CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Weijen West Fase 1 Nistelrode - Verkennend archeologisch onderzoek

Raadsvergadering 23 mei 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Weijen-West Fase 1 Nistelrode12.712 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (booronderzoek), verkennende fase Weverstraat-Dijkstraat te Nistelrode Gemeente Bernheze

KSP Archeologie

Colofon Versie Status

: :

KSP Rapport Auteur ISSN Foto’s en afbeeldingen Beheer en plaats documentatie Autorisatie Datum autorisatie

: : : : :

1.1 definitief Over dit rapport heeft afstemming met de bevoegde overheid plaatsgevonden. 23020 E.A. Schorn (senior KNA Prospector) 2542-7490 KSP Archeologie KSP Archeologie te Duiven

: :

S.M. Koeman (senior KNA Prospector) 6 april 2023

www.ksparcheologie.nl | info@ksparcheologie.nl

Disclaimer Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder bronvermelding. KSP Archeologie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit onderhavig onderzoek of de gegeven adviezen. KSP Archeologie beschikt over het Procescertificaat Archeologie dat is verleend op basis van de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 voor protocol 4002 ‘bureauonderzoek’ en protocol 4003 ‘inventariserend veldonderzoek – onderdeel overig’. Wanneer de certificatie-eisen strijdig zijn met de eisen van de bevoegde overheid, dan gaat KSP Archeologie uit van de eisen van de

KSP Archeologie

2

Inhoudsopgave Samenvatting 1 Inleiding 1.1 Onderzoekskader 1.2 Afbakening plan- en onderzoeksgebied 1.3 Overheidsbeleid 1.4 Toekomstige situatie 1.5 Onderzoeksdoel en vraagstellingen 2 Bureauonderzoek 2.1 Huidige situatie 2.2 Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens 2.3 Historische situatie en mogelijke verstoringen 2.4 Beschrijving van archeologische gegevens 2.5 Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden 2.6 Gespecificeerde archeologische verwachting 2.7 Conclusie en advies 3 Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase 3.1 Werkwijze 3.2 Veldsituatie 3.3 Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens 3.4 Archeologische indicatoren 3.5 Toetsing van de archeologische verwachting 4 Conclusie en advies 4.1 Conclusie 4.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen 4.3 Selectieadvies Literatuur Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7

6 7 7 7 7 8 9 11 11 11 15 21 24 24 27 28 28 28 29 30 30 31 31 31 33 34

Geomorfologische kaart Bodemkaart Archeologische gegevens Boorpuntenkaart Boorbeschrijving Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Tekeningen voormalige stallen

Lijst van afbeeldingen

Figuur 1: Het plangebied (rode kader) op de topografische kaart schaal 1:10.000 (bron: Kadaster). 5 Figuur 2: Plangebied met dubbelbestemming archeologie (zone met + tekens) op kadastrale ondergrond. 8 Figuur 3: Voorlopig inrichtingsplan van het plangebied (bron: opdrachtgever). 9 Figuur 4: Afzettingen in de top van de bodem in het plangebied (punt rode pijl, bij benadering) en ruime omgeving (bron: Stichting voor Bodemkartering 1976b). 12 Figuur 5: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl). 13 Figuur 6 Het plangebied op ingezoomd beeld van het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl). 14 Figuur 7: Het plangebied op de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). 17 Figuur 8: Het plangebied op de kaart uit 1869, Bonneblad (bron: www.topotijdreis.nl). 17 Figuur 9: Het plangebied op de topografische kaart uit 1956 (bron: www.topotijdreis.nl). 18 Figuur 10: Het plangebied op de topografische kaart uit 1977 (bron: www.topotijdreis.nl). 18 Figuur 11: Het plangebied op de topografische kaart uit 1998 (bron: www.topotijdreis.nl). 19 Figuur 12: Het plangebied op de topografische kaart uit 2003 (bron: www.topotijdreis.nl). 19 Figuur 13: Het plangebied op de topografische kaart uit 2013 (bron: www.topotijdreis.nl).

20 Figuur 14: Het plangebied op de archeologische beleidskaart van de gemeente Bernheze (Buesink e.a. 2010). 24 Figuur 15: Links: westelijke deel plangebied gefotografeerd richting NO. Rechts: oostelijke deel plangebied gefotografeerd richting ZO (bron: KSP Archeologie). 28

KSP Archeologie

3

Figuur 16: Steilrand van de aangrenzende percelen in het noordoosten van het plangebied (bron: KSP Archeologie).

29

Lijst van tabellen Tabel 1: Overzicht van de onderzoeksmeldingen binnen een straal van 300 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl). Tabel 2: Specifieke archeologische verwachting per periode voor het plangebied.

KSP Archeologie

21 25

4

Administratieve gegevens KSP Projectnummer Opdrachtgever Uitvoerder/projectleider Bevoegde overheid Deskundige namens bevoegde overheid Onderzoeksmelding Provincie Gemeente Toponiem Centrum-coördinaat Kadastrale gegevens Periode uitvoering onderzoek

: : : : :

23020 Gemeente Bernheze, mevr. D. de Beer KSP Archeologie, E.A. Schorn (senior KNA Prospector) Gemeente Bernheze Monumentenhuis Brabant (Karlijn Kersten, adviseur archeologie)

: : : : : : :

5333959100 Noord-Brabant Bernheze Weverstraat-Dijkstraat te Nistelrode x: 166.642 / y: 413.766 Sectie F, nummer 1939 en sectie I, nummer 12 Maart 2023

Figuur 1: Het plangebied (rode kader) op de topografische kaart schaal 1:10.000 (bron: Kadaster).

KSP Archeologie

5

Samenvatting In opdracht van de gemeente Bernheze heeft KSP Archeologie een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de Weverstraat-Dijkstraat in Nistelrode (gemeente Bernheze). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging voor het woningbouw initiatief ‘Weijen-West Fase 1’, waarvoor ca. 25 woningen staan gepland. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging op een verhoging binnen een plateau-achtige horst en de archeologische onderzoeksmeldingen uit de omgeving is aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum en een hoge voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Voor de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd is op basis van de historische ontwikkeling voor het grootste deel van het plangebied een lage verwachting en aan het uiterste zuidwestelijke deel en de zuidoostelijke uitloper een hoge verwachting toegekend. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase.

Uit het booronderzoek is gebleken dat de laarpodzolgrond in het hele plangebied is verstoord doordat hier minstens 60-80 cm zand is gewonnen en de humeuze bovengrond later is teruggestort. Hoewel het potentiële archeologische sporenniveau in de top van de C-horizont vanaf 60140 cm -mv intact is aangetroffen, zal er door de zandwinning gauw een 80-100 cm zijn verdwenen van de C-horizont, waarbij in het oostelijke deel van het plangebied ter plekke van het stallencomplex de bodem nog eens is verstoord tot 80 cm -mv (Bijlage 7). Hierdoor wordt de kans klein geacht dat binnen het plangebied nog archeologische vindplaatsen bewaard zijn gebleven, voor zover deze überhaupt aanwezig zijn geweest. Op basis hiervan is de middelhoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum en de hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) naar laag bijgesteld. De resultaten van het booronderzoek geven aanleiding om de hoge verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd voor het uiterste zuidwestelijke en zuidoostelijke deel van het plangebied bij te stellen naar laag.

De lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd voor het overgrote deel van het plangebied blijft op grond van de resultaten van het bureauonderzoek gehandhaafd. Op grond van de aangetroffen bodemverstoringen in het plangebied en daarmee lage archeologische verwachting adviseert KSP Archeologie om de archeologische dubbelbestemming te laten vervallen en geen archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. Het Monumentenhuis Brabant (04-04-2023, Karlijn Kersten) heeft ingestemd met het advies om geen vervolgonderzoek uit te voeren.

