CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Ecologisch Quickscan

Raadsvergadering 7 oktober 2021, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Nieuwe Erven 25, Heesch *5.408 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ecologische Quickscan aan de Nieuwe Erven 25 te Heesch dhr. H. Govers

Opdrachtgever:

Opsteller: Datum: Kenmerk:

t.a.v. dhr. H. Govers Nieuwe Erven 25 5384 TA Heesch

Ecologisch adviesbureau Eceau Ing. T.J.P. den Otter 20 maart 2020 TRA-1QS200205

Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van de Wet natuurbescherming. Desondanks accepteert Ecologisch adviesbureau Eceau op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke ondernemingen die de opdrachtgever naar aanleiding van onderhavige ecologische quickscan uitvoert. Onderhavige rapportage of delen daarvan mogen niet zonder toestemming van zowel de opdrachtgever en Ecologisch adviesbureau Eceau gebruikt worden door derden of verspreid worden naar derden. Openbaarmaking, kopiëring en elke andere toepassing inbegrepen, het mag enkel gebruikt worden door de opdrachtgever voor wie het is ontwikkeld.

Inhoudsopgave 1.

Inleiding en planlocatie ........................................................................................................... 2

2.

Doel en vraagstelling ............................................................................................................... 3

3.

Methode .................................................................................................................................. 4

4.

3.1.

Oriëntatie en locatiebezoek ............................................................................................ 4

3.2.

Bureau-onderzoek en rapportage ................................................................................... 4

Bevindingen ............................................................................................................................. 5 4.1.

Grondgebonden zoogdieren ........................................................................................... 5

4.2.

Vleermuizen..................................................................................................................... 6

4.3.

Vogels .............................................................................................................................. 7

4.4.

Amfibieën ........................................................................................................................ 8

4.5.

Overige diersoorten......................................................................................................... 9

4.6.

Vaatplanten ................................................................................................................... 10

4.7.

Houtopstanden .............................................................................................................. 11

4.8.

Gebiedsbescherming ..................................................................................................... 11

5.

Samenvatting......................................................................................................................... 13

6.

Vervolgstappen...................................................................................................................... 14 6.1.

Nader onderzoek ........................................................................................................... 14

6.2.

Maatregelen bij de uitvoering ....................................................................................... 14

Bronnen .......................................................................................................................................... 15 Bijlage 1

Foto’s planlocatie ..................................................................................................... 16

1

1. Inleiding en planlocatie De onderzoekslocatie is gelegen aan de Nieuwe Erven 25 in het westen van Heesch. De locatie wordt begrensd door intensief agrarisch gebied aan de noord- en westzijde, door bedrijventerrein aan de oostzijde en door de Nieuwstraat aan de zuidzijde. De directe omgeving wordt in oostelijke richting met name gekenmerkt door stedelijk gebied met bedrijventerreinen, woonwijken en infrastructuur. Ten westen van de locatie zijn voornamelijk intensief beheerde agrarische percelen aanwezig en diverse kleinschalige boerderijen, vrijstaande woningen, houtopstanden, bomenlanen en landwegen. De locatie omslaat een perceel van circa 2,5ha. Op het perceel zijn onder andere een royale woning, enkele vijvers, houtopstanden, volière, weide en enkele opstallen en bijgebouwen aanwezig. Enkel de zuidwestelijke vijver is afgewerkt met natuurlijke oevers en is rijkelijk begroeid, de overige vijvers beschikken over een zeilbodem, steile oevers en zijn kunstmatig ingericht. Verspreid over het terrein zijn diverse solitaire bomen, boomgroepen, bomenrijen en struiken gesitueerd. De zuidoostelijke hoek bestaat uit een naaldbos van 3000m2 waarvan de een groot deel van de bomen afgestorven is. In figuur 1 is de huidige situatie weergegeven. De initiatiefnemer is voornemens een zorglandschap te realiseren.

Ten behoeve van de ontwikkeling worden geen gebouwen gesaneerd, verbouwd of anderzijds aangetast. Het terrein zal voor een deel heringericht worden. Het dennenbos zal worden gevitaliseerd, de zuidwestelijke vijver wordt verkleind en in het zuidoosten wordt een vergelijkbare vijver aangelegd. In het kader van de ontwikkeling worden circa 25 woonvoorzieningen gerealiseerd. Tevens wordt aan de zuidoostzijde een nieuwe woning gerealiseerd. De woningen worden zo in het landschap geplaatst dat zo veel mogelijk van het terrein in de huidige staat behouden kan blijven. Met het vigerende bestemmingsplan is het beoogde gebruik niet mogelijk, derhalve dient het bestemmingsplan gewijzigd opgesteld te worden.

Figuur 1

Schematische weergave van de huidige situatie, de rode gestippelde contour weergeeft de planlocatie (kaart: openbasiskaart.nl)

2

2. Doel en vraagstelling Bij (grote) ruimtelijke ontwikkelingen waarbij het redelijkerwijs aan te nemen is dat beschermde soorten potentieel voorkomen is de initiatiefnemer verplicht aan te tonen dat de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met de Wet natuurbescherming. Tevens biedt de ecologische quickscan inzicht in de (eventueel) te nemen vervolgstappen om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Onderhavige ecologische quickscan kan voor de initiatiefnemer als bewijsstuk dienen dat onderzoek is verricht ten behoeve van de Wet natuurbescherming. De initiatiefnemer is voornemens het bestemmingsplan van het perceel te wijzigen, om de realisatie van een zorglandschap mogelijk te maken.

