CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Weijen-West Fase 1 Nistelrode - Toelichting

Raadsvergadering 23 mei 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Weijen-West Fase 1 Nistelrode19.782 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.1.3

Soortenbescherming

Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient vooraf een beoordeling plaats te vinden. Met de beoogde herontwikkeling wordt geen bebouwing gesloopt en gaan geen landschapselementen verloren. Ter plaatse van het plangebied is enkel sprake van agrarisch onbebouwde grond, alwaar regelmatig wordt gemaaid of zelfs geploegd. Verwacht wordt dat enkele algemeen voorkomende beschermde zoogdiersoorten zoals de mol, konijnen, egel en een aantal algemene muissoorten voor kunnen komen binnen het plangebied. Gedurende de werkzaamheden moet rekening gehouden worden met broedende vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot half juli. Echter voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd in het kader van de Wet natuurbescherming. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Verstoring van broedgevallen dient te worden voorkomen. Werkzaamheden dienen dan ook plaats te vinden buiten het broedseizoen. Bij de groenvoorzieningen in de beoogde situatie wordt bij voorkeur inheems groen gehandhaafd dan wel aangeplant.

Aangeraden wordt tevens om verlichting naar de groenstroken zo veel mogelijk te beperken of vleermuisvriendelijke verlichting aan te brengen, daar deze groenstroken wel aantrekkelijk kunnen zijn als foerageergebied dan wel aanvliegroute van vleermuizen.

4.2

Cultuurhistorie

Als gevolg van de Wet Modernisering Monumentenzorg dient binnen een ruimtelijk plan aandacht aan cultuurhistorie te worden besteed. Cultuurhistorie dient gebiedsgericht benaderd te worden, waarbij

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

27

Bestemmingsplan ‘Weijen-West fase 1 Nistelrode’ - Toelichting

niet te veel focus op losse elementen ligt, maar meer op samenhang en context. Het karakter van een gebied of structuur is hierbij een uitgangspunt. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) Noord-Brabant zijn de belangrijkste cultuurhistorische kenmerken opgenomen: waardevolle structuren, patronen en objecten. Navolgend is een uitsnede weergegeven van de CHW, waarop het plangebied is omcirkeld.

Figuur 12: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant

Deze kaart is door de gemeente Bernheze nader gespecificeerd voor de gemeente. De cultuurhistorische identiteit van Bernheze wordt vooral bepaald door het voorkomen van de in zuidoost-noordwest stromende beekdalen, de Aa, de Leijgraaf en de Groote Wetering. Hiertussen bevinden zich oude cultuurgronden (akkers, landgoederen, oude bossen), evenals jonge heideontginningen (met grasland en bouwland). Navolgende figuur geeft een uitsnede weer uit de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Bernheze, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid in de zwarte cirkel.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

28

Bestemmingsplan ‘Weijen-West fase 1 Nistelrode’ - Toelichting

Figuur 13: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart waarop de ligging van het plangebied is aangeduid

Het plangebied kent geen cultuurhistorische waarden. Ook is het plangebied niet gelegen aan een historische geografische lijn. Met de beoogde herontwikkeling worden geen gebouwen gesloopt en gaan ook geen landschapselementen verloren. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling gaan dan ook geen cultuurhistorische waarden verloren.

4.3

Archeologie

4.3.1

Inleiding

In de Erfgoedwet is onder meer opgenomen dat er bij bouwwerkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 100 m² op locaties die zijn gelegen in een gebied dat is aangeduid met middelhoge- of hoge archeologische verwachtingswaarden, archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voorkomen moet worden dat archeologische waarden verloren gaan. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij realisatie van bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard.

4.3.2

Gemeentelijk archeologiebeleid

De gemeente Bernheze heeft in navolging van het Rijksbeleid een eigen gemeentelijk archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid bestaat uit de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Bernheze’ en de ‘Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart Gemeente Bernheze’. Op basis van deze documenten is de gemeente Bernheze in staat om op verantwoorde wijze een archeologiebeleid te implementeren. Met dit beleid wordt een juiste balans gevonden tussen een goede omgang met het archeologisch erfgoed en andere maatschappelijke belangen die bij planontwikkelingen moeten worden gewogen. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de ‘Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart Gemeente Bernheze’ waarop het plangebied is aangeduid in de rode cirkel. VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

29

Bestemmingsplan ‘Weijen-West fase 1 Nistelrode’ - Toelichting

Figuur 14: Uitsnede gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Het plangebied valt op grond hiervan grotendeels binnen categorie 4: ‘Gebieden met een hoge archeologische verwachting’ en de westelijke strook categorie 6: ‘Gebieden met een lage archeologische waarden’. In de gebieden binnen categorie 4 geldt een onderzoeksplicht naar archeologische waarden bij bodemverstoring bij een oppervlakte van meer dan 250 m² en een verstoringsdiepte van meer dan 40 centimeter beneden maaiveld. Binnen categorie 6 geldt geen onderzoeksplicht. Ter plaatse worden geen archeologische resten verwacht. In het verleden was ter plaatse sprake van een veehouderijbedrijf. Ter plaatse zijn de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen gesloopt. Destijds is geen archeologisch onderzoek uitgevoerd. De verwachtingswaarden zijn daarmee dan ook niet gewijzigd als gevolg van de wijzigingsprocedure aan Dijkstraat 8 en Weverstraat 9. Ter plaatse van het plangebied is dan ook een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (booronderzoek), verkennende en karterende fase uitgevoerd. Navolgend selectieadvies volgt uit het uitgevoerde verkennend onderzoek: “Op grond van de aangetroffen bodemverstoringen in het plangebied en daarmee lage archeologische verwachting adviseert KSP Archeologie om de archeologische dubbelbestemming te laten vervallen en geen archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies.

