CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Landgoed Het Geleer_toel_Bijl 2 Quickscan flora en fauna en gedragscode bosbeheer

Commissie Ruimtelijke Zaken 3 april 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Landgoed Het Geleer17.547 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer Meerstraat 22 te Heeswijk-Dinther Rapportnummer P2020-0382

www.starobv.nl

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer

Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther December 2021, aangepast november 2022

Rapportnummer:

P2020-0328

Opdrachtgever:

Pouderoyen Tonnaer G. Willems

Uitgevoerd door:

Staro Natuur en Buitengebied Lodderdijk 38a 5421 XB Gemert tel. 0492-450161 www.starobv.nl

Veldonderzoek:

M. Benders en J. van Hout

Auteur:

J. van Hout

Kwaliteitscontrole: E. Claassen

Inhoud

1

Inleiding ............................................................................................................................................4 1.1 Aanleiding .................................................................................................................................4 1.2 Verdeling van activiteiten ..........................................................................................................4 1.2.1 Ruimtelijke ontwikkeling ................................................................................................4 1.2.2 Bestendig beheer en onderhoud ...................................................................................4 1.3 Ligging en beschrijving plangebied ..........................................................................................5 1.4 Voorgenomen werkzaamheden................................................................................................6 1.4.1 Werkzaamheden ruimtelijke ontwikkeling .....................................................................6 1.4.2 Werkzaamheden bestendig beheer en onderhoud .......................................................9 1.5 Geldigheid onderzoek ............................................................................................................

12 1.6 Zorgplicht ............................................................................................................................... 12 1.7 Leeswijzer .............................................................................................................................. 12

2

Methode ......................................................................................................................................... 13 2.1 Deelonderzoek Quickscan flora en fauna ............................................................................. 13 2.1.1 Doel ............................................................................................................................ 13 2.1.2 Methode ..................................................................................................................... 13 2.2 Deelonderzoek Gedragscode bosbeheer .............................................................................. 14 2.2.1 Doel ............................................................................................................................ 14 2.2.2 Methode ..................................................................................................................... 14

3

Deelonderzoek Quickscan flora en fauna .................................................................................. 16 3.1 Beschermde gebieden ........................................................................................................... 16 3.2 Beschermde soorten ............................................................................................................. 19 3.2.1 Flora ........................................................................................................................... 19 3.2.2 Vlinders en libellen ..................................................................................................... 19 3.2.3 Kevers en weekdieren ............................................................................................... 20 3.2.4 Vissen ........................................................................................................................ 21 3.2.5 Amfibieën en reptielen ............................................................................................... 22 3.2.6 Vogels ........................................................................................................................ 25 3.2.7 Zoogdieren ................................................................................................................. 28

4

Conclusies deelonderzoek Quickscan flora en fauna .............................................................. 35 4.1 Beschermde gebieden ........................................................................................................... 35 4.2 Beschermde soorten ............................................................................................................. 35 4.3 Advies en aanbevelingen ...................................................................................................... 42 4.4 Gevolgen voor (het tijdpad van) de voorgenomen plannen .................................................. 43 4.5 Weergave van planning werkzaamheden ............................................................................. 43

5

Deelonderzoek Gedragscode bosbeheer .................................................................................. 44 5.1 Maatregelen bij boswerkzaamheden ..................................................................................... 44 5.1.1 Algemene maatregelen .............................................................................................. 44 5.1.2 Flora ........................................................................................................................... 44 5.1.3 Vlinders en libellen ..................................................................................................... 44 5.1.4 Kevers en weekdieren ............................................................................................... 45 5.1.5 Vissen ........................................................................................................................ 45 5.1.6 Amfibieën ................................................................................................................... 45

5.1.7 5.1.8 5.1.9 6

Reptielen .................................................................................................................... 46 Vogels ........................................................................................................................ 46 Zoogdieren ................................................................................................................. 47

Conclusie deelonderzoek Gedragscode bosbeheer ................................................................ 52

Geraadpleegde bronnen ..................................................................................................................... 53 Bijlagen ................................................................................................................................................. 54 Bijlage 1 Wet- en regelgeving ...................................................................................................... 54 Bijlage 2 Weergaven voorgenomen werkzaamheden .................................................................. 58

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens de aanleg en onderhoud van een landgoed op het perceel Meerstraat 22 te Heeswijk-Dinther. Om dit te realiseren wordt circa 2,24 ha agrarische grond omgezet naar ‘nieuwe natuur’ met een landhuis en het bestaande productiebos van circa 11,4 ha omgevormd naar een natuurbos. Ten behoeve van de planologische procedure is het noodzakelijk een quickscan flora en fauna uit te voeren. Door middel van de quickscan wordt in beeld gebracht of de werkzaamheden in strijd zijn met de natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden. Tevens is middels een Gedragscode bosbeheer beoordeeld welke soorten negatieve effecten kunnen ondervinden van de voorgenomen werkzaamheden en hoe de werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden om de impact op (beschermde) soorten en het leefgebied te minimaliseren.

1.2

Verdeling van activiteiten De Wet natuurbescherming is bedoeld om Nederlandse natuurgebieden en plantenen diersoorten te beschermen. Werkzaamheden kunnen leiden tot verlies van leefgebieden of het verstoren of doden van soorten. In bijlage 1 wordt deze wet- en regelgeving uitgebreid beschreven. Afhankelijk van de werkzaamheden, kunnen de activiteiten worden onderverdeeld in verschillende categorieën. De voorgenomen plannen in dit plangebied kunnen onderverdeeld worden in 1) ruimtelijke ontwikkeling; en 2) bestendig beheer en onderhoud.

1.2.1

Ruimtelijke ontwikkeling Onder ruimtelijke ontwikkeling valt een breed scala aan activiteiten die leiden tot ingrijpende veranderingen. Het betreft grootschalige en kleinschalige activiteiten, zoals het aanleggen van wegen, bedrijventerreinen of woonwijken, maar ook de bouw van een schuur of de verbouwing van een huis. Onder ruimtelijke ontwikkeling vallen activiteiten die leiden tot een bestemmingswijziging, functieverandering of uiterlijke verandering van een gebied. (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2010)

1.2.2

Bestendig beheer en onderhoud Onder bestendig beheer en onderhoud vallen werkzaamheden rondom watergangen, wegen, spoorwegen, bermen, maar ook werk in het kader van natuurbeheer, landbouw of bosbouw. Het betreft geen grote veranderingen en de activiteiten bestaan uit de voortzetting van een praktijk die is gericht op het behoud van de bestaande situatie. (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2010)

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

4

Als gevolg van de uitvoering van bosbeheer kan niet altijd voorkomen worden dat werkzaamheden worden uitgevoerd die in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Op de Wet natuurbescherming zijn enkele uitzonderingen van kracht die zijn vastgesteld in het Besluit Vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten. Door dit besluit kunnen bepaalde werkzaamheden uitgevoerd worden via een vrijstelling, waaronder ook bestendig bosbeheer. Bij deze vrijstelling staat de voorwaarde dat gewerkt wordt volgens een door de minister van LNV goedgekeurde gedragscode. Met dit doel is ook de Gedragscode soortbescherming bosbeheer (VBNE, 2022) opgesteld. Deze gedragscode bevat gedragsregels voor de omgang met beschermde soorten tijdens uitvoering van bosbeheerwerkzaamheden. Door te werken volgens de systematiek van de gedragscode hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd en geldt een vrijstelling van overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming.