Er kan worden gesteld dat de volgende werkzaamheden uitgevoerd zullen worden ten behoeve van de ontwikkeling: kapwerkzaamheden verwijderen vegetatie deels dempen vijver aanleg vijver (deels) bouwrijp maken terrein aan- en/of verlegging nutsfaciliteiten realisatie nieuwe bebouwing herinrichting, bestrating en overige revitalisatiewerkzaamheden aan het terrein In het kader van de te verrichten werkzaamheden komen overige zaken en effecten tevens aan de orde, waaronder: transport (groen)afval transport nieuwe materialen plaatsen bouwverlichting akoestische, trillings en optische verstoring naar de directe omgeving Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling worden alle eventueel aanwezige ecologische functies vernietigd of verstoord, tevens zal er sprake zijn van (tijdelijke) verstoring van de directe omgeving. Flora en fauna die gebruik maken van het leefgebied op of nabij de planlocatie zullen negatieve effecten ervaren.

In het kader van de beoogde ontwikkeling zullen middels de ecologische quickscan onderstaande vragen beantwoord worden: Welke beschermde flora en fauna van de Wet natuurbescherming zijn (potentieel) aanwezig binnen de grenzen van het ontwikkelgebied? Is de voorgenomen ontwikkeling op basis van de gevonden resultaten in strijd met de Wet natuurbescherming en welke effecten worden verwacht? Dienen eventuele vervolgstappen genomen te worden alvorens de aanvang van de uitvoering om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen?

3

3. Methode Middels voorliggende ecologische quickscan is de potentie voor beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Daarnaast is onderzocht of de beoogde ontwikkeling potentieel een negatief effect heeft op houtopstanden en nabijgelegen beschermde gebieden. De ecologische quickscan is op te delen in enkele stappen: oriëntatie locatiebezoek bureau-onderzoek rapportage

3.1.

Oriëntatie en locatiebezoek

Bij de oriëntatie van het onderzoek wordt een eerste indruk verkregen van de locatie middels spreidingsdata van soorten, luchtfoto’s, kaarten en aangeleverde data vanuit de opdrachtgever. Gedurende het locatiebezoek wordt het ontwikkelgebied op potentiële verblijfslocaties en functionele onderdelen van leefgebieden gecontroleerd. Tevens wordt een momentopname gedaan van de thans aanwezige beschermde soorten, functies en locatiekenmerken. Buiten de individuen om wordt voornamelijk gelet op sporen of restanten van de flora en fauna. Voorbeelden hiervan zijn veren, braakballen, prooiresten, geursporen, holen en uitwerpselen. Het veldbezoek is uitgevoerd op 3 maart 2020, bij een temperatuur van 6 °C, geen bewolking, 1 Bft. en zonder neerslag.

3.2.

Bureau-onderzoek en rapportage

Nadat de locatie bezocht is wordt door middel van het raadplegen van naslagwerken, informatiebronnen, kaartdatabases en andere (externe) hulpmiddelen een beoordeling gemaakt van de potentie van het plangebied voor beschermde soorten, nabijgelegen beschermde gebieden en overige beschermde onderdelen vanuit de Wet natuurbescherming. Bij het uitwerken van de rapportage worden de vergaarde data bij de oriëntatie, de aangetroffen zaken tijdens het veldbezoek en de informatie uit het bureau-onderzoek vervolgens samen getoetst. Daaruit volgend wordt duidelijk of bij de uitvoering van de werkzaamheden sprake is van overtreding van de Wet natuurbescherming, indien er geen vervolgstappen worden genomen. Op basis van deze toetsing worden aanbevelingen gedaan voor een eventueel vervolgtraject, maatregelen ter voorkoming van overtreding of een combinatie van beide.

4

4. Bevindingen In onderhavige paragrafen wordt besproken van welke bijzonderheden sprake is (o.a.: vrijstellingen en bepalingen), welke soorten in het aangetroffen habitat voorkomen en van welke soorten het voorkomen in de nabijheid van de onderzoeklocatie bekend is. Van de beschermde soorten die in de omgeving van de onderzoeklocatie voorkomen wordt dieper ingegaan op het leefgebied en belangrijke en functionele onderdelen daarvan; waaronder vaste verblijfplaatsen, foerageergebieden en verbindingsroutes. De daadwerkelijk aangetroffen habitatonderdelen worden vergeleken met bovenstaande om te bepalen of er sprake is van (negatieve) effecten. Aan de hand van de te verwachten effecten wordt bekeken of er vervolgstappen benodigd zijn ten behoeve van de betreffende soorten.

4.1. 4.1.1.