Dit selectieadvies betekent nog niet dat reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen namelijk eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Bernheze), die vervolgens een selectiebesluit neemt. Het Monumentenhuis Brabant vervolgonderzoek uit te voeren.

(04-04-2023)

heeft

ingestemd

met

het

advies

om

geen

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

30

Bestemmingsplan ‘Weijen-West fase 1 Nistelrode’ - Toelichting

Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen. Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kan echter, op basis van de onderzoeksresultaten, de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden niet met zekerheid gegarandeerd worden. Indien bij graafwerkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen, dienen deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10, bij de minister gemeld te worden. In de praktijk kan de vinder terecht bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (T 033 – 4217 456 of info@cultureelerfgoed.nl) zodat de vondst geregistreerd wordt in het centraal archeologische informatiesysteem. Daarnaast wordt het advies gegeven om de vondst ook bij de gemeente te melden.” Het uitgevoerde bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (KSP Archeologie, projectnummer 23020, d.d. 6 april 2023) is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. De dubbelbestemming voor archeologische verwachtingswaarde is als gevolg hiervan dan ook komen te vervallen.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

31

Bestemmingsplan ‘Weijen-West fase 1 Nistelrode’ - Toelichting

5.

MILIEUASPECTEN

5.1

Bodemkwaliteit

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient te zijn aangetoond dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie. Het belangrijkste uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreinigingen geen onaanvaardbare risico’s opleveren voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Ter plaatse van het plangebied is ten tijde van de bouwaanvraag van agrarische bedrijfsgebouwen reeds bodemonderzoek uitgevoerd. Later is, in 2009, tevens bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse. Ten behoeve van dit bestemmingsplan zijn de onderzoeken door Archimil B.V. geactualiseerd. Navolgende conclusies en aanbevelingen komen voort uit het uitgevoerde actualiserend bodemonderzoek: “Ter plaatse van de voormalige varkensstallen (globaal ter terrein tussen de Weverstraat en de Dijkstraat) zijn plaatselijk sporen tot zwakke bijmengingen met puin waargenomen. Deze bijmengingen zijn bij voorgaand onderzoek, voor de sloop van de bebouwing, niet waargenomen. Derhalve kunnen de bijmengingen worden toegeschreven aan de sloop van de bebouwing. Aangezien de stallen niet voorzien waren van asbesthoudende materialen kunnen deze bijmengingen als onverdacht voor asbest worden beschouwd en wordt een onderzoek naar asbest conform NEN 5707 niet noodzakelijk geacht. Indien gewenst kan, ter verificatie, een verkennend onderzoek naar asbest worden uitgevoerd.

Zowel de zintuiglijk puinvrije als de puinhoudende mengmonsters zijn niet verontreinigd met één van de componenten uit het standaardpakket. In één van de monsters is een gehalte aangetoond juist boven de detectielimiet doch onder de achtergrondwaarden. Derhalve is de eerder aangetoonde plaatselijke verhoging niet bevestigd. De resultaten komen overeen met de verwachtingen en de resultaten van voorgaand onderzoek (RMB, 2009).” De rapportage (Archimil BV, rapport C230015.006/PHE, d.d. 31 maart 2023) is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Aanvullend onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

5.2

Water

5.2.1

Inleiding

Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt mogelijke negatieve invloeden van het initiatief inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas. De gemeente is verantwoordelijk voor de inzameling en het transport van afvalwater dat afkomstig is van huizen en bedrijven. Huiseigenaren zijn zelf verantwoordelijk voor de aansluiting op het riool. Vanaf dit aansluitpunt neemt

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

32

Bestemmingsplan ‘Weijen-West fase 1 Nistelrode’ - Toelichting

de gemeente de verantwoordelijkheid over. De gemeente is ook verantwoordelijk voor de zorg voor het overtollige regenwater en grondwater.

5.2.2 5.2.2.1

Beleidskader Principes Waterschap Aa en Maas

Het Waterschap Aa en Maas hanteert navolgende principes: - gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; - doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’; - hydrologisch neutraal bouwen; - water als kans; - meervoudig ruimtegebruik; - voorkomen van vervuiling; - wateroverlastvrij bestemmen; - waterschapsbelangen.

5.2.2.2

Waterbeheerplan 2022-2027

Op 19 november 2021 is het waterbeheerplan van Waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd.

In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: - schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; - de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; - de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; - de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

33

Bestemmingsplan ‘Weijen-West fase 1 Nistelrode’ - Toelichting

5.2.2.3

Keur

De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Het plangebied is niet gelegen binnen een keurbeschermingsgebied of attentiegebied.

5.2.2.4

Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen

De drie Brabantse waterschappen hanteren dezelfde uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², toename van een verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m². Op basis van de Keur en deze beleidsregel wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd.

Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat.

5.2.2.5

Gemeentelijk waterbeleid

In verband met voorkomende wateroverlast binnen de gemeente Bernheze wordt door de gemeente Bernheze eveneens een compensatie verlangd voor het bergen van hemelwater bij een nieuw verhard oppervlak met een omvang van minder dan 500 m². De bergingsbehoefte wordt daarbij op basis van de Verordening Fysieke Leefomgeving bepaald op basis van 60 mm per m² toevoeging verharding, waarbij 20 mm/m² waterberging vereist is op eigen terrein.

5.2.3 5.2.3.1

Waterparagraaf Geohydrologische situatie en klimaatadaptatie

De grond ter plaatse van het plangebied bestaat uit laarpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (cHn21). Het plangebied is, door de ligging in de nabijheid van de Peelrandbreuk, gelegen op wijstgronden. De breuklijn blokkeert het vrij doorstromen van grondwater vanwege de verspringende aardlagen, verdichting, versmering en ijzerafzetting. Hierdoor kan kwel ontstaan; het grondwater kan daardoor worden opgestuwd tot aan het maaiveld.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

34

Bestemmingsplan ‘Weijen-West fase 1 Nistelrode’ - Toelichting

Ter plaatse vindt geen grondwateronttrekking plaats. Er is ook geen sprake van wateroverlast bij extreme buien. Navolgend is een uitsnede weergegeven van de klimaatatlas, waarop de waterdiepte (blauw) bij extreme regenbuien (70 mm) is weergegeven, inclusief kwetsbare objecten (oranje).

Figuur 15: Uitsnede klimaatatlas

Hieruit blijkt dat het plangebied na het einde van een extreme regenbui op maaiveld weer is genormaliseerd en dat het hemelwater dan ook goed is geïnfiltreerd. Navolgend is tevens een uitsnede weergegeven van de hittekaart met gevoelstemperatuur op een warme dag waarbij er geen wind is.

Figuur 16: Uitsnede hittekaart met gevoelstemperatuur

Hieruit blijkt dat het plangebied nauwelijks gevoelig is voor hittestress.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

35

Bestemmingsplan ‘Weijen-West fase 1 Nistelrode’ - Toelichting

5.2.3.2

Hydrologisch neutraal bouwen

Ter plaatse van het plangebied worden 27 woningen gerealiseerd, met daarbij behorende bijgebouwen en erfverhardingen. Ook wordt een nieuwe toegangsweg gerealiseerd welke aansluit op de Dijkstraat. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt dan ook een nieuw verhard oppervlak verwacht van in totaal grofweg 4.500 m², bestaande uit circa 2.500 m² aan verharding in de vorm van ontsluiting en parkeren in de openbare ruimte en circa 2.000 m² aan dakoppervlak inclusief bijgebouwen. Ten behoeve van het dakoppervlak dient dan ook te worden voorzien in een hemelwaterberging van circa 120 m³. Ten behoeve van de verharding in de openbare ruimte dient te worden voorzien in een hemelwaterberging van circa 150 m³. Deze hoeveelheid te bergen hemelwater wordt verdeeld in infiltratievoorzieningen per wooneenheid, in combinatie met wadi’s binnen de groenvoorzieningen in de openbare ruimte. Voor vrijstaande woningen wordt verwacht dat 50% van het perceel wordt verhard. Bij tweekappers is dat 60%. Voor de overige woningbouwtypen wordt daar een percentage van 100% aangehouden. Gewerkt kan worden met infiltratiekratten welke aansluiten op de dakgoten en regenpijpen van de beoogde woningen. Infiltratievoorzieningen dienen te allen tijde te worden gesitueerd boven de GHG en 20 mm/m² dient te worden geborgd op eigen terrein, met een eventuele overstort op de erfgrens.

Rekening dient ook te worden gehouden met de bouw/dorpelhoogtes (minimaal 25-30 centimeter hoger dan bestaand wegpeil/trottoirs). Groene daken dragen tevens bij aan hemelwaterberging, hoewel berekeningen daarvan vooralsnog onbekend zijn. Een groen dak telt niet mee als verhard oppervlak. Hierdoor hoeft voor het aantal m² aan groen dak niet aan de bergingseis van 60 mm te worden voldaan. Bij de bouwaanvraag van de woningen worden tekeningen en berekeningen aangeleverd voor wat betreft hemelwaterberging. Daaruit dient te blijken hoe veel verharding wordt gerealiseerd, hoe veel er gecompenseerd moet worden en hoe daarin wordt voorzien. In de openbare ruimte wordt voorzien in wadi’s binnen de groenbestemming; één aan de Weverstraat over de lengte van de groenbestemming, één in het oosten van het plangebied en één in het midden van het plangebied. De wadi’s zullen met bovengrondse gootjes en slootjes met elkaar worden verbonden. Ook vanuit de woningen kan hierop worden aangesloten. Op navolgende figuur is schematisch met de blauwe pijlen de situering van de drie wadi’s aangeduid.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

36

Bestemmingsplan ‘Weijen-West fase 1 Nistelrode’ - Toelichting

Figuur 17: Situering wadi’s binnen plangebied, indicatief aangeduid met blauwe pijlen

Op deze manier wordt zo veel als mogelijk gewerkt met bovengrondse voorzieningen om geen lagen te doorbreken en om kwel te voorkomen.

5.2.3.3

Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater

Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt etcetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. In de nieuwe situatie wordt alleen het huishoudelijk afvalwater geloosd op de riolering. Het schoon hemelwater wordt afgekoppeld en wordt overwegend geïnfiltreerd in de bodem. Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.

5.2.3.4

Huishoudelijk afvalwater

Slechts het huishoudelijk afvalwater mag worden geloosd op de riolering. Aangesloten zal worden op de bestaande riolering.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

37

Bestemmingsplan ‘Weijen-West fase 1 Nistelrode’ - Toelichting

5.3

Geluid

5.3.1

Wegverkeerslawaai

Bij de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke woonfuncties is het noodzakelijk inzicht te verkrijgen in de mogelijke geluidshinder in het kader van de Wet geluidhinder. Langs alle wegen, woonerven en wegen met een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur daargelaten, zijn geluidzones aanwezig waarbinnen de geluidhinder getoetst dient te worden. Ten behoeve van de beoogde woningen binnen het plangebied is derhalve een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Navolgende conclusies en aanbevelingen komen hieruit voort: “Wet geluidhinder Uit de toets in het kader van de Wet geluidhinder kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) of het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) om de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet overwegende bezwaren van financiële aard. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Cumulatie Wet geluidhinder Ter bepaling van de gecumuleerde waarde dient de totale geluidbelasting (exclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder) te worden berekend van alle zoneplichtige (spoor)wegen, industrie en luchtvaart met een geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde. In het onderhavige geval betreft dit enkel de Heescheweg. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatie bepaald inclusief alle gemodelleerde geluidbronnen. Ter bepaling van de milieukwaliteit in de omgeving is deze gecumuleerde waarde getoetst aan de ‘methode Miedema’. De maximale gecumuleerde waarde, welke voornamelijk wordt bepaald door de Weverstraat en Heescheweg, bedraagt 58 dB, waarmee gesteld kan worden dat er sprake is van de kwalificatie ‘redelijk/matig’ en daarmee van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij toepassing van standaard bouwmaterialen is een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. Tevens beschikt het bouwplan over een geluidluwe gevel/buitenruimte.