1.3

Ligging en beschrijving plangebied Het plangebied ligt ten noorden van de bebouwde kom van Heeswijk-Dinther en wordt omgeven door agrarisch gebied (akkerbouw en weilanden). Het plangebied wordt begrensd door de Leijgraaf in het noorden, de Koffiestraat in het oosten, de Pater van den Elsenstraat in het zuiden en de Meerstraat in het westen. Het plangebied heeft een oppervlakte van 14 hectare en bestaat uit bospercelen en agrarische grond. De ligging van het plangebied in de wijdere omgeving is weergegeven in figuur 1. De globale begrenzing van het plangebied is weergegeven in figuur 2.

N

Figuur 1. Ligging plangebied (gele lijn) in de omgeving (bron: PDOK Viewer)

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

5

N

Figuur 2. Globale begrenzing plangebied (gele lijn) (bron: PDOK Viewer)

1.4

Voorgenomen werkzaamheden Initiatiefnemer is voornemens de aanleg en instandhouding van een nieuw te ontwikkelen landgoed op het perceel Meerstraat 22 te Heeswijk-Dinther. Het betreft het landgoed Het Geleer. De werkzaamheden zijn uitgebreid omschreven in het inrichtings- en beheerplan (De Jonge, 2021) en worden hieronder kort omschreven. De voorgenomen werkzaamheden binnen het plangebied zijn te splitsen in werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud.

1.4.1

Werkzaamheden ruimtelijke ontwikkeling De locaties binnen het plangebied waar ruimtelijke ontwikkeling gaat plaatsvinden zijn de twee agrarische percelen (figuur 3). Op pagina 8 is een foto-impressie opgenomen van de locaties waar ruimtelijke ontwikkeling gaat plaatsvinden. Figuur 4 geeft de locaties van de genomen foto’s weer. Om nieuwe natuur te creëren wordt circa 2,24 ha agrarische grond omgezet naar nieuw bos, aangrenzend aan het bestaande bos. Het nieuwe bos wordt gerealiseerd door de aanplant van struikvormers en (lage) boomsoorten. Bij de realisatie van het nieuwe bos wordt een bosrand ingericht door struikvegetatie aan te planten. Hierdoor ontstaat een overgang van bos naar

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

6

agrarisch landschap in de omgeving. Op het zuidelijk perceel wordt tevens een landhuis met tuin gerealiseerd. Naast het aanleggen van nieuwe natuur, vinden nog enkele overige werkzaamheden plaats die onder de activiteit ‘ruimtelijke ontwikkeling’ vallen. De poel in het westelijk gelegen agrarisch perceel wordt hersteld. De poel is momenteel overgroeid met struikvormige wilgen en elzen. Herstel vindt plaats door het afzetten van de overgroeide struiken, het verwijderen van alle houtige begroeiing aan de zuidzijde (om zoninval te bevorderen) en het uitbaggeren van de poel. Deze werkzaamheden aan de poel zullen gefaseerd worden uitgevoerd. Een weergave van de voorgenomen werkzaamheden is weergegeven in bijlage 2. Bovengenoemde werkzaamheden betreffen activiteiten waarbij sprake is van bestemmingswijziging en/of functiewijziging van het gebied. De voorgenomen werkzaamheden vallen daardoor onder ruimtelijke ontwikkeling en worden beoordeeld middels een quickscan flora en fauna.

N

Figuur 3. Delen binnen het plangebied (gele lijn) waar ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt en daardoor beoordeeld en getoetst worden volgens een Quickscan flora en fauna (paarse stippellijnen geven de landbouwpercelen weer. (bron: PDOK Viewer)

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

7

Foto 1. Sloot binnen plangebied

Foto 2. Aangelegde bospoel gelegen in het noorden van het bos

Foto 3. Westelijk gelegen perceel met kleinschalig bosje

Foto 4. Poel gelegen in het bosje van het westelijk gelegen akkerperceel

Foto 5 t/m 8. Hout- en steenstapels gelegen in het westelijk gelegen akkerperceel

Foto 9. Westelijk gelegen akkerperceel

Foto 10. Zuidelijk gelegen akkerperceel

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

8

N

Foto 5 t/m 8

3

2 9

Figuur 4. Locaties van de genomen foto’s

1.4.2

Werkzaamheden bestendig beheer en onderhoud De locatie binnen het plangebied waar werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud gaan plaatsvinden betreft het huidige bosperceel (figuur 5). Op pagina 10 is een foto-impressie van het bosperceel opgenomen. Figuur 6 geeft de locaties van de genomen foto’s weer. Het beoogde Landgoed Het Geleer bestaat voornamelijk uit productiebos (circa 11,4 ha) met soorten die horen bij een vochtig berken- zomereikenbos en vochtig wintereiken- beukenbos, aangevuld met niet-inheemse, productieve soorten. De randen van de bospercelen bestaan uit een smalle mantel- en zoomvegetatie. Er groeien bloem- en vruchtdragende struiksoorten die een geleidelijke overgang vormen van het bos naar de aangrenzende agrarische gebieden. In het bosperceel zijn twee lanen aangeplant. Middels (regulier) bosbeheer wordt het bestaande bos met beperkte natuurwaarde (geleidelijk) omgevormd naar een natuurlijker en structuurrijker bos. Monoculturen van grove den en Japanse lariks worden omgevormd; een deel van de bomen wordt geringd om staand dood hout te krijgen en er worden inheemse soorten aangebracht. In de overige delen van het bos worden tevens bomen geringd en inheemse boomsoorten geplant om de natuurwaarde te verhogen.

De zone mantel- en zoomvegetatie langs de bosranden wordt verbreed door struiken en bomen af te zetten en een kruidenrijke zone te ontwikkelen, zodat een geleidelijke overgang met het landschap wordt gecreëerd. Daarnaast worden de voormalig aangelegde lanen in het bos hersteld door laanbomen

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

9

vrij te zetten en waar nodig laanbomen aan te planten. Een weergave van de voorgenomen werkzaamheden is weergegeven in bijlage 2. Bovengenoemde werkzaamheden betreffen activiteiten die onder regulier bosbeheer vallen om uiteindelijk een natuurlijk bos te vormen. De werkzaamheden kunnen daardoor uitgevoerd en beoordeeld worden conform de Gedragscode soortenbescherming bosbeheer (VBNE, 2022).