Grondgebonden zoogdieren Bescherming en soorten

Grondgebonden zoogdieren komen vrijwel overal voor in Nederland. Gezien het opportunistische karakter van diverse van deze algemene soorten heeft men besloten een aantal soorten vrij te stellen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De binnen Noord-Brabant vrijgestelde zoogdiersoorten zijn opgenomen in tabel 1. Afhankelijk van de locatie van een projectgebied is op voorhand al een selectie te maken op potentieel voorkomende soorten. De projectlocatie is gelegen aan de rand van de bebouwde kom van Heesch en wordt omgeven door bedrijventerrein, woonwijken en agrarische percelen. De aanwezigheid van onder andere zeezoogdieren (bruinvis, grijze zeehond), soorten van kruidenrijke gebieden (noordse woelmuis, europese hamster), van waterrijke gebieden (waterspitsmuis, bever) en van bosrijke gebieden (boommarter, rode eekhoorn) kan worden uitgesloten, bovendien zijn geen nesten aangetroffen in de hogere bomen. Enkel de bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel zullen aangetroffen kunnen worden in dergelijke gebieden. Bekende verspreidingsgegevens tonen aan dat de grenzen van de verspreidingsgebieden van deze vier soorten de planlocatie omvatten (NDFF Verspreidingsatlas, 2019; Bouwens, 2017).

Tabel 1 Vrijgestelde soorten van de provincie Noord-Brabant Aardmuis Haas Tweekleurige bosspitsmuis Bosmuis Huisspitsmuis Veldmuis Dwergmuis Konijn Vos Dwergspitsmuis Ondergrondse woelmuis Wild zwijn Egel Ree Woelrat Gewone bosspitsmuis Rosse woelmuis

4.1.2.

Habitatonderdelen

De steenmarter is een soort van steenachtige biotopen en schuilplaatsen. De soort komt met name voor aan de rand van dorpen en steden, maar is ook te vinden nabij boerderijen en kleinschalige cultuurlandschappen. Belangrijke habitatonderdelen van de soort zijn stenige objecten, zoals schuurtjes, woningen met toegankelijke kruip- en/of zolderruimten. Ook bevorderd de aanwezigheid van heggen, houtopstanden, bermen, greppels en kruidenrijke zomen het leefgebied van de soort, aangezien de steenmarter daar foerageert. (Zoogdiervereniging.1nl, 2019) De voortplantingslocaties van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) betreffen holen of andere beschutte kleine ruimten, zoals holen van andere grondgebonden zoogdieren. Ze maken gebruik van lijnvormige structuren en andere landschapselementen als verbinding tussen foerageergebieden en verblijfplaatsen. Dergelijke structuren zijn pas geschikt wanneer ze voldoende dekking bieden en in verbinding staan met ander geschikt leefgebied. Daarnaast hebben hermelijn en bunzing een voorkeur voor een waterrijke omgeving aangezien hierdoor een hoger voedselaanbod aanwezig is (Bouwens, 2017). De wateren dienen onbeschoeid te zijn en te voorzien zijn van een

5

natuurlijk begroeide oever. In de meeste gevallen als een verblijfslocatie of ander functioneel leefgebied aanwezig is van een van de drie kleine marterachtigen, dan zijn er sporen aanwezig. Voorbeelden van sporen zijn: prooiresten, wissels, geurmarkeringen en –sporen en uitwerpselen. De territoria van wezel kan een oppervlakte van 10 hectare functioneel leefgebied bevatten, voor de hermelijn is dit tientallen hectare en voor de bunzing kan dit enkele duizenden hectare omslaan. Op de projectlocatie is een diversiteit aan groenstructuren en bijgebouwen aanwezig. Aan de gebouwen op de locatie zijn geen werkzaamheden voorzien. Als gevolg hiervan kunnen verblijfplaatsen voor steenmarter en voor de kleine marterachtigen in bebouwing uitgesloten worden. Op het gehele terrein zijn geen sporen van marterachtigen aangetroffen. Prooiresten, loopsporen, wissels, uitwerpselen en geursporen ontbraken. Daarnaast worden de weides, volière en het overige terrein dagelijks betreed is er redelijkerwijs sprake van verstoring. Negatieve effecten op verblijfslocaties van marterachtigen worden niet verwacht. Onderdelen van het voorkeurshabitat van de hermelijn, bunzing en wezel zijn aanwezig op de locatie en de directe omgeving ervan. Er zijn diverse lijnvormige structuren met struiken, bomen en lage begroeiing en een vijver met rijkelijk begroeide oevers.

Tevens zijn in de zuidelijke en westelijke richting percelen aanwezig waar potentieel geschikt leefgebied voor deze soorten is. Aan de oostzijde is bedrijventerrein gelegen en ten noorden is open agrarisch gebied gesitueerd. Het plangebied kan derhalve niet als functionele verbindingsroute/-zone aangesteld worden. Bovendien wordt de locatie minimaal gewijzigd en wordt deze door de aanleg van een tweede natuurlijk ingerichte vijver geschikter voor marterachtigen. Aantasting van functioneel leefgebied van de marterachtigen bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel wordt niet verwacht.

4.1.3.

