2.2 Onderzoeksgebied en toekomstig gebruik..........................................12 2.3 Huidige situatie...................................................................................14 2.4 Aardwetenschappelijke waarden.........................................................15 2.5 Historische situatie..............................................................................16 2.6 Mogelijke verstoringen........................................................................17 2.7 Archeologische en bouwhistorische waarden......................................17 2.8 Gespecificeerde verwachting..............................................................20 Booronderzoek..........................................................................................22 3.1
Inleiding..............................................................................................22 3.2 Methode..............................................................................................22 3.3 Resultaten met bodemkundige interpretatie........................................23 3.4 Archeologische interpretatie................................................................24 3.5 Waardestelling en Selectieadvies.......................................................26 Conclusie...................................................................................................27 4.1 Conclusie Bureauonderzoek...............................................................27 4.2 Conclusie Booronderzoek...................................................................28 Advies........................................................................................................30 Literatuur...................................................................................................31 Figuren......................................................................................................33 Bijlage 1: Boorbeschrijvingen.....................................................................57
Bureau voor Archeologie Rapport 1050
Heeswijk-Dinther Meerstraat
6
Lijst met Figuren Figuur 1: Het onderzoeksgebied (kaartbeeld) met plangebied (rood; www.opentopo.nl)........................................................................................4 Figuur 2: Topografische kaart..............................................................................33 Figuur 3: Luchtfoto actueel..................................................................................33 Figuur 4: Archeologische beleidskaart gemeente Bernheze (Kortlang 2010)......34 Figuur 5: Verbeelding bestemmingsplan.............................................................35 Figuur 6: Bestemmingsplan Buitengebied Bernheze (‘Ruimtelijkeplannen.nl’ 2014).........................................................................................................36 Figuur 7: Geomorfologische kaart (Alterra 2004)................................................37 Figuur 8: Bodemkaart (Alterra 2014)...................................................................38 Figuur 9: Bodemkaart ruilverkaveling, 1963 (Stichting voor Bodemkartering 1963).........................................................................................................39 Figuur 10: Hoogte-reliëfkaart (Actueel Hoogtebestand Nederland 2018)............40 Figuur 11: Hoogte-reliëfkaart detail (Actueel Hoogtebestand Nederland 2018)...41 Figuur 12: Kaart van de Meierij van 's-Hertogenbosch, circa 1640
(Van der Burght 1640).........................................................................................................42 Figuur 13: Topografische kaart van het Oostenrijks deel va Bataafsch Brabant (Visscher 1675)..........................................................................................42 Figuur 14: Figuratieve kaart van het grootste gedeelte van Bataafsch Brabant (Verhees 1794)..........................................................................................43 Figuur 15: Kadastrale minuut 1811-1832, gemeente Heeswijk, sectie B, blad 1 (Kadaster 1811).........................................................................................44 Figuur 16: Overzicht kadastrale minuut 1811-1832, gemeente Heeswijk, sectie B, blad 1 (Kadaster 1811)...............................................................................45 Figuur 17: Topografisch militaire kaart 1850........................................................46 Figuur 18: 609-2080-VEGHEL-1899...................................................................46 Figuur 19: 609-2081-VEGHEL-1916...................................................................47 Figuur 20: 609-2082-VEGHEL-1928...................................................................47 Figuur 21: 45G-1956-Uden / Veghel...................................................................48 Figuur 22: 45G-1967-Uden /
Veghel...................................................................48 Figuur 23: 45G-1978-Uden / Veghel...................................................................49 Figuur 24: 45G-1988-Uden / Veghel...................................................................49 Figuur 25: Archeologische zaken uit ARCHIS (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2021)............................................................................................50 Figuur 26: Boorpuntenkaart................................................................................51 Figuur 27: Kaart en legenda van de schematische weergaven van de boorprofielen..............................................................................................52 Figuur 28: Schematische weergave van de boorprofielen in plandeel 1. Voor legenda zie fig. 27......................................................................................53 Figuur 29: Schematische weergave van de boorprofielen in plandeel 2. Voor legenda zie fig. 27......................................................................................54 Figuur 30: Schematische weergave van de boorprofielen in plandeel 4. Voor legenda zie fig.
27......................................................................................55 Figuur 31: Advieskaart........................................................................................56
Lijst met Tabellen Bureau voor Archeologie Rapport 1050
Heeswijk-Dinther Meerstraat
7 Tabel 1: Aardkundige waarden............................................................................16 Tabel 2: Archeologische terreinen, zaken en vondstlocaties ca. 500 m van het plangebied.................................................................................................19
Bureau voor Archeologie Rapport 1050
Heeswijk-Dinther Meerstraat
8
Samenvatting Bureau voor Archeologie heeft een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen uitgevoerd voor de bouw van een landhuis met toegangsweg, realisatie van natuurvriendelijke oevers en de aanleg en het rooien van bomen aan de Meerstraat te Heeswijk-Dinther. De vraagstelling van het onderzoek luidt: hoe kan rekening gehouden worden met eventuele archeologische resten bij de voorgenomen ontwikkeling? Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de richtlijnen van de KNA, protocollen 4002 en 4003. Voor het onderzoek zijn kaarten, databases en literatuur geraadpleegd om te komen tot een gespecificeerde archeologische verwachting van het gebied. De beoogde ingrepen zijn onderverdeeld in vijf plandelen. De ingrepen bestaan uit de bouw van een landhuis met kelder en een bijgebouw in het zuiden van het plangebied (plandeel 1). In het westen van het plangebied (plandeel 2) wordt een toegangspad aangelegd. Op beide locaties worden bovendien bomen aangeplant. In de delen van het plangebied waar het huidige landgebruik bos is (plandelen 3, 4 en 5), worden de bomen (gedeeltelijk) gerooid. In het noorden van het plangebied (plandeel 4), langs de Leijgraaf, wordt tevens een natuurvriendelijke oever gerealiseerd. Het rooien van bomen en aanleggen van de natuurvriendelijke oevers vindt plaats in een strook van circa 30 m vanaf de huidige oever.
Het plangebied ligt in het archeologisch landschap 'Roerdalslenk', in de landschapszone dekzandvlakten. Het plangebied ligt in een gebied met lage zandgronden dat grotendeels staat aangegeven als vergraven op de geomorfologische kaart. In plandelen 1 en 2 zijn nog wel dekzandwelvingen aanwezig. Aan de noordkant van het onderzochte gebied loopt de Leijgraaf, een gegraven waterloop, mogelijk uit de Late Middeleeuwen. Het plangebied is in de 18e eeuw onbebouwd en dat blijft het geval tot en met het heden. Het landgebruik gedurende deze periode is voornamelijk bouwland en weiland. Plandeel 2 ligt aan een 19e eeuwse weg. Ongeveer 60 m ten noorden van dit plandeel is sprake van een historische bruglocatie bij de Leijgraaf. Direct naast plandeel 4 (ongeveer 10 m ten westen ervan) ligt een voorde door de Leijgraaf. Beide plandelen liggen in de 100 m bufferzone die op de gemeentelijke beleidskaart rond de brug en voorde zijn aangeduid. In drie van de vijf plandelen zijn gezamenlijk achttien boringen gezet met het doel om de bodemopbouw te verkennen. In twee boorprofielen in het zuidoosten van plandeel 1 is een intacte podzolbodem (AB- en B-horizont) aanwezig vanaf 35 tot 45 cm -mv. In de AB- en B-horizont kunnen archeologische resten aanwezig zijn.
