CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Oude Torenweg ong. in Nistelrode - Programma van Eisen Archeologie

Raadsvergadering 3 juli 2025, gemeente BernhezeBij agendapunt: Herstelbesluit Oude Torenweg ongenummerd Nistelrode *7.562 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Programma van Eisen Versie en datum

KSP PvE 23039, v1.0(concept), 22-03-2023

Locatie

Torenweg (ong.) te Nistelrode

Projectnaam

Vijf levensloopbestendige woningen aan de Oude Torenweg

Plaats binnen archeologisch proces IVO – Proefsleuven (IVO-P) met eventuele doorstart naar Opgraven Landbodems Opsteller

Naam, adres, telefoon, e-mail

datum

Auteur

Erwin van der Klooster

17-03-2023

paraaf

KSP Archeologie Vleugelstraat 15, 6922 JM Duiven T: 06- 48 89 59 00 E: evanderklooster@ksparcheologie.nl Senior KNA Archeoloog, controle/goedkeuring

Arthur. A.J. Griffioen

20-03-2023

Archeologisch Bureau Griffioen Oldenburgerstraat 58, 3573 SK Utrecht T: 06 – 37 27 65 34 E: info@abgriffioen.nl

Opdrachtgever

Naam, adres, telefoon, e-mail

datum

paraaf

datum

paraaf

datum

paraaf

Debby de Beer Gemeente Bernheze De Misse 6, 5384 BZ Heesch T: 0412-45 88 88 E: d.debeer@bernheze.nl Goedkeuring bevoegde overheid Naam, adres, telefoon, e-mail x Gemeente 0 Provincie 0 Rijk

Gemeente Bernheze

0 Overig

De Misse 6, 5384 BZ Heesch T: 0412-45 88 88 E: gemeente@bernheze.org

Deskundige namens bevoegde overheid

Naam, adres, telefoon, e-mail Karlijn Kersten Monumentenhuis Brabant Markt 9, 4931 BR Geertruidenberg

27-3-2023

T: 0162-51 18 33 E: k.kersten@monumentenhuisbrabant.nl Kennisgeving

Ronald Louer

Depothouder/eigenaar

Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord-

datum

paraaf

Brabant Waterstraat 16, 5211 JD ‘s-Hertogenbosch T: 06-18303225, E: rlouer@brabant.nl

KSP Archeologie

1

Inhoudsopgave 1 Administratieve gegevens onderzoeksgebied ............................................... 4 2 Aanleiding en motivering van het onderzoek ............................................... 5 3 Eerder uitgevoerd onderzoek ....................................................................... 7 4 Archeologische verwachting......................................................................... 8 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10

Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context ........................ 8 Aard en ouderdom van de vindplaats(en) ................................................... 8 Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en) ........................................ 8 Structuren en sporen ............................................................................... 8 Anorganische artefacten ........................................................................... 8 Organische artefacten .............................................................................. 8 Archeozoölogische en botanische resten ..................................................... 9 Motivatie ................................................................................................ 9 Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen .................................. 9 Gaafheid en conservering ......................................................................... 9

5 Doelstelling en vraagstelling ...................................................................... 10 5.1 5.2 5.3 5.4

Doelstelling........................................................................................... 10 Relatie met NOaA en/of andere onderzoekskaders ..................................... 10 Vraagstelling ......................................................................................... 11 Onderzoeksvragen ................................................................................. 11

6 Methoden en technieken ............................................................................ 12 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8 6.9 6.10 6.11

Strategie .............................................................................................. 12 Methoden en technieken ........................................................................ 12 Omgang kwetsbare vondsten en monsters................................................ 13 Structuren en grondsporen ..................................................................... 13 Aardwetenschappelijk onderzoek ............................................................. 14 Anorganische artefacten ......................................................................... 15 Organische artefacten ............................................................................ 15 Archeozoölogische, archeobotanische en fysisch antropologische monsters ... 15 Overig monsters .................................................................................... 15 Dateringstechnieken .............................................................................. 16 Beperkingen ......................................................................................... 16

7 Uitwerking en conservering ....................................................................... 17 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6 7.7

Evaluatiefase ........................................................................................ 17 Structuren, grondsporen en vondstspreidingen ......................................... 17 Analyse aardwetenschappelijke gegevens ................................................. 17 Anorganische artefacten ......................................................................... 17 Organische artefacten ............................................................................ 18 Archeozoölogische en -botanische resten .................................................. 18 Objecttekeningen, foto’s, kaarten e.d. ..................................................... 18

8 (de)selectie en conservering ...................................................................... 19 8.1 8.2 8.3

Selectie materiaal voor uitwerking ........................................................... 19 Selectie materiaal voor deponering en verwijdering ................................... 19 Selectie materiaal voor conservering ........................................................ 19

KSP Archeologie

2

9 Deponering................................................................................................. 20 9.1 9.2 10