Effecten

Gezien de inrichting van de huidige situatie in vergelijking tot de voorgenomen ontwikkeling, waarbij geen ingrijpende wijzigingen aan de locatie voorzien zijn, worden geen effecten op eventueel aanwezig leefgebied van kleine marterachtigen verwacht. Daarnaast gelet op de mate van verstoring in de huidige situatie en in de toekomstige situatie, alsmede het ontbreken van sporen van de bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel wordt de aanwezigheid van deze soorten niet of slechts sporadisch verwacht. Echter zullen algemene en opportunistische grondgebonden zoogdieren zoals veldmuis, egel, konijn en bruine rat gebruik maken van de locatie. Voor dergelijke soorten zijn er voldoende alternatieven in de directe omgeving om tijdelijk naar uit te wijken. Bovendien worden de aanwezige habitats nauwelijks gewijzigd en zijn alle mogelijk aanwezige beschermde soorten opgenomen in het vrijstellingsbesluit van de provincie Noord-Brabant. Behoudens de Algemene Zorgplicht zijn geen bijzondere maatregelen benodigd in het kader van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming voor grondgebonden zoogdieren.

4.2. 4.2.1.

Vleermuizen Bescherming en soorten

Ondanks dat vleermuizen vrijwel overal in Nederland aangetroffen worden, zijn er geen vleermuissoorten vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Door de continue verduurzaming van bestaande en nieuwe bebouwing waarbij gevels en daken worden geïsoleerd is er een sterke afname in potentieel geschikte verblijfslocaties voor vleermuizen. Alle 21 in Nederland voorkomende vleermuissoorten zijn beschermd middels de Habitatrichtlijn. Naast de individuen zijn tevens de vaste rust- en/of verblijfslocaties, essentiële vliegroutes en functionele foerageergebieden beschermd. De planlocatie is gelegen aan de rand van de bebouwde kom van Heesch, de directe omgeving wordt gekenmerkt door bedrijventerrein en agrarische percelen. De laatvlieger en gewone dwergvleermuis zijn soorten die veel aangetroffen worden in stedelijke gebieden en aan de randen daarvan. Overige relatief veelvoorkomende soorten verblijven voornamelijk in bomen, waaronder de watervleermuis en rosse vleermuis. Het foerageergebied van de rosse vleermuis ligt voornamelijk in open gebied.

6

4.2.2.

Habitatonderdelen

De gewone dwergvleermuis en laatvlieger maken als verblijfplaats met name gebruik van bebouwing. Dit geldt voor zowel de zomer-, paar-, winter- en kolonieverblijven. Er zijn geen werkzaamheden voorzien aan bebouwing, en gezien de opbouw van de aanwezige bebouwing is enkel in de noordelijk gesitueerde woning potentie voor vleermuizen. Binnen de grenzen van het plangebied zijn diverse bomen aanwezig, waarvan het overgrote deel te smal of laag is om holtes te bevatten die geschikt kunnen zijn voor vleermuizen. Voorbeelden van dergelijke holtes zijn spechtenholen, inrottingsplekken en ruim loshangende schors. Alle bomen op de locatie zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van voor vleermuizen geschikte holten. Deze zijn niet aangetroffen. Bovendien worden er, behoudens een aantal relatief smalle naaldbomen, geen bomen gekapt. In de omgeving van de planlocatie zijn diverse geschikte foerageergebieden voor vleermuizen aanwezig. Hiervan is sprake ten zuiden, westen en noorden van de locatie met bomenlanen, bosschages en houtopstanden en ten oosten van de locatie met bebouwingsluwte en woonwijken. Op de planlocatie is circa 2,5ha geschikt foerageergebied aanwezig. Gelet op de beoogde ontwikkeling zal er geen verandering in geschiktheid optreden na het uitvoeren van de werkzaamheden. Aantasting van foerageergebieden of essentiële migratieroutes kan redelijkerwijs worden uitgesloten.

4.2.3.

Effecten

Gelet op de directe omgeving van de planlocatie en de voorgenomen ontwikkeling worden de foerageer- en migreerstructuren van het projectgebied niet aangetast. Effecten op essentiële vlieg- en foerageerroutes zijn uitgesloten. Doordat geen bebouwing wordt gesaneerd of ingrijpend wordt gewijzigd en er geen bomen met holtes worden gekapt kunnen effecten op vleermuisverblijven tevens uitgesloten worden. Echter zal de locatie in gebruik genomen worden als foerageerlocatie. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden gedurende of na zonsondergang kunnen aanwezige en passerende vleermuizen mogelijk verstoord worden door foutief toegepaste bouwverlichting. Om dergelijke onnodige verstoring te voorkomen dient het de voorkeur overdag te werken of vleermuisvriendelijke bouwverlichting toe te passen (naar beneden gericht, convergerend en/of rood-/amberkleurig).

4.3. 4.3.1.

Vogels Bescherming en soorten

Alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op Europees grondgebied zijn beschermd middels de Vogelrichtlijn. Hierin is opgenomen dat het verboden is opzettelijk individuen te doden of te vangen, hun nesten of eieren vernielen, beschadigen of weg te nemen en om de vogels dermate (opzettelijk) te verstoren dat een broedsel mislukt, dit laatste geldt voornamelijk binnen de broedperiode (medio maart t/m medio augustus). Daarnaast is er een categorisering in beschermingsniveau. Er wordt een jaarronde bescherming van nesten (ook buiten broedseizoen, zonder eieren) gehanteerd voor soorten die erg honkvast zijn, ieder jaar terugkeren naar dezelfde locatie of het nest jaarrond gebruiken (cat. 1 t/m 4). Daarnaast wordt voor een aantal soorten jaarronde bescherming gehanteerd indien er sprake is van zwaarwegende ecologische redenen (cat. 5). Voor vrijwel alle vogelsoorten van de categorie 1 t/m 4 is op voorhand te bepalen of deze wel of niet mogelijk aanwezig kunnen zijn op een locatie. Zo kan aan dorpsranden de aanwezigheid van onder andere de jaarrond beschermde nesten en leefgebieden van grote gele kwikstaart, wespendief en slechtvalk al uitgesloten worden. Enkele soorten van de categorie 1 t/m 4 die wel voorkomen aan dorpsranden zijn de boomvalk, sperwer, buizerd, gierzwaluw, huismus, kerkuil en steenuil.

