CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Schrikkelvenstraat nabij 9 Heesch - Toelichting (vaststelling)

Raadsvergadering 10 maart 2022, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Schrikkelvenstraat nabij 9 Heesch15.661 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Schrikkelvenstraat nabij 9 Heesch Bernheze

DATUM IMRO IDN

17-01-2021 NL.IMRO.1721.BPSchrikkelvenTO9-VG01

PROJECT PROJECTLEIDER

ing. D.C.W. van Roij

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

44001064.20180256

AUTEUR STATUS

ing. H.A.Q. Maas vastgesteld

Inhoudsopgave

Toelichting Hoofdstuk 1

Inleiding

6

1.1

Aanleiding en doel

6

1.2

Plangebied

6

1.3

Geldend bestemmingsplan

7

1.4

Leeswijzer

7

Omschrijving plangebied

8

2.1

Gebiedsbeschrijving

8

2.2

Huidige situatie

8

2.3

Toekomstige situatie

9

2.4

Landschappelijke inpassing

10

Beleidskader

11

3.1

Inleiding

11

3.2

Rijksbeleid

11

3.3

Provinciaal beleid

14

3.4

Regionaal beleid

19

3.5

Gemeentelijk beleid

21

Milieuaspecten

24

4.1

Vormvrije m.e.r.- beoordeling

24

4.2

Bodem

25

4.3

Water

26

4.4

Kabels en leidingen

32

4.5

Luchtkwaliteit

33

4.6

Wegverkeerslawaai

35

4.7

Verkeer en parkeren

36

4.8

Bedrijven en milieuzonering

36

4.9

Milieuhinder agrarische bedrijven

38

4.10

Externe veiligheid

40

4.11

Cultuurhistorie

45

4.12

Archeologie

46

4.13

Ecologie

48

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 4

3/54

5

Hoofdstuk 5

Juridische vormgeving

51

5.1

Algemeen

51

5.2

Toelichting op de verbeelding

51

5.3

Toelichting op de regels

51

Uitvoerbaarheid

54

6.1

Economische uitvoerbaarheid

54

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

54

Hoofdstuk 6

4/54

Toelichting

5/54

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding en doel

Initiatiefnemer 'De Stoons vastgoedontwikkeling' is voornemens aan de Schrikkelvenstraat een agrarisch perceel te herontwikkelen naar een woonperceel middels de provinciale regeling 'Ruimte voor Ruimte'. Het betreffende plangebied betreft een gedeelte van kadastraal perceel HEE01-G-787 en thans nog in gebruik voor agrarische doeleinden. De gemeente heeft te kennen gegeven bereid te zijn medewerking te verlenen aan het oprichten van één ruimte-voor-ruimtewoning middels een partiële bestemmingsplanherziening van het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Bernheze'. Met het voorliggend bestemmingsplan wordt de bestemming ter plaatse herzien en wordt onderbouwd dat de woonbestemming op de betreffende locatie toelaatbaar en uitvoerbaar is.

1.2

Plangebied

Het plangebied heeft een grootte van circa 5.000 m2 en ligt in het buitengebied van de gemeente Bernheze, ten zuiden van de kern Heesch. Het plangebied ligt aan de Schrikkelvenstraat en wordt omgeven door landbouwgrond, twee veehouderijen, diverse woningen en een dierenpension. Het gebied wordt ontsloten via de Vinkelsestraat die over gaat in de noordelijk gelegen Dennenboomstraat. Ter plaatse van de Schrikkelvenstraat is geen verdere ontsluiting aanwezig. Wel kan het plangebied bereikt worden via het zandpad vanuit het zuiden. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.

Figuur 1.1: Ligging plangebied (Bron: Kadastrale kaart)

6/54

1.3

Geldend bestemmingsplan

Voor het plangebied is het bestemmingsplan 'Buitengebied Bernheze' (vastgesteld op 26-06-2012 en onherroepelijk sinds 08-10-2014) van toepassing. Het plangebied is in het geldend bestemmingsplan bestemd als 'Agrarisch' en kent daarnaast de gebiedsaanduiding 'wro-zone - woonwerkontwikkelingsgebied'. Ook geldt ter plaatse gedeeltelijk de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Figuur 1.2 bevat een uitsnede van het geldend bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied. Dit bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden om de beoogde ontwikkeling te realiseren. Woningen zijn slechts beperkt toegestaan binnen de bestemming 'Agrarisch' en niet op voorliggende locatie. Tevens is er geen bouwvlak opgenomen waarbinnen gebouwen mogen worden opgericht. Ook biedt de regeling omtrent het woonwerkontwikkelingsgebied geen mogelijkheid om een nieuwe woning op te richten. Door middel van voorliggend bestemmingsplan wordt de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk gemaakt.

Figuur 1.2: Vigerend bestemmingsplan 'Buitengebied' met aanduiding plangebied (Bron: Ruimtelijkeplannen)

1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 van deze toelichting wordt de huidige en toekomstige situatie beschreven. In hoofdstuk 3 wordt de ontwikkeling getoetst aan de relevante beleidskaders. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de milieuhygiënische- en planologische aspecten binnen het plangebied. In hoofdstuk 5 komt de juridische vormgeving van het plan aan de orde. Ten slotte komt in hoofdstuk 6 de uitvoerbaarheid van het project aan de orde.

7/54

Hoofdstuk 2

2.1

Omschrijving plangebied

Gebiedsbeschrijving

De gemeente Bernheze is gelegen op de overgang van de Peelhorst naar de dekzandvlakte met dekzandruggen. De kernen zijn ontstaan op de overgang van hoog naar laag en van droog naar nat. De zuidgrens van de gemeente wordt gevormd door de beekdalen van de Leigraaf en de Aa. Door verbindingen tussen de kernen worden lijnen gevormd waarlangs lintvormige bebouwingsstructuren zijn ontstaan. Heesch is ontstaan als lintdorp langs de doorgaande weg tussen Grave en Den Bosch. Het gebied rondom de Lage Wijst, Munnekens-Vinkel en Berkt bestaat uit bouwlanden met kenmerkende onregelmatige verkaveling, gebogen en rechte straten en kleinschalige landschapselementen.

2.2

Huidige situatie

Tot op heden is het plangebied in gebruik voor agrarische doeleinden en volledig onverhard. Ter hoogte van de Schrikkelvenstraat bevindt zich een watergang met bomenrij. Het plangebied wordt omgeven door landbouwgrond, twee veehouderijen, een dierenpension en diverse (vrijstaande) woningen. Deze woningen bestaan overwegend uit één bouwlaag met een kap en zijn gesitueerd op ruime percelen. Belangrijk voor de beleving in dit gebied aan de rand van Heesch zijn de doorzichten naar het (half)open landschap ten oosten en ten westen van de Schrikkelvenstraat. In de onderstaande figuur worden een aantal foto's weergegeven van het plangebied en de directe omgeving.

8/54

Figuur 2.1: Huidige situatie plangebied aan de Schrikkelvenstraat te Heesch

2.3

Toekomstige situatie

De beoogde locatie zal worden ontwikkeld tot één ruimte-voor-ruimtekavel. Het bouwvolume bedraagt inclusief aangebouwde bijgebouwen maximaal 1.000 m3. De maximale gezamenlijke oppervlakte voor vrijstaande bijgebouwen bedraagt 100 m2. Oriëntatie, uitzicht en bezonning worden gezien als belangrijke aspecten bij de positionering van de bebouwing. De invulling zal in ieder geval bestaan uit één hoofdbouwmassa bestaande uit één bouwlaag met kap, refererend aan de door dit landschap typerende landelijke bebouwing. De maximale goothoogte bedraagt 3,5 meter en de maximale bouwhoogte bedraagt 10 meter. Omdat er in de huidige situatie sprake is van een doorzicht vanaf de Schrikkelvenstraat en de Vinkelsestraat (de kavel is thans onbebouwd en heeft geen beplanting) en omdat dit past binnen de gewenste landschapsbeleving van dit gedeelte van Heesch, zal bij de realisatie van het bouwvolume hier rekening mee gehouden moeten worden. De afstand vanaf de grens van het plangebied tot aan de voorzijde van het bouwvlak ten behoeve van de te realiseren woning bedraagt conform het uitgebrachte stedenbouwkundig advies van de gemeente Bernheze aan de zuidzijde 30 meter, aan de noordzijde 40 meter en aan de oostzijde (zijde Schrikkelvenstraat) 15 meter. Daarnaast zal er een ontsluiting over de watergang gerealiseerd worden. Door het aanbrengen van duikers hoeft

9/54

de watergang niet gedempt te worden.

2.4

Landschappelijke inpassing

De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant stelt in artikel 3.80 dat voor een nieuwe ruimte-voor-ruimtekavel een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd. Hiervoor is een voorstel gemaakt en bijgevoegd in bijlage 1 bij de regels van dit bestemmingsplan. Deze inpassing gaat uit van een afscherming van de kavel door singels, hagen en diverse soorten bomen passend bij de beplanting in de omgeving.

10/54

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Inleiding

Door de verschillende overheden is beleid geformuleerd ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Paragraaf 3.2 behandelt het rijksbeleid. Het provinciaal beleid is opgenomen in paragraaf 3.3. Het relevante regionale beleid is opgenomen in paragraaf 3.4. Tot slot wordt in paragraaf 3.5 de beoogde ontwikkeling getoetst aan het gemeentelijk beleid.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (2020) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De belangrijkste speerpunten uit de NOVI zijn: Een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden; De verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten; De overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied; De ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio's in heel Nederland.

Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden; Het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies; Het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen. Het stellen van de bovenstaande prioriteiten kan een situatie maken dat belangen soms botsen. Om in zo’n situatie keuzes te maken worden er drie afwegingsprincipes gebruikt: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en

11/54

ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. De uitvoering van de NOVI moet gezamenlijk worden aangepakt. Rijk, provincies en gemeenten gaan meer samenwerken als één overheid. Ook staat participatie centraal. Daarnaast is de NOVI continu in beweging. Het is de bedoeling dat het zich continu aanpast aan ontwikkelingen, in een permanent en cyclisch proces. Inwoners moeten een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets- en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd. Toetsing De Nationale Omgevingsvisie wordt gekenmerkt door een hoog abstractie- en schaalniveau en heeft geen directe belangen die geborgd moeten worden ten aanzien van het plangebied en de beoogde ontwikkeling. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening In het Barro zijn dertien nationale belangen opgenomen.

De volgende kunnen relevant zijn voor ruimtelijke plannen in de gemeente: Rijksvaarwegen Grote rivieren Defensie Hoofdwegen en landelijke spoorwegen Elektriciteitsvoorziening Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen Natuurnetwerk Nederland Primaire waterkeringen buiten het kustfundament De regels in het besluit zijn concreet normstellend benoemd en moeten direct of indirect (door tussenkomst van de provincie) doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming. De indirecte doorwerking komt enkel bij de Ecologische Hoofdstructuur en de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden voor. Het Barro voorziet verder in een hoofdstuk overige bepalingen en gaat gepaard met meerdere bijlagen. In deze bijlagen worden onder andere de belangen van de grote rivieren en defensie geografisch begrensd. Toetsing Bij het opstellen van bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten) dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van het Barro. Ten aanzien van titel 2.6 Defensie wordt de enige mogelijke beperking gevormd door de bescherming van het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel (figuur 3.1).

12/54

Figuur 3.1 Radarverstoringsgebied vliegbasis Volkel (Bron: Bijlage 8.4 bij de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening – Staatscourant 2012 nr. 18324 7 september 2012) Dit houdt in dat, teneinde het ongestoord functioneren van radarcommunicatieapparatuur op de vliegbasis te waarborgen, er rond de vliegbasis een cirkel met een straal van 15 nautische mijl (=27,8 km) geldt, gemeten vanaf de positie van de radar. Binnen dit radarverstoringsgebied dient voor ieder obstakel, hoger dan 65 meter +NAP, te worden berekend of er verstoring van de radar optreedt. Het plangebied is gelegen op een hoogte van ongeveer 7 meter +NAP. De toegestane bouwhoogte is 10 meter. De grootste bouwhoogte bedraagt dus 17 meter +NAP. Binnen het plangebied worden geen objecten gerealiseerd met een hoogte van 65 meter +NAP. Het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel wordt door het plan derhalve niet belemmerd. 3.2.3 Besluit ruimtelijke ordening en ladder voor duurzame verstedelijking De ladder is als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen dat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling.

Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, moet in de toelichting worden gemotiveerd waarom niet binnenstedelijk in de behoefte kan worden voorzien. Toetsing In de 'Handreiking Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt opgemerkt dat bij de regeling 'Ruimte voor Ruimte' geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling, omdat aan de oprichting van ruimte-voor-ruimtewoningen sloop van bebouwing is voorafgegaan. Toepassing van de ladder is derhalve niet noodzakelijk. 3.2.4 Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders en randvoorwaarden van het Rijksbeleid.

13/54

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant, Visie op de leefomgeving’, 2018 In de Omgevingsvisie Noord-Brabant is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord-Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Noord-Brabant van 2050. Hieruit zin vier hoofdopgaven onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen: Werken aan de Brabantse energietransitie; Werken aan een klimaatproof Brabant; Werken aan de slimme netwerkstad; Werken aan een concurrerende, duurzame economie. Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt. Toetsing De beoogde herbestemming heeft geen invloed op de vier opgestelde ambities. Wel moet de ontwikkeling in lijn zijn met de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan.

In hoofdstuk 4 wordt onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op deze drie aspecten en waarom deze aspecten anderzijds geen belemmering vormen voor de ontwikkeling zelf. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de Omgevingsvisie Noord-Brabant geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen. 3.3.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant In oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bevat alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. De verordening zorgt voor kaderstellende doorvertaling van de omgevingsvisie en het bestaande provinciaal beleid. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is een eerste stap in de implementatie van de Omgevingswet op provinciaal niveau. Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Net zoals de Omgevingswet een groot aantal wetten vervangt, vervangt de Brabantse omgevingsverordening een aantal provinciale verordeningen. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vervangt de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen.

In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant staan regels voor: Burgers en bedrijven: dit zijn rechtstreeks werkende regels voor activiteiten. Deze regels bevatten de voorwaarden om zo'n activiteit te mogen verrichten. Deze regels geven ook aan of de start van een activiteit vooraf moet worden gegaan door een melding. Bestuursorganen van de overheid: dit zijn zogenaamde instructieregels. Met deze regels kan de provincie

14/54

een opdracht geven aan gemeenten over onderwerpen die zij in het bestemmingsplan moeten opnemen of aan het waterschap over de manier waarop ze hun taken uitvoeren. Het plangebied ligt conform de Interim omgevingsverordening in het gebiedstype landelijk gebied, op relatief korte afstand van de gebiedstypen 'concentratiegebied verstedelijking' en 'verstedelijking afweegbaar'. De ligging ten opzichte van deze gebiedstypen is weergegeven op de themakaarten 'landbouw' en 'stedelijke ontwikkelingen en erfgoed' in de figuren 3.2 en 3.3. Het plangebied betreft een overgangsgebied van bestaand stedelijk gebied naar het landelijk gebied, met daarin relatief veel bebouwing op korte afstand van elkaar met een toenemende menging van functies. De afstand van het plangebid tot het stedelijk gebied bedraagt hemelsbreed circa 600 meter en ligt daarmee relatief dicht tot het stedelijk gebied ofwel de kern Heesch.

Figuur 3.2: Uitsnede kaart 'landbouw' uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Bron: Ruimtelijkeplannen)

15/54

Figuur 3.3: Uitsnede kaart 'stedelijke ontwikkeling en erfgoed' uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Bron: Ruimtelijkeplannen) In hoofdstuk 3 van de Interim omgevingsverordening zijn zogenaamde instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen. De volgende artikelen zijn relevant voor de beoogde ontwikkeling. Paragraaf 3.1.2 Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies: Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit; Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik; Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering; Artikel 3.8 meerwaardecreatie; Arikel 3.9 kwaliteitsverbetering landschap. Afdeling 3.7 Ontwikkeling met Rood voor Groen: Artikel 3.80 Ruimte-voor-ruimte. Toetsing Hierna wordt achtereenvolgens aan de relevante artikelen van de Interim omgevingsverordening getoetst.

Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Artikel 3.5 vormt de opmaat voor een goede omgevingskwaliteit. Onder een evenwichtige toedeling van functies

16/54

wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: zorgvuldig ruimtegebruik; de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikelen 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht. Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag is gelegen binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Indien er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in hoofdstuk 3 van de Interim omgevingsverordening is toegestaan kan er worden uitgebreid in het bestaand ruimtebeslag. In onderstaande toetsing is getoetst aan de bepalingen uit hoofdstuk 3 van de Interim omgevingsverordening. Hieruit blijkt dat wordt voldaan aan de bepalingen, waardoor afgeweken kan worden van het bestaand ruimtebeslag voor het realiseren van een nieuwe ruimte-voor-ruimtewoning.

Tevens dient aan de sub b en c van artikel 3.6, lid 1 van de Interim omgevingsverordening voldaan te worden: b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); De beoogde ontwikkeling betreft geen nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1 onder i van het Bro, waardoor de Ladder voor duurzame verstedelijking niet hoeft worden toegepast. c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. De beoogde bebouwing en bijbehorende voorzieningen zullen worden geconcentreerd binnen het beoogde agrarische bouwvlak. Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: de ondergrond de netwerklaag de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden onder andere de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer.

In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te

17/54

worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Artikel 3.8 meerwaardecreatie Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. In dit bestemmingsplan wordt meerwaarde gecreëerd door de realisatie ruimte-voor-ruimtewoning te combineren met een goede landschappelijke inpassing.

van

een

landelijke

Artikel 3.9 kwaliteitsverbetering landschap In artikel 3.77 wordt gesteld dat indien toepassing gegeven wordt aan de bepalingen van deze paragraaf (afdeling 3.7 'Ontwikkeling met Rood voor Groen'), is voldaan aan de verplichting bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap. In deze paragraaf wordt voldaan met toepassing van artikel 3.80 ' Ruimte-voor-ruimte'. In navolgende tekst wordt dit nader uiteengezet. Artikel 3.80 Ruimte-voor-ruimte De regeling Ruimte voor Ruimte is verankerd in artikel 3.80 van de Interim omgevingsverordening. De regeling heeft tot doel dat de ruimtelijke kwaliteit verbeterd wordt door, zo nodig in afwijking van de programmering voor de woningbouw of in afwijking van de regel dat geen burgerwoningen mogen worden toegevoegd aan het buitengebied, de bouw van woningen op passende locaties toe te staan in ruil voor de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen die in gebruik zijn of waren voor de intensieve veehouderij. Daarbij moet voldaan worden aan de volgende voorwaarden uit lid 1: a. er sprake is van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit; b. de ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt; c. een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd; d.

er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling behoudens in geval de locatie ligt binnen Verstedelijking afweegbaar. Er is sprake van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit aangezien de initiatiefnemer een bouwtitel van de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte heeft aangekocht. In deze titel is aangetoond dat in het verleden aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit is behaald door toepassing van de Regeling beëindiging veehouderijtakken. Wat betreft een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentatie wordt in artikel 1.1 van de begripsbepaling van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant gesteld dat het begrip

18/54

'bebouwingsconcentratie als volgt wordt gedefinieerd: "kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster". De planlocatie kan geschaard worden onder een zogenoemd bebouwingslint en is ruimtelijk vergelijkbaar met (een uitloper van) een bebouwingscluster. Daarmee is er ter plaatse van de planlocatie sprake van een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie conform de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De motivering hiervoor is opgenomen in de als bijlage 1 opgenomen memo. Tevens wordt middels het landschappelijk inpassingplan (bijlage 1 bij de regels van dit bestemmingsplan) aangetoond dat er sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing en dat het halfopen karakter van het landschap behouden blijft. Er is geen sprake van (een aanzet voor) stedelijke ontwikkeling omdat het gaat om de oprichting van een opzichzelfstaande ontwikkeling van één ruimte-voor-ruimtewoning binnen een bestaand bebouwingslint. Het gaat nadrukkelijk niet om een uitbreiding van een bebouwingslint en het geeft geen precedent om nog meer woningen toe te staan. 3.3.3 Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders en randvoorwaarden van het provinciaal beleid.

3.4

Regionaal beleid

3.4.1 Regionale Agenda Wonen 2016 In de Regionale Agenda Wonen 2016 is een beeld geschetst van enkele actuele ontwikkelingen op de woningmarkt in Noordoost-Brabant. Naast de regionale plancapaciteit komt ook een aantal vraagstukken en opgaven rond de aansluiting van vraag en aanbod op de regionale woningmarkt in dit stuk aan bod. Uit de regionale agenda blijkt dat voor de komende jaren de groei van de woningvoorraad met ca 1.000 woningen per jaar achter blijft bij de benodigde groei om te kunnen voorzien in de woningbehoefte. Om flexibiliteit in de programmering te houden, is afgesproken dat gemeenten niet meer dan 70% harde plancapaciteit ter beschikking mogen hebben. Zo kan ingespeeld worden op de ontwikkelingen in de markt en tussentijdse mogelijkheden die geboden worden voor woningbouw op herontwikkelingslocaties. Kwalitatief staat de sociale huurwoningvoorraad en de voorraad duurdere huur in de vrije sector steeds meer onder druk. Ook het huisvesten van vergunninghouders en personen vanuit verslavingszorg, jeugdzorg en maatschappelijk opvang is een belangrijk vraagstuk voor de komende jaren. Toetsing In de gemeente Bernheze is de komende jaren behoefte aan de toevoeging van circa 1.785 woningen. Tevens is de verwachting dat er rond de 140 woningen worden gesloopt. Hiermee komt de benodigde woningbouwcapaciteit boven de 1.900 woningen.

Er liggen al diverse plannen, waarmee voor circa 51% in de benodigde vraag kan worden voorzien. Circa 35% van deze plannen behoorden in 2016 tot de zogenaamde harde plancapaciteit.

19/54

Figuur 3.4: Woningbouwcapaciteit en regionale woningbouwafspraken (Bron: Regionale Agenda Wonen 2016) Feitelijk is er sprake van de toevoeging van één woning aan de voorraad en past binnen de kwantitatieve uitgangspunten zoals opgenomen in de Regionale Agenda Wonen 2016. Het realiseren van een woning past in de omgeving van het plangebied. Deze verwachting dat Noord-Brabant blijft groeien is onlangs bevestigd in de meest actuele bevolkings- en woningbehoefteramingen die de provincie Noord-Brabant eind mei 2017 naar buiten heeft gebracht. Om de bevolkingsgroei van de gehele provincie te kunnen opvangen moet de Brabantse woningvoorraad tot 2030 nog met 120.000 woningen groeien. Met de toevoeging van een woning wordt een bijdrage geleverd aan de groeiende woningbehoefte. 3.4.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders en randvoorwaarden van het regionaal beleid.

20/54

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1 Structuurvisie Bernheze De gemeenteraad van de gemeente Bernheze heeft op 1 februari 2010 de Structuurvisie Bernheze vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een samenhangend beeld van de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen van de hele gemeente. De gemeente Bernheze kan gezien worden als een landelijke enclave tussen de stedelijke regio's. De toekomstige ontwikkeling van de gemeente Bernheze vindt haar basis in twee kwaliteiten: enerzijds haar groene kwaliteiten, zowel in het grote middengebied, als in en rondom de kernen; anderzijds haar woonkwaliteiten, met een gevarieerd aanbod vanuit de vijf kernen. Deze visie is vooral gericht op het behoud van het bestaande, het karakteristieke landschap, de cultuurhistorische waardevolle elementen en het relatief grote voorzieningenaanbod dat zo kenmerkend is voor de gemeente. De bestaande kwaliteiten vormen het uitgangspunt voor veranderingen. Onderdeel van de Structuurvisie Bernheze 2010 is het Ruimtelijk Casco. Het Ruimtelijk Casco betreft het ontwikkelingskader voor de gemeente Bernheze en vormt een casco voor concrete projecten en plannen. Het Ruimtelijk Casco bestaat uit een kaartbeeld en toelichting. Deze zijn nadrukkelijk aan elkaar gekoppeld. De gemeente Bernheze heeft de kwaliteiten binnen de gemeente geformuleerd. De gemeente Bernheze wil een gemeente met een dorpse uitstraling blijven.

Kleinschalige verstedelijking wil de gemeente niet uitsluiten, maar deze verstedelijking dient groen ingepast te zijn. Het landelijk wonen nabij een verstedelijkte omgeving is een kwaliteit van de gemeente. Ruimte voor Ruimte Toepassing van de regeling 'Ruimte voor Ruimte' is mogelijk binnen het zoekgebied dat door de gemeenteraad is aangewezen bij raadsbesluit van 9 juli 2009. Dit betreffen de extensiveringsgebieden overig en specifiek aangewezen bebouwingsconcentraties. Toetsing Het plangebied wordt in de Structuurvisie Bernheze aangeduid als halfopen landschap. In de structuurvisie is een toelichting op dit halfopen landschap opgenomen. Deze toelichting luidt als volgt: "In de beekdalen en op de dekzandruggen rond de historische bebouwingsconcentraties heeft het agrarische gebruik van het open landschap geleid tot een halfopen landschap met oude bouwlanden, boxcomplexen en kronkelende wegen. Het halfopen landschap wordt voor het grootste deel gebruikt als landbouwgrond. Door de variatie in dit halfopen landschap is er een coulisselandschap gevormd. Het voegt een kwaliteit toe aan het beeld van de gemeente Bernheze en dient geconserveerd te worden. Verandering aan dit landschap moet hier ook zoveel mogelijk worden voorkomen."

21/54

Figuur 3.5: Uitsnede kaart Ruimtelijk Casco – Structuurvisie Bernheze met plangebied in rood (Bron: Gemeente Bernheze) Het plangebied grenst aan het bebouwingscluster Vinkelsestraat-Dennenboomstraat. Ook voor dergelijke bebouwingsclusters is in de structuurvisie een nadere toelichting opgenomen: "De oorspronkelijke dorpslinten, die aan de oude routes zijn ontstaan, zijn waardevol als historische structuur. Deze zijn uitgegroeid tot een kern of zijn beperkt gebleven tot een bebouwingscluster. Strategie voor de bebouwingsclusters is het hergebruik van voormalige agrarische bedrijfslocaties voor niet-agrarische functies alsmede (beperkte) toevoeging van nieuw bouwvolume. Belangrijke randvoorwaarde voor de verruimde mogelijkheden is een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in brede zin. Een voorbeeld hiervan is sloop van bebouwing als compensatie voor verruimde mogelijkheden al dan niet in combinatie met rood voor groen, het behoud van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of een versterking van natuur- en landschapswaarden in de omgeving. Verdichting van het bebouwingscluster is dus in bepaalde gevallen toegestaan, indien dit tot een ruimtelijke verbetering leidt. Ook door verdunning kunnen bebouwingsclusters in kwalitatieve zin worden versterkt, doordat de open relaties met het landschap worden hersteld.

De bestaande waardevolle doorzichten naar het buitengebied dienen gehandhaafd te blijven. Nieuwbouw dient qua maat en schaal passend te zijn in de omgeving.'' Het plangebied is gelegen binnen een woonwerkontwikkelingsgebied en grenst aan het bebouwingscluster Vinkelsestraat-Dennenboomstraat. De beoogde herontwikkeling is passend binnen deze bebouwingsconcentratie en bij de andere toegestane Ruimte voor Ruimte projecten in de omgeving.

22/54

3.5.2 Woonvisie 2016-2021 De woningmarkt is de afgelopen jaren grondig veranderd. De spelende trends en ontwikkelingen hebben consequenties voor de woningvraag, de woningvoorraad en de woonomgeving. Het is zaak voor de gemeente Bernheze om met beleid hierop in te spelen. Daarom heeft de gemeente een nieuwe Woonvisie opgesteld; 'creatief op weg naar een nieuw evenwicht'. Door de diverse veranderingen sluit de vraag niet altijd aan bij het woningaanbod in Bernheze. De gemeente streeft daarom de komende jaren naar een nieuw evenwicht, waarbij woningen toegevoegd en aangepast worden, aan de hand van de wensen die er zijn. Om dit te bereiken zal soms gebotst worden tegen belemmeringen vanuit de markt of (Rijks)beleid. De gemeente gaat daarom geregeld op zoek (samen met partners in het wonen, o.a. corporaties, particuliere woningbezitters, zorgaanbieders, ontwikkelaars) naar creatieve oplossingen om het wonen in Bernheze nog aantrekkelijker te maken. Met andere woorden: Bernheze gaat creatief op weg naar een nieuw evenwicht in onze woningmarkt. Om dit te bewerkstelligen heeft de gemeente een viertal speerpunten opgesteld: 1. Inspelen op woonwensen; 2. Betaalbaar wonen voor wie dat nodig heeft; 3. Onbezorgd wonen; 4. Een duurzame woningvoorraad. Toetsing Onderhavig plan past in het beleid van de Woonvisie 2016-2021.

Door de voorgenomen ontwikkeling wordt één woning toegevoegd aan de bestaande voorraad die de komende 5 jaar met ten minste 900 woningen moet worden uitgebreid. Deze woning wordt vrijstaand ontwikkeld waardoor ingespeeld kan worden op de woonwens van de particulier. De nieuwbouw moet daarnaast voldoen aan de EPC-normen waardoor er ook sprake is van verduurzaming. 3.5.3 Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders en randvoorwaarden van het gemeentelijk beleid.

23/54

Hoofdstuk 4 4.1

Milieuaspecten

Vormvrije m.e.r.- beoordeling

4.1.1 Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Sinds 7 juli j.l. is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Zo moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.

4.1.2 Toetsing In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de toevoeging van één ruimte-voor-ruimtewoning. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Plaats van het project en kenmerken Voor een toelichting op de plaats van het project en de kenmerken wordt verwezen naar hoofdstuk 1 en 2 van dit bestemmingsplan. De kenmerken van de potentiële effecten Voor de realisatie van de woning en herinrichting van het terrein worden de gebruikelijke bouwmaterialen en natuurlijke hulpbronnen benut. Afvalstoffen zullen ontstaan tijdens de sloop-, aanleg- en gebruiksfase. Afvalstromen zullen zoveel mogelijk worden gescheiden ten behoeve van hergebruik. Gelet op de tijdelijkheid van de sloop- en aanlegwerkzaamheden kunnen blijvende negatieve milieueffecten uitgesloten worden.

Tevens zal vanwege de kleinschaligheid ook geen sprake zijn van significante negatieve milieueffecten, zoals geluid- en stofoverlast, ten tijde van de werkzaamheden.

24/54

In de nabijheid van de ontwikkeling zijn geen andere projecten bekend. Het is niet te verwachten dat als gevolg van de ontwikkeling in combinatie met de bestaande functies onaanvaardbare cumulatieve effecten optreden. De ontwikkeling zelf leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Ten gevolge van de relevante toename van verharding zijn geen watercompenserende maatregelen noodzakelijk. Indien een deel van de watergang gedempt wordt is watercompensatie en een vergunning op basis van de Keur noodzakelijk. Door de voorgenomen ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen beperkt toenemen. Hierdoor is geen sprake van relevante uitstralingseffecten vanwege geluid naar de omgeving. De beoogde ontwikkeling draagt tevens 'niet in betekende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. De parkeerbehoefte van de nieuwe woning wordt op eigen terrein gerealiseerd. De ontwikkeling voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid en de aspecten archeologie en cultuurhistorie staan de beoogde ontwikkeling niet in de weg. 4.1.3 Conclusie De kenmerken, plaats en potentiële effecten van de ontwikkeling geven op basis van het voorgaande geen aanleiding dat ernstige milieugevolgen te verwachten zijn. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten.

4.2

Bodem

4.2.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). 4.2.2 Toetsing Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 2. Uit het bodemonderzoek blijkt dat in de boven- en ondergrond geen verontreinigingen aanwezig zijn. Het grondwater is wel licht verontreinigd met barium. Deze metaalverontreiniging is te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater. Er zijn tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten.

25/54

4.2.3 Conclusie De resultaten van het verrichte bodemonderzoek vormen geen belemmering voor de ontwikkeling van de locatie. Als grond vrijkomt van de onderzoekslocatie zal die, afhankelijk van de bestemming en toepassing bij afvoer van de grond, een partijkeuring conform AP04 moeten ondergaan. De toepassing elders moet bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming gemeld worden.

4.3

Water

4.3.1 Toetsingskader De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Aa en Maas, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Beleid provincie Noord-Brabant Het provinciaal beleid is onder andere verwoord in het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016- 2021. Het plan staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Het document vormt de strategische basis voor het Brabantse waterbeleid en waterbeheer, voor de korte en lange termijn. Het Waterplan houdt rekening met duurzaamheid en klimaatveranderingen. Het is een breed gedragen beleidsplan, omdat het tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met veel belanghebbend (water)partijen in Brabant. Beleid waterschap Aa en Maas Het waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeleid in en om onderhavig plangebied in de gemeente Bernheze. Het waterschap zorgt ervoor dat er voldoende water is en dat dit water een goede kwaliteit heeft. Om deze taak goed uit te voeren, zijn wettelijke regels nodig, ook op en langs het water.

Deze regels staan in de Keur van het waterschap en gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van waterschap Aa en Maas. Het waterschap stelt ter concretisering van het waterhuishoudkundig beleid kaartmateriaal vast. Voor wat betreft de aanwijzing van de gebieden waarvoor een vergunning voor het lozen in en afvoeren naar oppervlaktewateren is vereist is, is dit ook een taak van het waterschap. In het Waterbeheerplan 2016-2021 staan de doelen die het waterschap wil bereiken, hoe ze dat willen doen en met welke partners. Dit zijn gemeenten, industriële en agrarische ondernemers, natuurverenigingen, de provincie en het Rijk. De hoogste prioriteit van het waterschap is om vanuit hun verantwoordelijkheid bij te dragen aan de veiligheid, gezondheid en het welzijn van de inwoners in de regio. Daarnaast staan zij voor innovatief en duurzaam waterbeheer. Bij dit waterbeheer laat het waterschap zich continu leiden door zijn missie: "Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde, robuuste en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met oog voor economische aspecten".

Naast de bijdrage aan een duurzame leefomgeving met de aanwezigheid van een goed functionerend watersysteem, draagt het waterschap ook bij aan bredere maatschappelijke thema's: water in bebouwd gebied;

26/54

kennisontwikkeling en innovatie; energiegebruik en grondstofvoorziening; internationale samenwerking; water en ruimte. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's c.q. speerpunten uit het waterbeheerplan en heeft het waterschap een verordening; de Keur en de Legger. De Brabantse waterschappen hebben een gezamenlijke Keur opgesteld, genaamd de Brabantkeur. Deze bevat zoals reeds vermeld gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De Legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. In de Brabantkeur staat weergegeven dat het verboden is om zonder vergunning van het waterschap hemelwater, afkomstig van verhard oppervlak met een totaal oppervlakte van 2.000 m² of meer, op het oppervlaktewater te lozen.

Het waterschap toetst een waterparagraaf op onder andere op onderstaande punten: 1. voorkomen van vervuiling; 2. wateroverlastvrij bestemmen; 3. hydrologisch neutraal Ontwikkelen (HNO); 4. vuil water en hemelwater scheiden; 5. afvoer schoon hemelwater volgens de stappen: hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer. Keur waterschap Aa en Maas 2015 De 'Keur Waterschap Aa en Maas 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater, die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van waterschap Aa en Maas. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunningverlening. De Keur van het waterschap is onder andere van toepassing wanneer direct of indirect wordt geloosd naar een oppervlaktelichaam.

De drie Brabantse waterschappen (Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta) hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid

27/54

tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², 500 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m². Wanneer de toename van het verhard oppervlak minder is dan 500 m² is er vanuit het waterschap geen compensatieverplichting. In deze gevallen is de gemeente het bevoegd gezag. Gemeentelijk beleid Het doel van het integrale waterplan Bernheze luidt als volgt: “het ontwikkelen van een integrale visie in de omgang met water in de breedste zin van het woord”. Het integrale aspect betekent dat het gehele systeem van grond- en oppervlaktewater centraal staat, inclusief aan- en afvoer van water. De keten van drinkwater, riolering en afvalwaterzuivering wordt in de visie betrokken daar waar deze het watersysteem beïnvloedt. Als algemeen streefbeeld voor de gemeente voor 2030 is gesteld: “Het hebben en houden van een veilige, kwalitatief hoogwaardig leefbare gemeente, waarin een gezond en veerkrachtig watersysteem aanwezig is en duurzaam met water wordt omgegaan.

Daarnaast versterken de Aa, Leijgraaf en Groote Wetering, als herkenbare beeksystemen met een natuurlijk karakter, enerzijds de leefbaarheid en identiteit en anderzijds de (water)recreatieve en toeristische positie van Bernheze”. De volgende thema's zijn in het waterplan gehanteerd: schoon water. Hierbij geldt de voorkeurstrits: voorkomen - scheiden - zuiveren; zuinig met water; water in de bebouwde omgeving. Hier geldt de voorkeurstrits: vasthouden - bergen - afvoeren; boeiend water; samenwerking. Planologisch relevant stelt het gemeentelijk beleid dat bij de berekening van de watercompensatie de bebouwing die gesloopt wordt ten gevolge van de ontwikkeling als onverhard gebied beschouwd dient te worden. 4.3.2 Toetsing Bodemopbouw en grondwater De bodem bestaat volgens de Bodemkaart van Nederland uit een veldpodzolgrond, die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit leemarm en zwak lemig fijn zand. De afzettingen, waarin deze bodem is ontstaan, behoren geologisch gezien tot de Formatie van Boxtel. Het eerste watervoerend pakket heeft een dikte van ± 44,5 meter en wordt gevormd door de grove en grindrijke zanden van de Formaties van Beegden en Sterksel. Op deze fluviatiele en glaciofluviatiele formaties liggen de fijnzandige, matig goed doorlatende dekzandafzettingen, behorende tot de Formatie van Boxtel, met een dikte van ± 11 meter.

Het eerste watervoerend pakket wordt aan de onderzijde begrensd door kleiafzettingen van de Formatie van Stamproy.

28/54

Figuur 4.1: Uitsnede bodemkaart van Nederland met plangebied in rood (Bodemdata) De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt ± 5,5 meter +NAP conform het uitgevoerde bodemonderzoek, waardoor het grondwater zich op ± 1,5 meter -mv zou bevinden. Het water van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de isohypsenkaart van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO, in westelijke richting.

29/54

Figuur 4.2: GHG ter plaatse van het plangebied (GHG is 6,30 - 6,50 meter +NAP, het maaiveld ligt op ca. 7.0 meter +NAP) Oppervlaktewater en waterkeringen Ten zuidoosten van het plangebied is een watergang aanwezig. Deze watergang is opgenomen als een secundaire waterloop (B-watergang) op de legger van het waterschap Aa en Maas. De watergang kent geen beschermingszone. Het plangebied ligt niet in de kern-/beschermingszone van een primaire of regionale waterkering.

Figuur 4.3: Uitsnede legger oppervlaktewater (Bron: Waterschap Aa en Maas) Keur Het plangebied is niet gelegen binnen een keurbeschermingsgebied zoals een attentiegebied of een invloedsgebied.

30/54

Figuur 4.4: Uitsnede Keurkaart (Bron: Waterschap Aa en Maas) Verhard oppervlak Voor de te realiseren ruimte-voor-ruimtewoning met bijgebouw en erfverharding wordt een verhard oppervlak van circa 475 m2 verwacht, bestaande uit: Wat Nieuwe woning Nieuwe bijgebouwen Erfverharding

Totaal Tabel 4.1: Overzicht verhardingen

Verhard oppervlak 225 m2 100 m2 Oprit = 75 m2 Parkeerplaatsen = 12,5 m2 x 2 = 25 m2 Terras = 50 m2 475 m2

Plannen met een verhardingstoename tot 500 m2 zijn onder de Keur vrijgesteld van compensatie. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de Keur. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld

31/54

dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het hoogheemraadschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Kwaliteit van te lozen en infiltreren regenwater Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt etcetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBomaatregelen) voor in het te infiltreren water. In de nieuwe situaties wordt alleen het huishoudelijk afvalwater geloosd op de riolering. Het schoon hemelwater wordt afgekoppeld en wordt overwegend geïnfiltreerd in de bodem. Het huishoudelijk afvalwater zal op de riolering worden geloosd. Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd.

Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen. 4.3.3 Conclusie Ten gevolge van de relevante toename van verharding zijn geen watercompenserende maatregelen noodzakelijk. In overleg met het waterschap zal worden besloten wat de beste maatregel is om de ontsluiting vanaf de Schrikkelvenstraat te realiseren. Indien een deel van de watergang gedempt wordt, is watercompensatie en een vergunning op basis van de Keur noodzakelijk.

4.4

Kabels en leidingen

4.4.1 Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18”; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”. 4.4.2 Toetsing en conclusie In het plangebied of de directe omgeving ervan zijn geen planologisch relevante hoogspanningsverbindingen, straalpaden, kabels of leidingen aanwezig.

32/54

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven. Stof stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10)

Toetsing van Grenswaarde jaargemiddelde 40 µg/m³ concentratie jaargemiddelde 40 µg/m³ concentratie 24-uurgemiddelde max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde 25 µg /m³ concentratie Tabel 4.2: Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer (Wm) kunnen bestuursorganen bevoegdheden uitoefenen die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit zoals de vaststelling van een wijzigingsplan. Bij de uitoefening van deze bevoegdheden moet worden aangetoond dat wordt voldaan aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uit de Wm. Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens ook rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied.

33/54

4.5.2 Toetsing De beoogde ontwikkeling betreft de toevoeging van een ruimte-voor-ruimtewoning Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2017 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Bosschebaan in Heesch zelf. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2016 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen.

Figuur 4.5: Uitsnede NSL-monitoringstool met plangebied in rood (Bron: Kaart NSL) Vinkelsestraat 65 en 67 De luchtkwaliteit wordt daarnaast mede bepaald door de fijn stof uitstoot van veehouderijen. Met name pluimveebedrijven kennen een grote uitstoot van fijn stof. Nabij het plangebied zijn twee varkenshouderijbedrijven gelegen. Op basis van cijfers uit web-bvb is de uitstoot 62.000 g/pm10/jr ter plaatse van de Vinkelsestraat 65 en 177.000 g/pm10/jr ter plaatse van de Vinkelsestraat 67. De bijdrage van veehouderijen kan worden getoetst op basis van de Handreiking Fijn Stof en Veehouderijen (2010). In de handreiking is een tabel opgenomen waarbij het verband tussen afstand en fijnstof bijdrage is opgenomen. Indien bij een bepaalde afstand niet méér wordt geëmitteerd dan is opgenomen in de tabel dan is de bijdrage

34/54

zeker 'niet in betekenende mate'. Afstand tot te toetsen 70 m 80 m 90 m 100m 120 m plaats Totale emissie in g/jr van 324000 387000 473000 581000 817000 uitbreiding/oprichting Tabel 4.3: Afstand en bijdrage fijn stof waarbij wordt voldaan aan het criterium NIBM

140 m

160 m

1075000

1376000

4.5.3 Conclusie De beoogde woning is gelegen op een afstand van meer dan 100 meter van de veehouderijbedrijven. Op basis van de bovenstaande tabel kan worden geconcludeerd kan worden dat de bijdrage fijn stof afkomstig van de veehouderijbedrijven 'niet in betekende mate is'. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.6

Wegverkeerslawaai

4.6.1 Toetsingskader Langs alle wegen, met uitzondering van 30 km/u-wegen en woonerven, bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder aan bepaalde wettelijke normen dient te voldoen. Woningen zijn geluidgevoelige functies waarvoor, indien gelegen binnen de geluidzone van gezoneerde wegen, het akoestisch leefklimaat aannemelijk dient te worden gemaakt. Nieuwe situaties Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. 4.6.2 Toetsing De woonpercelen worden ontsloten aan de Schrikkelvenstraat. Een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom (type II) met een maximum snelheid van 60 km/u. De Schrikkelvenstraat is niet doodlopend, maar gaat voorbij het plangebied door als onverharde weg, waardoor de verkeersintensiteit voornamelijk uit bestemmingsverkeer bestaat.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=1169d795-611d-4115-a293-38e4ff065c3d