Eisen betreffende depot ......................................................................... 20 Te leveren product ................................................................................ 20 Randvoorwaarden en aanvullende eisen ............................................... 21

10.1 10.2 10.3 10.4 11

Personele randvoorwaarden .................................................................... 21 Overlegmomenten ................................................................................. 21 Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie ..................................... 21 Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen ........................................ 22

Wijzigingen ten opzichte van het vastgestelde PvE ............................... 23

11.1 11.2 11.3 11.4

Wijzigingen tijdens het veldwerk ............................................................. 23 Belangrijke wijzigingen .......................................................................... 23 Procedure van wijziging na de evaluatiefase van het veldwerk .................... 23 Procedure van wijziging tijdens uitwerking en conservering ........................ 23

Literatuur ...................................................................................................... 24 Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

KSP Archeologie

Puttenplan Lijst met te verwachten aantallen Overzicht te raadplegen specialisten/specialismen

3

1

Administratieve gegevens onderzoeksgebied Projectnaam

Oude Torenweg (ong.) te Nistelrode

Provincie

Noord-Brabant

Gemeente

Bernheze

Plaats

Nistelrode

Toponiem

Oude Torenweg ten zuiden van Vezelstraat 4

Kaartbladnummer

45E

x,y–coördinaten

x: 167.448 / y: 413.329

CMA/AMK-status

Niet van toepassing

Archis-monumentnummer

Niet van toepassing

Archis-waarnemingsnummer

Niet van toepassing

Oppervlakte plangebied

1.280 m²

Oppervlakte onderzoeksgebied

1.280 m²

Huidig grondgebruik

Groenstrook

Figuur 1: Het plangebied op de topografische kaart 1.10.000 (bron: Kadaster).

KSP Archeologie

4

2

Aanleiding en motivering van het onderzoek

Het plangebied is een gebied van 1.280 m² tussen de Oude Torenweg en de bebouwing aan de Vezelstraat in Nistelrode (gemeente Bernheze, (Figuur 1). Binnen het plangebied zal een vijftal levensloopbestendige woningen worden gebouwd (Figuur 2). Het te bebouwen oppervlak bedraagt ca. 350 m2. De bouwputten voor de fundering zullen waarschijnlijk tot ca. 80 cm beneden maaiveld worden uitgegraven. Daarnaast wordt aan de westzijde een wadi met een oppervlakte van ca. 272 m2 aangelegd. De diepte tot waarop deze wordt uitgegraven is niet bekend. Ten zuiden van huizenblok 5 wordt een drietal bomen gekapt.

Figuur 2: Schetsontwerp toekomstige situatie binnen het plangebied (bron: MRA Architectuur 28-11-2022).

KSP Archeologie

5

In het kader van de aanvraag van de bestemmingsplanwijziging is begin 2023 een bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat onder het plaggendek een grotendeels intacte podzolbodem aanwezig is. Er is een vervolgonderzoek aanbevolen in de vorm van proefsleuven en de gemeente Bernheze heeft ingestemd met dat advies (Schorn 2023). Het vooronderzoek richtte zich op de zone met de wadi, tuinen en woningen in Figuur 2. In het bureauonderzoek is ook het gebied van Vezelstraat 2 behandeld. Dit is een terrein met nutsvoorzieningen waar geen ingrepen gepland staan in de plannen. Zodoende is dit gebied geen onderdeel meer van het plan/onderzoeksgebied. Ten zuiden van bouwblok 5 worden bomen gekapt. Deze zone blijft onderdeel van het plan/onderzoeksgebied. Op Figuur 2 is een donkergroen aangeduide zone ten westen van de wadi aanwezig. Hier staan geen bodemingrepen gepland en dit gebied is geen onderdeel van het plan/onderzoeksgebied. 10 parkeerplaatsen staan gepland in de Oude Torenweg. Zes daarvan komen ter hoogte van een bestaande bestrating en vier ter hoogte van een groenstrook. Aangezien hiervoor ingrepen nodig zijn die niet dieper reiken dan 40 cm beneden maaiveld zijn deze uitgezonderd van het archeologische onderzoek. Voor het vervolgonderzoek is dit Programma van Eisen opgesteld, dat als bijlage wordt toegevoegd bij het bestemmingsplan.