Daarnaast zijn gedurende het broedseizoen alle in gebruik zijnde nesten beschermd, waaronder die van de veelvoorkomende houtduiven, turkse tortels, kauwen en boerenzwaluwen.

7

4.3.2.

Habitatonderdelen

Van de categorie 1 t/m 4 vogelsoorten komen mogelijk de boomvalk, sperwer, buizerd, gierzwaluw, huismus, kerkuil en steenuil voor nabij dorpsranden. In de aanwezige bomen zijn geen nesten, holtes of sporen (braakballen, plukplaatsen, uitwerpselen) aangetroffen van categorie 1 t/m 4 soorten. Daarnaast worden geen wijzigingen aan gebouwen doorgevoerd op de locatie, waardoor nestlocaties van huismus, gierzwaluw, kerkuil, steenuil en andere in gebouwen nestelende vogels uitgesloten kunnen worden. Op de locatie is een nestkast van steenuil aanwezig. Na de steenuilenkast nader bekeken te hebben kan uitgesloten worden dat de kast recent in gebruik is geweest door steenuilen. Het habitat van de huismus dient in de directe omgeving van potentiële nestlocaties te voorzien in onder andere schoon drinkwater, voldoende schuilgelegenheid in de vorm van jaarrond bladhoudende struiken, hagen of heesters, grind en/of kleine steentjes, voldoende foerageermogelijkheden, droog (wit/geel) zand voor zandbaden en niet te veel grote bomen (Kennisdocument Huismus, 2017). De locatie voldoet niet aan een aantal van de habitateisen van de huismus. Er zijn veel bomen aanwezig en droog zand ontbreekt. Op de locatie is slechts één woning aanwezig waar nestgelegenheid mogelijk is. Dit is onvoldoende om een kolonie te vormen.

Gezien de afstand tot andere potentieel geschikte bebouwing wordt niet verwacht dat de locatie in gebruik is als functioneel leefgebied door de soort. Ten aanzien van steenuil ontbreken essentiële onderdelen van het leefgebied, zoals alle vormen van verblijfplaatsen, boomgaarden, open terrein of andere geschikte foerageergebieden. Bovendien is in zuidelijke, noordelijk en westelijke richting een grotere oppervlakte en geschikter foerageergebied aanwezig. De aanwezigheid van essentieel leefgebied van steenuilen kan worden uitgesloten. De bomen en het hogere groen vormen voor algemene broedvogels zoals roodborst, merel, houtduif en andere kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Binnen het broedseizoen zijn nesten van dergelijke soorten niet uit te sluiten.

4.3.3.

Effecten

Gezien de beoogde ingreep slechts het plaatsen van kleine woonvoorzieningen en een woonhuis betreft, alsmede de minimale herinrichting van het terrein kan een negatief effect op het leefgebied van zowel de huismus als de steenuil uitgesloten worden. Daarnaast gezien het ontbreken van nestgelegenheid, functioneel leefgebied en sporen van zowel de boomvalk, sperwer, buizerd, gierzwaluw, kerkuil en steenuil worden geen effecten verwacht op vogelsoorten van de categorieën 1 t/m 4. Daarnaast is er thans geen sprake van zwaarwegende ecologische redenen ter bescherming van categorie 5 soorten. Behoudens de mogelijke aanwezigheid van nesten van algemene soorten binnen het broedseizoen worden geen effecten verwacht. In het kader van de Algemene Zorgplicht en de verbodsbepalingen van de Vogelrichtlijn binnen het broedseizoen wordt geadviseerd de werkzaamheden buiten deze periode (buiten medio maart t/m medio augustus) aan te vangen óf alvorens de broedperiode het werkgebied met een buffer van 5 meter ongeschikt te maken als nestlocatie. Indien de werkzaamheden aanvangen binnen het broedseizoen dient de locatie door een deskundige onderzocht te worden op de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten. Tabel 2 Waargenomen vogels gedurende het veldbezoek Boomklever Kauw Grote bonte specht Koolmees Holenduif Roodborst

4.4. 4.4.1.