KSP Archeologie

6

1

Inleiding

1.1

Onderzoekskader

In opdracht van de gemeente Bernheze heeft KSP Archeologie een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de Weverstraat-Dijkstraat in Nistelrode (gemeente Bernheze). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging voor het woningbouw initiatief ‘Weijen-West Fase 1’, waarvoor ca. 25 woningen staan gepland. Het onderzoek is uitgevoerd conform de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 (versie 4.1) met bijbehorende protocollen (KNA 4.1) 4002 (bureauonderzoek bij landbodems) en 4003 (inventariserend veldonderzoek, overig) (www.sikb.nl) en de gemeentelijke eisen. Voor de in dit rapport gebruikte geologische en archeologische tijdsaanduidingen wordt verwezen naar Bijlage6. Geologische formaties, laagpakketten en lagen worden beschreven conform https://www.dinoloket.nl/stratigrafische-nomenclator. 1.2

Afbakening plan- en onderzoeksgebied

Het plangebied is niet gelijk aan het onderzoeksgebied waarvoor het archeologische onderzoek is uitgevoerd. Het plangebied is ca. 12.674 m2 groot en ligt aan de Weverstraat-Dijkstraat in Nistelrode (Figuur 1). Voor het gehele plangebied is een bureauonderzoek uitgevoerd. Alleen voor het oostelijke deel van het plangebied (9.464 m2) is een booronderzoek uitgevoerd, aangezien het grootste gedeelte van het westelijke deel van het plangebied geen dubbelbestemming archeologie heeft. Het terrein wordt in het noordwesten begrensd door de Weverstraat, in het oosten door percelen met bebouwing, in het zuidoosten door de Dijkstraat, landbouwgrond, een vijver en een perceel met bebouwing en in het zuidwesten door de straat Donzel. 1.3

Overheidsbeleid

In 1992 heeft Nederland het Europese ‘Verdrag van Malta’ ondertekend. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologische erfgoed geregeld. Belangrijk daarin is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het wettelijk kader voor de archeologische monumentenzorg is vastgelegd in de Erfgoedwet. Daarnaast hebben de verschillende overheden (het rijk, de provincie en de gemeentes) archeologiebeleid vastgelegd. Gemeenten houden bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een vergunning altijd rekening met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden (Wet ruimtelijke ordening). Volgens het bestemmingsplan ‘De kommen van Bernheze’ van de gemeente Bernheze (vastgesteld 0106-2011) geldt voor een groot deel van het plangebied (oostelijke deel) de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ (Figuur 2). Dit betekent dat bij bodemingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 0,4 m archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Voor perceel, sectie I met nummer 12, geldt slechts voor het uiterste oostelijke deel de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Voor het grootste deel van dit perceel geldt geen dubbelbestemming.

Aangezien de genoemde ondergrenzen bij de realisatie van de nieuwbouwplannen worden overschreden (zie paragraaf 1.4), is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

KSP Archeologie

7

In het kader van de bestemmingsplanwijziging is voor het plangebied een archeologisch vooronderzoek nodig dat bestaat uit een bureauonderzoek gecombineerd met een verkennend booronderzoek.

Figuur 2: Plangebied met dubbelbestemming archeologie (zone met + tekens) op kadastrale ondergrond.

1.4

Toekomstige situatie

Binnen het plangebied zullen nieuwe woningen worden gebouwd (Figuur 3). De exacte aard en omvang van de toekomstige bodemverstoring is nog niet bekend, maar het te verstoren oppervlak zal zeker meer bedragen dan de archeologische ondergrens van 250 m2. De bouwputten voor de fundering zullen waarschijnlijk tot ca. 80 cm beneden maaiveld worden uitgegraven en voor de aan te leggen riolering zal de bodem nog dieper (mogelijk tot 1,5 m -mv) worden verstoord. Voor zover bekend zijn binnen het plangebied geen graafwerkzaamheden voor een bodem- en/of grondwatersanering nodig in het kader van de milieuhygiëne of om niet gesprongen conventionele explosieven op te sporen. Het waterpeil c.q. bodempeil binnen het plangebied zal niet veranderen door de geplande bodemingrepen en zal daarmee geen gevolgen hebben voor de conserveringstoestand van eventuele aanwezige archeologisch resten.

KSP Archeologie

8

Figuur 3: Voorlopig inrichtingsplan van het plangebied (bron: opdrachtgever).

1.5

Onderzoeksdoel en vraagstellingen

Bureauonderzoek Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het omschreven onderzoeksgebied. Het resultaat is een standaardrapport bureauonderzoek met een gespecificeerde archeologische verwachting en een advies. Op basis hiervan wordt vastgesteld of vervolgonderzoek nodig is en zo ja, welke strategie hierbij het beste gevolgd kan worden.

Inventariserend Veldonderzoek Het doel van het inventariserend veldonderzoek (IVO) (landbodems) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Het gaat om gebiedsgericht onderzoek door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en of verwachte archeologische waarden in het onderzoeksgebied. Het resultaat van het onderzoek is een standaardrapport IVO-O met een waardering en een inhoudelijk (selectie)advies. Aan de hand hiervan kan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) worden genomen door de bevoegde overheid. Indien er onvoldoende gegevens voor waardering en selectieadvies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Aan de hand hiervan kan dan worden geadviseerd tot vervolgonderzoek of vrijgave van het plangebied of terreindelen daarvan. Het inventariserend veldonderzoek kent drie fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase.

De strategie die gekozen wordt, hangt onder andere af van de omvang van het plangebied, de aard van de geplande werkzaamheden, de verwachte archeologische resten en het archeologiebeleid van de gemeente. Dit onderzoek betreft een verkennend onderzoek. De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap (bodemopbouw) die

KSP Archeologie

9

van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Hiermee worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor mogelijk vervolgonderzoek. Om de bovenstaande doelstelling te realiseren, zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld:  Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact?  Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied op basis van het bureauonderzoek en wordt deze door het veldonderzoek bevestigd?  In hoeverre wordt het (potentiële) archeologische niveau bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied?

KSP Archeologie

10

2

Bureauonderzoek

2.1

Huidige situatie

Om de huidige situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende bronnen geraadpleegd:  Huidige topografische kaart (Figuur 1);  Luchtfoto’s uit 2016 tot heden (PDOK);  Grondwaterstanden (Wageningen Environmental Research (2022), https://www.dinoloket.nl/ ondergrondmodellen;  Grondwatertrappen gekoppeld aan de Bodemkaart schaal 1:50.000 versie 2006 (geoplaza.vu.nl);  Bebouwde rijksmonumenten (archis.cultureelerfgoed.nl): geen monumenten/bebouwing aanwezig;  Gemeentelijke monumenten (https://www.bernheze.org/data/downloadables/4/4/5/monumentenlijst-bernheze.pdf): geen gemeentelijke monument/bebouwing aanwezig;  Informatie van de opdrachtgever over het plangebied;  Informatie over kabels en leidingen (KLIC-melding);  Informatie over de huidige bebouwing: Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) (bagviewer kadaster.nl): geen bebouwing aanwezig. Het plangebied is momenteel in gebruik als landbouwgrond en is onbebouwd. Binnen het plangebied zijn voor zover bekend geen kelders of andere ondergrondse werken aanwezig (bijvoorbeeld funderingen of drainage). Langs de grenzen van het plangebied liggen enkele kabels en leidingen (KLICmelding). Tot 2006 waren de (freatische) grondwater(spiegeldiepte)standen door middel van grondwatertrappen (I, nat t/m VIII droog) gekoppeld aan de kaarteenheden van de bodemkaart 1:50.000 (Bijlage 2).