KSP Archeologie

6

3

Eerder uitgevoerd onderzoek

Eerder uitgevoerd onderzoek Bureauonderzoek en Veldonderzoek Uitvoerder KSP Archeologie Uitvoeringsperiode Februari 2023 Uitvoeringsmethode Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) Rapportage Schorn (2023) Vondsten/monsters/documentatie KSP Archeologie in Duiven. Het rapport is aangeleverd bij Archis. Tijdens het onderzoek zijn geen vondsten gedaan of monsters genomen. Specialistisch onderzoek Archeobotanie Niet van toepassing Archeozoölogie Niet van toepassing Fysische antropologie Niet van toepassing Fysische geografie Niet van toepassing Geofysisch onderzoek Niet van toepassing Archeologisch materiaal Niet van toepassing Vondsten/documentatie Niet van toepassing Geraadpleegde bronnen en partijen Overige literatuur Niet van toepassing Amateur-archeologen Niet van toepassing

KSP Archeologie

7

4

Archeologische verwachting

4.1

Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context

Het plangebied ligt op de Peelhorst. In de 19e eeuw was het plangebied onderdeel van een aaneengesloten akkercomplex Hoge Akkers ten oosten van Nistelrode. In de ruime omgeving kwam geen bebouwing voor totdat Nistelrode verder naar het oosten uitbreidde in de 20e eeuw. Uit de onderzoeksmeldingen en vondstmeldingen in een zone van 500 m rondom het plangebied komt naar voren dat in de omgeving van het plangebied vooral vindplaatsen uit de IJzertijd en Romeinse Tijd te verwachten zijn. Dit kunnen zowel nederzettingsterreinen zijn, alsmede grafvelden. Ook kunnen er sporen worden verwacht die ouder zijn dan de IJzertijd. Uit een gesprek met een buurtbewoner tijdens het booronderzoek kwam naar voren dat tijdens de verlegging van het riool in de weg Urnenveld (op ca. 25 m ten westen van het plangebied) urnen waren aangetroffen. Gezien de nabijheid van het urnenveld kan niet worden uitgesloten dat ook in het huidige plangebied urnen aanwezig kunnen zijn. 4.2

Aard en ouderdom van de vindplaats(en)

Op basis van de landschappelijke ligging en de aangetroffen bodemopbouw kunnen binnen het plangebied vindplaatsen aanwezig zijn die stammen uit de periode vanaf het Midden-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Met name worden nederzettingen, agrarisch gebruik en grafmonumenten verwacht. Deze kunnen uit de periode Neolithicum tot en met Volle Middeleeuwen dateren. In de omgeving zijn met name vindplaatsen uit de IJzertijd en Romeinse tijd aangetroffen. Er is een lage verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit de periode Midden-Paleolithicum tot en met Neolithicum en voor overblijfselen (funderingen) van gebouwen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. 4.3

Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en)

Vindplaatsen uit de prehistorie en de middeleeuwen kunnen in het hele plangebied voorkomen en variëren in oppervlaktes van enkele tientallen vierkantenmeters (vuursteenvindplaatsen) tot duizenden vierkantenmeters (nederzettingsterreinen) en zich soms uitstrekken over meerdere hectaren. 4.4

Structuren en sporen

De verwachte resten kunnen onder meer bestaan uit nederzettingssporen (paalgaten, kuilen, boerderijplattegronden, waterputten e.d.), akkerlagen, verkavelingsgreppels, begravingen. Er is een lage verwachting voor vuursteenstrooiingen uit de steentijd en muurresten, uitbraaksleuven, beer- en of waterputten en afvalkuilen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. 4.5

Anorganische artefacten

Op archeologische vindplaatsen kunnen naast aardewerk en natuursteen allerlei gebruiksvoorwerpen van ander materiaal worden aangetroffen, zoals metaal, glas, keramisch bouwmateriaal, leem etc. 4.6

Organische artefacten

Op archeologische vindplaatsen kunnen allerlei objecten van organisch materiaal worden aangetroffen zoals bot, hout en leer. In het zandgebied is in het algemeen sprake van een lage grondwaterstand (grondwatertrap VIII). Boven het grondwaterniveau wordt organisch materiaal zelden aangetroffen omdat de

KSP Archeologie

8

conserveringsomstandigheden slecht zijn door de zuurstofrijke (en zure) bodemomgeving. In deze gebieden zijn ze enkel bewaard gebleven in verkoolde toestand. In diep ingegraven grondsporen met humeuze vullingen zoals greppels, afvalkuilen, beeren/of waterputten zijn de conserveringsomstandigheden beter en kan mogelijk organisch materiaal worden aangetroffen. 4.7

Archeozoölogische en botanische resten

Op archeologische vindplaatsen kunnen resten van zaden, pollen, botmateriaal, uitwerpselen en dergelijke worden aangetroffen. Ook dit zijn organische resten die boven de grondwaterstand niet of nauwelijks bewaard blijven. Gezien de landschappelijke ligging in op de grindrijke zandige Peelhorst met een lage grondwaterstand is de kans dan ook klein dat dergelijke resten aanwezig zijn. In deze omstandigheden zijn ze vaak bewaard gebleven in verkoolde toestand. In diep ingegraven grondsporen met humeuze vullingen zoals greppels, afvalkuilen, beer- en/of waterputten zijn de conserveringsomstandigheden beter en kan mogelijk nog wel organisch materiaal worden aangetroffen. 4.8