Zanglijster Zwarte kraai

Amfibieën Bescherming en soorten

Van de amfibieën zijn door de hoge trefkans enkele soorten in Noord-Brabant vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen, dit betreft de bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en bastaardkikker. De verspreiding van niet vrijgestelde soorten beperkt zich voor een aantal van deze soorten tot relatief beperkte gebieden. Aan de hand van de bekende

8

verspreidingsgegevens kan de aanwezigheid van de boomkikker, geelbuikvuurpad, knoflookpad en vroedmeesterpad uitgesloten worden. De aanwezigheid van de heikikker, kamsalamander en rugstreeppad is bekend in het oostelijk gelegen natuurgebied de Maashorst. Voor alle amfibieën zijn ondiepe poelen en plassen met een natuurlijk karakter essentieel in het kader van de voortplanting. Als overwinteringslocatie wordt voornamelijk gebruik gemaakt van vochtige en donkere locaties zoals een dichte strooisellaag, houtopslag, zandhopen of andere wegkruipmogelijkheden.

4.4.2.

Habitatonderdelen

Op de locatie is een diversiteit aan groene structuren en vijvers aanwezig. Behoudens de zuidwestelijke vijver zijn alle vijvers voorzien van een zeilbodem en afgewerkt met steile oevers, beton en steen. De zuidwestelijke vijver is natuurlijk ingericht met een flauwe oever, rijke begroeiing en een rietkraag. Het voorkomen van de kamsalamander, heikikker en rugstreeppad is met name bekend ten oosten van het dorp Heesch. Gezien de ligging van de locatie ten opzichte van bekende populaties met tussenliggend stedelijk gebied, infrastructuur zoals snelwegen en andere barrières is het aannemelijk dat de locatie niet bereikbaar is voor de heikikker en kamsalamander. Het voorkomen van deze soorten kan dan ook redelijkerwijs worden uitgesloten. Bovendien heeft de ingreep nauwelijks effect op het leefgebied van amfibieën en worden de werkzaamheden aan de vijver uitgevoerd buiten de kwetsbare voortplantingsperiode van amfibieën. De rugstreeppad maakt gebruik van kale zanderige terreinen die vaak ontstaan bij sloop- en bouwprojecten. Ten tijde van het voortplantingsseizoen kan de soort tijdelijke poeltjes en plassen in gebruik nemen als voortplantingslocatie. Denk hierbij bijvoorbeeld aan rijsporen tijdens regenachtige perioden (Kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Thans is de planlocatie geheel ongeschikt voor de soort.

Tijdelijke plassen zijn niet aanwezig en kunnen zich ook nauwelijks vormen. Gezien bekende verspreidingsgegevens wordt de rugstreeppad ook niet verwacht. De dichtstbijzijnde bekende populatie van de soort is ten minste 3 km ten oosten gesitueerd.

4.4.3.

Effecten

Gelet op het ontbreken van geschikte leefgebieden, voortplantingslocaties en verblijfslocaties voor beschermde amfibieën, alsmede de afstand tot bekende populaties van beschermde soorten worden geen effecten verwacht. Echter is het aannemelijk dat algemene en opportunistische soorten zoals bruine kikker, kleine watersalamander en gewone pad gebruik maken van de locatie. Voor dergelijke soorten zijn er voldoende alternatieven in de directe omgeving om tijdelijk naar uit te wijken. De nieuwe situatie zal vergelijkbaar, al dan niet geschikter zijn voor algemene soorten. Bovendien zijn deze soorten opgenomen in het vrijstellingsbesluit voor ruimtelijke ontwikkelingen van de provincie Noord-Brabant. In het kader van de algemene zorgplicht dient echter rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van algemene amfibieën, derhalve dienen de werkzaamheden aan de zuidwestelijke vijver uitgevoerd worden buiten de voortplantingsperiode van amfibieën (maart t/m april).

4.5. 4.5.1.

Overige diersoorten Bescherming en soorten

Overige diersoorten betreffen de vlinders, libellen, overige ongewervelde, amfibieën, reptielen en vissen. Voor beschermde vissen ontbreken stromende wateren, vennen en natuurlijk tot stand gekomen wateren. Het voorkomen van beschermde vissen kan worden uitgesloten. Het voorkomen van het overgrote deel van de beschermde insecten en ongewervelde is te bepalen op basis van het habitat. Een diverse (kruiden- en bloemrijke) vegetatie is voor veel algemene insecten essentieel. Oppervlaktewateren, sloten en rivieren zijn voor libellen en overige watergebonden ongewervelde een essentieel onderdeel van het leefgebied. Bovendien zijn er voor een groot aantal vlinders, libellen en andere ongewervelde specifieke waardplanten waarvan de soort afhankelijk is. Geen van de aangetroffen plantensoorten binnen het plangebied vormt een essentiële waardplant. Gelet op de eigenschappen van de vijvers, het ontbreken van waardplanten en bekende verspreiding van beschermde libellen, vlinders en overige ongewervelde kan het voorkomen uitgesloten worden.

9

Reptielen komen voor in natuurlijke, dynamische en relatief verstoringsarme biotopen. Door de ligging van de locatie ten opzichte van bekende verspreidingsgegevens en de huidige inrichting van het terrein worden reptielen niet verwacht.

4.5.2.

Habitatonderdelen

De projectlocatie betreft een bewoond perceel en wordt omgeven door agrarische en bedrijfspercelen. Gezien het ontbreken van natuurlijke en verstoringsvrije biotopen alsmede bijzondere habitateigenschappen voor beschermde vlinders, libellen, ongewervelde, reptielen wordt de aanwezigheid van habitatrichtlijnsoorten van voornoemde soortgroepen niet verwacht.