Het plangebied werd toen grotendeels gekenmerkt door een diepe grondwaterstand, grondwatertrap VI. Alleen het uiterste zuidwestelijke deel van het plangebied werd gekenmerkt door een ondiepe grondwaterstand, grondwatertrap III. Dit betekent voor grondwatertrap VI dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen 40 - 80 cm en de gemiddeld laagste grondwaterstand dieper dan 120 cm beneden maaiveld wordt aangetroffen. Voor grondwatertrap III betekent dit dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand ondieper dan 40 cm en de gemiddeld laagste grondwaterstand tussen 80 - 120 cm beneden maaiveld wordt aangetroffen. Op basis van het verwachte bodemtype (zie paragraaf 2.2.) ligt de gemiddeld laagste grondwaterstand ruim dieper dan het potentiële archeologische niveau in de top van de C-horizont, waardoor de conserveringsomstandigheden in de bodem voor onverkoolde organische resten slecht zijn. 2.2

Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens

Om het landschap ter plaatse en rondom het plangebied in kaart te brengen, zijn de volgende bronnen geraadpleegd:  Geologische overzichtskaart van Nederland (TNO Geologische Dienst 2021);  Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2020 (BRO 2022, Maas e.a. 2017);  Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2021 (BRO 2022);  Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www.ahn.nl, AHN4 grid 0,5 x 0,5 m); Het plangebied ligt in het zuidelijk zandgebied van Nederland. Het is een relatief vlak gebied, dat nooit door het landijs bedekt is geweest (Berendsen 2005). De ondergrond wordt doorsneden door een aantal zuidoost-noordwest georiënteerde breuken, die het Peel Blok begrenzen. Ten oosten van het Peelblok ligt de Venloslenk en ten westen de Roerdalslenk. Volgens de geologische overzichtskaart van

KSP Archeologie

11

Nederland (TNO Geologische Dienst 2021) ligt het plangebied op het Peelblok, op ca. 775 m ten oosten van de Roerdalslenk. In dit als gevolg van tektonische bewegingen hoog gelegen gebied ligt een betrekkelijk dunne laag dekzand op het pleistocene rivierzand (Berendsen 2005). Het rivierzand is afgezet door de Maas in het Vroeg-Saalien en wordt tot de Formatie van Beegden gerekend (Keunen e.a. 2011). De Maas werd in deze ijstijd gekenmerkt door een vlechtend riviersysteem, waarbij grindrijke rivierafzettingen zijn afgezet. De Maasafzettingen worden in grote delen van het plangebied aan het oppervlak verwacht (Figuur 4). Op deze kaart staat de Roerdalslenk nog aangegeven met de oude naam: Centrale Slenk. Het Peelblok was in deze tijd een boomloze toendra, waar periglaciale afzettingen van lokale oorsprong werden afgezet (Keunen e.a. 2011).

Figuur 4: Afzettingen in de top van de bodem in het plangebied (punt rode pijl, bij benadering) en ruime omgeving (bron: Stichting voor Bodemkartering 1976b).

Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied op een plateau-achtige horst, waarvan de bovengrond bestaat uit (grof) zandige rivierafzettingen (Bijlage 1, code F01). Op het Actueel Hoogtebestande van Nederland (AHN) is te zien dat het plangebied op het hoger gelegen (lichtgroene tot oranje kleuren) Peelblok ligt (Figuur 5). Ten westen van Nistelrode gaat deze over in de lager gelegen Roerdalslenk (blauwe tot donkerblauwe kleuren). Na de ijstijd van het Saalien volgde een warmere periode, het Eemien (ca. 126.000 – 114.000 jaar geleden). In de lage plekken op het Peel Blok werd humeus zand, leemgyttja en veen afgezet (Formatie van Boxtel). Het noordelijker gelegen Maasdal werd opgevuld met grind en grove zanden (Formatie van Kreftenheye) (Keunen e.a. 2011). In de laatste ijstijd, het Weichselien, werd het opnieuw zeer koud (ca. 114.000 – 11.700 jaar geleden). Aan het begin van het Weichselien lag de zeespiegel ongeveer 30 tot 40 m lager dan nu. De Maas sneed zich opnieuw in en schuurde een dal uit. De huidige in het landschap zichtbare steilrand tussen het Peel Blok en het Maasdal is hoogstwaarschijnlijk in deze periode gevormd (Keunen e.a. 2011).

KSP Archeologie

12

Figuur 5: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl).

In de koudste en droogste perioden van het Weichselien, met name in het Laat-Pleniglaciaal (ca. 26.000 –15.700 jaar geleden) en Laat-Glaciaal (ca. 15.700 – 11.755 jaar geleden), is de vegetatie vrijwel verdwenen, waardoor op grote schaal verstuiving is opgetreden (Stouthamer e.a. 2015). Hierbij is een dunne laag dekzand over de rivier- en/of fluvioperiglaciale afzettingen afgezet. Dit (soms lemige) zand is kalkloos, fijnkorrelig (150 – 210 μm), goed afgerond, goed gesorteerd en arm aan grind en wordt tot het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel gerekend (Stouthamer e.a. 2015). Het reliëf van de dekzanden wordt gekenmerkt door vlaktes, depressies en dekzandkopjes, afgewisseld met langgerekte ruggen. Vanwege de geringe dikte van het dekzandpakket, dat waarschijnlijk door verploeging is vermengd met het grove rivierzand, is deze niet gekarteerd op de geomorfologische kaart (Bijlage 1). In het Holoceen (de laatste ca. 11.750 jaar) is het klimaat warmer en vochtiger geworden. Door de toenemende vegetatie is het dekzand vastgelegd en is het landschap ter plekke van het plangebied door geologische processen weinig veranderd. De beken hebben zich ingesneden, waarbij beekdalen zijn ontstaan. Op ongeveer 100 m ten zuidoosten van het plangebied heeft een watertje gestroomd, namelijk: de Kleinwijksche Loop (Figuur 10).

Binnen het plangebied zijn volgens de Vergraven Grondenkaart (Bijlage 2) delfstoffen gewonnen in de vorm van zand. Deze locaties komen overeen met de locaties op de Aardkundig waardevolle gebiedenkaart (https://noord-brabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer) waarvoor een ontgrondingsvergunning is afgegeven. Als wat meer in detail wordt gekeken naar het AHN (Figuur 6), dan is naast de aangegeven gebieden waar delfstoffen zijn gewonnen (Bijlage 2), vrijwel het gehele oostelijke deel van het plangebied afgegraven, vooral weergegeven door de lichtgroene kleur. Dit lager gelegen gebied vertoont scherpe overgangen met de hoger gelegen delen ten oosten en ten noorden van dit deel van het plangebied, weergegeven door de geeloranje tot donkeroranje kleuren.

KSP Archeologie

13

Figuur 6: Het plangebied op ingezoomd beeld van het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl).

Van oorsprong had het grootste deel van het plangebied een vrij hoge ligging. Dit is te zien op de kaart uit 1869 (Figuur 8), waar ter plekke van het plangebied een bult (streeparcering) is aangegeven. Uit de boringen die voor het verkennend bodemonderzoek binnen het plangebied zijn uitgevoerd (RMB 2009), blijkt dat de bovenste 1,0-2,0 m van de bodem uit een donkerbruin zwak tot matig humeus matig fijn zandpakket bestaat, wat erop duidt dat dit pakket grond is opgebracht om de laagte op te vullen, zodat de grond weer voor andere doeleinden kon worden gebruikt. Op basis van de bodemkaart worden in het plangebied laarpodzolgronden verwacht, die zich hebben gevormd in grof zand (Bijlage 2, code cHn30). Laarpodzolgronden bestaan uit een donkere, humeuze bovengrond die maximaal 50 cm dik is, met daaronder de oorspronkelijke bodem. De humeuze bovengrond betreft op de hogere zandgronden vaak een plaggendek, ook wel esdek genoemd. Plaggendekken zijn ontstaan, doordat in Zuid-Nederland vanaf ca. de 14e en 15e eeuw op grote schaal het systeem van potstalbemesting is toegepast (Spek 2004). Plaggen worden met mest van het vee vermengd en op de akkers uitgespreid om de bodem vruchtbaarder te maken. In de loop van de tijd is een plaggendek op de oorspronkelijke bodem ontstaan. Op de hogere zandgronden vindt van nature het bodemvormende proces podzolering plaats.