N

Foto 1 tot en met 12 geven een impressie van het plangebied. In figuur 3 is weergegeven op welke locaties de foto’s zijn genomen. Figuur 5. Delen van het plangebied (gele lijn) waar regulier bosbeheer plaatsvindt en daardoor beoordeeld en getoetst worden volgens de Gedragscode soortenbescherming bosbeheer (paarse stippellijnen) (bron: PDOK Viewer)

Foto 11. Noordelijke bosrand grenzend aan De Leijgraaf

Foto 12. Gedeelte van het bosgebied met berkenzomereikbosje

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

10

Foto 13. Gedeelte van het bosgebied met grove dennenbosje

Foto 14. Bomenlaan in bosgebied

Foto 15. Tweede bomenlaan in bosgebied

N 11 12

13

14

15

Figuur 6. Locaties van de genomen foto’s

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

11

1.5

Geldigheid onderzoek Het deelonderzoek quickscan flora en fauna is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. De bevoegde gezagen (provincies) hanteren de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoeksgegevens mogen maximaal drie jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.”. Het deelonderzoek quickscan flora en fauna gaat in op de effecten van de werkzaamheden zoals beschreven in paragraaf 1.3. Wijzigingen of aanpassingen in de werkzaamheden kunnen leiden tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten en gebieden.

1.6

Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook de niet wettelijk beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun directe leefomgeving. Dit betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren, niet mogen worden uitgevoerd.

1.7

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het doel van het onderzoek en de gebruikte onderzoeksmethode besproken. Het deelonderzoek Quickscan flora en fauna met daarbij de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten en gebieden en de effecten van de geplande werkzaamheden op aanwezige beschermde natuurwaarden worden beschreven in hoofdstuk 3. In dit hoofdstuk wordt tevens ingegaan op de mogelijke noodzaak tot het treffen van mitigerende maatregelen. In hoofdstuk 4 zijn de conclusies, adviezen en vervolgstappen uiteengezet van het deelonderzoek quickscan flora en fauna. Hoofdstuk 5 beschrijft het deelonderzoek Gedragscode bosbeheer, waarbij de aanwezigheid van mogelijk voorkomende (beschermde) soorten wordt beschreven. Tevens wordt beschreven hoe ingrepen in het kader van bestendig bosbeheer uitgevoerd kunnen worden en welke vervolgstappen genomen dienen te worden om aan de Gedragscode soortenbescherming bosbeheer te voldoen. De conclusies en adviezen van dit deelonderzoek zijn beschreven in het laatste hoofdstuk.

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

12

2

Methode 2.1

Deelonderzoek Quickscan flora en fauna 2.1.1

Doel Het doel van het deelonderzoek Quickscan flora en fauna is te bepalen of de werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de natuurwetgeving. Voor soortbescherming en gebiedsbescherming is sinds 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van belang. Daarnaast is gebiedsbescherming vastgelegd in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen EHS genoemd). In bijlage 1 wordt deze wet- en regelgeving uitgebreid beschreven. Het in deze rapportage beschreven onderzoek stelt de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming vast. Tevens beoordelen we op welke wijze en in welke mate de voorgenomen werkzaamheden invloed kunnen hebben op het eventueel voorkomen van beschermde soorten. Op basis van de resultaten kan worden vastgesteld welke maatregelen getroffen en vervolgstappen genomen dienen te worden om te voorkomen dat in strijd met de natuurwetgeving zal worden gehandeld. Aanvullend zal worden bepaald of voorgenomen werkzaamheden effect hebben op de beschermde natuurwaarden van nabijgelegen natuurgebieden.

2.1.2

Methode In het kader van deze quickscan heeft een bronnenonderzoek plaatsgevonden waarbij gekeken is naar gebiedsgerichte bescherming en mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Voor het soortenonderzoek is gebruikgemaakt van gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), de websites Vlinderstichting.nl, Waarneming.nl, EIS-nederland.nl, Zoogdiervereniging.nl en Verspreidingsatlas.nl en diverse verspreidingsatlassen. Voor de gebiedsgerichte bescherming is gekeken naar de aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving. De ligging van Natura 2000gebieden (o.a. Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) en het Natuurnetwerk Nederland in de nabijheid van het plangebied zijn onderzocht. Daarnaast heeft een veldbezoek plaatsgevonden waarbij alle op de locatie aanwezige habitats zijn opgenomen. De aanwezigheid van deze habitats vormt de basis voor de mogelijkheid tot het voorkomen van beschermde soorten. Naast de habitats zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen die duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Dergelijke aanwijzingen zijn bijvoorbeeld het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten en het aantreffen van holen, uitwerpselen, prooiresten, vraat-, loopen veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken. De

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

13

aanwezige habitats zijn vergeleken met de habitateisen van beschermde planten- en diersoorten. Op basis van deze vergelijking en expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. Ook is gekeken of binnen het plangebied invasieve exoten voorkomen. Een veldbezoek voor een quickscan flora en fauna is nadrukkelijk geen volledige inventarisatie. Dat betekent dat op basis van het veldbezoek het voorkomen van beschermde soorten niet per definitie is uit te sluiten. De bevindingen van het veldbezoek en het literatuuronderzoek zijn vervolgens gebundeld in deze rapportage. Het veldbezoek dat voor dit onderzoek is uitgevoerd, heeft plaatsgevonden op 17 november 2021 in de ochtend onder de volgende weersomstandigheden: zwaar bewolkt, droog, windkracht 3 en circa 6 ˚C.

2.2

Deelonderzoek Gedragscode bosbeheer 2.2.1

Doel Het doel van het deelonderzoek Gedragscode bosbeheer is te bepalen hoe ingrepen in het kader van bestendig bosbeheer uitgevoerd kunnen worden, waarbij de soorten die voorkomen in het bos zich kunnen handhaven en de leefomgeving daarvoor constant blijft.

2.2.2

Methode In het kader van deze gedragscode heeft voorafgaand aan het veldbezoek een bronnenonderzoek plaatsgevonden waarbij gekeken is naar mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Hiervoor is gebruikgemaakt van gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), de websites Vlinderstichting.nl, Waarneming.nl, EIS-nederland.nl, Zoogdiervereniging.nl en Verspreidingsatlas.nl en diverse verspreidingsatlassen. Daarnaast heeft een inventarisatie plaatsgevonden waarbij belangrijke op de locatie aanwezige habitats en sporen zijn opgenomen. De aanwezigheid van deze habitats vormt de basis voor de mogelijkheid tot het voorkomen van (beschermde) soorten. Naast de habitats zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen die duiden op het voorkomen van (beschermde) soorten. Dergelijke aanwijzingen zijn bijvoorbeeld het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten en het aantreffen van holen, uitwerpselen, prooiresten, vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken. De aanwezige habitats zijn genoteerd en vergeleken met de habitateisen van beschermde planten- en diersoorten. Op basis van de inventarisatie en de gegevens is beoordeeld hoe en welke boswerkzaamheden uitgevoerd kunnen

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

14

worden conform de Gedragscode soortenbescherming bosbeheer om de impact op (de leefomgeving van) soorten voorkomend in het bos te minimaliseren. Ook is gekeken of binnen het plangebied invasieve exoten voorkomen. Het veldbezoek dat voor dit onderzoek is uitgevoerd, heeft plaatsgevonden op 17 november 2021 in de ochtend onder de volgende weersomstandigheden: zwaar bewolkt, droog, windkracht 3 en circa 6 ˚C.