4.5.3.

Effecten

Gelet op het ontbreken van geschikte leefgebieden, voortplantingslocaties en verblijfslocaties voor beschermde soorten binnen de soortgroepen vlinders, libellen, overige ongewervelde, reptielen en vissen, alsmede de afstand tot bekende populaties van beschermde soorten worden geen effecten verwacht. Voor algemene soorten zijn er voldoende alternatieven in de directe omgeving om tijdelijk naar uit te wijken. Bovendien zal de nieuwe situatie ten opzichte van de huidige situatie beperkt gewijzigd zijn. Behoudens de Algemene Zorgplicht zijn geen bijzondere maatregelen benodigd ter voorkoming van de overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde vlinders, libellen, overige ongewervelde, reptielen en vissen.

4.6. 4.6.1.

Vaatplanten Bijzonderheden

Ondanks dat een groot deel van de beschermde vaatplanten enkel te determineren is gedurende de periode van bloei, is goed te bepalen of dergelijke soorten potentieel voorkomen op een bepaalde locatie. Veel soorten komen voor in specifieke plantengemeenschappen: een verscheidenheid aan soorten die elkanders potentiële voorkomen aantonen doordat dergelijke soorten in vergelijkbare (abiotische) omstandigheden en biotopen groeien.

4.6.2.

Habitatonderdelen

De geschiktheid van een locatie is direct afhankelijk van de aanwezige (abiotische) omstandigheden, zoals oppervlaktewater, bodemzuurgraad, voedingsrijkdom van de bodem, lichtinval en standplaatsen. Gezien de ligging van de planlocatie aan stedelijk gebied en de inrichting ervan als paardenweide, volière, zwanenvijver en dennenbos is te verwachten dat er sprake is van een zeer verstoorde en voedselrijke bodem- en waterkwaliteit. De aanwezigheid van beschermde, zeldzame en bijzondere vaatplanten kan derhalve redelijkerwijs worden uitgesloten. Bovendien is het voorkomen van soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming niet bekend in de directe omgeving van de planlocatie.

4.6.3.

Effecten

Enkel algemene, gecultiveerde en/of aangeplante vaatplanten zijn aanwezig op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Ten tijde van het veldbezoek zijn geen beschermde vaatplanten of restanten ervan waargenomen. Er zijn geen vervolgstappen of bijzondere bepaling van toepassing in het kader van beschermde vaatplanten.

10

4.7.

Houtopstanden

Artikelen 4.1 t/m 4.9 beschermen houtopstanden krachtens de Wet natuurbescherming, indien van toepassing zal er of sprake zijn van een meldplicht of van een vergunningplicht. Deze artikelen zijn echter niet van toepassing op de houtopstanden binnen de grenzen van de planlocatie. Wegens het onderstaande: Artikel 4.1: Het bepaalde bij en krachtens deze paragraaf heeft geen betrekking op: houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; houtopstanden op erven of in tuinen Een aantal gemeenten hanteren naast de Wet natuurbescherming extra bescherming ten aanzien van houtopstanden en bomen. De gemeente Bernheze hanteert de “Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Bernheze 2018”. In de omgevingsvergunning dient naar richtlijnen van de APV gehandeld te worden met de aanwezige bomen.

4.8. 4.8.1.

Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Brabant (NNB)

Ten aanzien van het NNB (Natuurnetwerk Brabant) is externe werking geen toetsingskader. Dichtstbijzijnde NNB gebieden zijn gelegen op een afstand van ca. 0,7km en meer, zie figuur 2. Effecten en vervolgstappen ten behoeve van het NNB zijn niet van toepassing. De afstand tussen overige gebieden, zoals Natte Natuurparels, Natuurcompensatiegebieden en Ecologische verbindingszones is per definitie te groot.

Figuur 2

4.8.2.

Onderdelen van het Natuurnetwerk Brabant zijn gesitueerd op ca. 0,7km tot de planlocatie (bron: kaartbank.brabant.nl).

Natura 2000-gebieden

De planlocatie is gelegen op een afstand van ca. 12,9km tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, zie figuur 3. Dit betreft Rijntakken; overige Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 14,6km afstand. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Voorbeelden van externe werking betreffen een permanente toename van geluid, licht of stikstofdepositie of door optreden van een (grote) tijdelijke toename in dergelijke effecten.

11

Figuur 3

Natura 2000-gebieden zijn gelegen op ca. 12,9km en meer tot de planlocatie (bron: kaartbank.brabant.nl).

Gelet op de afstand tot de nabijgelegen Natura 2000-gebieden, kunnen mechanische en optische effecten en geluidsverstoring uitgesloten worden. Tevens zal een potentieel effect als gevolg van een verandering in stikstofdepositie niet verwacht worden. Het voornemen is om één woning en enkele kleine woonvoorzieningen te realiseren op het perceel aan de Nieuwe Erven 25 te Heesch. Aannemelijk zal de woning naar de nieuwe standaarden van te ontwikkelen bebouwing worden gerealiseerd. In de nieuwe situatie zal er een lichte toename zijn in verkeersbewegingen. In de huidige situatie is de locatie onderhevig aan normaal woonverkeer, in de toekomstige situatie zullen er verkeersbewegingen plaats gaan vinden die gepaard gaan met een zorgvoorziening. Een toename in stikstofuitstoot kan worden verwacht, echter zal deze toename dermate minimaal zijn dat de verreikende effecten geen invloed hebben op kwetsbare habitats op een afstand van meer dan 10,0km. De te verwachten stikstofdepositie is aannemelijk gelijk aan 0,00 mol/hectare/jaar. Zowel permanente als tijdelijke effecten ten aanzien van beschermde gebieden kunnen worden uitgesloten.