Bij podzolering worden kleine deeltjes, zoals ijzer, aluminium en humus uitgespoeld door infiltrerend regenwater. Dit proces wordt ook wel uitloging genoemd (De Bakker& Schelling 1989). Deze deeltjes worden door het water naar beneden getransporteerd en spoelen daar in, zodat podzolgronden ontstaan. De veldpodzolgronden bestaan uit een donkere, humeuze bovengrond met daaronder de grijze E-horizont (uitspoelingshorizont). Onder de E-horizont ligt de (oranje)bruine B-horizont, waarin humus en ijzer is ingespoeld. De B-horizont gaat geleidelijk over in de (grijs)gele C-horizont. Door de landbewerking die binnen het plangebied heeft plaatsgevonden, zal de podzolgrond deels of geheel zijn opgenomen in de humeuze bovengrond.

KSP Archeologie

14

2.3

Historische situatie en mogelijke verstoringen

Om de historische situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende bronnen geraadpleegd:  Oude kadasterkaarten: kadastrale minuut en oorspronkelijk aanwijzende tafels 1811 – 1832 voor toenmalige eigenaar/gebruiker (beeldbank.cultureelerfgoed.nl);  Historische kaarten uit de afgelopen 200 jaar (www.topotijdreis.nl);  Historisch-landschappelijk informatiesysteem, Histland (Dirkx & Nieuwenhuizen 2013), geraadpleegd via archis.cultureelerfgoed.nl;  Cultuurhistorische regiobeschrijving Noord-Brabant (CultGIS/Haartsen 2009);  Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant: zie cultuurhistorische kaart gemeente Bernheze;  Cultuurhistorische kaart van de gemeente Bernheze;  Archeologische en overige cultuurhistorische rapporten van onderzoek binnen het onderzoeksgebied: is niet van toepassing;  Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (www.ikme.nl): geen verwachting op specifieke resten uit WOII;  Kaart van verdedigingswerken/ Militaire landschapskaart (https://rce.webgispublisher.nl/ Viewer.aspx?map=militaire%5Flandschapskaart): er zijn geen verdedigingswerken binnen het plangebied bekend;  Oorlogshandelingenkaart (https://reaseuro.nl/oorlogshandelingenkaart/): Volgens deze kaart, in tegenstelling tot de indicatieve kaart militair erfgoed, ligt het plangebied binnen het operatie terrein van Market Garden uit WOII en aan de

zuidrand van de Airstrip Heesch uit WOII;  Topografische kaart van Nederland (Figuur 1);  Bouw-/constructietekeningen van te slopen of te wijzingen historische bouwwerk: is niet van toepassing;  Gegevens van milieukundig bodemonderzoek (https://noordbrabant.omgevingsrapportage.nl/): melding aanwezig binnen het plangebied (RMB 2009);  Luchtfoto uit 2019 (PDOK);  Geomorfologische kaart van Nederland: hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het plangebied aangegeven;  Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000: hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het plangebied aangegeven;  Vergraven gronden project Alterra (Brouwer & Van der Werff 2012): hierop zijn bodemverstoringen t.p.v. het plangebied aangegeven (zie paragraaf 2.2);  Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www.ahn.nl): hierop zijn kunstmatige afgravingen zichtbaar (zie paragraaf 2.2);  In het kader van dit onderzoek zijn geen archieven geraadpleegd omdat een gerichte vraagstelling ontbreekt. Hieronder volgt een beschrijving van het historische gebruik (bebouwing, grondgebruik, historische wegen etc.) van het plangebied en de directe omgeving. Daarnaast is gekeken of er sprake is van (mogelijke) bodemverstoringen en/of bodemvervuilingen (aard, omvang, diepteligging en locatie) binnen het plangebied. Het plangebied ligt aan de noordwestkant van de Peel.

Dit betrof vroeger een uitgestrekt, 100.000 hectare groot veenmoeras. Lange tijd vormde dit ondoordringbare veengebied een barrière tussen de Kempen en de Meierij van Den Bosch aan de westkant en de dorpen van de Maasvallei in het oosten. Rondom de Peel is in de Middeleeuwen een ring van dorpen ontstaan. Aan de westkant waren dat onder meer Someren, Asten, Liessel, Deurne, Milheeze, Bakel, Gemert, Handel, Boekel, Volkel, Uden, Zeeland en Nistelrode. Het waren agrarische dorpen, met grote akkercomplexen en vrij weinig weilanden. De boeren gebruikten de randen van de Peel om hun vee te weiden, om strooisel te winnen voor de potstallen en om, op bescheiden schaal, turf te steken. De afgelopen 1000 jaar is er vanuit deze dorpen geleidelijk steeds meer veen verdwenen. Dit proces raakte in een stroomversnelling door de

KSP Archeologie

15

systematische, grootschalige veenwinning die inzetten nadat de gebroeders Van der Griendt de exploitatie van het veen vanaf 1853 ter hand gingen nemen. Het resultaat was dat het veen in bijna een eeuw vrijwel geheel is afgegraven. De vrijkomende grond werd geschikt gemaakt voor de landbouw of voor bosaanleg (Haartsen 2009). Volgens Histland behoort het plangebied tot het landschapstype van de natte heide of veenontginningen met heideontginningen en bossen sedert 1850, waarbij het gebied na 1850 is ingericht. Het plangebied ligt op het hoge Maasterras, iets ten oosten van de historische kern van Nistelrode. Tussen 1200 en 1237 werd Nistelrode voor het eerste vermeld in documenten die de goederen en rechten van de Abdij van Berne beschreven. In 1291 is er het eerste schriftelijke bewijs dat er in Nistelrode een parochie bestond. Nistelrode wordt gekenmerkt door lintbebouwing. De naam Nistelrode kwam in de 15e eeuw in zwang. Rode komt van rooien, ofwel ontginnen van een bos. Het plangebied ligt binnen het akkerland van het buurtschap Kleinwijk, gelegen binnen het noordelijke deel van Nistelrode. De eerste kerk van Nistelrode werd omstreeks 1290 gebouwd in het buurtschap Kleinwijk. Voor de historische ontwikkeling is historisch kaartmateriaal geraadpleegd.

Op het minuutplan uit het begin van de 19e eeuw (Figuur 7) staat binnen het westelijke uiteinde van het plamgebied een huis met erf (perceelnummer 557). Het grootste deel van het plangebied is onbebouwd en in gebruik als akker (percelen 551, 552, 555, 556 en 568). Het perceel 558 is in gebruik als weiland en het perceel 569 als tuin. Op de kaart uit 1869 (Figuur 8) is het landschapsgebruik goed te herkennen. Akkers zijn met een witte kleur, weiland met een lichtgroen streeparcering en bos met een donkergroene kleur weergegeven. Het plangebied is nu onbebouwd en vrijwel gheel in gebruik als akkerland met uitzondering van het perceel 569 van het minuutplan dat nog steeds als tuin in gebruik is. Verder is opdeze kaart te zien dat het plangebied op een verhoging ligt (zwarte streeparcering). Jammer genoeg staat er geen hoogte bij vermeld, zodat afgeleid kan worden hoeveel meter het maaiveld is verlaagd door afgraving (zie paragraaf 2.2). Op de kaart uit 1956 (Figuur 9) is vrijwel het gehele plangebied in gebruik als akkerland, behalve het westelijke uiteinde dat in gebruik is als weiland. Het plangebied is onbebouwd. Op deze kaart zijn ten oosten van het plangebied, zowel aan de westzijde als de oostzijde van de Heescheweg, percelen aanwezig die zijn afgegraven (zwarte streeparcering naar de binnenzijde van de percelen) en nu in gebruik zijn als weiland.

Op deze kaart staat een hoogte van 11,1 m +NAP aangegeven binnen het oostelijke deel van het plangebied. Ten westen van het plangebied ligt de bruine 10,0 m hoogtelijn en ten oosten de 12,5 m hoogtelijn. Op het huidige AHN ligt het oostelijke deel van het plangebied ook op ongeveer 11,1 m +NAP, terwijl het deel direct ten oosten ervan op 12,3 m +NAP ligt en niet is afgegraven. Gezien het feit dat dit niet afgegraven deel op de flank van de verhoging ligt die op de kaart uit 1869 staat aangegeven, moet het oostelijke deel van het plangebied minimaal op een hoogte hebben gelegen van 12,3 m +NAP en waarschijnlijk nog iets hoger. Dit betekent dat het plangebied ruim een meter diep moet zijn ontzand. Als daarbij nog eens gekeken wordt naar de boorgegevens van het bodemonderzoek (paragraaf 2.2, RMB 2009) dan kan daar nog 0,5-1,0 m aan toegevoegd worden (rekeninghoudend dat het oorspronkelijke plaggendek dat terug is gestort maximaal 50 cm dik was). Op de kaart uit 1977 is te zien dat alleen de strook van het plangebied langs de Weverstraat nog in gebruik is als akkerland en dat het oostelijke deel van het plangebied in gebruik is als weiland en deels bebouwd is met varkensstallen. Uit het bodemonderzoek (RMB 2009) komt naar voren dat de stallen uit 1973 stammen. Vanaf 1994 zijn de oude stallen gesloopt en nieuwe stallen op de bestaande mestkelders gebouwd.

De stallen zijn geheel onderkelderd. Deze nieuwe stallen zijn voor het eerst te zien op de kaart uit 1998 (Figuur 11), waarbij tevens een extra stal ten noordwesten van de stallen op de kaart uit 1977 is gebouwd. Het niet bebouwde deel van het plangebied is in gebruik als weiland. Op de kaart uit 2003 is te zien dat ten oosten van de bestaande stallen nog een nieuwe stal is gebouwd. Het niet beouwde deel is in gebruik als akkerland. Op de kaart uit 2013 zijn alle opstallen gesloopt en verdwenen en is het gehele plangebied in gebruik als akkerland, zoals ook geldt voor de huidige situatie (Figuur 1).

KSP Archeologie

16

Figuur 7: Het plangebied op de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl).

Figuur 8: Het plangebied op de kaart uit 1869, Bonneblad (bron: www.topotijdreis.nl).

KSP Archeologie

17

Figuur 9: Het plangebied op de topografische kaart uit 1956 (bron: www.topotijdreis.nl).

Figuur 10: Het plangebied op de topografische kaart uit 1977 (bron: www.topotijdreis.nl).

KSP Archeologie

18

Figuur 11: Het plangebied op de topografische kaart uit 1998 (bron: www.topotijdreis.nl).

Figuur 12: Het plangebied op de topografische kaart uit 2003 (bron: www.topotijdreis.nl).

KSP Archeologie

19

Figuur 13: Het plangebied op de topografische kaart uit 2013 (bron: www.topotijdreis.nl).

Uit de Cultuurhistorische kaart van Bernheze blijkt, dat de zuidoostgrens van het oostelijke deel van het plangebied grenst aan of zelfs iets binnen de zone ligt waar oude bebouwingsconcentraties worden verwacht van het buurtschap Kleinwijk. Dit geldt ook voor het westelijke uiteinde van het plangebied. Op grond van de zandwinning die binnen het plangebied heeft plaatsgevonden, worden er geen resten meer van deze bebouwing binnen het plangebied verwacht. Ook is er een monumentale boom aangegeven binnen de zuidelijke uitloper van het oostelijke deel van het plangebied. Voor de historische ontwikkeling is ook gekeken naar archeologische resten als gevolg van conflict. Op basis van de Militaire landschappenkaart van de RCE zijn deze niet bekend in het plangebied. Volgens de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (www.ikme.nl) geldt er voor het plangebied geen verwachting op specifieke resten uit WOII. Volgens de kaart met oorlogshandelingen samengesteld door REAS Euro blijkt dat het plangebied onderdeel heeft uitgemaakt van het operatieterrein Market Garden uit 1944 en dat het plangebied aan de zuidgrens van de Airstrip Heesch lag dat zowel door de Duitsers als in 19441945 door de geallieerden is gebruikt. Uit het historisch vooronderzoek door REAS (Dekker 2022) blijkt dat er geen specifieke resten uit WOII binnen het plangebied worden verwacht.

Niet uitgesloten kan worden dat er resten van explosieven binnen het plangebied aanwezig zijn. Binnen het plangebied is in het verleden zand gewonnen (minimaal 1,0 m afgegraven), waardoor eventueel aanwezige archeologische resten verdwenen. Binnen het oostelijke deel van het plangebied heeft een groot stallencomplex met bijbehorende mestkelders gestaan, waardoor de grond daar ter plekke minimaal tot 80 cm -mv (diepte mestkelders) diep is verstoord (Bijlage 7). Uit het bodemonderzoek (RMB 2009) komt naar voren dat de bodem binnen het plangebied tot een diepte van 1,0-2,0 m -mv is verstoord, waardoor eventueel aanwezige archeologische resten verloren zijn gegaan (https://noord-brabant.omgevingsrapportage.nl/).

KSP Archeologie

20

2.4

Beschrijving van archeologische gegevens

Om een beeld te krijgen van de archeologische gegevens, zijn de volgende bronnen geraadpleegd:  Archeologische Monumenten Kaart (AMK) (via archis.cultureelerfgoed.nl);  Archeologische rijksmonumenten (via archis.cultureelerfgoed.nl);  Archeologische onderzoeken en vondstmeldingen in Archis (archis.cultureelerfgoed.nl);  E-depot archeologie (DANS): rapporten en onderzoeksgegevens van archeologisch onderzoek (https://archaeology.datastations.nl/);  Historische kaarten (zie paragraaf 2.3);  Gemeentelijke archeologische beleidskaart (Buesink e.a. 2010). Een klein deel van het plangebied aan de Dijkstraat maakt onderdeel uit van het archeologische monument 16855 (AMK-terrein). Het betreft de historische kern van Nistelrode waar resten van historische bebouwing kunnen worden verwacht. Binnen het plangebied zijn geen onderzoeksmeldingen en vondstmeldingen aanwezig. In een straal van 300 m rondom het plangebied zijn negen onderzoeksmeldingen, maar geen vondstmeldingen bekend (Tabel 1, Bijlage 3). De meldingen liggen allemaal rond Nistelrode in de gemeente Bernheze, tenzij anders vermeld in Tabel 1. AMK-terrein

Locatie en ligging

Aard terrein/waarde

Datering

16855

Nistelrode

Oude dorpskern Nistelrode, terrein van hoge archeologische waarde

MEL-NT

Onderzoeksmelding

Locatie en ligging

Type onderzoek

Aard vondstlocatie/resultaten

Datering

2257010100

Doolhof 26

Bureau- en booronderzoek 2009

Zie tekst

n.v.t.

2268992100

Donzel 4-10

Bureauonderzoek 2009 (Kremer e.a. 2009

Voegt niets toe aan huidig onderzoek

n.v.t.

2296515100

Donzel 4-10

Booronderzoek 2010

Zie tekst

n.v.t.

2395262100

Het Runneke

Bureau- en booronderzoek 2013

Zie tekst

n.v.t.

4872486100

Weijen 60-62

Bureauonderzoek 2020 (De Boer 2020)

Voegt niets toe aan huidig onderzoek

n.v.t.

4872494100

Weijen 60-62

Booronderzoek 2020

Zie tekst

n.v.t.

4991337100

Heescheweg 29

Bureau- en booronderzoek 2021

Zie tekst

n.v.t.

4992406100

Dijkstraat tussen 9 en 13a

Bureauonderzoek 2021 (De Boer 2021)

Voegt niets toe aan huidig onderzoek

n.v.t.

4992430100

Dijkstraat tussen 9 en Booronderzoek 2021 13a Tabel 1: Overzicht van de onderzoeksmeldingen binnen een straal van 300 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl).

Onderzoeksmelding 2257010100 (Doolhof 26, Kramer 2009) De bodemopbouw in de noordelijke en zuidelijke helft van het plangebied verschillen van elkaar. In het noordelijke deel is de bovenste humeuze laag, het plaggendek (Aa(p)-horizont), 40 à 45 cm dik. Daaronder liggen de resten van vermoedelijk de oorspronkelijke bovengrond (Ahb-horizont). De laag met de ze resten is 10 à 15 cm dik. Het humeuze pakket heeft in het noordelijke deel een dikte van circa 55 cm. On der het humeuze pakket ligt een 5 tot 10 cm dikke oranje gekleurde laag met veel inspoeling van organische stof, ijzer en aluminium (Bhs-horizont). De laag eronder is een B/C-horizont die de overgang vormt naar het weinig onveranderde uitgangsmateriaal (C-horizont). Deze laag is bij boring 1 beschreven en is daar 10 cm dik. Bij boring 2 is deze laag niet herkend, maar hier is wel een geelbruine laag aanwezig die tot de C-horizont is gerekend. Deze laag is eveneens 10 cm dik. Het uitgangsmateriaal wordt in de diepte minder geel en grijzer van kleur onder invloed van het grondwater. De top van de ondergrond wordt in de zuidelijke helft van het plangebied gevormd door een humeuze laag van 30 à

KSP Archeologie

21

35 cm. Deze laag bestaat voor een groot deel uit opgebrachte grond van plaggenbemesting. Daaronder ligt een 5 cm dikke humeuze laag, de onderkant van het esdek (Aa-horizont) of de resten van de begraven geraakte bovengrond (Ahb-horizont). Onder het humeuze dek liggen lagen met inspoeling van organische stof en ijzer en aluminium. De Bhs-horizont is in boring 4 circa 15 cm dik en reikt tot 55 cm -mv. Deze horizont is in boring 5 circa 10 cm di k en reikt tot 50 cm -mv. Dieper ligt de overgang naar de C-horizont (B/C-horizont) en de C-horizont zelf. De bodems in de noordelijke helft van het plangebied zijn de classificeren als enkeerdgronden en wel als hoge zwarte enkeerdgronden. In de zuidelijke helft komen podzolgronden voor. Deze zijn te classificeren als Laarpodzolgronden. Bij het veldonderzoek bleek de bodemopbouw in het grootste deel van het plangebied intact te zijn. In het zuidoostelijke deel is in de inspoelingshorizont, de B-horizont, onder het plaggendek een brokje verbrande leem aangetroffen. Dit is de enige aangetroffen betrouwbare archeologische indicator voor eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied. De archeologische verwachting is op basis van het bureau- en veldonderzoek hoog voor het hele plangebied. In het plangebied kunnen archeologische waarden voorkomen uit alle archeologische perioden.

Eventuele archeologische resten tot de Late Middeleeuwen zijn te verwachten direct onder het plaggendek, vanaf een diepte van circa 35 à 55 cm onder het huidige maaiveld. De voorgenomen graafwerkzaamheden kunnen archeologische waarden in het plangebied bedreigen als die dieper reiken dan 35 cm -mv. Advies proefsleuven of bouwbegeleiding.

Onderzoeksmelding 2296515100 (Donzel 4-10, Van den Berkmortel 2011) De onverstoorde natuurlijke ondergrond bestaat in het plangebied uit matig fijn, slecht gesorteerd, slecht afgerond zand. Dit zand is geïnterpreteerd als rivierzand behorend tot de Formatie van Beegden en is aangetroffen vanaf een diepte van 50-70 cm beneden het maaiveld. De bodem in het plangebied bestaat over het algemeen uit een hoge zwarte enkeerdgrond (boring 1, 3, 5 en 7) met een opgebracht plaggendek (Aap- en Aa- horizont) van 50-70 cm dik direct op de C-horizont. In boringen 4 en 6 is het plaggendek 35 cm dik en kan de bodem geclassificeerd worden als een laarpodzolgrond. In boring 4 is onder de bouwvoor een verploegde podzolbodem aangetroffen. De bodem in boring 1, 5 en 6 zijn verstoord tot op de C-horizont. In boring 6 is onder het plaggendek een verstoorde laag aangetroffen die bestaat uit dekzand vermengd met rivierzand. In alle boringen ontbreekt de oorspronkelijke podzolgrond onder de Aap- en Aa-horizont. Alleen in boring 4 is onder de bouwvoor (Aap-horizont) een verploegde podzolgrond aangetroffen. Geen vervolgonderzoek. Onderzoeksmelding 2395262100 (Het Runneke, Buesink e.a. 2014) Binnen het plangebied zijn matig tot uiterst grove grindhoudende zanden aangetroffen. Het zand is geïnterpreteerd als fluviatiele afzetting. Dekzand is niet aangetroffen.

De aangetroffen bodems bestaan uit A/C profielen. Intacte bodems zijn niet aangetroffen. Tijdens het booronderzoek bleek de bodem geroerd en zeer waarschijnlijk afgetopt. Intacte bodems zijn niet aangetroffen. Intacte archeologische vindplaatsen worden daarom niet meer verwacht. Vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Onderzoeksmelding 4872494100 (Weijen 60-62, De Boer 2020) In het plangebied heeft een sanering plaatsgevonden. Ter hoogte van boring één is de bodem daardoor tot minimaal drie meter diep vergraven. Ook is de bodem onder de bebouwing mogelijk vergraven. Onder het plaggendek rondom de bebouwing en sanering kunnen archeologische resten uit de Middeleeuwen en ouder aanwezig zijn. Uit historische gegevens blijkt dat het plangebied in de historische kern van Nistelrode ligt. Bij de aanleg van funderingen voor de woningen en de ontsluitingsweg en voor de aanleg van de ondergrondse infrastructuur wordt zeer waarschijnlijk tot onder de A horizont gegraven waarvan de top tussen 85 en 105 cm onder straatniveau ligt. Indien dieper gegraven wordt dan 85 cm -mv, wordt een proefsleuvenonderzoek geadviseerd. Onderzoeksmelding 4991337100 (Heescheweg 29, Plitscher 2021) Onder een antropogeen humeus dek, (sub-)recent opgebrachte grond (Aap-horizont), zijn resten van een verstoord podzolprofiel (resten humuspodzol-B en BC-horizont) in dekzand op rivierafzettingen (C-

KSP Archeologie

22

horizont) aangetroffen. De geroerde podzol is aangeboord in boringen 2 en 3. De laaggrenzen tussen de B-/BC-horizont en C-horizont zijn niet scherp, maar verlopen geleidelijk. Onder(in) de subrecent opgebrachte grond zijn ook nog resten van een oude akkerlaag in de hoedanigheid van de A-horizont van het podzolprofiel in dekzand of een plaggendek aangetroffen. Bij de andere boringen ligt het (sub)recent opgebracht zandpakket direct op de rivierafzettingen (AC-bodemprofiel). Tot op zekere hoogte lijken de wisselende dieptes waarop de C-horizont is aangetroffen het natuurlijk reliëf te weerspiegelen. Bij drie van de vijf boringen (boringen 2, 4 en 5) begint de C-horizont tussen 160 en 180 centimeter beneden het maaiveld. Bij boring 3 begint de C-horizont op 100 centimeter en bij boring 1 bevinden de rivierafzettingen zich bijna aan het maaiveld, op slechts 30 centimeter beneden het maaiveld. In het plangebied is sprake van een hydromorf podzolprofiel in dekzandafzettingen (laarpodzol) van de Formatie van Boxtel op oudere grindrijke rivierafzettingen van de Formatie van Beegden. Na de vorming van het podzolprofiel heeft er in ieder geval plaatselijk ophoging en egalisatie, vermoedelijk ook afgraving, van het terrein plaatsgevonden.

Op grond van de waargenomen bodemverstoringen, de toekomstige verstoringsdiepte die ondieper zal zijn dan de waargenomen verstoringsdiepte in de boringen en de aanwezigheid van recente bebouwing op een deel van de nieuwbouwlocatie, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in-situ worden verwacht. Geen vervolg.

Onderzoeksmelding 4992430100 (Dijkstraat tussen 9 en 13a, De Boer 2021) de natuurlijke ondergrond bestaat uit grindig zand (rivierafzettingen) waarop een dunne laag dekzand ligt. De natuurlijke afzettingen worden afgedekt door een zwak tot sterk humeuze omgewerkte laag van 50 tot 130 cm dik met fragmenten baksteen en plastic. Vermoedelijk is deze laag in de 20e of 21e eeuw opgebracht en omgewerkt. In de top van boorprofielen 2, 3 en 4 (in het midden van het plangebied) is de oorspronkelijke bodem (laarpodzolgrond) nog deels intact gezien de aanwezigheid van kenmerkende AE, B en BC horizonten. Op deze plaats zijn extra boringen gezet met het doel archeologische resten te karteren die zich manifesteren als een strooiing van vondsten. Bij het karterende booronderzoek zijn echter geen indicatoren aangetroffen die wijzen op een archeologische vindplaats. Het plangebied is naar oordeel van Bureau voor Archeologie voldoende onderzocht. Uit de onderzoeksmeldingen komt naar voren dat in het plangebied fluviatiele afzettingen van de Maas kunnen worden verwacht, die al dan niet zijn bedekt door een dunne laag dekzand. Oorspronkelijk heeft zich een podzolbodem gevormd, die al dan niet intact is en kan zijn afgedekt door een plaggendek. Tot nu toe zijn er geen vindplaatsen aangetroffen.

Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart heeft het noordoostelijke deel van het plangebied een hoge archeologische verwachting en het zuidwestelijke deel een lage archeologische verwachting (Figuur 14).

KSP Archeologie

23

Figuur 14: Het plangebied op de archeologische beleidskaart van de gemeente Bernheze (Buesink e.a. 2010).

2.5

Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden

Het plangebied is onbebouwd en er zijn geen (ondergrondse) bouwhistorische resten binnen het plangebied bekend (paragraaf 2.1). Op basis van het historisch kaartmateriaal (paragraaf 2.3) en de archeologische gegevens (paragraaf 2.4) worden binnen het plangebied bouwhistorische resten verwacht in het uiterste zuidwesten en de zuidoostelijke uitloper van het plangebied. 2.6

Gespecificeerde archeologische verwachting

Op basis van de gegevens uit het bureauonderzoek (paragraaf 2.1 t/m 2.5) is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld (samengevat in Tabel 2). Deze verwachting zal in de onderstaande tekst worden toegelicht.

KSP Archeologie

24

Periode

Verwachting

Verwachte kenmerken vindplaats

Laat-Paleolithicum – Neolithicum

Middelhoog

Bewoningssporen, tijdelijke kampementen, vuursteen artefacten, haardkuilen

Onder het plaggendek vanaf de top van de podzolbodem (vanaf ca. 40-50 cm -mv)

Nederzetting: cultuurlaag, (paal)kuilen, greppels, fragmenten aardewerk, natuursteen, gebruiksvoorwerpen Begravingsresten: kringgreppel, fragmenten aardewerk (urn), verbrande botresten

Onder het plaggendek vanaf de top van de podzolbodem (vanaf ca. 40-50 cm -mv) tot in de C-horizont

Huisplaats: cultuurlaag, (paal)kuilen, greppels, bakstenen, fragmenten aardewerk, gebruiksvoorwerpen

Onder de bovengrond (vanaf ca. 40 cm -mv) tot diep in de C-horizont

Neolithicum – Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw)

Overgrote deel Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw)– Nieuwe tijd Uiterste zuidwestelijke deel en zuidoostelijke uitloper Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw)– Nieuwe tijd

Hoog

Diepteligging sporen

Laag

Hoog

Tabel 2: Specifieke archeologische verwachting per periode voor het plangebied.

Het landschap heeft met name voor de prehistorische mens een belangrijke rol gespeeld in de keuze voor een bewoningslocatie. Het plangebied ligt op een plateau-achtige horst, waarvan de bovengrond bestaat uit (grof) zandige rivierafzettingen, waarin zich een laarpodzolgrond heeft gevormd. Uit het historisch kaartmateriaal, is gebleken dat er een verhoging binnen deze horst aanwezig was. Gezien de ouderdom van de te verwachte afzettingen kunnen in het plangebied vindplaatsen aanwezig zijn vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Jager-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum kozen als woon- en verblijfplaats vaak voor de hoger liggende terreingedeelten in het landschap, bij voorkeur in de buurt van open water zoals een beekdal of vennetje. Water was een belangrijk gegeven, niet alleen voor het lessen van de dorst. Nabij water heerst er ook een grotere biodiversiteit wat de jacht en het verzamelen van plantaardig voedsel vergemakkelijkt. Archeologische vindplaatsen uit deze periode komen dus met name voor op overgangen van nat naar droog (de zogenaamde gradiëntzones).

Aangezien het plangebied op een verhoging binnen een plateau-achtige horst ligt, maar er geen open water aanwezig is in de directe omgeving, is aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum. 1. 2. 3. 4.

5.

6. 7.

Datering: Laat-Paleolithicum - Neolithicum. Complextype: kampement/vuursteenvindplaats. Omvang: een paar vierkantenmeter (klein) tot enkele honderden vierkantenmeters (groot). Diepteligging: het potentiële archeologische niveau ligt onder het plaggendek in de top van de oorspronkelijke (podzol)bodem (vanaf ca. 40-50 cm -mv). Eventuele diepere grondsporen zoals haardkuilen kunnen tot in het dekzand (C-horizont) reiken. Gaafheid en conservering: door het historisch landgebruik als bouwland vanaf minimaal de Late Middeleeuwen is de kans groot dat de oorspronkelijke bodem geheel is opgenomen in het plaggendek. De kans dat een intacte vuursteenvindplaats aanwezig is wordt daarom klein geacht. Wel kan de aanwezigheid van een vuursteenvindplaats worden aangetoond op basis van concentraties van fragmenten vuursteen in het plaggendek en/of in de onderliggende bodem. Locatie: hele plangebied. Uiterlijke kenmerken: Vuursteenvindplaatsen worden gekenmerkt door een vuursteenspreiding (artefacten, afslagen e.d.) en eventueel sporen in de vorm van ondiepe haardkuilen.

KSP Archeologie

25

8.

Mogelijke verstoringen: vuursteenvindplaatsen zijn kwetsbaar voor bodemingrepen omdat ze zich in de top van de oorspronkelijke (podzol)bodem bevinden. Door landbewerking kan het archeologische vondstenniveau geheel zijn opgenomen in het plaggendek. Daarnaast is door zandwinning en de bouw van stallen met mestkelders het archeologische niveau in het plangebied tot grote diepte verstoord.

Vanaf het Neolithicum ontstaan in onze streken de eerste landbouwculturen die gekenmerkt worden door sedentaire nederzettingen. In de beginperiode combineert men akkerbouw met het jagen en verzamelen, maar geleidelijk stapt men over naar akkerbouw en veeteelt. In de periode vanaf het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) heeft men een voorkeur voor hoger en droger gelegen gebieden, die geschikt waren voor akkerbouw. Aangezien het plangebied op een verhoging binnen een plateau-achtige horst ligt, is aan het plangebied een hoge verwachting toegekend voor vindplaatsen uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). 1. 2. 3.

4.

5.

6. 7.

8.

Datering: Neolithicum – Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Complextype: vindplaatsen vanaf het Neolithicum bestaan uit nederzettingssporen en/of sporen van begravingen. Omvang: nederzettingsterreinen of grafvelden/begravingen variëren in grootte van enkele honderden tot duizenden vierkante meters en kunnen zich soms over meerdere hectaren uitstrekken. Diepteligging: het potentiële archeologische niveau ligt onder het plaggendek in de top van de oorspronkelijke (podzol)bodem (vanaf ca. 40-50 cm -mv). De (diepere) grondsporen reiken tot in het dekzand (C-horizont). Gaafheid en conservering: het archeologische sporenniveau in de top van de C-horizont zal naar verwachting oorspronkelijk goed zijn beschermd door het plaggendek dat vanaf de Late Middeleeuwen is opgebracht. Wel zal (een deel van) het vondstniveau in de onderzijde van het plaggendek zijn opgenomen. Door de zandwinning en de stallen met mestkelders zal het archeologische niveau in het plangebied tot grote diepte zijn verstoord. Locatie: hele plangebied. Uiterlijke kenmerken: De nederzettingen worden gekenmerkt door permanente woningen die vaak diep in de grond gefundeerd waren. Waterputten werden gegraven voor de watervoorziening terwijl in en nabij de nederzetting afvalkuilen werden gegraven om afval te begraven. Naast nederzettingsresten kunnen ook begravingen voorkomen.

Restanten hiervan kunnen bestaan uit kringgreppels, fragmenten aardewerk (urnen), crematieresten, inhumaties e.d. De sporen kunnen diep in de bodem reiken. Vondstmateriaal van de nederzetting kan door landbewerking in het bovenliggende plaggendek terecht zijn gekomen. Mogelijke verstoringen: de kans dat het archeologische sporenniveau in de top van de Chorizont is verstoord, wordt groot geacht. De verzamelde gegevens in het bureauonderzoek geven gaanwijzingen voor diepe (recente) bodemverstoringen in het plangebied.

Vanaf de Late Middeleeuwen verandert het bewoningspatroon. Bewoning concentreert zich in dorpen, steden en bewoningsclusters. Rondom deze dorpen ligt het landbouwareaal dat instaat voor de voedselvoorziening van de inwoners. In deze periode is de landschappelijke ligging van het gebied niet meer doorslaggevend voor de locatiekeuze. Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat de zuidoostelijke uitloper van het plangebied binnen de historische dorpskern van Nistelrode ligt. Tevens is op het minuutplan (Figuur 7) te zien dat in het uiterste zuidwesten van het plangebied al vanaf het begin van de 19e eeuw bebouwing heeft gestaan. Binnen het grootste deel van het plangebied wordt geen historische bebouwing verwacht. Op basis hiervan is aan het grootste deel van het plangebied een lage verwachting toegekend voor bewoning in de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot in de Nieuwe tijd. Alleen voor het uiterste zuidwesten en de zuidoostelijke uitloper van het plangebied is een hoge verwachting voor deze perioden toegekend.

KSP Archeologie

26

1.

2. 3. 4. 5.

6. 7.

8.

2.7

Datering: Huisplaats in het uiterste zuidwestelijke deel dateert vermoedelijk uit de Nieuwe tijd (18e – 19e eeuw). Daarnaast kunnen binnen de zuidoostelijke uitloper nog resten van huisplaatsen en bijbehorende sporen worden verwacht die eventueel kunnen teruggaan tot in de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw). Complextype: Nederzetting (huisplaats). Omvang: de huisplaats (uiterste zuidwestelijke deel van het plangebied) heeft op basis van historisch kaartmateriaal een oppervlakte van ca. 200 m2. Diepteligging: het leesbare sporenniveau wordt onder de bovengrond verwacht (vanaf ca. 40 cm -mv) tot diep in de bodem. Gaafheid en conservering: omdat de archeologische resten voor de huisplaats naar verwachting uit bouwmateriaal bestaan (baksteen) en relatief jong zijn, kan de gaafheid en conservering goed zijn mits de funderingen niet zijn verwijderd. Locatie: in het uiterste zuidwestelijke deel van het plangebied aan de Weverstraat. Uiterlijke kenmerken: ter plaatse van de huisplaats kunnen muurresten (baksteen), afvalkuilen, paalkuilen en mogelijk ophogingslagen aanwezig zijn. Daarnaast kan vondstmateriaal aanwezig zijn in de vorm van fragmenten aardewerk, fragmenten metaal, gebruiksvoorwerpen e.d. Mogelijke verstoringen: de huisplaats kan zijn aangetast/verdwenen door sloopwerkzaamheden en mogelijk door zandwinning. Conclusie en advies

Op de gemeentelijke, archeologische beleidskaart is aan het noordoostelijke deel van het plangebied een hoge archeologische verwachting en het zuidwestelijke deel een lage archeologische verwachting toegekend (Figuur 14). Naar aanleiding van de resultaten van het bureauonderzoek is deze verwachting nader gespecificeerd per periode/bijgesteld. Op basis van de landschappelijke ligging op een verhoging binnen een plateau-achtige horst en de archeologische onderzoeksmeldingen uit de omgeving is aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum en een hoge voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Voor de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd is op basis van de historische ontwikkeling voor het grootste deel van het plangebied een lage verwachting en aan het uiterste zuidwestelijke deel en de zuidoostelijke uitloper een hoge verwachting toegekend. Het advies is om de verwachting te toetsen door middel van een Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase. Met dit onderzoek wordt de bodemopbouw in kaart gebracht en wordt de intactheid van de bodem en het potentiële archeologische niveau vastgesteld.

KSP Archeologie

27

3

Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase

3.1

Werkwijze

Voor het verkennend booronderzoek is uitgegaan van een boordichtheid van 6 boringen per hectare. Aangezien het plangebied een oppervlakte heeft van 12.674 m2 zijn er 7 boringen gezet (Bijlage 4). Vanwege de onregelmatig vorm van het plangebied zijn de boringen zo gelijkmatig mogelijk over het plangebied verdeeld, waarbij rekening is gehouden met de nieuw te bebouwen locaties. De exacte boorlocaties zijn uitgezet met een handheld GPS toestel. De hoogteligging van de boringen ten opzichte van NAP is bepaald aan de hand van het AHN4. De boringen zijn geplaatst met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. De boringen zijn uitgevoerd tot minimaal 20 cm in de C-horizont en bij bodemverstoringen doorgezet tot maximaal 2,0 m beneden maaiveld. Het opgeboorde sediment is met de hand verbrokkeld en versneden en met het blote oog geïnspecteerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals houtskool, vuursteen en aardewerk. De boringen zijn beschreven conform de NEN 5104 en de bodemclassificatie volgens De Bakker & Schelling (1989) (Bijlage 5). 3.2

Veldsituatie

Het westelijke deel van het plangebied is in gebruik als grasland (Figuur 15) en ligt wat hoger dan de percelen ten noorden van de Weverstraat. Dit perceel loopt in noordoostelijke richting gaand licht op. Het oostelijke deel van het plangebied loopt gezien vanaf de Dijkstraat licht op richting de Weverstraat en is een voormalige maïsakker die is begroeid met gras (Figuur 15). Aan het oppervlak lag realtief veel puin en baksteen. De aangrenzende percelen in het noordoosten van het plangebied worden gekenmerkt door een steilrand (Figuur 16) en liggen een 60-80 cm hoger, wat een aanwijzing is dat het oostelijke deel van het plangebied is afgegraven (zie paragraaf 2.2 en 2.4).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=e99582f1-90ff-4f2b-abd9-a7161225262c