Motivatie

Op basis van de landschappelijke ligging op een plateau-achtige horst en de archeologische onderzoeksmeldingen en vondstlocaties uit de omgeving is aan het plangebied een lage verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Midden-Paleolithicum tot en met het Neolithicum en een hoge verwachting voor nederzettingsresten en grafvelden uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Voor de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd is op basis van de historische ontwikkeling een lage verwachting aan het plangebied toegekend. Uit het booronderzoek is gebleken dat de oorspronkelijke veldpodzolgrond in het hele plangebied grotendeels intact is aangetroffen en is afgedekt door een 70-100 cm dik plaggendek. Dit betekent dat het potentiële archeologische niveau vanaf 70 cm -mv kan worden aangetroffen. Op basis hiervan is blijft de lage verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Midden-Paleolithicum tot en met het Neolithicum gehandhaafd evenals de hoge verwachting voor nederzettingsresten en grafvelden uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13 e eeuw). De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen. 4.9

Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen

Uit het booronderzoek is gebleken dat de Bh en Bs-horizonten van oorspronkelijke veldpodzolgrond in het hele plangebied grotendeels intact is aangetroffen en is afgedekt door een 70-100 cm dik plaggendek. Dit betekent dat het potentiële archeologische niveau uit de Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen vanaf 70 cm -mv kan worden aangetroffen. De onverstoorde natuurlijke ondergrond bestaat uit zwak siltig matig grof tot uiterst grof zand dat zwak tot sterk grindhoudend is. Deze zijn geïnterpreteerd als rivierafzettingen van de Maas behorend tot de Formatie van Beegden. Er is geen dekzand aangetroffen. 4.10

Gaafheid en conservering

Tijdens het booronderzoek is gebleken dat enkel de E- en een deel van B-horizont van de podzolbodem zijn opgenomen in het plaggendek. Naar verwachting zullen grondsporen van een eventuele vindplaats daarom een hoge gaafheid hebben en goed geconserveerd zijn. Een deel van het vondstniveau kan in het plaggendek zijn opgenomen.

KSP Archeologie

9

5

Doelstelling en vraagstelling

5.1

Doelstelling

Het doel van het proefsleuvenonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het vooronderzoek. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Het IVO gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied. Deze informatie bestaat uit de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. De mogelijk aanwezige vindplaatsen worden gewaardeerd conform de KNA versie 4.1, bijlage IV Waarderen van vindplaatsen. Op basis van de resultaten van het onderzoek worden aanbevelingen gedaan ten aanzien van het archeologische bodemarchief binnen het plangebied. Hiervoor zijn drie opties: 1. Behoud in situ; 2. Definitieve opgraving; 3. Vrijgeven. Behoud in situ is met de huidige funderingstechniek geen optie ter hoogte van de bouwblokken. Alleen als de vindplaats vooral in de achtertuinen verwacht wordt, zou behoud in situ een optie kunnen zijn. Dan zullen er wel voorwaarden opgenomen moeten worden voor de tuinaanleg. Behoud in situ ter hoogte van de wadi lijkt ook onwaarschijnlijk. Op basis van de onderzoeksresultaten en de aanbevelingen dient de bevoegde overheid een selectiebesluit te kunnen nemen.

Nadat de proefsleuven zijn aangelegd, zal in het veld een waardering plaatsvinden van de (mogelijk behoudenswaardige) archeologische resten. Die waardering wordt schriftelijk aan de bevoegde overheid medegedeeld. Deze waardering is noodzakelijk voor de bevoegde overheid om een besluit op te nemen over vrijgave en/of uitbreiding naar een opgraving. Het doel van de opgraving is het documenteren van gegevens en het uitwerken en veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden die van belang is voor de kennisvorming over het verleden. Deze informatie bestaat uit de projectdocumentatie en de vondsten en monsters. 5.2

Relatie met NOaA en/of andere onderzoekskaders

Het onderzoek valt binnen de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie onder het Brabants zandgebied. Gezien de archeologische verwachting kunnen de volgende hoofdstukken van de NOaA 2.0 van toepassing zijn: 2. Dynamiek van het Nederlandse landschap 5. Sociale en economische differentiatie 6. Emigratie, immigratie, acculturatie 7. De archeologie van het rituele 9. Dodenbestel en grafmonumenten 12. Neolithisatie proces (‘Neolithisering’) 13. De verankering van het boerenbestaan 14. De rol van natuurlijke voedselbronnen na de introductie van de landbouw 16. Overgang Romeinse tijd naar Vroege Middeleeuwen 17. ‘Frankisering’ en kerstening

KSP Archeologie

10

20. De relatie stad – platteland 21. De dynamiek van het landgebruik 22. Mens – materiële cultuurrelaties 23. Netwerken en infrastructuur Op het moment dat er een archeologische vindplaats in het plangebied is aangetroffen, kunnen op basis van de betreffende hoofdstuk(ken) gerichte onderzoeksvragen worden geformuleerd. 5.3

Vraagstelling

Doel van het proefsleuvenonderzoek is inzicht te krijgen in aard, omvang, datering, kwaliteit en behoudenswaardigheid van de aan te treffen archeologische resten en daarmee het toetsen van de archeologische verwachting. Zijn binnen het plangebied archeologische resten aanwezig en worden deze door de voorgenomen bodemingrepen bedreigd? 5.4 1.

2. 3. 4. 5.

Onderzoeksvragen Wat is de bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied? a. Zijn er restanten van de oorspronkelijke bodem aanwezig? b. Zijn (diepe) bodemverstoringen aanwezig? Zijn er archeologische resten in de bodem aanwezig? Zo ja, wat is de aard, omvang, ouderdom en locatie van de archeologische resten (horizontaal en verticaal)? Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten? Is sprake van (een) behoudenswaardige vindplaats? Is op basis van de resultaten van het onderzoek vervolgonderzoek noodzakelijk in het plangebied en welke methoden zouden hierbij kunnen worden ingezet?

Bij een doorstart naar een opgraving zijn minimaal onderstaande vragen ook relevant 6. 7.

8. 9. 10.

Welke vindplaatsen zijn in het onderzoeksgebied aanwezig? Wat is per archeologische vindplaats in het onderzoeksgebied: a. de ligging (waar in het onderzoeksgebied) b. de geologische en/of bodemkundige eenheid (incl. diepteligging) c. de omvang (in vierkantenmeters of hectares) d. de aard, het complextype en de functie van de vindplaats(en) e. de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en vondsten) f. de vondst- en spoordichtheid g. de ouderdom, periodisering, typechronologische classificatie (incl. stratigrafie en cultuurlaag/lagen indien aanwezig) Wanneer en waarom zijn de sites en de vindplaats in zijn geheel verlaten of in onbruik geraakt? Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaatsen (geomorfologie)? Wat is de paleo-ecologische context van het onderzoeksgebied? Zijn in het plangebied locaties aanwezig waar monsters ten behoeve van pollenanalyse genomen kunnen worden?

Daarnaast kunnen op basis van de aard van de vindplaats(en) aanvullende onderzoeksvragen worden geformuleerd (zie ook paragraaf 5.2). Deze worden vastgelegd in een wijzigingsblad op dit PvE (incl. selectiebesluit van de gemeente ten aanzien van de noodzaak van een opgraving).

KSP Archeologie

11

6

Methoden en technieken

6.1

Strategie

Er wordt uitgegaan dat circa 10 % van het oppervlak wordt onderzocht door middel van proefsleuven. Aangezien dit terreindeel een oppervlakte heeft van ca. 1.280 m2 zullen drie proefsleuven worden aangelegd met een afmeting van 10 x 4 m zodat in totaal een oppervlakte van 120 m2 wordt onderzocht (ca. 10% van dit terreindeel). De westelijk geplande sleuf is zo veel mogelijk naar het noorden geplaatst, vanwege de urnen die volgens een buurtbewoner zijn aangetroffen bij het verleggen van het riool in het wegvak van het Urnenveld. Bij de positie van deze sleuf is rekening gehouden met en waterleiding en datakabel die ten westen van de westelijk gelegen sleuf aanwezig zijn. Wanneer onvoldoende informatie is verzameld om te komen tot een goede waardestelling, kan maximaal 40 vierkante meter extra worden aangelegd. Hiermee kunnen sleuven worden verlengd of verbreed, bijvoorbeeld om een groter deel van een structuur bloot te leggen, een spoor te vervolgen of om de begrenzing van een vindplaats beter in beeld te brengen. Als de resultaten van het bovengenoemde onderzoek (fase 1) er aanleiding toe geven dan zal worden doorgestart naar een opgraving (fase 2). Bij het aantreffen van (mogelijk) behoudenswaardige archeologische resten wordt de bevoegde overheid meteen op de hoogte gesteld.

De senior KNAarcheoloog zal direct na uitvoering van het veldonderzoek een waardering opstellen (conform KNA) met advies op basis van de eerste bevindingen en dit schriftelijk voorleggen aan de bevoegde overheid. De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit of aansluitend een opgraving moet plaatsvinden of dat de locatie kan worden vrijgegeven en de geplande werkzaamheden zonder verdere archeologische begeleiding doorgang kunnen vinden. Het besluit wordt schriftelijk vastgelegd en gecommuniceerd met de opdrachtgever en de opdrachtnemer. 6.2

Methoden en technieken

Alle werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 (versie 4.1) met bijbehorende protocol (KNA 4.1), 4003 (inventariserend veldonderzoek) en in geval van een opgraving protocol 4004 (opgraven).

Voorbereiding • • •

Plan van Aanpak (PvA) wordt opgesteld (KNA-specificatie OS01). Dit is een handleiding voor de uitvoering van het onderzoek. Het onderzoek wordt aangemeld bij het Archeologische Informatiesysteem Archis. Het definitieve PvE wordt door de uitvoerder per email en vóór aanvang van het onderzoek ter kennisgeving naar de depothouder gestuurd.

Veldwerk • • • • • • •

Er wordt uitgegaan van een onderzoek met een lage complexiteit. Alle werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform KNA-specificaties OS02 t/m OS09. Bij aanvang van het werk worden foto’s gemaakt van de algemene situatie, waaronder het terrein en omgeving. De proefsleuven worden aangelegd met een graafmachine met een gladde bak. De proefsleuven worden laagsgewijs verdiept totdat het niveau is bereikt waarop de verwachte grondsporen zichtbaar (zouden moeten) zijn. Zodra archeologische sporen worden aangetroffen, wordt een leesbaar vlak aangelegd. Er wordt uitgegaan van de aanleg van één vlak. Mocht het noodzakelijk zijn om een tweede of meerdere vlak(ken) aan te leggen dan worden de grondsporen in het eerste vlak gedocumenteerd en afgewerkt voordat verder wordt verdiept.

KSP Archeologie

12

• • •

•

• •

• • •

•

Hierbij dient muurwerk, dat niet bij de recente bebouwing hoort, intact te blijven. Dit kan er in resulteren dat het volgende vlakniveau kleiner van omvang wordt. In verband met de mogelijkheid om de vindplaats(en) te behouden, mag het graafwerk niet destructiever zijn dan strikt noodzakelijk. Archeologisch relevante structuren mogen niet worden verwijderd. Van de vlakken (eventueel details van bijzondere grondsporen), de profielen en de grondsporen in de coupes worden foto’s gemaakt. Ook worden bijzondere en/of kwetsbare vondsten op de plaats van aantreffen gefotografeerd. De algemene velddocumentatie bestaat uit de registratie en documentatie van de werkzaamheden in het veld. Hierbij worden de bodemlagen, grondsporen, vondsten onder een bepaalde nummering geregistreerd en digitaal ingevoerd zodat een database beschikbaar is van de primaire veldgegevens. Alle vondsten die tijdens het onderzoek worden aangetroffen, worden verzameld met uitzondering van recent materiaal (na 1950) en bouwmateriaal en vensterglas (zie paragraaf 6.6). Van bijzondere deposities binnen sporen worden foto’s gemaakt en ze worden vastgelegd op tekening. De locatie wordt ingemeten/vastgelegd (x-, y- en z-coördinaten) en depositie wordt apart bewaard van het overige vondstmateriaal dat afkomstig is uit het spoor.

Van elke proefsleuf wordt de vlakhoogte en het naastgelegen maaiveldniveau om de 5 m ingemeten in meters ten opzichte van NAP. Er wordt vooralsnog vanuit gegaan dat specialistisch onderzoek in het veld niet nodig is. Mocht dit wel het geval zijn, dan vindt overleg plaats met de opdrachtgever en de bevoegde overheid. Er is een lage verwachting op een (intacte) vuursteenvindplaats. Mochten toch meer dan drie stuks bewerkt vuursteen in onverstoorde context worden aangetroffen in een vak van 4 x 5 meter, is mogelijk sprake van een vuursteenvindplaats. In dat geval worden verspreid over de vermoede concentratie vier boringen gezet in een boorgrid van 2,5 x 2,5 m (diameter 15 cm). De boringen gaan minstens 50 cm diep. Het opgeboorde sediment wordt gezeefd over een zeef met een maaswijdte van 3 mm. Op basis van een eerste inzicht in de spreiding van vuursteen, wordt bepaald wat de nadere strategie zal zijn. Het vlak wordt bij het vermoeden van een vuursteensite niet verder verdiept. In overleg met de bevoegde overheid wordt de te volgen strategie nader afgestemd. Na documentatie worden de proefsleuven weer gedicht.

Bij een doorstart naar een opgraving wordt voordat de graafwerkzaamheden vervolgt worden de hoogte van het maaiveld ingemeten in meters ten opzichte van NAP in een grid van 5 x 5 m. De vlakhoogtes worden bij de opgraving gemeten in een grid van ca. 5 x 5 m ten opzichte van NAP. Archeologisch relevante structuren mogen na documentatie bij een opgraving wel worden verwijderd. Bij het aantreffen van bijzondere of zeer diepreikende structuren en sporen wordt overlegd met de opdrachtgever en de bevoegde overheid of ze nader worden onderzocht/bemonsterd. 6.3

Omgang kwetsbare vondsten en monsters

De verschillende vondstcategorieën worden goed verpakt, zodat de conditie van het materiaal zo weinig mogelijk achteruit gaat. Kwetsbare vondsten en monsters worden behandeld conform OS11/OS11wb en de KNA-Leidraad ‘Eerste hulp bij kwetsbaar vondstmateriaal’. 6.4

Structuren en grondsporen • Er wordt gewerkt conform KNA-specificatie OS03 t/m OS09 (protocol 4004). • De sporen worden getekend, waarbij de vlakken tenminste op schaal 1:50 en de eventuele coupetekeningen en profielen op schaal 1:20. De vlakken kunnen ook met een GPS of Total Station worden ingemeten. Begravingen worden op schaal 1:10 getekend. De sporen worden gefotografeerd en de hoogte ten opzichte van NAP wordt bepaald.

KSP Archeologie

13

• De sporen in het vlak worden gedocumenteerd. Ze worden beschreven en vastgelegd in dagen weekrapporten en op de benodigde formulieren, conform KNA-versie 4.1. • Voor de waardering van de vindplaats worden voldoende sporen gecoupeerd (tenminste 10%) en gedocumenteerd om de kwaliteit en conservering van de sporen vast te stellen. De sporen worden vooralsnog niet afgewerkt. Indien noodzakelijk worden meer vlakniveaus aangelegd waarbij de grondsporen in het voorgaande vlak eerst worden gedocumenteerd en afgewerkt voordat verder wordt verdiept. De sporen in het laatste vlak worden vooralsnog niet afgewerkt. • Sporen waarvan de aard en functie onbekend zijn, worden altijd gecoupeerd en gedocumenteerd, tenzij deze bij nadere bestudering deel uit (kunnen) maken van een grotere structuur zoals een gebouw en dergelijke. • Grondsporen die deel uitmaken van een (gebouw)structuur of grote concentraties grondsporen worden in eerste instantie alleen selectief gecoupeerd en niet afgewerkt. Op basis hiervan kan de datering en conservering worden vastgesteld maar kunnen de archeologische resten, met het oog op mogelijk behoud in situ, zoveel mogelijk intact worden gehouden. • Indien waterputten of andere diepere sporen worden aangetroffen, dan wordt hiervan door middel van een Edelmanboor en/of guts vastgesteld hoe diep deze reiken.

• Aangetroffen crematiegraven worden gedocumenteerd volgens de inmiddels gangbare ‘methode Hiddink’ (Hiddink 2003, 97-107). Wanneer sprake is van inhumatiebegravingen zal een fysisch antropoloog worden ingeschakeld. • Funderingen, vloeren en water- of beerputten die in de proefsleuven worden aangetroffen, worden tijdens het onderzoek in eerste instantie niet verwijderd. • Splitsingen en oversnijdingen van sporen worden onderzocht om een eventuele fasering vast te stellen. Daarbij worden de vondsten per spoor en daarin te onderscheiden vullingen verzameld. • Er is geen verwachting op muurwerk. Mocht dit toch worden aangetroffen dan wordt het muurwerk ingemeten, gefotografeerd en onderzocht op de constructieve aard, omvang en ouderdom. Verder worden de baksteengrootte, metselverband en tien- of vijflaagsmaat genoteerd als deze aanwezig zijn. • Bij het aantreffen van bijzondere structuren en sporen wordt eerst overlegd met de opdrachtgever en de bevoegde overheid voordat ze nader worden onderzocht/bemonsterd. Tijdens een eventuele opgraving worden alle sporen gecoupeerd en afgewerkt. Indien grote of naar verwachting diepere sporen voorkomen wordt overlegd met de bevoegde overheid en de initiatiefnemer of en hoe deze sporen gecoupeerd en afgewerkt moeten worden. 6.5

Aardwetenschappelijk onderzoek • • • • •

Het aardwetenschappelijk onderzoek bestaat uit het bestuderen van de profielopbouw en de aangelegde vlakken. Van elk van de proefsleuven wordt een lengteprofiel aan de hand van kolomopnames gedocumenteerd. Van het lengteprofiel wordt aan beide uiteinden van de proefsleuf een profielkolom van ca. 1 m breed tot ca. 30 cm in de natuurlijke ondergrond (C-horizont). De in totaal 6 kolommen worden gefotografeerd, getekend (schaal 1:20) en beschreven. Bij grote afwijkingen in de bodemopbouw of bij speciale grondsporen in de putwand (zoals lokale depressies, restanten van oud loopvlak, karrensporen, houtwallen, en dergelijke) wordt het gehele profiel voldoende ruim over deze fenomenen gedocumenteerd.

Bij een eventuele doorstart naar een opgraving worden enkel bij grote afwijkingen in de bodemopbouw of bij speciale grondsporen in de putwand (zoals lokale depressies, restanten van oud loopvlak, karrensporen, houtwallen, en dergelijke) aanvullende profielen voldoende ruim over deze fenomenen gedocumenteerd

KSP Archeologie

14

6.6

Anorganische artefacten •

• • • • • •

•

6.7

Organische artefacten •

• • • •

6.8

Vondsten worden (voor zover mogelijk) per spoor (vulling) of laag verzameld en geregistreerd. Vondsten die tijdens de aanleg van de proefsleuven worden aangetroffen, worden in vakken van 5 x 4 meter en per bodemlaag verzameld. Vondsten die tijdens de opgraving worden aangetroffen, worden in vakken van 5 x 5 m en per bodemlaag verzameld. Stortvondsten worden onder één nummer per werkput verzameld. Bijzondere vondsten en vondstconcentraties worden als puntlocatie ingemeten (x-, y-, zwaarden). De organische artefacten worden in het veld verzameld zodat ze na determinatie en uitwerking een antwoord kunnen geven op de onderzoeksvragen. Bij het aantreffen van bijzondere organische artefacten of een zeer grote hoeveelheid vondsten vindt overleg plaats tussen de bevoegde overheid, de opdrachtgever en de depothouder voordat vondsten worden meegenomen uit het veld. Archeozoölogische, archeobotanische en fysisch antropologische monsters

• •

• 6.9

Vondsten worden (voor zover mogelijk) per spoor (vulling) of laag verzameld en geregistreerd. Vondsten die tijdens de aanleg van de proefsleuven worden aangetroffen, worden in vakken van 5 x 4 meter en per bodemlaag verzameld. Vondsten die tijdens de opgraving worden aangetroffen, worden in vakken van 5 x 5 m en per bodemlaag verzameld. Stortvondsten worden onder één nummer per werkput verzameld. Tijdens de aanleg van het vlak wordt met een metaaldetector gecontroleerd op de aanwezigheid van metalen voorwerpen. De metaalvondsten worden ingemeten en onder een ander vondstnummer dan het overige vondstmateriaal geregistreerd. De stort wordt ook onderzocht met een metaaldetector. Bijzondere vondsten en vondstconcentraties worden als puntlocatie ingemeten (x-, y-, zwaarden). Wanneer de in het veld aangetroffen vondsten qua hoeveelheid, soorten materiaal, objecten en/of dateringen en conservering sterk afwijken van wat er werd verwacht, dan zal overleg plaatsvinden tussen de bevoegde overheid, de opdrachtgever en de depothouder. Uitzondering op de bovenstaande werkwijze vormt de materiaalcategorie ‘bouwmateriaal en vensterglas, onversierd’ en recent vondstmateriaal (na 1950). De archeoloog mag hier in het veld een representatieve selectie van meenemen.

Uit relevante, kansrijke contexten worden monsters genomen die geanalyseerd kunnen worden door specialisten. De monsters worden niet meteen gezeefd. In overleg met de bevoegde overheid en de opdrachtgever zal worden bepaald of analyse van de monsters (in het kader van de onderzoeksvragen) nodig is. Analyse van de monsters vindt plaats om antwoord te krijgen op de onderzoeksvragen. Overig monsters

Op basis van de onderzoeksvragen en aanwezigheid van kansrijke sporen worden monsters genomen voor micromorfologisch onderzoek, botanisch onderzoek, pollenanalyse, fosfaatbepaling, onderzoek naar diatomeeën, mijten etc.

KSP Archeologie

15

6.10

Dateringstechnieken

Wanneer vondstmateriaal geen uitsluitsel geeft over de datering van sporen en/of lagen, kunnen monsters worden genomen voor het verkrijgen van een laboratoriumdatering. Dit zullen voornamelijk 14C-, dendrochronologische en OSL dateringen betreffen. In het veld wordt bepaald of de betreffende sporen/lagen ook daadwerkelijk geschikt zijn voor bemonstering. 6.11

Beperkingen

Vanwege het inventariserende karakter van het proefsleuvenonderzoek mogen grotere structuren (bijvoorbeeld muurresten en putten) niet worden verwijderd. Door deze beperking kunnen mogelijk niet alle onderzoeksvragen goed beantwoord worden. Deze beperking vervalt bij een opgraving. Vindplaatsen die buiten het onderzoeksgebied vallen zullen niet volledige gedocumenteerd kunnen worden.

KSP Archeologie

16

7

Uitwerking en conservering

7.1

Evaluatiefase

De evaluatiefases is afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek. • Bij de afwezigheid van een behoudenswaardige vindplaats zal direct gestart worden met het eindverslag en wordt de evaluatiefase overgeslagen. Het rapport wordt binnen een maand na uitvoering van het veldwerk aangeleverd aan de opdrachtgever en de bevoegde overheid.

7.2

•

Bij de aanwezigheid van een behoudenswaardige vindplaats en een directe doorstart naar een opgraving zal binnen een werkdag na het proefsleuvenonderzoek, voorafgaand aan de opgraving een beknopt verslag worden opgesteld met de waardering van de vindplaats en de ruimtelijke begrenzing van de opgraving. