BP Schrikkelvenstraat nabij 9 Heesch - Toelichting (vaststelling)
Tekst van het document
De intensiteit zal daarmee dusdanig laag zijn dat de voorkeursgrenswaarde op de nieuwe woning niet zal worden overschreden. De woning wordt om deze rede niet getoetst ten gevolge van het wegverkeer van de Schrikkelvenstraat. Ten westen van het plangebied is de Vinkelsestraat gelegen, een erftoegangsweg (type I) buiten de bebouwde kom. De Vinkelsestraat heeft een geluidzone van 250 meter. De ruimte-voor-ruimtekavel is gelegen op circa 250 meter, waardoor de geluidbelasting op de woonpercelen is getoetst ten gevolge van het verkeer op deze weg. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd volgens Standaard Rekenmethode I (SRM I) conform het Reken- en Meetvoorschrift Geluid 2012. De berekeningen zijn opgenomen in bijlage 3.
35/54
4.6.3 Conclusie Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de geluidcontour van de voorkeursgrenswaarde is gelegen op 25 meter van de as van de Vinkelsestraat. Het woon zijn gelegen op meer dan 200 meter van de Vinkelsestraat, waardoor wordt geconcludeerd dat de woningen in een goed akoestisch woon- en leefklimaat kunnen worden mogelijk gemaakt.
4.7
Verkeer en parkeren
4.7.1 Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer is er geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit volgt uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Op basis van vaste jurisprudentie dient in dat kader onder meer te worden aangetoond dat een goede verkeersafwikkeling is gewaarborgd en er voldoende parkeergelegenheid beschikbaar is. In dit kader wordt uitgegaan van onderstaande kencijfers, uitgangspunten en andere informatie. 4.7.2 Toetsing Verkeersgeneratie en afwikkeling Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Bernheze, een weinig stedelijke gemeente. Op basis van het autobezit in de gemeente worden hiervoor de gemiddelde kencijfers gehanteerd uit publicatie 381 van het CROW ('Toekomstbestendig parkeren'). Voor een vrijstaande koopwoning geldt een verkeersgeneratie van 8,2 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. Hiermee kan gesteld worden dat vanwege de geringe omvang van de toekomstige verkeersgeneratie de ontwikkeling niet leidt tot problemen in de verkeersafwikkeling. Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt aangesloten bij de Parkeernormennota Gemeente Bernheze zoals vastgesteld op 9 juli 2015.
De parkeerbehoefte van een woning in de categorie 'meerpersoons > 60 m2' bedraagt 2 parkeerplaatsen per woning buiten de bebouwde kom. Op de kavel aan de Schrikkelvenstraat is voldoende ruimte om 2 parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren, waardoor er geen problemen verwacht worden bij het parkeren. Tevens is in de regels van dit bestemmingsplan geborgd dat er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd worden. 4.7.3 Conclusie De bereikbaarheid van het plangebied is goed. Door de ontwikkelingen neemt de verkeersgeneratie slechts beperkt toe waardoor er geen problemen zullen ontstaan in de verkeersafwikkeling. Ten aanzien van parkeren gaat het om een toename die op eigen terrein opgevangen dient te worden. Hier is voldoende ruimte voor.
4.8
Bedrijven en milieuzonering
4.8.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
36/54
ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' en 'rustig buitengebied'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. 4.8.2 Toetsing De omgeving van het plangebied kan worden getypeerd als rustig buitengebied. In de omgeving van het plangebied zijn met name woningen en enkele (agrarische) bedrijven gelegen. In de paragraaf milieuhinder agrarische bedrijven wordt ingegaan op de nabijgelegen agrarische bedrijven. Op circa 50 meter ten noordoosten van het plangebied is een dierenpension (Schrikkelvenstraat 4) gelegen.