Daarmee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

38

Bestemmingsplan ‘Weijen-West fase 1 Nistelrode’ - Toelichting

Karakteristieke geluidwering van de gevel

Aangezien de cumulatieve geluidbelasting hoger is dan 53 dB dient er formeel een nader onderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de geluidwering van de gevel. Het is echter aannemelijk dat een gevel van een nieuwbouwwoning een grotere geluidwering heeft dan de minimale 20 dB uit het Bouwbesluit. Derhalve is een nader onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevel niet aan de orde. Bij toepassing van standaard bouwmaterialen is een binnenniveau van 33 dB en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd.” De rapportage (Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V., rapportnummer M23009.002/JME, d.d. 17 februari 2023) is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Met een goot- en nokhoogte van respectievelijk 3 en 9 meter kan worden verondersteld dat op de eerste verdieping geen verblijfsruimten worden gerealiseerd. Een ontheffing hogere grenswaarde zoals gesteld in het akoestisch onderzoek, is dan ook niet aan de orde. Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van 33 dB te garanderen, is in de regels van dit bestemmingsplan wel een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het toepassen van de benodigde karakteristieke geluidwering.

5.3.2

Industrielawaai en spoorweglawaai

Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. In de omgeving van het plangebied is geen sprake van industrie- of spoorweglawaai. Een nader akoestisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

5.4

Geur

5.4.1

Inleiding

In het kader van een goede ruimtelijke ordening bestaat de toets in het kader van geur uit twee aspecten. Ten eerste dient te worden aangetoond dat binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ten tweede dient te worden aangetoond dat veehouderijbedrijven door de ontwikkeling niet onevenredig in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad. De Wet geurhinder en veehouderij vormt het toetsingskader voor vergunningverlening bij een agrarisch bedrijf als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

39

Bestemmingsplan ‘Weijen-West fase 1 Nistelrode’ - Toelichting

onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object, bijvoorbeeld een woning. Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij hiermee consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten. Een geurnorm beoogt namelijk mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder. Omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichtzelf blootstellen aan die overmatige hinder, bijvoorbeeld door zich in de directe nabijheid van een veehouderij te vestigen.

5.4.2

Gemeentelijke geurverordening

Ter uitwerking van de eerder vastgestelde gemeentelijke geurverordening heeft de gemeenteraad op 1 november 2021 de ‘Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) Bernheze 2021’ vastgesteld. Het gemeentelijk beleid heeft betrekking op het beschermen van burgers tegen geurhinder, daarbij veehouderijen niet onnodig beperken en het mogelijk maken van gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. In de beleidsregel is opgenomen dat als de achtergrondbelasting geclassificeerd kan worden als ‘voldoende’ er dan vanuit het deelaspect ‘cumulatieve geurhinder uit stallen van veehouderijen’ geen belemmeringen zijn om mee te werken aan een ruimtelijk initiatief. Bij vergunningverlening bij agrarische bedrijven geldt voor de voorgrondbelasting een geurnorm van 3 ouE/m³ voor bestaande woongebieden. De gemeenteraad heeft een geurnorm van 8 ouE/m³ vastgesteld voor bestaande bedrijventerreinen in de bebouwde kom, extensiveringsgebieden rondom kernen, extensiveringsgebieden natuur en woonwerkontwikkelingsgebieden. Voor overige gebieden geldt een geurnorm van 10 ouE/m³. Voor bebouwingsconcentraties in verwevingsgebieden is opgenomen dat artikel 4 van toepassing is verklaard.

In dit artikel is een vaste afstand opgenomen die in acht moet worden genomen van 50 meter binnen de bebouwde kom respectievelijk 25 meter buiten de bebouwde kom voor veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld. De genoemde gebieden zijn ook weergegeven op de kaart behorende bij de gemeentelijke geurverordening. Navolgend is een uitsnede weergegeven van deze kaart, waarop het plangebied is aangeduid in de zwarte cirkel.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

40

Bestemmingsplan ‘Weijen-West fase 1 Nistelrode’ - Toelichting

Figuur 18: Uitsnede gemeentelijke geurnomenkaart

Voor het plangebied geldt derhalve een norm van 8 ouE/m³ in het kader van vergunningverlening voor agrarische bedrijven.

5.4.3

Veehouderijen in de omgeving

In de omgeving van het plangebied is een aantal veehouderijbedrijven gevestigd. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de veehouderijbedrijvenkaart, waarop het plangebied is aangeduid in de zwarte cirkel. De rode stippen op de kaart betreffen voormalige veehouderijen en worden verderop dan ook niet nader tegen het licht gehouden. Ter plaatse van het plangebied is ook sprake van een voormalige veehouderij.

Doolhof 25

Donzel 59

Donzel 31

Figuur 19: Uitsnede veehouderijbedrijvenkaart

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

41

Bestemmingsplan ‘Weijen-West fase 1 Nistelrode’ - Toelichting

Op deze veehouderijen zijn navolgende vergunningen vigerend: - Donzel 31 betreft een konijnenhouderij met 800 voedsters op de vergunning en tevens 4 volwassen pony’s. Vanuit deze veehouderij is geen sprake van geuremissie of fijnstofemissie. Vanuit dit betreft dient een afstand te worden aangehouden van ten minste 50 meter tot een gevoelig object. Met werkelijke een afstand van circa 175 meter tot het plangebied wordt hieraan ruim voldaan. - Donzel 59 betreft een melkveebedrijf met 62 melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar en 75 stuks jongvee ouder dan 2 jaar op de vergunning. Vanuit deze veehouderij is geen sprake van een geuremissie met een vastgestelde geuremissiefactor. Wel is sprake van een fijnstofemissie van 10.166 gram per jaar. Vanuit dit betreft dient een afstand te worden aangehouden van ten minste 50 meter tot een gevoelig object. Met werkelijke een afstand van circa 200 meter tot het plangebied wordt hieraan ruim voldaan. - Doolhof 25 betreft een paardenhouderij met 25 volwassen paarden en 5 paarden in opfok op de vergunning. Geen sprake is van een geuremissie met een vastgestelde geuremissiefactor of van fijnstofemissie vanuit deze veehouderij. Vanuit dit betreft dient een afstand te worden aangehouden van ten minste 50 meter tot een gevoelig object. Met werkelijke een afstand van ruim 200 meter tot het plangebied wordt hieraan ruim voldaan.

5.4.4

Woon- en leefklimaat

Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtst bij het geurgevoelige object is gelegen. Daar in de omgeving geen veehouderijen zijn gevestigd met een bij ministeriële regeling vastgestelde geuremissiefactor, kan worden gesteld dat de voorgrondbelasting verwaarloosbaar zal zijn. Gesteld kan dan ook worden dat ter plaatse van het plangebied altijd de achtergrondbelasting bepalend zal zijn voor het woon- en leefklimaat. De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een kaart met de indicatieve achtergrondbelasting (peildatum maart 2022) gepubliceerd. Een uitsnede van deze kaart is navolgend opgenomen, waarbij het plangebied met een zwarte cirkel is aangeduid.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

42

Bestemmingsplan ‘Weijen-West fase 1 Nistelrode’ - Toelichting

Figuur 20: Achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied en de omgeving

Ter plaatse van het plangebied is sprake van een indicatieve achtergrondbelasting van 3-7 oue/m³. Op grond hiervan kan worden gesteld dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Conform de gemeentelijke verordening voor de fysieke leefomgeving kan worden gesteld dat er voor wat betreft het aspect geur geen belemmeringen zijn voor de beoogde woningbouw ter plaatse.

5.4.5

Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven

Herontwikkeling van het plangebied mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen niet belemmeren. Tussen omliggende veehouderijen en het plangebied is reeds een groot aantal geurgevoelige objecten gelegen. Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom van Nistelrode, waarmee de beoogde woningen ook niet dichter tot veehouderijen worden gesitueerd dan reeds bestaande woningen. Deze veehouderijen worden door de beoogde herontwikkeling dan ook niet meer in de ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd dan in de huidige situatie reeds het geval is.

5.5

Gezondheid

5.5.1

Endotoxinen

De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM10) in Nederland. Dit fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

43

Bestemmingsplan ‘Weijen-West fase 1 Nistelrode’ - Toelichting

EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. De enige veehouderij in de omgeving van waaruit sprake is van fijnstofemissie betreft de melkveehouderij aan Donzel 59. Vanuit deze veehouderij is sprake van een fijnstofemissie van 10.166 gram per jaar. Deze emissie is in het kader van endotoxinen verwaarloosbaar. Het plangebied is niet gelegen binnen een endotoxinecontour van veehouderijen. Het aspect endotoxinen vormt geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling.

5.5.2

Geitenhouderijen

Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans dan gemiddeld hebben op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot twee kilometer is er sprake van een vergroot risico. Binnen een straal van 2 kilometer vanuit het plangebied zijn geen geitenbedrijven gevestigd. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling.

5.5.3

Stappenplan bij realisatie van nieuwe woningen

In de Handreiking veehouderij en volksgezondheid is tevens een stappenplan opgenomen waaraan getoetst dient te worden bij de wijziging van een bestemmingsplan voor realisatie van (een) nieuwe woning(en) in de buurt van een of meerdere veehouderijen. Navolgend wordt getoetst aan het stappenplan. Hierin wordt nagegaan of er aandachtspunten worden gevonden in het kader van gezondheid en of advies ingewonnen dient te worden bij de GGD. Stap 1 In stap 1 wordt alle informatie verzameld over de mogelijke risico’s van omliggende veehouderijen voor de gezondheid van toekomstige bewoners van de geplande woningen. In de paragrafen 5.4 en 5.5.1 zijn alle veehouderijen in de omgeving getoetst aan het aspect endotoxine. Het plangebied is niet gelegen binnen een endotoxinecontour. Ook is op basis van geurhinder sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Geen risico’s worden verwacht van omliggende veehouderijen.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

44

Bestemmingsplan ‘Weijen-West fase 1 Nistelrode’ - Toelichting

Stap 2 In stap 2 wordt in kaart gebracht wat de planologische ruimte en de milieuruimte is in het plangebied. Onderzocht dient ook te worden welke percelen in en bij het plangebied de bestemming ‘bedrijf’ of ‘agrarisch’ hebben en of mogelijkheden bestaan voor uitbreiding. Ter plaatse van het plangebied was juist in het verleden sprake van een agrarisch bedrijf. Deze is reeds gesaneerd, waardoor in de huidige situatie ruimte wordt geboden voor de beoogde woningbouwontwikkeling. In de omgeving van het plangebied is ook geen uitbreiding van bedrijven voorzien waarmee rekening gehouden dient te worden. Stap 3 In stap 3 wordt beoordeeld of gezondheidsrisico’s voor de toekomstige bewoners te verwachten zijn. Er zijn grofweg twee uitkomsten mogelijk (zie stap 4a en 4b): Stap 4a Zijn er wel gezondheidsrisico’s te verwachten voor de bewoners, dan moet een nadere afweging gemaakt worden van de risico's en mogelijke oplossingen (stap 5). Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van een geitenhouderij, is niet gelegen binnen een endotoxinecontour en ook op basis van het aspect ‘geur’ kan worden gesteld dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Derhalve kan worden gesteld dat geen gezondheidsrisico’s te verwachten zijn. In dit geval zou stap 5 niet van toepassing zijn.

Stap 4b Als er geen gezondheidsrisico’s te verwachten zijn, is sprake van een goed woon- en leefklimaat bij de toekomstige woningen wat betreft risico’s voor de gezondheid. Stap 7 is dan ook van toepassing. Stap 5 Als er wel gezondheidsrisico’s te verwachten zijn voor de toekomstige bewoners, dan dient onderzocht te worden wat mogelijke oplossing zijn via het ruimtelijk spoor. Het plangebied is niet gelegen binnen een contour van 2 kilometer vanuit een geitenbedrijf (stap 5a). Het plangebied is ook niet gelegen binnen de contour van 500 meter vanuit een pluimveebedrijf (stap 5b). Het plangebied is wel gelegen binnen een straal van 250 meter vanuit een konijnenhouderij, een melkveehouderij en een paardenhoduerij (stap 5c). Hieruit kan niet zonder meer worden verondersteld dat dit aspect geen belemmering vormt voor de beoogde woningbouw op deze afstand. Stap 6 In stap 6 wordt beoordeeld of veehouders niet onevenredig in de belangen worden geschaad. Dat is in onderhavige situatie niet het geval. Dit aspect is nog nader toegelicht in paragraaf 5.4.5. Stap 7 In stap 7 wordt een positief dan wel negatief besluit genomen door het bevoegd gezag. Hoewel wordt verwacht dat de omliggende bedrijven geen negatief effect hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied, wordt door de gemeente Bernheze een advies ingewonnen bij de GGD.

Conclusies en aanbevelingen welke hieruit voortkomen, worden in deze paragraaf nader toegelicht.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

45

Bestemmingsplan ‘Weijen-West fase 1 Nistelrode’ - Toelichting

5.5.4

Gewasbeschermingsmiddelen

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. In de nabijheid van het plangebied is geen sprake van teelt van gewassen waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Dit aspect is niet aan de orde bij dit bestemmingsplan.

5.6

Bedrijven en milieuzonering

5.6.1

Inleiding

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking Bedrijven en Milieuzonering. Deze lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In deze lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Deze richtafstanden gelden tussen enerzijds de grens van een bedrijfsbestemming en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. Ondanks dat het plangebied is gelegen op de grens richting het buitengebied, kan de omgeving worden getypeerd als zijnde ‘rustige woonwijk’, temeer omdat hierbij uiteindelijk juist sprake zal zijn van een nieuwe (rustige) woonwijk.

5.6.2

Bedrijvigheid in de omgeving

Agrarische bedrijven Agrarische bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied is reeds toegelicht in paragraaf 5.4. Weverstraat 16 Aan Weverstraat 16 is sprake van een bedrijfsbestemming ten behoeve van een bedrijfsruimte met bedrijfswoning. Navolgend is een uitsnede weergegeven van het ter plaatse vigerende wijzigingsplan ‘Weverstraat 16, Nistelrode’.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

46

Bestemmingsplan ‘Weijen-West fase 1 Nistelrode’ - Toelichting

Figuur 21: Wijzigingsplan ‘Weverstraat 16, Nistelrode’

Met vaststelling van het wijzigingsplan ‘Weverstraat 16, Nistelrode’ is verankerd dat bedrijfsactiviteiten mogen plaatsvinden tot en milieucategorie 2. Hiervoor geldt conform de VNG-brochure een richtafstand van 30 meter tot een gevoelig object. Met een werkelijke afstand tussen de bestemmingen van slechts 9 meter, wordt hieraan niet voldaan. Verondersteld kan echter worden dat op deze korte afstand geen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Dit door de ligging van de bedrijfswoning aan de voorzijde van het perceel. Deze bedrijfswoning bevindt zich binnen het meest dicht bij het plangebied gelegen ‘bouwvlak’, welke is gelegen op een afstand van circa 20 meter tot het plangebied. Het ‘bouwvlak’ ten behoeve van de bedrijfsbebouwing bevindt zich op een afstand van bijna 75 meter tot het plangebied. Daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten zullen plaatsvinden op deze grotere afstand tot het plangebied. Eventuele verkeersbewegingen voor toeleveranciers en medewerkers kunnen wel plaatsvinden aan de voorzijde van het perceel. Dit gaat echter op in het verkeer ter plaatse. In een situatie waarbij niet wordt voldaan aan de richtafstand, kan gemotiveerd worden dat toch sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect ‘geluid’ is hierbij maatgevend. Hierboven is reeds benadrukt dat geen hinder te verwachten is ter plaatse van het plangebied.

Daarnaast is gebruik gemaakt van het stappenplan uit bijlage 5.3 van de VNG-brochure: Stap 1 Indien de richtafstand voor geluid niet wordt overschreden, kan een verdere toetsing achterwege blijven. De richtafstand wordt hier wel overschreden, dus wordt gekeken naar stap 2.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

47

Bestemmingsplan ‘Weijen-West fase 1 Nistelrode’ - Toelichting

Stap 2 Indien stap 1 niet toereikend is, mag de geluidbelasting op woningen maximaal 45 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bedragen, 65 dB(A) (piekgeluid) en 50 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking. Ter plaatse is reeds akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai. Hierbij is gebruik gemaakt van door de gemeente Bernheze aangeleverde verkeersgegevens. Hierbij is onder anderen de Weverstraat meegenomen, waarbij zowel is gerekend met licht verkeer, middelzwaar verkeer en zwaar verkeer. Vervoersbewegingen vanuit dit bedrijf zijn hierin reeds meegewogen. Hieruit blijkt dat voor wat betreft geluid sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Volgens het stappenplan zoals opgenomen in bijlage 5.3 kan gemotiveerd worden afgeweken van de richtafstand. Het aspect geluid is maatgevend. Op basis hiervan kan dan ook worden gesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Weverstraat 22 Aan Weverstraat 22 is sprake van een bedrijfsbestemming. Dit betreft een installatiebedrijf welke. Conform de VNG-brochure kan dit bedrijf worden gezien als ‘Aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. < 1.000 m²’ en valt daarmee binnen de milieucategorie 2. Navolgend is een uitsnede weergegeven van het aldaar vigerende bestemmingsplan.

Figuur 22: Vigerend bestemmingsplan ter plaatse van Weverstraat 22

De bedrijfsbestemming op zichzelf bevindt zich op een afstand van slechts 7 meter tot het plangebied. Niet voldaan aan de richtafstand van 30 meter tot de beoogde woonbestemmingen. Verondersteld kan

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

48

Bestemmingsplan ‘Weijen-West fase 1 Nistelrode’ - Toelichting

echter worden dat op deze korte afstand geen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Dit door de ligging van de bedrijfswoning aan de voorzijde van het perceel. Deze bedrijfswoning bevindt zich binnen het meest dicht bij het plangebied gelegen ‘bouwvlak’, welke is gelegen op een afstand van circa 20 meter tot het plangebied. Het ‘bouwvlak’ ten behoeve van de bedrijfsbebouwing bevindt zich op een afstand van bijna 70 meter tot het plangebied. Daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten vinden plaats op deze grotere afstand tot het plangebied. Eventuele verkeersbewegingen voor toeleveranciers en medewerkers kunnen wel plaatsvinden aan de voorzijde van het perceel. Dit gaat echter op in het verkeer ter plaatse. In een situatie waarbij niet wordt voldaan aan de richtafstand, kan gemotiveerd worden dat toch sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect ‘geluid’ is hierbij maatgevend. Hierboven is reeds benadrukt dat geen hinder te verwachten is ter plaatse van het plangebied. Daarnaast is gebruik gemaakt van het stappenplan uit bijlage 5.3 van de VNG-brochure: Stap 1 Indien de richtafstand voor geluid niet wordt overschreden, kan een verdere toetsing achterwege blijven. De richtafstand wordt hier wel overschreden, dus wordt gekeken naar stap 2.

Stap 2 Indien stap 1 niet toereikend is, mag de geluidbelasting op woningen maximaal 45 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bedragen, 65 dB(A) (piekgeluid) en 50 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking. Ter plaatse is reeds akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai. Hierbij is gebruik gemaakt van door de gemeente Bernheze aangeleverde verkeersgegevens. Hierbij is onder anderen de Weverstraat meegenomen, waarbij zowel is gerekend met licht verkeer, middelzwaar verkeer en zwaar verkeer. Gezien de kleinschaligheid van de bedrijvigheid vanuit Weverstraat 22 kan worden verondersteld dat alle vervoersbewegingen vanuit dit bedrijf hierin reeds zijn meegewogen. Hieruit blijkt dat voor wat betreft geluid sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Volgens het stappenplan zoals opgenomen in bijlage 5.3 kan gemotiveerd worden afgeweken van de richtafstand. Het aspect geluid is maatgevend. Op basis hiervan kan dan ook worden gesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bovendien is het plangebied niet de eerst gehinderde, gezien de woonbestemming direct tegen de bedrijfsbestemming. Dit betreft een gesplitste woning. Verondersteld kan worden dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd.

Andersom leidt de beoogde woningbouw ter plaatse van het plangebied dan ook niet tot belemmeringen van de bedrijfsvoering aan Weverstraat 22. Gesteld kan worden dat dit bedrijf is gelegen op voldoende afstand van het plangebied, waarmee geen milieuhinder zal plaatsvinden ter plaatse van de beoogde woningen binnen het plangebied.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

49

Bestemmingsplan ‘Weijen-West fase 1 Nistelrode’ - Toelichting

Heescheweg / Weverstraat Met vaststelling van het bestemmingsplan ‘Heescheweg / Weverstraat te Nistelrode’ heeft aan Heescheweg 11, 17-29 en Weverstraat 8 herontwikkelings plaatsgevonden waarbij bedrijvigheid is uitgebreid en toegevoegd en tevens woningbouw heeft plaatsgevonden. Sprake is van kantoor, showroom, detailhandel en tevens een benzinestation zonder LPG. Voor alle bedrijvigheid binnen dit plangebied geldt een maximale richtafstand van 10 meter tot gevoelige functies, zo stelt de toelichting van het vastgestelde bestemmingsplan ‘Heescheweg / Weverstraat te Nistelrode’. Hierbij is rekening gehouden met een ‘gemengd gebied’, waarbij de richtafstanden met één afstandsstap zijn verlaagd. Indien gerekend wordt met een ‘rustige woonwijk / rustig buitengebied’ zal hiervoor 30 meter aangehouden moeten worden. Met een werkelijke afstand van ruim 50 meter, is het plangebied gelegen op voldoende afstand tot de bedrijfsbestemming. Deze bedrijfsbestemming vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling. Andersom zijn er reeds reguliere woonbestemmingen gelegen tussen het plangebied en de bedrijfsbestemming, waardoor deze bedrijven niet worden belemmerd in de bedrijfsvoering. Bedrijventerrein Bernheze Op een afstand van circa 80 meter ten oosten van het plangebied is een bedrijventerrein gevestigd.

Bestemmingsplanmatig is verankerd dat ter plaatse van het meest dicht bij het plangebied gelegen deel van het bedrijventerrein enkel bedrijven kunnen vestigen in de milieucategorie 1 of 2. Daarvoor geldt een richtafstand van 30 meter tot gevoelige functies. Aan deze richtafstand wordt ruim voldaan. Op een afstand van circa 170 meter mogen ook bedrijven worden gevestigd in de milieucategorie 3.1. Daarvoor geldt een richtafstand van 50 meter. Ook hieraan wordt ruim voldaan. Weijen 77, 77a, Dijkstraat 3 en 9 Ten zuiden van het plangebied is een tuincentrum gevestigd. Dit bedrijf valt binnen de milieucategorie 2, waarvoor een richtafstand geldt van 30 meter tot een gevoelige functie. Het plangebied is gelegen op kortere afstand. Ter plaatse zal echter enkel sprake zijn van een toegangsweg richting het plangebied. De meest dichtbij beoogde woningen bevinden zich op een afstand van ruim 50 meter tot het tuincentrum. Aan de richtafstand van 30 meter wordt dan ook ruim voldaan.

5.6.3

Conclusie

De omgeving van het plangebied leent zich voor kleinschalige bedrijvigheid, in combinatie met bestaande dan wel nieuw te realiseren woningen. Toetsing aan Bedrijven en Milieuzonering toont aan dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling van het plangebied.

5.7

Externe veiligheid

5.7.1

Inleiding

Het externe veiligheidsbeleid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen, activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In de volgende landelijke wetten, VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

50

Bestemmingsplan ‘Weijen-West fase 1 Nistelrode’ - Toelichting

besluiten en regelingen zijn normen opgenomen waaraan een nieuwe planologische ontwikkeling moet worden getoetst:  Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi);  Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations;  Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations;  Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb);  Structuurvisie buisleidingen;  Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet;  Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro). De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen).

5.7.2

Risico-contouren

Ten aanzien van externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in: 1. Plaatsgebonden Risico (PR): Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk wordt getroffen door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van kwetsbare objecten, alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten; 2. Groepsrisico (GR): Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. De gestelde norm is een oriënterende waarde waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken. Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer.

In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Dit is opgenomen in navolgende tabel. Bron

Wanneer groepsrisicoverantwoording?

Inrichtingen (Bevi) Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Buisleidingen

Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan

(Bevb)

met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

51

Bestemmingsplan ‘Weijen-West fase 1 Nistelrode’ - Toelichting

Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Weg, spoorweg off Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan binnenwater (Bevt) met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Tabel 1: Tabel met verantwoordingsplicht groepsrisico's

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.

5.7.3

Gemeentelijke beleidskader

De gemeente Bernheze beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid. Deze visie is in 2008 vastgesteld voor de toenmalige gemeenten Lith, Maasdonk, Bernheze en Landerd. In deze visie wordt invulling gegeven aan de omgang met externe veiligheidsaspecten binnen de gemeente Bernheze. De beleidsvisie bevat geen gebiedstypering of uitgangspunten die gehanteerd kunnen worden voor de verantwoording van het groepsrisico.

5.7.4 5.7.4.1

Beoordeling van het plangebied Inleiding

Navolgend is een uitsnede weergegeven van de signaleringskaart met risico- en veiligheidscontouren, waarop het plangebied rood is gemarkeerd.

Figuur 23: Uitsnede Signaleringskaart met risico- en veiligheidscontouren

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

52

Bestemmingsplan ‘Weijen-West fase 1 Nistelrode’ - Toelichting

5.7.4.2

Risicovolle inrichtingen

In de omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven aanwezig die vallen onder het Bevi. Het aspect inrichtingen vormen geen belemmering voor herontwikkeling van het plangebied.

5.7.4.3

Wegtransport

Op circa 80 meter ten oosten van het plangebied is de Heescheweg gelegen. Over deze weg kan transport van gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Het plangebied is gelegen binnen de risicocontour van deze weg. Verderop in deze paragraaf is dan ook een nadere beschouwing opgenomen van de externe veiligheidsrisico’s conform artikel 8 van het Bevt. Hieruit kan worden geconcludeerd dat een nadere berekening niet noodzakelijk is en kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico, waarbij aandacht is besteed aan de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp (artikel 7 Bevt). De Rijksweg A50 is gelegen op circa 890 meter van het plangebied. Over deze transportweg worden onder andere gevaarlijke stoffen uit de categorie GT4 vervoerd. GT4 heeft een invloedsgebied van 4.000 meter. Omdat het plangebied niet is gelegen binnen 200 meter van deze transportroute, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording voor het toxisch scenario. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico gaat in op de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied bij een calamiteit en de mogelijkheden tot het bestrijden van de gevolgen van een calamiteit binnen het plangebied. Verderop is een beperkte verantwoording gegeven van het toxisch scenario.

5.7.4.4

Buisleidingen

Er zijn geen buisleidingen gelegen in de wijde omgeving van het plangebied. Dit aspect leidt niet tot belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

5.7.4.5

Luchtvaart, spoorwegen en waterwegen

Er zijn vanuit luchtvaart geen belemmeringen voor herbestemming van het plangebied. In de omgeving van het plangebied zijn geen waterwegen of spoorwegen gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Deze aspecten hebben geen invloed op dit plan.

5.7.4.6

Hoogspanningslijnen

Op een afstand van circa 900 meter ten oosten van het plangebied is een 150 kV hoogspanningslijn aanwezig. Deze lijn heeft aan weerszijden een indicatieve magneetveldzone van 60 meter. het plangebied valt ruim buiten deze zone.

5.7.5 5.7.5.1

Verantwoording groepsrisico Verantwoording groepsrisico (beperkt) toxisch

Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een toxische wolk het maatgevende scenario is, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

53

Bestemmingsplan ‘Weijen-West fase 1 Nistelrode’ - Toelichting

vinden. Hierbij is de Veiligheidsregio Brabant Noord om advies gevraagd. Het advies is verwerkt in de verantwoording. Scenario(‘s) Het relevante scenario voor het plangebied in relatie tot het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk. Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreid. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. Mogelijkheden zelfredzaamheid De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=32230072-1490-4069-9742-8b01ad162396