Bureau voor Archeologie adviseert om in de zone rondom de punten met deze horizonten, indien daadwerkelijk werkzaamheden zijn voorzien, een karterend booronderzoek uit te voeren om nader te bepalen wat de verbreiding van het archeologische niveau is en of archeologische resten aanwezig zijn. Ter hoogte van plandeel 4 ligt een gedempte meander van de Leijgraaf met een historische voorde ongeveer 10 m ten westen van het plandeel. In en rondom de oude geul kunnen archeologische resten aanwezig zijn, mede vanwege de nabijheid van de voorde. Bureau voor Archeologie adviseert om in een zone van 20 m rondom de oude Leijgraaf een archeologisch proefsleuven onderzoek variant archeologische begeleiding uit te voeren om eventuele vondsten op te Bureau voor Archeologie Rapport 1050
Heeswijk-Dinther Meerstraat
9 sporen en te waarderen. In de rest van plandelen 1 en 2 is geen intacte podzolbodem aangetroffen. De kans dat hier archeologische resten aanwezig zijn is klein. Alhoewel plandeel 2 in de bufferzone van de historische bruglocatie ligt, lijkt het niet aannemelijk dat hier archeologische resten in de context van beekdalen aanwezig zijn. Bureau voor Archeologie adviseert om dit deel van het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Plandelen 3 en 5 zijn niet in het veld onderzocht omdat de ingrepen grotendeels beperkt blijven tot de reeds omgewerkte A-horizont. Indien de ingrepen in deze plandelen toch dieper gaan dan 40 cm -mv, dan adviseert Bureau voor Archeologie om alsnog een verkennend booronderzoek uit te voeren. Dit onderzoek is met grote zorgvuldigheid uitgevoerd. Het is echter nooit uit te sluiten dat bij de graafwerkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen op plaatsen en dieptes waar die niet worden verwacht. Eventuele archeologische resten is men verplicht te melden bij de Minister van OCW in overeenstemming met de Erfgoedwet uit 2015. In dit geval wordt aangeraden om contact op te nemen met de gemeente Bernheze.
Bureau voor Archeologie Rapport 1050
Heeswijk-Dinther Meerstraat
10
1
Inleiding Bureau voor Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek en een booronderzoek uitgevoerd voor een bouwproject aan de Meerstraat te HeeswijkDinther. Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning. De ligging van het plangebied is weergegeven in fig. 1. Vanwege het gemeentelijke archeologische beleid moet voor de beoogde ontwikkeling een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd onder certificaat BRL SIKB 4000,1 in overeenstemming met de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1). Het onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een booronderzoek in de verkennende fase. Met de bevindingen wordt aan het einde van het rapport een advies gegeven hoe bij het project rekening kan worden gehouden met archeologische waarden.
1.1
Doelstelling en vraagstelling Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting. Het doel van het veldonderzoek is het controleren en verfijnen van de archeologische verwachting zodat een beslissing genomen kan worden over hoe met eventuele archeologische waarden rekening moet worden gehouden bij de voorgenomen werkzaamheden. Het veldonderzoek is uitgevoerd als booronderzoek (IVO – O) en betreft de verkennende fase. Met het verkennende veldonderzoek wordt inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Hiermee worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd. De volgende onderzoeksvragen zijn in dit onderzoek gebruikt: Bureauonderzoek: 1.
Waaruit bestaan de voorgenomen bodemingrepen?
2.
Wat is de landschappelijke ligging van het plangebied in termen van geomorfologie, geologie en bodemkunde?
3.
Is sprake van bekende bodemverstoringen?
4.
Wat is de historische ontwikkeling van het plangebied?
5.
Is sprake van bekende archeologische waarden (zoals AMK terreinen, vondstlocaties, historische kernen) in het plangebied en directe omgeving, en zo ja welke?
1
https://www.kiwa.nl/upload/certificate/00094278.pdf
Bureau voor Archeologie Rapport 1050
Heeswijk-Dinther Meerstraat
11 6.
Kunnen archeologische resten in het plangebied aanwezig zijn? Zo ja, wat is daarvan op hoofdlijnen de omvang, ligging, aard en datering?
7.
Worden deze archeologische waarden verstoord door de voorgenomen bodemingrepen? Zo ja, op welke wijze?
8.
Welke vervolgstap(pen) kunnen worden genomen om rekening te houden met (mogelijke) archeologische resten?
Verkennend booronderzoek: 9.
Wat is de aard (geologisch en bodemkundig) en intactheid (verstoringen) van het bodemprofiel?
10.
Zijn potentiële archeologische niveaus aanwezig, en zo ja, wat is de aard, diepteligging en verbreiding daarvan?
Eindoordeel: 11.
Indien (mogelijk) archeologische waarden aanwezig zijn: a) Worden deze archeologische waarden verstoord door de voorgenomen bodemingrepen? Zo ja, op welke wijze? b) Welke maatregelen kunnen worden genomen om voldoende rekening te houden met deze archeologische waarden?
12.
Indien vervolgonderzoek nodig is: Welke methode(n), techniek(en) en strategie(ën) van Inventariserend veldonderzoek zijn hiervoor geschikt?
Bureau voor Archeologie Rapport 1050
Heeswijk-Dinther Meerstraat
12
2
Bureauonderzoek
2.1
Methode Het bureauonderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de richtlijnen van de KNA 4.1, protocol 4002.2 Voor het onderzoek zijn kaarten, databases en literatuur geraadpleegd om tot een gespecificeerde archeologische verwachting van het gebied te komen. Eerst wordt het plan- en onderzoeksgebied vastgesteld en het onderzoek gemeld bij ARCHIS. Daarna wordt achtereenvolgens de aardkundige, archeologische en historische context van het te onderzoeken gebied bestudeerd. Deze gegevens leiden tot het opstellen van een gespecificeerde verwachting. In de gespecificeerde verwachting worden de mogelijk aanwezige archeologische resten beschreven in termen van onder meer diepteligging, omvang, ouderdom en conservering. De genoemde stappen leiden tot onderhavig rapport en het openbaar maken van de resultaten bij Archis en het e-Depot voor de Nederlandse Archeologie.3 In de hierna volgende hoofdstukken worden de belangrijkste onderzoeksgegevens gepresenteerd. Er is contact opgenomen met Heemkundekring De Wojstap (F. Lennings). Van alle afgebeelde kaarten is het noorden boven, tenzij anders aangegeven.
2.2
Onderzoeksgebied en toekomstig gebruik Afbakening plan- en onderzoeksgebied Het onderzoek wordt uitgevoerd ten behoeve van de herinrichting van Landgoed het Geleer. Het plangebied omvat de zones met een dubbelbestemming archeologie en waar bodemingrepen zijn voorzien. De ligging van het plangebied staat afgebeeld in fig. 1. Het plangebied ligt in de gemeente Bernheze in de plaats Heeswijk-Dinther. De locatie ligt ten oosten van de Meerstraat. Het plangebied bestaat uit vijf plandelen: •
plandeel 1:
16.780 m2
•
plandeel 2:
7.900 m2
•
plandeel 3:
9.620 m2
•
plandeel 4:
10.460 m2
•
plandeel 5:
5.610 m2
De totale oppervlakte van het plangebied komt hierbij uit op 50.370 m2. Het landgebruik verschilt per plandeel. Plandeel 1 en het oosten van plandeel 2 bestaan uit akkers. Het westen van plandeel is een verwilderde tuin (met vijver). Plandelen 3, 4 en 5 bestaan uit bos. Alleen plandeel 2 grenst direct aan de Meerstraat. Ten noorden van plandelen 4 en 5 stroomt de Leijgraaf. Het landgoed bestaat voornamelijk uit bos en wordt omgeven door akkers.
2 3
SIKB 2018 Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en Data Archiving and Networking Services
Bureau voor Archeologie Rapport 1050
Heeswijk-Dinther Meerstraat
13 Om voldoende informatie over aardkundige, historische en archeologische gegevens te verzamelen wordt een onderzoeksgebied gebruikt dat groter is dan het plangebied. Het onderzoeksgebied voor het bureauonderzoek is een zone met straal van circa 500 m om de ontwikkeling heen (het afgebeelde gebied in fig. 1). Overheidsbeleid In het gebied geldt een vastgesteld gemeentelijk archeologisch beleid. Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart uit 2011 heeft het overgrote deel van plandeel 1 een hoge archeologische verwachting (fig. 4). Deze verwachting geldt vanwege de ligging op een hoge dekzandrug (gebaseerd op het AHN). Het beleid in deze zone is dat bij ingrepen van meer dan 250 m2 en waarbij dieper wordt gegraven dan 40 cm onder maaiveld rekening gehouden moet worden met archeologische resten. In plandelen 3 en 5 en een deel van plandeel 2 en 4 geldt een een middelhoge archeologische verwachting (fig. 4). Deze verwachting is gebaseerd op een bufferzone van 50 m aan de rand van een hoge dekzandrug. Het beleid in deze zone is dat bij ingrepen van meer dan 2.500 m2 en waarbij dieper wordt gegraven dan 40 cm onder maaiveld rekening gehouden moet worden met archeologische resten.
Het westen van plandeel 2 en het overgrote deel van plandeel 4 liggen in een gebied van zeer hoge archeologische waarde vanwege de ligging nabij een historisch element, in dit geval een brug (plandeel 2) en een voorde (plandeel 4). De zone is gebaseerd op de ligging van een brug of voorde (gebaseerd op historische kaarten) met een straal van 100 meter eromheen. Het beleid in deze zone is dat bij ingrepen van meer dan 100 m2 en waarbij dieper wordt gegraven dan 40 cm onder maaiveld rekening gehouden moet worden met archeologische resten. Ontwerp c.q. inrichtingsplan De beoogde ingreep bestaat uit (fig. 5): •
De bouw van een landhuis met kelder en een bijgebouw (plandeel 1).
•
De aanleg van een toegangspad (plandeel 2 en een klein stuk van plandelen 1 en 3).
•
De aanplant van bomen bij het toegangspad en het landhuis (plandelen 1 en 2).
•
Het rooien van bomen in plandelen 3, 4 en 5.
•
De realisatie van een natuurvriendelijke oever in plandeel 4 (helling 1:6). Het rooien van bomen en aanleggen van de natuurvriendelijke oever in dit plandeel vindt plaats in een strook van circa 30 m vanaf de huidige oever.
Aard en omvang van de toekomstige verstoring Het bouwvlak van het landhuis en bijgebouw beslaat ongeveer 2.750 m2. De exacte afmetingen en de ligging van de bebouwing nog niet bekend zijn. Het landhuis wordt onderkelderd waarbij de onderkant van de kelder op ongeveer 240 cm -mv zal komen te liggen. In plandeel 1, 2 en 3 zal de nieuwe toegangsweg inclusief cunet een diepte hebben van ongeveer 40 cm.
Bureau voor Archeologie Rapport 1050
Heeswijk-Dinther Meerstraat
14 Voor het rooien van de bomen worden de stobben waarschijnlijk gefreesd (exacte plannen zijn nog niet bekend). Hierbij kan worden uitgegaan van een maximale verstoring van 50 cm -mv. Bij het planten van bomen is de verstoring vergelijkbaar of ondieper. Milieutechnische condities Op de website Omgevingsrapportage van de provincie Noord-Brabant is informatie aangevraagd over de milieutechnische situatie van het plangebied. Hieruit blijkt dat in het plangebied nog geen milieuhygiënisch onderzoek is uitgevoerd.4 Volgens de bodemkwaliteitskaart van de regio Noordoost Brabant ligt het plangebied in de zone buitengebied en is het risico op het overschrijden van de interventiewaarden klein.5 Grondwaterpeil De actuele grondwaterstand in het plangebied kan worden afgeleid uit de grondwatertrap op de bodemkaart. De grondwatertrap is V in het noorden van het plangebied (plandelen 2, 4, 5 en delen van 1 en 3). Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand ondieper staat dan 40 cm onder maaiveld en dat de gemiddeld laagste grondwaterstand dieper staat dan 120 cm onder maaiveld. In het zuiden van het plangebied is de grondwatertrap III (plandelen 1 en 3). Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand ondieper staat dan 40 cm onder maaiveld en dat de gemiddeld laagste grondwaterstand tussen 80 en 120 cm onder maaiveld staat.
De grondwaterstand zal door de beoogde ingrepen waarschijnlijk niet veranderen. Consequentie van de ingrepen Door uitvoeren van graafwerkzaamheden kunnen archeologische resten worden vergraven.
2.3
Huidige situatie Bebouwing, functie en bodemgebruik Het plangebied wordt gebruikt als (verwilderde) tuin (plandeel 2), akker (mais; plandelen 1 en 2) en bos (plandelen 3, 4 en 5). Er is geen sprake van bebouwing. In het westen van plandeel 2 ligt een vijver. Bestemmingsplan Het plangebied ligt in bestemmingsplan Buitengebied Bernheze. Een verbeelding van het bestemmingsplan is opgenomen in fig. 6. Binnen het plangebied gelden drie verschillende waarden Archeologie. De grenzen en criteria van deze zones zijn gelijk aan die van het gemeentelijk archeologische beleid: •
4 5
In de zone Waarde Archeologie 1 moet bij ingrepen met een omvang van meer dan 100 m2 waarbij de bodem dieper dan 40 cm onder maaiveld wordt verstoord een rapport worden overlegd waaruit blijkt dat de
Provincie Noord-Brabant e.a. 2020 Spronk 2019
Bureau voor Archeologie Rapport 1050
Heeswijk-Dinther Meerstraat
15 archeologische waarde van het plangebied voldoende is vastgesteld.
2.4
•
In de zone Waarde Archeologie 2 is dit verplicht bij ingrepen met een omvang van meer dan 250 m2 waarbij de bodem dieper dan 40 cm onder maaiveld wordt verstoord.
•
In de zone Waarde Archeologie 3 is dit verplicht ingrepen met een omvang van meer dan 2.500 m2 waarbij de bodem dieper dan 40 cm onder maaiveld wordt verstoord.
Aardwetenschappelijke waarden De aardkundige gegevens staan samengevat in tabel 1. Het plangebied ligt in het archeologisch landschap 'Roerdalslenk', in de landschapszone dekzandvlakten.6 De natuurlijke ondergrond bestaat uit fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek (Bx6). Deze afzettingen zijn gevormd in het laatste glaciaal (Weichselien), toen vegetatie schaars was en wind vrij spel had. De dekzanden zijn afgezet in de vorm van welvingen en ruggen. Het plangebied ligt gedeeltelijk in zo’n gebied met dekzandruggen (fig. 7).7 Een deel van het gebied met dekzandruggen is volgens de geomorfologische kaart afgegraven en/of geëgaliseerd, waarschijnlijk toen de Leijgraaf werd gegraven (zie hoofdstuk 2.5). In de top van de dekzanden hebben zich in het Holoceen onder natuurlijke omstandigheden podzolgronden ontwikkeld. Volgens de bodemkaart zijn in het plangebied laarpodzolgronden aanwezig (fig. 8). Deze gronden hebben een matig dikke (30 tot 50 cm) humeus dek dat over het algemeen deels door plaggenbemesting is ontstaan. De bodemkaart van vóór de ruilverkaveling geeft aan dat het overgrote deel van het plangebied in een laag zandgebied ligt met ondiepe grondwaterstanden (fig. 9). Het is goed mogelijk dat in het plangebied het humeuze dek deels door natte omstandigheden is ontstaan.
De oude bodemkaart geeft tevens aan dat in een groot deel van het plangebied een A op C profiel aanwezig is, wat duidt op afgraving, verploeging en/of ophoging. Een intacte humuspodzol is aanwezig in het noordelijk puntje van plandeel 5 en het zuidwestelijke deel van plandeel 1. Aangezien deze kaart de situatie weergeeft van voor de ruilverkaveling, is het onduidelijk in hoeverre de bodem nog intact is gebleven. Plandelen 4, 5 en delen van plandelen 2 en 3 liggen enkele decimeters lager dan de aangrenzende gronden (fig. 10). De hoogte verschillen in deze plandelen zijn relatief klein (tussen 7,5 en 7,7 m NAP) vergeleken met de resten van het plangebied waar de hoogte verschillen liggen tussen 7,5 en 8,3 m NAP. Ook zijn in en tussen de plandelen lijnen zichtbaar die relatief diep liggen, dit zijn vermoedelijk paden. Bron
Situatie plangebied, omschrijving
Geologie
Geologische Overzichtskaart 1 : 250 000:8 • Bx6: Formatie van Boxtel met een dek van het Laagpakket van Wierden; fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek (Bx6)
Geomorfologie (fig. 7)
Geomorfologische kaart 1 : 50 000:
6 7 8
Rensink e.a. 2015 De Mulder 2003 De Mulder 2003
Bureau voor Archeologie Rapport 1050
Heeswijk-Dinther Meerstraat
16 • •
Vlakte ontstaan door afgraving en/of egalisatie (2M93) Dekzandwelvingen (+/- oud bouwlanddek, 3L51yc)
Bodemkunde (fig. 8 en 9)
Bodemkaart 1 : 50 000: • Laarpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (cHn21V*) Bodemkaart, 1963 1 : 15 000:9 • E2: Zandgrond; niet tot zwak lemig, matig fijn zand; dikke A; roestarme A/C. • cG3: Zandgrond; zwak lemig, matig fijn zand; Matig dikke A; A/C. • cB3: Zandgrond; zwak lemig, matig fijn zand; Matig dikke A; roestarme A/C. • cHn3: Zandgrond; zwak lemig, matig fijn zand; Matig dikke A; humuspodzol.
AHN (fig. 10 en 11)
Het maaiveld neemt af van 8,3 m NAP op het hoogste punt van de dekzandrug naar 7,5 m NAP in het afgegraven dal.
Tabel 1: Aardkundige waarden.
2.5
Historische situatie Op het dekzand is bewoning mogelijk vanaf het Laat-Paleolithicum. Bewoning vindt in die periode meestal plaats op (de flanken van) dekzandruggen en andere relatief hoge delen van het landschap in de nabijheid van water. Het plangebied ligt ongeveer 700 m ten noorden van de oude dorpskern van Heeswijk en 1500 m ten noorden van Dinther. Heeswijk en Dinther worden in geschriften voor het eerst genoemd in de 12e en 13e eeuw.10 De dorpen zijn ontstaan op een dekzandrug langs de oostoever van de Aa. In de loop van de 20e eeuw zijn de dorpen aan elkaar gegroeid. Ongeveer 650 m ten zuidwesten van het plangebied ligt de Abdij van Berne. Deze abdij is in 1134 gesticht en wordt definitief gevestigd in Heeswijk halverwege de 19e eeuw. Direct ten noorden van het plangebied ligt de Leijgraaf. Deze watergang is gegraven op de plek waar zich van oorsprong een natuurlijke laagte bevindt. De naam Leijgraaf betekend letterlijk geleide gegraven loop. De natuurlijke laagte werd vroeger onder andere ‘de Meer’ genoemd.11 Waarschijnlijk is de straatnaam Meerstraat hiervan afgeleid. Vroege vermeldingen van de Leijgraaf stammen vermoedelijk uit de 16e en 17e eeuw.12 Verklaringen uit 1647 vermelden dat de Leijgraaf gegraven en al langer aanwezig is.13 Hoewel de watergang nog niet afgebeeld staat op de kaart van Meierij van 's-Hertogenbosch uit 1640 (fig.
12), is dit wel het geval omstreeks 1675 (fig. 13). Uit deze periode is echter te weinig detail beschikbaar om af te leiden wat het landgebruik is. De Leijgraaf kan gebruikt worden als referentiepunt om de ligging van het plangebied te bepalen op de figuratieve kaart uit het einde van de 18e eeuw (fig. 14). Op deze kaart staat mogelijk een deel van het plangebied langs de Leijgraaf aangegeven als ‘broek’ en is mogelijk nog niet ontgonnen. 9 Stichting voor Bodemkartering 1963 10 Van der Sijs 2010 11 Heerlijkheid Heeswijk-Dinther 2021 12 Elemans; Onbekend 1596 13 Onbekend 1647 Bureau voor Archeologie Rapport 1050
Heeswijk-Dinther Meerstraat
17 De kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw laat zien dat het plangebied voornamelijk bestaat uit weiland en bouwland (fig. 15). Binnen het plangebied bestaat één perceel uit heide. De percelen zijn smal en worden onderbroken door een aantal wegen. Door het zuidelijke plandeel loopt een sloot die in noordwestelijke richting stroomt en uitmond in de Leijgraaf. De Leijgraaf loopt in deze periode door plandeel 4. Ten westen van plandeel 4 staat een brug of voorde aangegeven. Deze verbindt een boerderij ten noorden van de Leijgraaf met de percelen ten zuiden van de Leigraaf. De paden verbonden met deze vermoedelijke voorde zijn enkel aangegeven met een stippenlijn door de weilanden. Uit de manier waarop de paden staan afgebeeld, kan afgeleid worden dat dit pad alleen van lokaal belang was voor de boerderij ten noorden van de Leijgraaf en dat dit geen doorgaande weg was. Ten noordwesten van plandeel 2 bevindt zich een brug over de Leigraaf. Deze verbindt twee erven ten noorden van de Leijgraaf met de kern van Heeswijk (fig. 16). Het is onwaarschijnlijk dat dit een belangrijke noord-zuid verbinding is geweest, omdat de huidige Lariestraat deze functie waarschijnlijk vervuld gezien de ligging langs de kern van Heeswijk. Tot en met de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw verandert vrij weinig in het plangebied (fig. 17 tot en met 21).
Rond 1960 vindt rondom de Leijgraaf ruilverkaveling plaats. De kleine percelen maken plaats voor grootschalige landbouwgronden en de Leijgraaf wordt rechtgetrokken (fig. 22 en 23). De brug direct ten westen van plandeel 4 wordt richting het noorden verplaatst. Vermoedelijk is de brug gesloopt en opnieuw gebouwd. In de jaren 80 verandert het wegennetwerk en wordt de relatief grote sloot in het zuidelijke plandeel gedeeltelijk gedempt (fig. 24). Op geen van de historische kaarten staat bebouwing binnen het plangebied aangegeven. Het bos in het plangebied is aangeplant in 2005.
2.6
Mogelijke verstoringen Volgens de geomorfologische kaart is een groot deel van het oorspronkelijke dekzandruggen gebied is afgegraven en/of geëgaliseerd (fig. 7). Hierbij kunnen archeologische resten vergraven zijn. Of en hoeveel de bodem hierbij verstoord is geraakt, is onbekend. In de jaren 50 en 60 vindt ruilverkaveling plaats in en rondom het plangebied. Ten behoeve van de nieuwe percelen zijn vermoedelijk meerdere sloten gedempt. In het noordwestelijke plandeel heeft de Leijgraaf gestroomd. Tijdens de ruilverkaveling is de Leijgraaf rechtgetrokken en is de meanderbocht opgevuld. In 2005 is in een groot deel van landgoed het Geleer (waaronder plandelen 3, 4 en 5) een bos aangeplant. Ook hierbij kan de top van de bodem verstoord zijn geraakt.
2.7
Archeologische en bouwhistorische waarden Archeologische zaken staan weergegeven in fig. 25 en staan toegelicht in tabel 2. De belangrijkste bevindingen worden in de lopende tekst samengevat. In het plangebied liggen geen archeologische waarnemingen en geen (delen van) archeologische terreinen. Het plangebied is niet eerder archeologisch onderzocht.
Bureau voor Archeologie Rapport 1050
Heeswijk-Dinther Meerstraat
18 Ter hoogte van twee percelen die met booronderzoek/proefsleuven zijn onderzocht (zaken 2.095.432.100 en 2.285.734.100) is een restant van een oorspronkelijke podzolgrond aanwezig. Deze onderzoeken liggen vierhonderd meter ten zuidwesten en ten zuiden van het plangebied. Archeologische resten zijn echter beperkt tot sporen uit de 19e eeuw en een aardewerkfragment dat als niet relevant wordt beschouwd (zaak 2.285.734.100). Bij de overige onderzochte percelen is de toplaag omgewerkt of verstoord en ligt deze laag direct op het dekzand. In de meeste gevallen valt uit het type bodem af te leiden dat het terrein te nat was voor permanente bewoning (beek/gooreerdgronden). In het plangebied zijn geen bekende militaire erfgoedwaarden aanwezig.14 In het plangebied staan geen bekende (ondergrondse) bouwhistorische waarden geregistreerd.15 Archeologische terreinen Geen. Zaken (incl. evt. bijbehorende vondsten) 2.032.795.100: Bernheze, Heeswijk, Heilaren noord, boring Op basis van het booronderzoek kan worden geconcludeerd dat het esdek over grote delen van het gebied verstoord is.
Daarnaast wordt gesteld dat het gebied relatief laaggelegen is en dat delen van het terrein opgehoogd zijn.16 2.095.432.100: Bernheze, Heeswijk, Heilaren noord, proefputten\proefsleuven Het verkennend en waarderend archeologisch onderzoek in het onderzochte deel van het plangebied Heilaren Noord te Heeswijk heeft geen bewoningssporen opgeleverd uit de prehistorie, Romeinse Tijd of de Middeleeuwen. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn enkel off-site-structuren ontdekt uit de Nieuwe Tijd, bestaande uit sporen van greppels, sloten en karren. Onderzoek van kaartmateriaal heeft uitgewezen dat deze structuren uit het begin van de 19e eeuw stammen. 17 2.253.390.100: Bernheze, Heeswijk, Pater van den Elsenstraat 2, bureauonderzoek Het plangebied heeft een verhoogde kans op de aanwezigheid van archeologische waarden, die met de historie van Heeswijk-Dinther verband kunnen houden. Deze sporen kunnen direct vanaf het maaiveld voorkomen tot een diepte van 1-2 meter beneden het maaiveld.
Op grond van de gespecificeerde hoge archeologische verwachting voor de Nieuwe Tijd en Late Middeleeuwen alsmede een middelhoge verwachting van archeologische sporen uit de Romeinse Tijd en IJzertijd wordt geadviseerd in het plangebied, voorafgaande aan de planontwikkeling, een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een archeologisch booronderzoek.18 2.256.258.100: Bernheze, Heeswijk, Zandkant , boring Uit het veldonderzoek bleek dat er in het plangebied laarpodzolgronden, gooreerd-/akkereerdgronden en hoge zwarte enkeerdgronden voorkwamen. De bodem was echter ter hoogte van de hoge zwarte enkeerdgronden, d.w.z. in het centrale deel van het plangebied, door ontgronding sterk verstoord. Aangezien de bodem in het grootste deel van het plangebied sterk verstoord bleek, wordt aan het plangebied een lage archeologische verwachting toegekend en wordt geen vervolgonderzoek aanbevolen.19 2.285.734.100: Bernheze, Heeswijk, Pater van den Elsenstraat, boring De resultaten van het veldonderzoek laten een ander beeld zien dan wat op basis van het bureauonderzoek (zaak 2.253.390.100) werd verwacht. Opmerkelijk is dat in slechts één boring een (dun) esdek is aangetroffen. In de overige boringen was de humeuze bovenlaag te dun (35 à 40 cm) om van een esdek te kunnen spreken. Onder deze humeuze bovenlaag zijn in 4 van de 6 boringen de restanten van een podzolprofiel aangetroffen.
De verschillende bodemhorizonten die een podzolprofiel kenmerken (B- en/of BC-horizont) zijn hier te onderscheiden. Uit de vale kleur en de 14 Stichting RAAP 2017; Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2016 15 Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2017 16 Oudhof en Hessing 2001 17 De Leeuwe en Goossens 2005 18 Kluiving en Lelivelt 2009 19 De Boer en Van den Berkmortel 2011 Bureau voor Archeologie Rapport 1050
Heeswijk-Dinther Meerstraat
19 aanwezigheid van roestvlekken vanaf de bouwvoor valt af te leiden dat het een vrij nat profiel betreft, een zogenaamde natte veldpodzolgrond. Tijdens het veldonderzoek is in één boring een archeologische indicator aangetroffen. Het betreft een fragment aardewerk uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd. Aangezien de vondst op zijn vroegst uit de Late Middeleeuwen dateert en het gebied waarschijnlijk sinds die tijd wordt beakkerd, betreft het mogelijk bemestingsaardewerk: aardewerk dat samen met ander huishoudelijk afval als mest op de akkers is gebracht. Het is ook denkbaar dat de vondst van elders afkomstig is, aangezien ze in een verstoorde context (bouwvoor) is aangetroffen. De vondst verwijst zeer waarschijnlijk niet naar een archeologische vindplaats ter plaatse. De archeologische betekenis van de vondst is dan ook gering.20 2.307.214.100 en 2.307.360.100: Bernheze, Heeswijk, bureauonderzoek/boring Uit het verkennende booronderzoek blijkt dat de bodem bestaat uit een bouwvoor of verstoorde laag op dekzand. In het westelijke deel van het onderzoeksgebied is de bodem diep verstoord, tot maximaal 1,05 m -mv en is er een omgewerkte laag met recent puin aangetroffen.
Omdat de bodem in het westelijke deel van het onderzoeksgebied verstoord is, in het gehele onderzoeksgebied geen esdek of podzolbodem is aangetroffen en er geen archeologische indicatoren zijn gevonden, wordt aanbevolen de locatie vrij te geven.21 3.973.742.100: Bernheze, Heeswijk, Leijgraaf (Koffiestraat), bureauonderzoek Het plangebied aan de Koffiestraat is gelegen aan de rand van het beekdal van de Leijgraaf, op de overgang naar een dekzandrug en in het oosten naar een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden. Het westelijk deel van het plangebied is mogelijk afgegraven of geëgaliseerd. In het oosten komen beekeerdgronden voor en in de rest van het plangebied laarpodzolgronden. Archeologische onderzoeken in de omgeving hebben ontgrondingen en 19e-eeuwse off-site sporen aangetoond. Op basis van historisch kaartmateriaal is het plangebied minimaal sinds het begin van de 19e eeuw in gebruik geweest als akker en weiland. Het plangebied wordt doorsneden door de Koffiestraat. In het plangebied geldt een middelhoge tot verwachting voor archeologische resten vanaf het Paleolithicum tot aan de Nieuwe tijd.
Er wordt vervolgonderzoek in de vorm van boringen geadviseerd.22 3.998.083.100: Bernheze, Leijgraaf, boring Uit het bureauonderzoek (zaak 3.973.742.100) bleek dat voor de plangebieden een lage tot hoge archeologische verwachting gold voor resten vanaf het Paleolithicum tot aan de Nieuwe tijd. Het veldonderzoek heeft de hogere verwachtingen niet kunnen bevestigen. De bodems in de deelgebieden vertonen allemaal sporen van bewerking door de mens. Hierdoor is de bovengrond van het dekzandlandschap omgewerkt en zullen ook de eventueel voorkomende sporen grotendeels verdwenen zijn. De grootste delen van de plangebieden bestaan uit gooreerdgronden, die vrij vochtig zijn en daardoor minder geschikt waren voor bewoning dan de hoger gelegen gronden, waardoor ze een lage archeologische verwachting hebben. Alleen diepe sporen kunnen bij de laarpodzolgronden nog voorkomen. De humeuze laagjes en pavementlaagjes aan de Koffiestraat zijn ontstaan in een poolwoestijn bij zeer lage temperaturen. Hierdoor geldt slechts een zeer lage archeologische verwachting voor resten uit het Paleolithicum.23 4.563.349.100: Bernheze, Heeswijk Dinther, Koffiestraat 15, boring Op basis van het uitgevoerde verkennend onderzoek kan worden gesteld dat binnen het plangebied vermoedelijk een beekeerdgrond voorkomt. Deze ontstaan in natte gebieden (beekdal van de Leijgraaf).
Het plangebied was derhalve mogelijk te nat om in het verleden interessant te zijn geweest als woongrond. Bovendien blijkt in het volledige plangebied sprake van een A-C opbouw van de bodem, waarbij de top van de moederbodem (C-horizont) is omgezet. Gezien de zeer beperkte intactheid van de bodem binnen het plangebied en omdat de bodem vermoedelijk altijd minder geschikt is geweest voor bewoning, wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te voeren.24 Vondstlocaties los Geen.
Tabel 2: Archeologische terreinen, zaken en vondstlocaties ca. 500 m van het plangebied.
20 Peeters 2010 21 Krol 2011 22 Moerman 2015 23 Wilbers en Moerman 2016 24 Van Diepen en Hagens 2019 Bureau voor Archeologie Rapport 1050
Heeswijk-Dinther Meerstraat
20
2.8
Gespecificeerde verwachting Het plangebied ligt in het archeologisch landschap 'Roerdalslenk', in de landschapszone dekzandvlakten. Ter hoogte van het plangebied ligt in het dekzandlandschap een vrij vlak gebied. Vermoed wordt dat deze is ontstaan door egalisatie of afgraving. Door deze vlakte is de Leijgraaf gegraven om de afwatering te verbeteren. De Leijgraaf meanderde oorspronkelijk en is rond 1960 rechtgetrokken. Plandeel 4 ligt ter hoogte van een oude bocht in de Leijgraaf met een voorde. De overige plandelen liggen rondom de eerder beschreven vlakte, op dekzandwelvingen of op de randen daarvan. Plandeel 1 ligt op een dekzandwelving. Door plaggenbemesting zijn op deze welvingen laarpodzolgronden met een matig dikke eerdlaag ontstaan. Onder het plaggendek kunnen archeologische resten uit Middeleeuwen en ouder aanwezig zijn, indien de bodem ongestoord is gebleven. Ondiepe sporen uit het Paleolithicum en Mesolithicum zijn waarschijnlijk verdwenen door landbouwactiviteiten (ploegen). Plandelen 2, 3 en 5 liggen op de overgang van een zone met dekzandwelvingen naar de bovengenoemde vlakte. De aard van het bodemprofiel in deze zones is onzeker: plaggenbemesting kan een rol spelen, maar het kunnen ook natte lage zones zijn, die later zijn opgehoogd en/of geëgaliseerd dan wel afgegraven. Plandeel 4 ligt geheel op de vlakte.
Mogelijk is de humeuze laag onder natte omstandigheden gevormd of is juist vanwege de lage ligging opgehoogd. Geraadpleegde kaarten uit 18e eeuw tot en met het heden laten zien dat het plangebied gedurende deze periode onbebouwd is gebleven. Plandeel 1 bestaat in deze periode voornamelijk uit bouwland. Plandelen 2, 3 en 4 bestaan afwisselend uit bouwland en weiland. Plandeel 4 heeft voornamelijk uit weiland bestaan. Het bos dat in plandelen 3, 4 en 5 aanwezig is, is pas aangelegd in 2005. Ten noordwesten van het plangebied liggen een voorde en een brug. Tijdens de ruilverkaveling in de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw is de geul naar het noorden verlegd bij het rechttrekken van de Leijgraaf. De brug is herbouwd over de verlegde geul. De verwachting wordt als volgt gespecificeerd: 1.
Datering
Archeologische resten uit de perioden Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd kunnen aanwezig zijn. 2.
Complextype
Archeologische resten uit de periode van landbouwsamenlevingen en staatssamenlevingen gerelateerd aan bewoning, economie, infrastructuur, rituelen en begravingen. In plandeel 4 en het westen van plandeel 2 is in het bijzonder aandacht voor resten gerelateerd aan een brug/voorde (deposities) uit de Middeleeuwen en/of Nieuwe tijd. Bij bruggen en voordes in beekdalen kunnen restanten van voormalige brugconstructies, dammen, visfuiken en deposities van (bronzen of stenen) voorwerpen worden aangetroffen.
Bureau voor Archeologie Rapport 1050
Heeswijk-Dinther Meerstraat
21 3.
Omvang
Archeologische resten gerelateerd aan bewoning uit de periode van de landbouwsamenlevingen kunnen worden beschouwd als vlakelementen met variabele omvang (klein tot groot). Sommige complextypen kunnen zich ook als puntelementen manifesteren (begravingen, depots) of als lijnelementen (wegen, watergangen, percelering). Archeologische resten gerelateerd aan de brug of voorde kunnen zich manifesteren als kleine vlakelementen (brugconstructies), lijnelementen (dammen) en puntelementen (visfuiken, rituele deposities). 4.
Diepteligging
Het archeologische niveau bevindt zich onder een humeus dek van 30 tot 50 cm dik of onder een ophogingslaag/mestdek van onbekende dikte. Archeologische resten gerelateerd aan de brug en voorde bevinden zich op de bodem en oevers van de oude Leijgraaf. 5.
Gaafheid en conservering (fysieke kwaliteit)
Over de gaafheid en conservering van eventuele sporen en artefacten zijn geen nadere gegevens bekend. 6.
Locatie
Hele onderzoeksgebied (indien intact). Archeologische resten gerelateerd aan de omgeving van een brug of voorde, beperken zich tot plandeel 4 en het westen van plandeel 2. 7.
Uiterlijke kenmerken (prospectie kenmerken):
Archeologische resten kenmerken zich door een spreiding van vondsten of een sporenniveau. Archeologische resten gerelateerd aan de brug of voorde kenmerken zich als toevalsvondsten. 8.
Mogelijke verstoringen
Tijdens de ruilverkaveling rond 1960 zijn meerdere sloten en de Leijgraaf gedempt en het kan niet uitgesloten worden dat nog meer ophoging/afgraving/egalisatie heeft plaatsgevonden.
Bureau voor Archeologie Rapport 1050
Heeswijk-Dinther Meerstraat
22
3
Booronderzoek
3.1
Inleiding De ligging van het plangebied staat afgebeeld in fig. 1. In het plangebied is een ontwikkeling met grondwerkzaamheden voorzien. Daardoor worden mogelijk archeologische resten verstoord. Voor de beoogde ontwikkeling is een bureauonderzoek uitgevoerd (zie hoofdstuk 2 van dit rapport) waarbij een gespecificeerde archeologische verwachting is opgesteld. Op basis daarvan is een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van boringen uitgevoerd. Het veldonderzoek is uitgevoerd zoals voorgeschreven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 4.1,25 in het bijzonder het hoofdstuk ”protocol 4003 inventariserend veldonderzoek overig”. Het veldonderzoek is uitgevoerd volgens specificatie “VS03 Uitvoeren booronderzoek”. Het onderzoek is gerapporteerd volgens specificatie “VS05 Opstellen standaardrapport IVO – O/P”. Het onderzoeksgebied omvat de plandelen waar ingrepen anders dan het rooien van bomen gepland staat. Dit zijn plandelen 1, 2 en 4. Gezien de beperkte oppervlakte en diepte van de weg in plandeel 3, is dit plandeel niet meegenomen met het onderzoeksgebied. Van plandeel 4 is alleen de zone onderzocht waar natuurvriendelijke oevers worden gerealiseerd. Het onderzoeksgebied staat afgebeeld in fig. 26. De boringen zijn gezet met het doel de bodemopbouw te verkennen.
Met de verkenning wordt inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Hiermee kunnen kansarme zones worden uitgesloten en kansrijke zones worden geselecteerd. Deze methode is toegepast omdat nog onvoldoende informatie over de bodemopbouw beschikbaar is om te kunnen beslissen of en welk type karterend onderzoek eventueel uitgevoerd kan worden.
3.2
Methode De werkwijze in het veld was als volgt: Boortype:
7 cm Edelmanboor.
Aantal boringen:
Achttien.
Boordiepte:
De boringen zijn gezet tot in de C-horizont. De einddieptes liggen tussen 100 en 260 cm -mv.
Grid:
De boringen zijn verspreid in de te onderzoeken zones geplaatst.
Waarnemingswijze: Het sediment is met de hand bemonsterd en met het blote oog onderzocht door het te versnijden en te verbrokkelen. De opgeboorde grond is systematisch uitgelegd op een plastic zeil. Representatieve uitgelegde boorprofielen zijn gefotografeerd. Classificatie bodemtextuur en archeologische indicatoren: De opgeboorde grond is beschreven op basis van de Archeologische Standaard 25 SIKB 2018 Bureau voor Archeologie Rapport 1050
Heeswijk-Dinther Meerstraat
23 Boorbeschrijvingsmethode versie 1.1 (ASB 1.1), dit omvat NEN 5104.26 Locatie bepaling X en Y: De X en Y coördinaten van de boringen zijn bepaald door middel van een GPS met een nauwkeurigheid van 2 m. Hoogte bepaling: De Z coördinaat is na afloop van het veldwerk bepaald aan de hand het AHN.27 De gegevens zijn digitaal in het veld geregistreerd. Het veldwerk is uitgevoerd op 23 september 2021 door A. de Boer (KNA Senior Prospector) en C. de Jong (junior Prospector). Voorgaand aan het veldwerk is een plan van aanpak opgesteld. Het Plan van Aanpak is geregistreerd in ARCHIS3.
3.3
Resultaten met bodemkundige interpretatie De locaties van de boringen zijn in fig. 26 weergegeven. De boorgegevens staan in Bijlage 1. Met de gegevens zijn schematische doorsnedes gemaakt. Deze zijn weergegeven in fig. 27 tot en met 30. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen die wijzen op een vindplaats. Er zijn enkel fragmenten baksteen in de bouwvoor of geroerde grond aangetroffen. Er zijn geen vondsten verzameld. Het grondwater stond, zover aangetroffen, tijdens het onderzoek tussen 80 en 180 cm -mv. Al het bodemmateriaal bestaat uit zand. Op basis van de textuur, kleur en bijmengingen kunnen de volgende pakketten worden onderscheiden, van boven naar onder: Pakket 1: omgewerkte grond: Het pakket is aanwezig in boorprofielen 1 en 3. In boorprofiel 1 is het pakket 110 cm dik, in boorprofiel 3 is het 10 cm dik. Het pakket is zwak tot sterk humeus en heterogeen. De top van het pakket ligt aan het maaiveld (759 en 739 cm NAP). Boring 1 is naast een vijver gezet en betreft waarschijnlijk uitgegraven grond, boring 3 is naast een halfverhard pad gezet. Pakket 2: A-horizont: Het pakket is 25 tot 120 cm dik en aanwezig in alle boorprofielen met uitzondering van boorprofiel 1. De top van het pakket ligt tussen 0 en 10 cm -mv (808 en 736 cm NAP). Het pakket is sterk humeus en donkergrijsbruin tot zwart van kleur.
In boorprofielen 3, 6 en 10 zijn enkele baksteenspikkels aangetroffen. In sommige boorprofielen zijn roestvlekken aanwezig. Pakket 3: AB-horizont: Dit pakket is aanwezig in boorprofielen 9 en 13. In beide boorprofielen is dit pakket 10 cm dik. De top van het pakket ligt tussen 35 en 45 cm -mv (749 en 748 cm NAP). Het pakket is grijsbruin tot donkerbruin. In boorprofiel 9 bevat dit pakket zwarte (humeuze) vlekken en is de overgang met het onderliggende pakket scherp. In boorprofiel 13 gaat dit pakket geleidelijk over in de onderliggende B-horizont. 26 Bosch 2008; Nederlands Normalisatie Instituut 1989 27 Kadaster en PDOK 2014 Bureau voor Archeologie Rapport 1050
Heeswijk-Dinther Meerstraat
24 Pakket 4: B-horizont: Dit pakket is enkel in boorprofiel 13 aanwezig. Het pakket heeft een bruine kleur. Het pakket is 10 cm dik en de top ligt op 55 cm -mv(739 cm NAP). De overgang met de C-horizont is geleidelijk. Pakket 5: AC-horizont: Geel zwak siltig zand met zwarte humeuze vlekken/brokken. Het pakket is 15 tot 30 cm dik. In het pakket bevinden zich lagen met roest (weinig). Het pakket is aanwezig in boorprofielen 2, 4, 6, 7 en 16. De top van het pakket ligt tussen 25 en 60 cm -mv (735 en 693 cm NAP). Pakket 6: vulling gedempte sloot/beek: Dit pakket is aanwezig in boorprofielen 10, 14 en 17. In boorprofiel 10 betreft het een 70 cm dik pakket van zwart sterk humeus zand. De top van het pakket ligt in dit boorprofiel op 120 cm -mv (655 cm NAP). In boorprofielen 14 en 17 is het pakket tussen 85 en 200 cm dik en ligt de top op 40 cm -mv (tussen 696 en 700 cm NAP). Het pakket in deze boorprofielen bestaat uit heterogene lagen (kleur en textuur). Op ongeveer 200 cm -mv is in boorprofiel 17 een laag baksteen aanwezig . Onder de laag baksteen bevindt zich een sterk humeuze laag dat geïnterpreteerd zou kunnen worden als een beekbodem. Boorprofiel 14 heeft eveneens een humeuze laag onderin het pakket.
Op basis van de dikte, diepteligging, textuur en de ligging ter hoogte van de Leijgraaf/sloot op de kadastrale minuut wordt dit pakket geïnterpreteerd als de vulling van een gedempte watergang. Pakket 7: C-horizont: Zwak tot sterk siltig geel tot grijs zand. De textuur wordt meer siltig onderin het pakket. In het pakket bevinden zich lagen met roest (een spoor, weinig en veel). In sommige boorprofielen wordt de kleur bruiner, vermoedelijk als gevolg van roest. Het pakket is in alle boorprofielen aanwezig. De top van het pakket ligt tussen 35 en 110 cm -mv (743 en 629 cm NAP). In boorprofielen 10 en 17 ligt de top van het pakket op respectievelijk 190 en 240 cm -mv (585 en 500 cm NAP). Volgens de bodemkaart zijn in het plangebied laarpodzolgronden aanwezig met een 30 tot 50 cm dikke humeuze laag. De A-horizont ligt in de meeste gevallen scherp op de C-horizont of met een menglaag (AC-horizont) ertussen. Op de meeste plaatsen blijkt dat het humeuze pakket dikker is dan 50 cm. Met de AChorizont meegerekend, is het humeuze pakket alleen in boringen 9, 13, 14, 17 en 18 dunner dan 50 cm. Een (deels) intacte podzolgrond met een B- of AB-horizont zijn alleen in het zuidoosten van plandeel 1, ter hoogte van boringen 9 en 13, aanwezig.
3.4
Archeologische interpretatie Het gebrek aan intacte podzolgronden geeft aan dat de top van de oorspronkelijke bodem is vergraven of verploegd en dat archeologische sporen uit het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen waarschijnlijk niet meer aanwezig zijn. In het zuidoosten van plandeel 1 is de oorspronkelijk podzolbodem deels intact en hierin kunnen archeologische sporen bewaard zijn. In boring 17 is een dik pakket heterogeen materiaal aanwezig. De ligging van het boorpunt waarin dit pakket is aangetroffen bevestigt de ligging van de oude geul Bureau voor Archeologie Rapport 1050
Heeswijk-Dinther Meerstraat
25 van de Leijgraaf. In boring 14 is een vergelijkbaar pakket aanwezig, alleen dan dunner. Deze ligt noordelijker dan de ligging van de geul aangegeven op de kadastrale minuut. Vermoedelijk is dit ontstaan als gevolg van meandering nadat de Leijgraaf gegraven is, waarbij de geul naar het zuiden is gemigreerd. Mogelijk kan hier ook sprake zijn van de ondiepere zijkanten van de geul en ligt het diepste punt van de Leijgraaf ter hoogte van boring 17. De Leijgraaf zou dan wel veel breder zijn dan aangegeven op de kadastrale minuut. Gezien de ligging nabij de voorde is het goed mogelijk dat archeologische resten aanwezig zijn die, met op zonder opzet, in en rondom de geul zijn beland. In het westen van plandeel 2, ter hoogte van boring 1, is de bodem diep omgewerkt. Hier zijn geen aanwijzingen (geulafzettingen, beekbodems) gevonden die erop wijzen dat dit deel ligt in het stroomgebied van de Leijgraaf. Archeologische resten gerelateerd aan een oversteekplaats over de Leijgraaf zoals in plandeel 4 worden in dit plandeel niet verwacht.
Bureau voor Archeologie Rapport 1050
Heeswijk-Dinther Meerstraat
26
3.5
Waardestelling en Selectieadvies Conform KNA 4.1 vormen een waardestelling (VS06) en selectieadvies (VS07) van vindplaatsen onderdeel van een standaardrapport (VS05). Op basis van de resultaten van het verkennende onderzoek is vastgesteld dat archeologische resten in een deel van plangebied aanwezig kunnen zijn. Er zijn echter nog onvoldoende gegevens voor een waardestelling en er is geen inhoudelijk selectieadvies opgesteld.
Bureau voor Archeologie Rapport 1050
Heeswijk-Dinther Meerstraat
27
4
Conclusie
4.1
Conclusie Bureauonderzoek 1.
Waaruit bestaan de voorgenomen bodemingrepen?
In het plangebied zijn verschillende ingrepen voorzien. In het zuiden van plangebied wordt een landhuis met kelder en bijgebouw gerealiseerd die verbonden wordt met de Meerstraat door middel van een toegangsweg. In het noorden worden natuurvriendelijke oevers gerealiseerd. Daarnaast worden op enkele percelen bomen geplant en worden op andere plaatsen bomen gerooid. Het bouwvlak van het landhuis en bijgebouw beslaat ongeveer 2.750 m2, alhoewel de exacte afmetingen en ligging nog niet bekend zijn. Het landhuis wordt onderkelderd waarbij de onderkant van de kelder op ongeveer 240 cm -mv komen te liggen. In plandeel 2 zal de nieuwe toegangsweg inclusief cunet een diepte hebben van ongeveer 40 cm. Voor het rooien van de bomen worden de stobben waarschijnlijk gefreesd (exacte plannen zijn nog niet bekend). Hierbij kan worden uitgegaan van een maximale verstoring van 50 cm -mv. 2.
Wat is de landschappelijke ligging van het plangebied in termen van geomorfologie, geologie en bodemkunde?
Het plangebied ligt in het archeologisch landschap 'Roerdalslenk', in de landschapszone dekzandvlakten. Het oorspronkelijke reliëfrijke dekzandlandschap is vermoedelijk gedeeltelijk geëgaliseerd. Zowel voor als na de ruilverkaveling zijn in het plangebied gronden met een matig dikke A-horizont aanwezig (laarpodzolgronden en verstoorde bodems). Vermoedelijk is door bemesting een matig dikke eerdlaag gevormd. 3.
Is sprake van bekende bodemverstoringen?
Een groot deel van het oorspronkelijke dekzandlandschap is volgens de geomorfologische kaart afgegraven en/of geëgaliseerd. Hoeveel de bodem verstoord is geraakt is echter onbekend. Relatief kleine verstoringen zijn gerelateerd aan de ruilverkaveling (gedempte sloten) en het aanplanten van bos. 4.
Wat is de historische ontwikkeling van het plangebied?
Het plangebied is in 18e eeuw onbebouwd en dat blijft het geval tot en met het heden. Het landgebruik gedurende deze periode is voornamelijk bouwland en weiland. 5.
Is sprake van bekende archeologische waarden (zoals AMK terreinen, vondstlocaties, historische kernen) in het plangebied en directe omgeving, en zo ja welke?
In het plangebied liggen geen (delen van) AMK terreinen en geen vondstlocaties. Het plangebied is niet eerder archeologisch onderzocht.
Bureau voor Archeologie Rapport 1050
Heeswijk-Dinther Meerstraat
28 6.
Kunnen archeologische resten in het plangebied aanwezig zijn? Zo ja, wat is daarvan op hoofdlijnen de omvang, ligging, aard en datering?
Onder de A-horizont kunnen archeologische resten van bewoning uit Middeleeuwen en ouder aanwezig zijn. De hoogste verwachting geldt voor het zuiden en westen (plandelen 1 en 2) van het plangebied waar de kans op bodemverstoringen klein is. Archeologische resten gerelateerd aan een brug en voorde kunnen in plandelen 2 en 4 aanwezig zijn in en rond de oude geulen van de Leijgraaf. Plandelen 3 en 5 hebben waarschijnlijk een verploegd/opgehoogd (A op C) profiel, waarbij de A-horizont tot 50 cm dik is. Zie voor specificatie van de archeologische verwachting verder hoofdstuk 2.8. 7.
Worden deze archeologische waarden verstoord door de voorgenomen bodemingrepen? Zo ja, op welke wijze?
Vanwege de diepe ingrepen in plandelen 1 en 4 (kelder en oever) kunnen archeologische resten verstoord raken door vergraving. De ingrepen in plandelen 2, 3 en 5 (aanleg weg en rooien/planten bomen) blijven beperkt tot maximaal 50 cm -mv. De ingrepen blijven dan grotendeels beperkt tot de A-horizont. 8.
Welke vervolgstap(pen) kunnen worden genomen om rekening te houden met (mogelijke) archeologische resten?
Voor plandelen 1, 2 en 4 wordt aanbevolen om op aanvulling van het bureauonderzoek een verkennend booronderzoek uit te voeren; dit onderzoek is reeds uitgevoerd, zie resultaten volgend hoofdstuk. De ingrepen in plandelen 3 en 5 blijven beperkt tot het antropogene dek. Indien de ingrepen dieper blijken te gaan dan de vrijstellingsdiepte van 40 cm -mv wordt aanbevolen alsnog een verkennend booronderzoek uit te voeren om nader te bepalen wat de aard en intactheid van de onderliggende bodem is.