Deze afstand wordt gemeten vanaf de grens van de inrichting van het dierenpension tot het bouwvlak van de (beoogde) woning. Op grond van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering geldt voor een dergelijke inrichting een richtafstand van 100 meter voor het aspect geluid. Aan de richtafstand wordt niet voldaan. De afstand uit de VNG-publicatie betreft geen harde afstandseis. Van de afstand mag gemotiveerd worden afgeweken. Ten behoeve van de milieuvergunning is in het verleden akoestisch onderzoek uitgevoerd voor het dierenpension. Inmiddels is de milieuvergunning niet meer van toepassing en valt die inrichting inmiddels onder het Activiteitenbesluit milieubeheer. Uit het akoestische onderzoek behorende bij de inrichting aan de Schrikkelvenstraat 4 en het besluit "intrekken maatwerkvoorschriften (geluid)" van 5 juli 2016 blijkt dat ter plaatse van omliggende bestaande woningen voldaan wordt aan de geluidsnormen zoals gesteld in artikel 2.17, lid 1 van het Activiteitenbesluit. Beide stukken zijn toegevoegd in de bijlagen 4 en 5. Onder andere ter plaatse van de woningen Schrikkelvenstraat 5 en 7 wordt aan de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit voldaan. Beide woningen zijn dichterbij het dierenpension gelegen dan de nieuwe beoogde woning, maar wel in een andere richting. Om deze reden is aanvullend akoestisch onderzoek uitgevoerd ter hoogte van de nieuwe woning.
Dit onderzoek is bijgevoegd in bijlage 6. Uit dit onderzoek blijkt dat de berekende 45 dB(A)-contour (langtijdgemiddeld beoordelingsniveau) op de rand van het plangebied ligt. Daarmee wordt voldaan aan de grenswaarde van 45 dB(A) voor een rustige woonwijk/rustig buitengebied (dagperiode). Het maximale geluidsniveau op de rand van het plangebied bedraagt LAmax = 64 dB(A), waarmee wordt voldaan aan de richtwaarde van 65 dB(A). Hierdoor vormt de bouw van de beoogde woning geen belemmering voor de bedrijfsvoering en milieuruimte van het dierenpension en zal ter plaatse van de nieuwe woning sprake zijn van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Naast het dierenpension en de agrarische bedrijven, waarop in de volgende paragraaf nader wordt ingegaan, zijn
37/54
in de omgeving van het plangebied geen overige bedrijven gelegen die van invloed zijn op het plangebied. 4.8.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de (nog te realiseren) woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat in de omgeving geen bedrijven aanwezig zijn die door de voorgenomen ontwikkeling in hun bedrijfsvoering worden beperkt.
4.9
Milieuhinder agrarische bedrijven
4.9.1 Toetsingskader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt: voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object; voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, deze zijn weergegeven in tabel 4.4.
Tabel 4.4: Overzicht geurnormen Wgv Voor alle stallen gelden minimumafstanden tussen de buitenzijde van het dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object (artikel 5 Wgv). Voor buiten de bebouwde kom gelegen geurgevoelige objecten geldt een minimumafstand van 25 meter en voor binnen de bebouwde kom gelegen geurgevoelige objecten geldt een minimumafstand van 50 meter. Activiteitenbesluit milieubeheer Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in
38/54
bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Verordening Geurhinder en Veehouderij gemeente Bernheze 2013 De gemeente Bernheze heeft bij raadsbesluit van 12 december 2013 de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Bernheze 2013' vastgesteld. Er geldt een geurnorm van 3 ouE/m³ voor bestaande woongebieden. De gemeenteraad heeft een geurnorm van 8 ouE/m³ vastgesteld voor bestaande bedrijventerreinen in de bebouwde kom, extensiveringsgebieden rondom kernen, extensiveringsgebieden natuur en woonwerkontwikkelingsgebieden. Voor overige gebieden geldt een geurnorm van 10 ouE/m³. In artikel 4 van de gemeentelijke verordening is opgenomen dat een vaste afstand in acht moet worden genomen van 50 meter binnen de bebouwde kom en 25 meter buiten de bebouwde kom. 4.9.2 Toetsing Geuronderzoek Op korte afstand van het plangebied zijn twee veehouderijen gevestigd. De toekomstige woning is aan te merken als geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. Om inzicht te krijgen in mogelijke beperkingen voor de omliggende intensieve veehouderijen Vinkelsestraat 65 en 67 zijn berekeningen gemaakt van de voorgrondbelasting geur.
Daarnaast is op basis van de uitkomsten van de geurberekeningen en gegevens over de achtergrondgeurbelasting het woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woning onderbouwd. Het geuronderzoek is toegevoegd in bijlage 7. Op basis van de Verordening geurhinder en veehouderij van de gemeente Bernheze is in de geurberekeningen uitgegaan van een geurnorm van 8 ouE/m³ en een vaste afstand van 25 meter. De invoergegevens voor locatie Vinkelsestraat 65 zijn gebaseerd op de Melding Activiteitenbesluit van 24 juni 2015. De invoergegevens voor locatie Vinkelsestraat 65 zijn gebaseerd op de Omgevingsvergunning milieu van 1 november 2011. Uit het geuronderzoek blijkt dat ter plaatse van het beoogde bouwvlak ruimschoots wordt voldaan aan de geldende geurnormen. Omliggende agrarische bedrijven worden niet beperkt in hun bedrijfsvoering. Daarnaast is voor het aspect geur sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woning. Vaste afstanden Voor dieren met geuremissiefactor geldt een vaste afstand van 25 meter in het buitengebied op basis van de gemeentelijke verordening. Het gaat om de afstand van het emissiepunt van een dierenverblijf tot de buitenzijde (gevel) van een geurgevoelig object. De beoogde woning is op meer dan 25 meter afstand van de dierenverblijven van de bedrijven aan de Vinkelsestraat 65 en 67 gelegen.
Volksgezondheid Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plangebied ligt buiten de risicoafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd
39/54
aantal gevallen van longontsteking voordoet. Er liggen geen geitenhouderijen binnen 2 km van het plangebied. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Spuitzones De omliggende gronden zijn bestemd als agrarisch zonder specifieke aanduiding bomenteelt of teeltondersteunende voorzieningen. Derhalve zijn fruitboomgaarden op basis van de huidige bestemming niet toegestaan. De omliggende gronden zijn momenteel (augustus 2018) voornamelijk in gebruik als grasland. Graslanden worden niet of nauwelijks bespoten. Planologisch gezien is op de omliggende gronden vollegrondsteelt mogelijk waarbij mogelijk sprake kan zijn van intensief gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Sinds 1 januari 2018 is een driftreductie van 75% verplicht op basis van het Activiteitenbesluit. Daarnaast is anders dan wanneer gewasbeschermingsmiddelen in de bomen- of fruitteelt worden toegepast, bij vollegrondsteelt nauwelijks sprake van een spuitnevel. Verder is rondom het plangebied o.a. een landschappelijke singel en haag voorzien, die eventuele resten van de gewasbeschermingsmiddelen kan tegenhouden. Gezien het voorgaande zal dit aspect niet leiden tot belemmeringen voor omliggende bedrijven en zijn er geen gezondheidsrisico's ter plaatse van de beoogde woning.
4.9.3 Conclusie Met betrekking tot milieuhinder van agrarische bedrijven is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de beoogde woning. De omliggende agrarische bedrijven worden daarnaast niet beperkt in hun bedrijfsvoering door de bouw van een woning.
4.10 Externe veiligheid 4.10.1 Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient voor externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, spoor of water en door buisleidingen. In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom de risicobron. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar.
Bij de vaststelling van een ruimtelijke onderbouwing moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien
40/54
van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes.
Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Beleidsvisie externe veiligheid De gemeente Bernheze beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (2008). Hierin wordt invulling gegeven aan de gemeentelijke omgang met externe veiligheid. De beleidsvisie bevat geen gebiedstypering of uitgangspunten die gehanteerd kunnen worden voor de verantwoording van het groepsrisico. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations'.
4.10.2 Toetsing Onderstaande paragraaf is afgestemd met de ODBN en de Veiligheidsregio Brabant Noord. Het advies van de Veiligheidsregio Brabant Noord is bijgevoegd in bijlage 8. Risicovolle inrichtingen en vervoer van gevaarlijke stoffen
41/54
Volgens de professionele risicokaart zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig die van invloed zijn op het plangebied. Daarnaast vindt er in de directe omgeving geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het spoor of over het water. Buisleidingen Op ca. 100 meter van het plangebied liggen de HD-aardgasleidingen A-527 en A-643. De leiding A527 heeft een werkdruk 66 bar en een diameter van 48 inch. De leiding A-643 heeft een werkdruk 80 bar en een diameter van 48 inch. Deze leidingen hebben externe veiligheidsrisico's voor de omgeving. De leidingen maken geen onderdeel uit van de landelijke structuurvisie buisleidingen, zie figuur 4.6.
Figuur 4.6: Uitsnede professionele risicokaart met plangebied in rood (Bron: Risicokaart.nl) Plaatsgebonden risico Uit de risicokaart blijkt, dat beide HD-aardgasleidingen geen plaatsgebonden risicocontour hebben. Het plaatsgebonden risico van de leidingen vormt derhalve geen belemmering voor het plan. Groepsrisico Het bij de diameter en druk van de leiding behorende invloedsgebied (1% letaliteit) en de 100% letaliteitcontour reiken beiden geheel over het plangebied . Derhalve dient in het kader van het plan een verantwoording van het groepsrisico voor de buisleidingen door het bevoegd gezag afgelegd te worden. Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1. het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of 2. de toename van het groepsrisico minder is dan 10% en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden of 3. personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Aan het tweede punt kan worden voldaan, omdat het plangebied is gelegen landelijk gebied (lage
42/54
personendichtheid, max. 2 personen per ha) en de toename van het aantal personen door het plan beperkt is (ca. 5 personen). Daarom kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico voor deze leidingen. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico gaat over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding. De veiligheidsregio is om advies gevraagd over de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Dit advies is verwerkt in de (beperkte) verantwoording van het groepsrisico. De veiligheidsregio adviseert verder om voor de inrichting van het plangebied de Beleidsregels bereikbaarheid en bluswater als uitgangspunt te nemen. Indien hieraan wordt voldaan is er sprake van goede ontvluchtings- en bestrijdingsmogelijkheden. Circulaire LPG-tankstations en veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit In de omgeving van het plangebied zijn geen LPG-tankstation gelegen. Derhalve is de circulaire LPG-tankstations niet van toepassing op dit plan. Daarnaast zijn er geen veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit van toepassing op het onderhavige plan.
Beleidsvisie externe veiligheid Toetsing van het plan aan de voorwaarden uit de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente geeft geen belemmeringen voor het voorgenomen plan. (Beperkte) verantwoording groepsrisico Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedgebied van de buisleiding A-527 en A-643 dient een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Personendichtheid en hoogte van het groepsrisico Gezien de zeer lage bevolkingsdichtheid rondom de buisleidingen (agrarisch buitengebied), zal het groepsrisico naar verwachting niet boven 10% van de oriëntatiewaarde uitstijgen. Mogelijkheden bestrijdbaarheid van een calamiteit De bestrijdbaarheid wordt op twee aspecten beoordeeld: 1. Is het rampscenario te bestrijden? 2. Is de omgeving voldoende ingericht om bestrijding te faciliteren? Is het rampscenario te bestrijden? De mate van bestrijdbaarheid van een calamiteit is afhankelijk van de opkomsttijd brandweer, de bereikbaarheid van de locatie calamiteit en de bluswatervoorziening in de omgeving van de calamiteit. Bij een calamiteit met de HD-aardgasleidingen A-527 en A-643 is het scenario fakkelbrand maatgevend. Voor het scenario fakkelbrand geldt, dat deze alleen geblust kan worden middels het afsluiten van de betreffende leiding(deel) door de leidingbeheerder.
Het doven van het vuur na sluiting van de leiding neemt behoorlijk wat tijd in beslag. Middels het leggen van een waterscherm over de brandhaard kunnen de gevolgen van de fakkelbrand enigszins ingedamd worden. Hiervoor zijn wel aanzienlijke hoeveelheden water benodigd. De opkomsttijd van de brandweer ter plaatste van de calamiteit is voldoende. De bereikbaarheid van de locatie calamiteit is goed. De primaire bluswatervoorziening ter plaatse is slecht. De algemene conclusie is derhalve, dat
43/54
de bestrijdbaarheid van een incident ter plaatse van de buisleidingen zeer matig is. Er zal daarom door de brandweer vooral defensief worden ingezet, waarbij de nadruk ligt op het ontruimen van het effectgebied. Is de omgeving van het plangebied voldoende ingericht om de gevolgen van een calamiteit hierbinnen te bestrijden? Het optreden van de brandweer zal zich in eerste instantie beperken tot het evacueren van mensen en het afzetten van het gevarengebied. Daarna zal worden overgegaan tot het beperken van de omvang van de calamiteit binnen het plangebied. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario (brand, explosie en/of toxische wolk). Mogelijkheden zelfredzaamheid Voor het rampscenario fakkelbrand geldt, dat alle mensen binnen het plangebied zullen komen te overlijden, vanwege de plotselinge en intense hittestraling. Vluchten tot buiten het effectgebied zal daarom voor deze mensen niet mogelijk zijn.
Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied: goed te alarmeren is; goed te ontvluchten is; goed te schuilen is. Alarmering Ter hoogte van de planlocatie is de WAS-dekking (sirene burgerbescherming) op orde. In geval van een calamiteit zal tevens NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Vluchtmogelijkheden Het plangebied is naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobronnen af. Schuilmogelijkheden Voor het scenario fakkelbrand geldt, dat schuilen binnen de bebouwing, vooral in de directe nabijheid van de risicobron (hittestraling te intens), geen optie is.
44/54
4.10.3 Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan de grenswaarde c.q. richtwaarde voor het plaatsgebonden risico van de buisleidingen en aan de kaders die zijn vastgelegd in de Beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Bernheze. De planlocatie ligt binnen het invloedsgebied en 100% letaliteitsgebied van de HD-aardgasleidingen A-527 en A-643. Het groepsrisico is beperkt verantwoord en wordt aanvaardbaar geacht. De volgende overwegingen spelen daarbij een rol: het reeds geringe groepsrisico neemt slechts marginaal toe; binnen het plangebied zijn met name voldoende zelfredzame personen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt daarmee geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.
4.11 Cultuurhistorie 4.11.1 Toetsingskader Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo wijzigt het Bro (artikel 3.6.1, lid 2). Wat eerst alleen voor archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In een bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan en het daarbij behorende besluit is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan enkel naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.11.2 Toetsing en conclusie Omtrent het cultuurhistorisch beleid heeft de gemeente Bernheze een 'cultuurhistorische waardenkaart' (figuur 4.7) gerealiseerd. Hierop is te zien dat in de directe omgeving van het plangebied aan de Schrikkelvenstraat diverse cultuurhistorische waarden aanwezig zijn zoals oude wegtracés (hoge en redelijk hoge waarde), waardevol landgoed, twee monumentale bomen, een rijksmonument aan Vinkelsestraat 57 en een monument in de categorie 'overige historische bouwkunst' aan Vinkelsestraat 65.
Dergelijke cultuurhistorische waarden zijn in het plangebied niet aanwezig. Wel zal de toekomstige ontsluiting van de woning mogelijk plaatsvinden op het oude wegtracé. Omdat er reeds meerdere ontsluitingen op dit tracé aanwezig zijn en het tracé zelf als zodanig blijft bestaan, zal de beoogde ontwikkeling geen invloed hebben op cultuurhistorische waarden.
45/54
Figuur 4.7: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Bernheze met plangebied in rood (Bron: Gemeente Bernheze)
4.12 Archeologie 4.12.1 Toetsingskader Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. De gemeente Bernheze heeft ervoor gekozen om in het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg en de Wet ruimtelijke ordening een eigen gemeentelijk archeologiebeleid te formuleren.
Dit archeologiebeleid is op 3 februari 2011 door de gemeenteraad vastgesteld en bestaat uit de 'Nota Archeologiebeleid Gemeente Bernheze' en de 'Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart Gemeente Bernheze'. Op basis van deze documenten, is de gemeente Bernheze in staat om op verantwoorde wijze een archeologiebeleid te implementeren. Met dit beleid wordt een juiste balans gevonden tussen een goede omgang met het archeologisch erfgoed en andere maatschappelijke belangen die bij planontwikkelingen
46/54
moeten worden afgewogen. 4.12.2 Toetsing Zie figuur 4.8 voor een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Bernheze. Het plangebied is met rode belijning aangeduid.
Figuur 4.8: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Bernheze met plangebied in rood (Bron: Gemeente Bernheze) Zoals op de archeologische beleidskaart in beeld gebracht is, ligt het plangebied op de grens van een tweetal archeologische verwachtingszones. Het grootste gedeelte van het plangebied (circa 80%) wordt gekenmerkt door een lage archeologische verwachtingswaarde, waarvoor geen onderzoeksplicht geldt. Het overige gedeelte van het plangebied wordt gekenmerkt door een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Voor een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde geldt een onderzoeksplicht voor een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm diep en een verstoringsoppervlakte van meer dan 2.500 m2. Aangezien de verstoringsoppervlakte in het gedeelte met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde onder de 2.500 m2 blijft is nader onderzoek niet noodzakelijk. 4.12.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het beoogde initiatief.
47/54
4.13 Ecologie 4.13.1 Toetsingskader Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).
Een ruimtelijk plan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Bijzondere nationale natuurgebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) kan buitenom de gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden Natura 2000, ook gebieden aanwijzen als Bijzonder nationaal natuurgebied wanneer het gebied is opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn of het gebied onderwerp is van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de Habitatrichtlijn. De beschermende werking die geldt voor gebieden die behoren tot Natura 2000, geldt in dat geval ook voor het bijzondere
48/54
nationaal natuurgebied. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. De gemeente Noord-Brabant heeft deze natuurgebied aangeduid als Natuurnetwerk Brabant (NNB). Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en de bescherming van overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden.
Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee, voor het op of in de bodem brengen van meststoffen en voor agrarische beregening uit grondwater. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn en woelrat.
4.13.2 Toetsing Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek en
49/54
bevindt zich op circa 6 kilometer ten westen van het plangebied. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) of een ecologische verbindingszone. Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de geringe ontwikkeling en afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Tevens genereert de beoogde ontwikkeling vanwege deze redenen qua stikstofdepositie eveneens geen problemen. Significante negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen derhalve worden uitgesloten. De Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie Noord-Brabant staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg. Soortenbescherming In het kader van voorliggende ontwikkeling is een verkennend veldonderzoek uitgevoerd naar mogelijk aanwezige beschermde plant- en diersoorten ter hoogte van het plangebied. Deze inventarisatie is bijgevoegd in bijlage 9. Uit de inventarisatie blijkt dat er geen beschermde plantsoorten ter hoogte van het plangebied aanwezig zijn. Het plangebied bezit tevens geen mogelijkheden voor vleermuizen en vogels om er te verblijven. Mogelijk vliegen en foerageren er vleermuizen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren.
Voor weide- en akkervogels wordt het gebied te intensief gebruikt en is er te veel verstoring. De aanwezigheid en/of verstoring van beschermde plant- en diersoorten wordt uitgesloten. 4.13.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkelingen leiden niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
50/54
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische vormgeving
Algemeen
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en gaat vergezeld van onderhavige bestemmingpslantoelichting met bijlagen.
5.2
Toelichting op de verbeelding
De verbeelding bestaat uit een planverbeelding, getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. De bestemming 'Agrarisch' is aangegeven, evenals de plangrens en 'bouwvlak'. Daarnaast is in het bestemmingsplan de functieaanduidingen 'specifieke vorm van wonen- ruimte voor ruimte' en de gebiedsaanduiding 'wro-zone - woonwerkontwikkelingsgebied' opgenomen. Ook de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' is voor een gedeelte van het plangebied van toepassing.
5.3
Toelichting op de regels
De planregels zijn verdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 geeft de inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten. In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsplanregels weergegeven. In dit hoofdstuk worden de op de verbeelding opgenomen bestemmingen geregeld. In hoofdstuk 3 zijn algemene regels opgenomen waaronder de antidubbeltelbepaling en algemene bouwregels. In hoofdstuk 4 zijn de overgangsregels en is de slotregel opgenomen. Hierna volgt een toelichting per hoofdstuk. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel zijn de bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemene spraakgebruik onvoldoende vast gedefinieerd zijn en waarbij derhalve verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels voor kan komen. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken en percelen gemeten moet worden. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels De regels in een bestemming zijn conform de SVBP2012 (indien van toepassing) als volgt opgebouwd en benoemd: 1. Bestemmingsomschrijving; 2. Bouwregels; 3. Nadere eisen; 4. Afwijken van de bouwregels; 5. Specifieke gebruiksregels;
51/54
6. 7. 8. 9.
Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; Wijzigingsbevoegdheid.
Een bestemmingsregel hoeft niet alle elementen te bevatten. Dit verschilt per bestemming. In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven. Indien er sprake is van andere aan de grond toegekende functies, worden deze daarna omschreven. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in woningen (hoofdgebouwen), bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor een toetsing van de aanvraag om omgevingsvergunning overzichtelijk is. In de planregels betreft hoofdstuk 2 de regels inzake de bestemming ‘Agrarisch’ (artikel 3) en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' (artikel 4). Artikel 3 Agrarisch De voor ‘Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor het agrarisch grondgebruik, extensieve dagrecreatie, verkeers- en parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige doeleinden, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen en behoud, bescherming of herstel van landschapselementen. Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – ruimte voor ruimte’ is één burgerwoning met een inhoud van maximaal 1.000 m³ en een oppervlakte van 100 m² aan bijgebouwen toegestaan.
Artikel 4 Waarde – Archeologie 3 De voor ‘Waarde – Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden van archeologische waarde en gronden met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld, dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van de vergunningverlener in voldoende mate zijn vastgesteld, waarbij advies wordt ingewonnen van een senior-archeoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek. Indien uit het rapport blijkt dat ter plaatse archeologische waarden zullen of kunnen worden verstoord, kunnen door de vergunningverlener voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen. Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 5 Antidubbeltelbepaling In dit artikel zijn regels opgenomen om te voorkomen dat bij het beoordelen van het ene plan gronden worden meegeteld die al bij een vorig plan waren meegeteld. Gronden kunnen maar één keer worden meegeteld bij het beoordelen van een bouwplan. Gronden kunnen maar één keer worden meegeteld bij het beoordelen van een bouwplan.
Artikel 6 Algemene bouwregels In dit artikel is opgenomen voor welke onderwerpen de aanvullende werking van de bouwverordening uitgesloten is.
52/54
Artikel 7 Algemene gebruiksregels In dit artikel is een verbod voor het gebruik van de gronden in strijd met de bestemming opgenomen. Artikel 8 Algemene aanduidigingsregels In dit artikel is nader ingegaan op de gebiedsaanduiding 'wetgevingzone - woonwerkontwikkelingsbied'. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels In artikel 9 zijn regels gegeven voor het toepassen van algemene afwijkingsregels voor geringe afwijkingen zoals beschreven in de regels. Artikel 10 Algemene wijzigingsregels In artikel 10 zijn regels gegeven omtrent wijziging van het bestemmingsplan. Artikel 11 Overige regels De wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan worden verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van inwerkingtreding van dit plan. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 12 Overgangsrecht In artikel 12 wordt omschreven hoe wordt omgegaan met het bestaand gebruik en met de bestaande bebouwing ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Artikel 13 Slotregel In dit artikel wordt de naam van de regels vastgesteld.
53/54
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) tegelijk met het bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. De gemeente heeft hierbij de onderzoeksverplichting om de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan te toetsen. Het voorliggende plan betreft een particulier initiatief. De kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan en de bijbehoren leges zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Voor de gemeente zijn aan onderhavig plan geen financiële consequenties verbonden. De gemeente zal een anterieure overeenkomst sluiten met de betreffende initiatiefnemer waarin het kostenverhaal wordt geregeld. Hierdoor is een exploitatieplan niet noodzakelijk. De kosten voor de uitvoering van het bouwplan liggen volledig bij de ontwikkelende partij. Geconcludeerd wordt dat er voldoende middelen zijn om de ontwikkeling tot uitvoering te brengen. Het plan is daarmee economisch uitvoerbaar.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro In het kader van het wettelijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 is het ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de overlegpartners van de gemeente Bernheze. 6.2.2 Ontwerpbestemmingsplan Ten behoeve van de oprichting van twee ruimte-voor-ruimtekavels aan de Schrikkelvenstraat in Heesch wordt een planologische procedure doorlopen. Het ontwerpbestemmingsplan 'Schrikkelvenstraat nabij 9 Heesch' heeft vanaf 2 februari 2019 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen voor het indienen van een zienswijze. De provincie Noord-Brabant heeft op 27 maart 2019 een zienswijze ingediend. Deze is binnen de gestelde termijn ontvangen en derhalve ontvankelijk. De door de gemeente Bernheze opgestelde nota zienswijzen is bijgevoegd als bijlage 10. Naar aanleiding van de zienswijze zijn ambtshalve wijzigingen doorgevoerd. 6.2.3 Vaststelling Het bestemmingsplan wordt gewijzigd vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep in te dienen tegen het besluit en het plan.
54/54