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

15

3

Deelonderzoek Quickscan flora en fauna Dit hoofdstuk is opgesteld ter beoordeling van de voorgenomen werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen op de twee agrarische percelen en de te verondiepen/ te dempen sloten (figuur 3).

3.1

Beschermde gebieden Natura 2000 Uit de kaarten van de gebiedendatabase op de website van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) blijkt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op circa 11,1 kilometer afstand ten noordoosten van het plangebied ligt, zie figuur 7. Dit betreft het Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek. Ten zuidwesten ligt het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen op circa 15,7 kilometer afstand van het plangebied.

Figuur 7. Ligging geheel plangebied (zwarte lijn, aangewezen door de pijl) ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (lichtgroen) (bron: Overzichtskaart Natura 2000-gebieden Noord-Brabant van RVO)

Effectbeoordeling Doordat het plangebied buiten het Natura 2000-gebied ligt, kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Gezien de relatief grote afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is het uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebied als gevolg van effecten van verdroging, versnippering mechanische en optische verstoring door licht, geluid en trilling door de voorgenomen werkzaamheden.

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

16

Vanwege de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied kan redelijkerwijs worden aangenomen dat geen negatieve effecten door stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden optreden. Dit is echter alleen uit te sluiten middels een AERIUS-berekening. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Natuurgebieden in Nederland zijn erg versnipperd. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN; in provincie Noord-Brabant bestaande uit het NNB rijksdeel en het NNB provinciaal deel) heeft als doel om natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Sinds 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland. Uit de kaart Natuurbeheerplan op de website van provincie Noord-Brabant, blijkt dat het plangebied geen deel uitmaakt van het NNB rijksdeel en het NNB provinciaal deel. Het plangebied grenst aan de noordzijde tegen het NNB rijksdeel. Dit betreft de beek De Leijgraaf die een functie als Ecologische Verbindingszone (EVZ) vervult. De Leijgraaf is een zijstroom van de Aa, die door de mens is aangelegd ten behoeve van waterafvoer. Het dichtstbijzijnde gebied wat deel uitmaakt van het NNB provinciaal deel ligt op circa 320 meter ten westen van het plangebied. De ligging van het NNB in de omgeving van het plangebied is weergegeven in figuur 8.

Figuur 8. Ligging geheel plangebied (zwarte lijn) en plangebied voor dit deelonderzoek (paars gestippelde lijnen) ten opzichte van het NNB (bron: Overzichtskaart Natuurbeheerplan van Provincie Noord-Brabant)

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

17

Effectbeoordeling Het plangebied behoort niet tot het NNB, maar het bosgebied grenst wel aan de Ecologische Verbindingszone De Leijgraaf. In het kader van de realisering van de EVZ zijn in het bosgebied, tegen de Leijgraaf, in een eerder stadium reeds een poel en een paaiplaats voor vissen aangelegd. Deze paaiplaats staat in open verbinding met De Leijgraaf. Van belang is dat de voorgenomen plannen geen negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. De doelsoorten van het EVZ de Leijgraaf zijn: das, struweelvogels, amfibieën, kleine modderkruiper, drijvende waterweegbree en dagvlinders van droge habitats. Het aanleggen van een brede bosrand met mantel- en zoomvegetatie leidt tot meer structuurvariatie en een geleidelijke, meer natuurlijke overgang van bos naar oever. Hiermee wordt de bosrand aantrekkelijker voor verschillende soorten, zoals vogels, insecten en kleine zoogdieren. De voorgenomen werkzaamheden hebben daardoor een positief effect op het bos en het functioneren van de EVZ voor verschillende (doel)soorten. Het is echter van belang dat de werkzaamheden geen negatief effect hebben op de oever van De Leijgraaf, gezien dit habitat kan zijn voor bijvoorbeeld (water)planten, amfibieën, kleine modderkruiper, of kleine zoogdieren.

Mitigerende maatregelen Door niet binnen 1-2 meter van de oever, poel en paaiplaats te werken, blijft de functie van de EVZ behouden en blijft De Leijgraaf geschikt als leefgebied voor soorten. Tevens is het van belang om de (noordelijke) bosrand gefaseerd over ruimte en tijd aan te leggen, zodat een geleidelijke omvorming plaatsvindt. Hierdoor kunnen soorten geleidelijk meebewegen met de omvorming en blijven delen van de noordelijke bosrand over tijd en ruimte geschikt als leefgebied. Indien deze maatregelen worden toegepast zal geen negatief effect optreden op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB. De aanleg van een brede bosrand zal leiden tot positieve effecten op verschillende soorten. Conclusie Gezien de relatief grote afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (11,1 kilometer) is het redelijkerwijs uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen plannen. Vanwege de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied kan redelijkerwijs worden aangenomen dat geen negatieve effecten door stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden optreden. Dit is echter alleen uit te sluiten middels een AERIUSberekening. Het bosgebied grenst aan De Leijgraaf, een ecologische verbindingszone die tot het NNB hoort.

Het aanleggen van een brede bosrand met mantel- en zoomvegetatie leidt tot meer structuurvariatie en een geleidelijke en natuurlijkere overgang van bos naar oever. Hiermee wordt de bosrand aantrekkelijker voor verschillende soorten. Door niet binnen 1-2 meter van de beekoever, poel en paaiplaats te werken, blijft de functie van de EVZ behouden en blijft De Leijgraaf geschikt als leefgebied voor soorten. Tevens is het van belang om de (noordelijke) bosrand gefaseerd over ruimte en tijd aan te leggen, zodat een geleidelijke omvorming plaatsvindt. Indien deze maatregelen worden toegepast zal geen negatief effect optreden op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB. Met name de realisatie van een brede bosrand langs de Leijgraaf leidt tot positieve effecten voor soorten.

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

18

3.2

Beschermde soorten Deze paragraaf beschrijft het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in het plangebied. Per soortgroep wordt beschreven welke soorten worden verwacht, wat de mogelijke effecten van de ingreep zijn en of het nemen van mitigerende maatregelen nodig is.

3.2.1

Flora Volgens de gegevens van de NDFF komen geen beschermde vaatplanten voor in de omgeving van het plangebied. Het plangebied bestaat uit twee akkers waar mais op wordt geteeld. Doordat deze percelen als akkerland in gebruik zijn, wordt er regelmatig geploegd, geoogst, etc. waardoor de akkers geen geschikt habitat vormen voor beschermde plantensoorten. Het westelijk gelegen perceel bestaat gedeeltelijk uit doornstruweel en struikvegetatie. Dit gedeelte is vrij ruig en wordt niet frequent beheerd. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen in het plangebied. Op basis van bovenstaande argumenten kan het voorkomen van de beschermde vaatplanten op basis van expert judgement uitgesloten worden binnen het plangebied.

3.2.2

Vlinders en libellen Vlinders Uit gegevens van de NDFF en De Vlinderstichting blijkt dat binnen één kilometer afstand van het plangebied teunisbloempijlstaart (§3.2 Wnb) en grote vos (§3.3 Wnb) zijn waargenomen. Tussen twee en vijf kilometer afstand van het plangebied zijn grote weerschijnvlinder, iepenpage en kleine ijsvogelvlinder (alle §3.3 Wnb) waargenomen.

Teunisbloempijlstaart is een zeldzame soort die voorkomt op open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. De waardplanten zijn wilgenroosje, teunisbloem, bastaardwederik en kattenstaart. Grote vos is een zeldzame en kwetsbare soort die voorkomt in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. De waardplanten van deze soort zijn vooral iep, maar ook zoete kers en sommige wilgensoorten. Grote weerschijnvlinder is een tot voor kort zeldzame (nu een niet bedreigde) standvlinder die voorkomt in oudere, vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of groepen samenhangende bosjes in beekdalen. De waardplant van deze soort is vooral boswilg, soms grauwe wilg. Iepenpage is een zeldzame soort die op verschillende locaties in Nederland voorkomt bij iepen in bossen, bosranden, parken en grotere

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

19

tuinen. De waardplanten van deze soort zijn diverse iepen zoals gladde iep, ruwe iep en sommige cultivars. Kleine ijsvogelvlinder is een kwetsbare standvlinder die in het zuidwesten van Nederland voorkomt in gevarieerde, vochtige gemengde bossen of loofbossen, zoals elzenbroekbos. De waardplant van deze soort is wilde kamperfoelie; soms rode kamperfoelie of gecultiveerde kamperfoelie.

Teunisbloempijlstaart en grote vos zijn in de Heeswijkse bossen waargenomen, circa 1 km afstand ten westen van het plangebied. In het plangebied zijn geen geschikte waardplanten waargenomen voor deze en de andere bovengenoemde beschermde vlinders. De akkers bieden geen geschikt habitat en de bomen in het westelijk perceel zijn relatief jong. De bomen zijn niet ouder dan 15 jaar en door de dominantie van grassoorten en doornstruweel is het plangebied niet geschikt voor deze en andere beschermde vlindersoorten. Daarom is het voorkomen van beschermde vlindersoorten uitgesloten. Libellen Volgens de gegevens van de NDFF en De Vlinderstichting komen geen beschermde libellen voor in de omgeving van het plangebied. Tijdens het veldbezoek is de poel in het westelijk gelegen perceel onderzocht met behulp van een schepnet. Hierbij zijn geen soorten gevonden. Doordat de poel is gevuld met strooisel en geen zuurstof en licht krijgt, biedt de poel geen geschikt habitat. De sloten stonden op het moment van inventarisatie (vrijwel) droog en zijn daardoor niet geschikt als habitat voor libellen. Slechts het meest noordelijke deel van de sloot langs de laan was gevuld met water. Echter ontbreekt het aan oever- of waterplanten in de sloot, waardoor dit geen geschikt habitat biedt voor (beschermde) libellensoorten.

Het voorkomen van (beschermde) libellensoorten binnen het plangebied is zodoende uitgesloten. Effectbeoordeling Het herstellen van de poel heeft een positief effect op het beschikbare habitat voor (beschermde) libellen.

3.2.3

Kevers en weekdieren Volgens de gegevens van de NDFF en EIS Nederland blijkt dat tussen twee tot vijf kilometer vermiljoenkever (§3.2 Wnb) is waargenomen.

Vermiljoenkever komt voor in diverse vochtige bossen, houtwallen en lanen met veel dode bomen. De larve van de kever leeft twee jaar achter de schors van verse dode bomen of takken, bij voorkeur van populier. Ook de volwassen kever leeft het grootste deel van zijn leven achter schors.

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

20

Binnen het plangebied waar ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, staan geen dode bomen. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat, is het voorkomen van vermiljoenkever uitgesloten. In het bos langs de percelen staan wel enkele dode bomen. Dit zijn echter maar enkele losstaande en jonge bomen (niet ouder dan 15 jaar) en bieden daardoor geen geschikt habitat. Het is zodoende uitgesloten dat de soort mogelijk vanuit het bos richting het plangebied verplaatst. Verder zijn geen recente waarnemingen bekend van beschermde kevers en weekdieren in de omgeving van het plangebied. Voor de beschermde kevers en weekdieren zijn weinig verspreidingsgegevens bekend, daarom wordt in deze paragraaf van alle beschermde kevers en weekdieren beoordeeld of ze in het plangebied kunnen voorkomen.

Vliegend hert (§3.3 Wnb) komt voor in (oude) eikenbossen. Deze soort is afhankelijk van rottend eikenhout, aanwezig in zeer oude eiken of eikenhakhout. Dit habitat is binnen het plangebied niet aanwezig. Het voorkomen van deze soort binnen het plangebied is uit te sluiten. De beschermde houtkevers; heldenbok en juchtleerkever (beide §3.2 Wnb) zijn afhankelijk van oude, holle of vrijstaande bomen of (natte) gebieden met veel dood hout. Deze habitattypen zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Het voorkomen van deze beschermde houtkevers binnen het plangebied kan daarom worden uitgesloten. De beschermde waterkevers brede geelrandwaterroofkever en gestreepte waterroofkever (beide §3.2 Wnb) zijn voor het voorkomen afhankelijk van grote wateren. De sloten en de poel gelegen in het westelijk perceel bieden geen geschikt habitat vanwege de beperkte oppervlakte en het strooisel in de poel waardoor er geen zuurstof of licht bij komt. Het voorkomen van beschermde waterkevers binnen het plangebied is zodoende uitgesloten. De aquatische slakkensoort platte schijfhoren (§3.2 Wnb) is afhankelijk van de aanwezigheid van heldere, schone wateren met waterplanten. Bataafse stroommossel (§3.2 Wnb) is een soort die voorkomt in stromend water (rivieren of beken). Deze soort is al 50 jaar niet meer waargenomen in Nederland.

De sloten en de poel gelegen in het westelijk perceel bieden geen geschikt habitat vanwege het ontbreken van (water)planten en het strooisel in de poel. Het voorkomen van platte schijfhoren en Bataafse stroommossel binnen het plangebied is zodoende uitgesloten.

Effectbeoordeling Het herstellen van de poel heeft mogelijk een positief effect op het beschikbare habitat voor (beschermde) waterkevers en slakkensoorten.

3.2.4

Vissen Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat tussen twee tot vijf kilometer van het plangebied grote modderkruiper (§3.3 Wnb) is waargenomen.

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

21

Grote modderkruiper prefereert ondiepe wateren met een dikke modderlaag en een uitbundige waterplantengroei. De soort heeft een voorkeur voor verlandende wateren in laag dynamische overstromingsvlakten en moerasgebieden. In Nederland ligt een aanzienlijk deel van het leefgebied in de sloten van ingepolderde voormalige overstromingsvlakten.

De sloten en de poel binnen het plangebied voldoen niet aan de habitateisen van deze en andere beschermde vissoorten. Het ontbreekt namelijk aan (water)vegetatie die voor de grote modderkruiper van belang is. Tevens biedt het plangebied geen geschikt verlandingshabitat en treedt geen zonlicht of zuurstof in de poel vanwege de dikke strooisellaag. Het voorkomen van beschermde vissoorten in het plangebied is daarom uit te sluiten.

3.2.5

Amfibieën en reptielen Amfibieën Uit gegevens van RAVON, de NDFF en De amfibieën en reptielen van Nederland (Creemers & Van Delft, 2009) blijkt dat binnen één kilometer afstand van het plangebied kamsalamander (§3.2 Wnb), Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander (alle §3.3 Wnb) zijn waargenomen. Tussen één en twee kilometer afstand van het plangebied is poelkikker (§3.2 Wnb) waargenomen.

 

Kamsalamanders leven in matig voedselrijke, stilstaande poelen, vijvers, vennen of kolken met goed ontwikkelde onderwatervegetatie in bosrijk gebied, houtwallen of struweel. De soort wordt voornamelijk waargenomen in beek- of rivierbegeleidend water. De soort overwintert op vochtige en beschutte plekken op het land, zoals stapels stenen, in hout, bladafval, gaten en holen. Het land- en overwinteringshabitat moet binnen 100 tot 1000 meter van het voortplantingswater liggen en zonder barrières bereikbaar zijn. Alpenwatersalamander komt voor in verschillende typen water in weidelandschappen, heidegebieden, loof- en naaldbossen, struwelen en parken, zolang het niet snel stromend of rijk aan vis is. De soort komt voor nabij bos, het liefst loofbossen en leeft de eerste drie levensjaren volledig op het land. De soort overwintert op het land tussen vegetatie in grasland, heggen en houtwallen, of tussen hout- of steenhopen. Migratie vindt plaats tot 500- 700 meter van het oppervlaktewater. Bastaardkikker komt vrij algemeen in Nederland voor. Het is een warmte- en zonminnende soort met een voorkeur voor onbeschaduwde wateren met voldoende oeverbegroeiing. Bruine kikker is verspreid over geheel Nederland. De soort komt voor in verschillende habitattypen op verschillende bodemtypen, van duin- en stuifzanden tot rivier- en zeeklei en lössgronden.

De soort heeft een voorkeur voor kleine of lijnvormige wateren.

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

22

Gewone pad komt in vele habitats voor en heeft een voorkeur voor kleinschalig, gevarieerd landschap. Ze schuwen de mens niet en komen voor in tuinen, parken en ruderale terreintjes. Gewone padden zijn als één van de weinige amfibieën in Nederland goed bestand tegen hoge dichtheden vis. Kleine watersalamander plant zich voort in ondiep, stilstaand of zwak stromend water met onderwatervegetatie. De soort blijft dicht bij het water tot een afstand van 300 tot 600 meter. Kleine watersalamanders komen in vrijwel geheel Nederland voor. Poelkikker heeft een voorkeur voor zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op hogere zandgronden. De soort komt voor in vennen, poelen en watergangen in hoogveengebieden en in de uiterwaarden, maar ook rivierbegeleidende wateren. Overwintering van de poelkikker vindt plaats op het land binnen 100 á 200 meter van het voortplantingswater.

De poel in het westelijk gelegen akkerperceel ligt vol met strooisel waardoor weinig zuurstof en licht toetreden. Het is echter niet uit te sluiten dat de poel alsnog functioneert als voortplantingshabitat voor kamsalamander, Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en poelkikker. Ook de sloten in het plangebied bieden geschikt voortplantingshabitat voor deze soorten. Het plangebied biedt daarnaast geschikt land- en overwinteringshabitat voor de genoemde soorten. De soorten kunnen schuilen tussen de vegetatie en het struweel in het westelijk perceel. Tevens bieden de steen- en houtstapels geschikt land- en overwinteringshabitat waar de soorten tussen kunnen schuilen. De landbouwpercelen zijn niet geschikt als land- en overwinteringshabitat, vanwege het ontbreken van schuilplekken. Reptielen Uit gegevens van RAVON, de NDFF en De amfibieën en reptielen van Nederland (Creemers & Van Delft, 2009) blijkt dat binnen één kilometer afstand van het plangebied levendbarende hagedis (§3.3 Wnb) is waargenomen. Tussen één en twee kilometer afstand van het plangebied is muurhagedis (§3.2 Wnb) waargenomen.

Levendbarende hagedis komt voor op droge en vochtige heiden en hoogvenen, en venoevers. De soort komt daarnaast ook voor in open bossen, ruige graslanden, in bermen en (een beperkt deel van) duinen. De soort is een vochtminnende soort en komt daardoor in de landschappen voor op oevers en vochtige terreindelen. Muurhagedis komt voor op warme, stenige plekken, zoals rotswanden. De muurhagedis komt in ons land uitsluitend in Maastricht voor. Op andere plekken binnen Nederland betreft het voornamelijk illegaal uitgezette dieren.

Enkele open plekken in het bosgebied en de bosranden zijn mogelijk geschikt leefgebied voor levendbarende hagedis. Individuen kunnen mogelijk

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

23

vanuit het bos richting het plangebied bewegen en onder de hout- en steenstapels verschuilen. Voor muurhagedis is geen geschikt habitat aanwezig, vanwege het ontbreken van warme, stenige plekken. Het voorkomen van muurhagedis binnen het plangebied is zodoende uitgesloten. Effectbeoordeling De poel in het westelijke perceel is momenteel overgroeid met struikvormige wilgen en elzen. Herstel vindt plaats door het afzetten van de overgroeide struiken, het verwijderen van alle houtige begroeiing aan de zuidzijde (om zoninval te bevorderen) en het uitbaggeren van de poel. Deze werkzaamheden worden gefaseerd uitgevoerd. De werkzaamheden aan de poel hebben tot gevolg dat geschikt voortplantingshabitat voor kamsalamander, Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en poelkikker (tijdelijk) wordt verstoord. Doordat de werkzaamheden gefaseerd worden uitgevoerd blijft altijd onverstoord en voldoende leefgebied beschikbaar voor genoemde soorten en treedt geen negatief effect op ten aanzien van voortplantingshabitat. Het verwijderen van overgroeide struiken en het uitbaggeren van de poel leidt uiteindelijk tot een poel die beter geschikt is als voortplantingsplaats voor amfibieën. Wanneer in het westelijk perceel bomen en struiken worden verwijderd, kunnen daarmee overwinteringslocaties van amfibieën worden verstoord.

Echter blijft wel voldoende land- en overwinteringshabitat in de omgeving aanwezig en ontstaat tevens geschikt habitat in de nieuwe situatie. Het nieuw aan te leggen bos biedt namelijk voldoende rustplaatsen en schuilplaatsen onder de vegetatie, takken etc. Zodoende ontstaat geen negatief effect op het land- en overwinteringshabitat van amfibieën. De hout- en steenhopen in het westelijk perceel functioneren mogelijk als overwinteringshabitat voor amfibieën. Deze hopen zullen blijven liggen. Hierdoor is geen sprake van negatieve effecten op mogelijk in deze hopen aanwezig overwinteringshabitat en overwinterende amfibieën. Tevens ontstaan hierdoor geen negatieve effecten op mogelijk in deze hopen aanwezige schuilplaatsen van levendbarende hagedis. Mitigerende maatregelen Voor bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander geldt bij ruimtelijke ingrepen in provincie Noord-Brabant een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor het verwonden of niet opzettelijk doden van deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt altijd de Algemene zorgplicht, zie §1.4. Voor kamsalamander, Alpenwatersalamander, poelkikker en levendbarende hagedis geldt deze vrijstelling niet.

Negatieve effecten voor deze soorten kunnen worden voorkomen door het nemen van de volgende mitigerende maatregelen, waarmee tevens invulling wordt gegeven aan de Algemene zorgplicht:

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

24

 Werkzaamheden aan het water en de oevers van de poel 

 

3.2.6

vinden altijd gefaseerd plaats. Minstens 30% van de oppervlakte blijft ongemoeid. Werkzaamheden aan het water en de oevers van de poel vinden plaats na het voortplantingsseizoen en voor de overwinteringsperiode van amfibieën. Rekening houdend met de mogelijk aanwezige soorten is de toegestane periode van 1 oktober tot 1 november. Bij werkzaamheden wordt in één richting gewerkt zodat aanwezige dieren kunnen vluchten. Bij het baggeren moet het water terug kunnen lopen in de poel, bij voorkeur wordt gewerkt met een open bak, zodat eventueel aanwezige dieren kunnen ontsnappen. Baggermateriaal wordt op de kant gezet, zodat eventueel in de bagger aanwezige amfibieën kunnen ontsnappen. Het verwijderen van bomen en struiken anders dan op de oevers van de poel, dient uitgevoerd te worden buiten het overwinteringsseizoen van amfibieën. Rekening houdend met de mogelijk aanwezige soorten kunnen deze werkzaamheden worden uitgevoerd van 15 april tot 1 november. Van het vrijgekomen snoeihout dienen takkenhopen of takkenrillen gemaakt te worden die kunnen dienen als beschutting en overwinteringsplaatsen voor amfibieën en andere soorten. Deze kunnen in het nieuw aan te leggen bos worden geplaatst.

Vogels Tijdens het veldbezoek is een nest aangetroffen van een algemene vogelsoort (vermoedelijk duif of merel). Uit gegevens van de NDFF blijkt dat de volgende vogelsoorten met jaarrond beschermd nest zijn waargenomen in de wijde omgeving van het plangebied: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil en wespendief (alle §3.1 Wnb).

 Boomvalk komt voor in open en halfopen landschappen zoals parken,

  

heiden, hoogvenen, moeras, boerenland en dorpen. De soort nestelt in oude kraaien- of eksternesten met de voorkeur in halfopen bos of de randen ervan. Ook kan de boomvalk in solitaire bomen broeden. Buizerd is over geheel Nederland verspreid in gebieden met een afwisseling tussen bossen en heide, boerenland, moerasbossen of houtwallen. De soort prefereert een bos(je) als nestlocatie en open land als foerageergebied. Gierzwaluw nestelt in Nederland uitsluitend in allerlei menselijke bebouwing met invliegopeningen onder dakpannen, in kieren en gaten in muren, maar ook in nestkasten. Grote gele kwikstaart broedt en foerageert vrijwel uitsluitend aan de oevers van rivieren en beken, liefst met loofbos of loofbomen omzoomd. Havik broedt voornamelijk in naald- en loofbossen. De soort leeft in gebieden met een combinatie van bos en open land om te jagen. Dit kunnen weilanden, akkers, heide, boerenland en moerassen zijn.

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

25

 Huismus nestelt voornamelijk in of tegen allerlei menselijke   

   

bebouwing: onder dakpannen bereikbaar via de dakgoot, in neststenen en in kieren en gaten in muren. Kerkuil komt voor in (half)open cultuurlandschappen met landschapselementen. De soort prefereert afwisseling tussen gras- en bouwland met kruidenrijke akkerranden, heggen, bosjes of houtwallen. Ooievaar broedt op hoge plekken, zoals kerktorens, schoorstenen of in bomen. De soort komt voor in extensief beheerde weilanden in uiterwaarden en veenweidegebieden. Ransuil komt in verschillende landschappen voor; agrarisch gebied, open bos, bosranden, heiden, hoogvenen, parken, duinen of moerasgebieden. De soort jaagt in wegbermen, De ransuil broedt en roest bij voorkeur in naaldbomen. Roek is een koloniebroeder en broeden vaak in vrijstaande, hoge groepen bomen langs kanalen, treinsporen en snelwegen. Ze foerageren op de naastgelegen grasvelden. Slechtvalk broedt op kliffen en op bergwanden. In steden kunnen ze broeden in kantoorgebouwen en torens. De soort jaagt in open landschappen zoals uiterwaarden. Sperwer broedt in bossen, en soms ook in tuinen en parken. De soort heeft een voorkeur voor jong bos met naaldbomen in een halfopen landschap. Steenuil broedt in natuurlijke holtes van bomen, voornamelijk knotwilgen en oude fruitbomen, maar ook in hoekjes van gebouwen of schuren. Voor steenuilen is kleinschalig cultuurlandschap met variatie aan houtwallen, weitjes, heggen, etc.

van belang. Wespendief nestelt in kruinen van hoge loof- en naaldbomen. De soort komt voor in gemengde en loofbossen met open plekken, hoogvenen, graslanden en heide.

Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied geen nesten aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest. De bomen in het westelijk perceel zijn nog relatief jonge, dunne bomen. De bomen zijn daardoor niet geschikt als nestgelegenheid voor bovengenoemde vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest. Bebouwing ontbreekt in het plangebied waardoor nesten van huismus en gierzwaluw zijn uit te sluiten. Het plangebied kan wel onderdeel van het leef- en foerageergebied zijn voor vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest die in de omgeving nestplekken hebben. De noordelijke bosrand langs De Leijgraaf biedt mogelijk geschikt habitat voor grote gele kwikstaart. Het bosgebied biedt mogelijk geschikte nestgelegenheid voor soorten als boomvalk, buizerd, havik, roek, sperwer, slechtvalk of wespendief. Deze soorten kunnen vanuit de omgeving binnen het plangebied foerageren. Langs het zuidelijke perceel staan buiten het plangebied knotwilgen. Deze zijn geschikt als nestplaats voor steenuil. Eveneens buiten het plangebied zijn steenuilkasten aanwezig in het bos en in de tuin naast het plangebied. In het plangebied zijn geen mogelijkheden voor nestplekken van steenuil. Indien

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

26

naast het plangebied een nestplaats van steenuil aanwezig is, dan zijn de agrarische percelen binnen het plangebied mogelijk onderdeel van het leefgebied van steenuilen. Door de teelt van mais in het plangebied en op de aangrenzend agrarische percelen vormt het gebied geen ideaal leefgebied voor steenuilen. Steenuilen prefereren een open tot half open landschap met afwisselend verruigde vegetatie en korte begraasde weilandjes. Tijdens het veldbezoek zijn geen huismussen waargenomen of gehoord. De gebouwen in de directe omgeving van het plangebied bieden echter wel geschikte nestgelegenheid, waardoor het voorkomen van huismus niet uitgesloten kan worden. De soort kan tussen de beukenhagen en struweelvegetatie in het westelijk perceel foerageren en schuilen. De bomen in het westelijk perceel bieden geschikte nestgelegenheid voor algemene vogelsoorten, zoals waargenomen tijdens het veldbezoek. Het plangebied is tevens geschikt als foerageergebied voor algemene vogels. Effectbeoordeling Door het omvormen van het westelijke perceel en een deel van het zuidelijk perceel naar bosgebied, gaat mogelijk leefgebied van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest die in de omgeving broeden verloren. In de omgeving van het plangebied is echter voldoende alternatief leefgebied voor deze vogels. De overige percelen langs het plangebied blijven namelijk geschikt als foerageergebied.

Het ontwikkelen van nieuw bos leidt tevens tot meer nestgelegenheid voor vogels met een jaarrond beschermd nest. De voorgenomen werkzaamheden hebben zodoende geen negatief effect op het voorkomen van vogels met een jaarrond beschermd nest. De mogelijke nestplekken van steenuil liggen buiten het plangebied en worden zodoende niet verwijderd als gevolg van de voorgenomen plannen. De veranderingen in het plangebied hebben naar verwachting geen negatieve effecten tot gevolg op mogelijke steenuilen in de omgeving. Steenuilen leven op erven, bij boerderijen en aan dorpsranden. Enige verstoring is zodoende voor steenuilen geen probleem. De percelen mais in het plangebied vormen geen ideaal deel van het leefgebied van steenuilen. De veranderingen op de agrarische percelen hebben zodoende geen negatieve effecten tot gevolg op het leefgebied van mogelijk in de omgeving aanwezige steenuilen. Buiten het plangebied blijft voldoende leefgebied voor steenuilen aanwezig. Het zuidelijke perceel wordt deels omgevormd naar bos met een brede bosrand/struweelzone. De ruige vegetatie in deze bosrand-/struweelzone draagt in positieve zin bij aan de kwaliteit van het leefgebied van mogelijk in de omgeving aanwezige steenuilen. In dit type begroeiing zijn insecten zoals meikevers, loopkevers, nachtvlinders en rupsen die als voedsel dienen voor steenuilen.

Bovenstaande in ogenschouw genomen hebben de voorgenomen ontwikkelingen geen negatieve effecten tot gevolg op mogelijk in de omgeving van het plangebied aanwezige steenuilen. Door het omvormen van het westelijk perceel met struweelvegetatie en beukenhagen gaat mogelijk leefgebied van huismussen verloren. In de

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

27

omgeving blijft echter voldoende alternatief leefgebied en schuilmogelijkheden voor huismussen aanwezig. Rondom de woning langs het perceel staat namelijk een lange beukenhaag en andere struweelvegetatie. De voorgenomen werkzaamheden hebben zodoende geen negatief effect op het leefgebied van huismussen. Bij het snoeien of kappen van bomen en struiken kunnen nesten van algemene vogelsoorten worden vernietigd en broedende vogels worden verstoord. Gedurende het broedseizoen zijn nesten strikt beschermd. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden gaat geschikt foerageergebied voor algemene vogelsoorten en vogels met een jaarrond beschermd nest die in de omgeving broeden verloren. In de omgeving blijft echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig. Tevens biedt het plangebied na de werkzaamheden meer nestgelegenheid en ook foerageergebied voor vogels door de realisatie van nieuw bos. Mitigerende maatregelen Werkzaamheden in het begroeide deel van het westelijk perceel dienen uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen van vogels, om verstoring van broedende vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen echter geen standaardperiode gehanteerd.

Het snoeien of kappen van bomen en struiken binnen het plangebied dient te worden uitgevoerd wanneer geen broedgeval aanwezig is en buiten het broedseizoen van vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen echter geen standaardperiode gehanteerd.

3.2.7

Zoogdieren Vleermuizen Uit de Atlas van de Nederlandse vleermuizen (1997), Korsten en Regelink (2010) en gegevens van de NDFF blijkt dat de soorten bosvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (alle §3.2 Wnb) voorkomen in de wijde omgeving van het plangebied. Het plangebied biedt geen geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen. Binnen het plangebied zijn namelijk geen gebouwen waar gebouwbewonende vleermuizen kunnen verblijven én geen holtebomen aanwezig waar boombewonende vleermuizen kunnen verblijven. Het plangebied biedt wel geschikt foerageergebied voor vleermuizen die in de omgeving voorkomen. Tevens kan de bomenrij langs de weg van het westelijk perceel dienen als een geschikte vliegroute voor vleermuizen in de omgeving.

Quickscan flora en fauna en Gedragscode bosbeheer, Meerstraat 22 te Heeswijk- Dinther

28

De bomenrij sluit aan op de bomenrijen langs de Meerstraat en op het bosgebied. Overige zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn reeënsporen, mogelijk dassensporen en vossensporen aangetroffen op de akkers. In de stenenhoop in het westelijk perceel is een hol aangetroffen (foto 16).

Foto 16. Hol tussen de stenenhoop

Uit gegevens van de NDFF blijkt dat binnen één kilometer afstand van het plangebied de volgende soorten zijn waargenomen: algemene spits-, woel- en ware muizensoorten, das, eekhoorn, egel, haas, konijn, ree, steenmarter en vos (alle §3.3 Wnb). Tussen één en twee kilometer afstand van het plangebied zijn bever (§3.2 Wnb), hermelijn en waterspitsmuis (beide §3.3 Wnb) waargenomen. Op een afstand van twee tot vijf kilometer van het plangebied zijn bunzing, wezel en woelrat (alle §3.3 Wnb) waargenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=d3fca862-c7b8-4ddd-94a2-809b39ce74b1