12

5. Samenvatting Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling aan de Nieuwe Erven 25 te Heesch is een ecologische quickscan uitgevoerd. De bestemmingsplanwijziging en alle bijbehorende werkzaamheden voor de ontwikkeling van een zorglandschap leiden, behoudens algemene broedvogels en vrijgestelde soorten, niet tot aantasting van functionele leefomgevingen, vaste rust- en/of verblijflocaties, natuurgebieden of andere krachtens de Wet natuurbescherming beschermde zaken. Ten aanzien van grondgebonden zoogdieren is enkel de Algemene Zorgplicht van toepassing Vleermuizen maken aannemelijk gebruik van de locatie als foerageergebied.

Mogelijk worden aanwezige individuen door (foutief toegepaste) bouwverlichting tijdelijk verstoord Ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en/of leefgebieden zijn geen verdere maatregelen of vervolgstappen benodigd Ten aanzien van algemene vogels kunnen broedsels en nesten verstoord worden gedurende het broedseizoen Ten aanzien van amfibieën wordt alleen de aanwezigheid van vrijgestelde soorten verwacht, derhalve dient de Algemene Zorgplicht in acht genomen te worden Voor vlinders, libellen, ongewervelde, reptielen en vissen met een beschermde status krachtens de Wet natuurbescherming is geen geschikt leefgebied aanwezig Standplaatsen en geschikte omstandigheden ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn niet aangetroffen Houtopstanden op particuliere terreinen vallen niet onder bescherming van de Wet natuurbescherming, enkel dient in de aanvraag van de omgevingsvergunning gehandeld te worden naar de maatstaven van de APV van de gemeente Gelet op de afstand tot beschermde gebieden en de aard van de werkzaamheden worden geen (negatieve) effecten verwacht

13

6. Vervolgstappen Er zijn geen aanleidingen aangetroffen die het noodzakelijk maken dat vervolgstappen of aanvullend onderzoek uitgevoerd moet worden. Voor een aantal soorten is het voldoende als er tijdens de uitvoering rekening wordt gehouden met de eventuele aanwezigheid.

6.1.

Nader onderzoek

Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek is aanvullend onderzoek niet benodigd

6.2.

Maatregelen bij de uitvoering

Voor vleermuizen dient rekening gehouden te worden met mogelijk foeragerende of passerende vleermuizen middels het juist toepassen van bouwverlichting óf door te werken buiten de schemerende en donkere dagdelen. Voorbeelden van juiste verlichting: amber-/roodkleurige verlichting, beperkte hoogte van lichtmasten en verlichting naar beneden gericht en convergeren In verband met de potentie voor algemene vogelsoorten zoals duiven en kleine zangvogels werken buiten het broedseizoen, medio maart t/m medio augustus. Indien de werkzaamheden opgestart en uitgevoerd worden binnen het broedseizoen dient de locatie ongeschikt gemaakt te worden alvorens de aanvang van het broedseizoen. Indien nodig kan ook binnen het broedseizoen gewerkt worden door de planlocatie te laten controleren op de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (puin, takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om dieren die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te laten verplaatsen naar een schuilplaats buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden In het kader van de Algemene Zorgplicht dient voorzichtig gehandeld te worden met alle aanwezige flora en fauna. De werkzaamheden aan de zuidwestelijke vijver dienen buiten de voortplantingsperiode van algemene amfibieën (begin maart t/m eind april) uitgevoerd te worden

14

Bronnen BIJ12, 2017. Kennisdocument Steenuil Athene noctua, versie 1.0. Juli 2017, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Juli 2017, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Juli 2017, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Bufo calamita, versie 1.0. Juli 2017, Utrecht. Bouwens, S, 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot soorbescherming. 11 oktober 2017, ’s-Hertogenbosch. Websites, geraadpleegd 2019: kaartbank.brabant.nl natura2000.eea.europa.eu pas.natura2000.nl wetten.overheid.nl www.floravannederland.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.rvo.nl www.sovon.nl www.telmee.nl www.vleermuis.net www.vogelbescherming.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl

15

Bijlage 1

Foto’s planlocatie

Het projectgebied betreft een perceel van circa 2,5 hectare. Op het terrein is een variëteit aan inrichting aanwezig, waaronder weide, vijvers, groen, siertuin en bos.

Op het zuidwestelijke deel van het terrein is een natuurlijk ingerichte vijver gesitueerd.

16

Het zuidoostelijk deel van het perceel bestaat uit een naaldbos, waarvan een groot deel van de bomen dood is.

Verspreid over het gehele perceel worden diverse woonvoorzieningen geplaatst ten behoeve van de ontwikkeling van een zorglandschap

17

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=6d42b47b-5fa7-47ca-b32b-4c66a7c62416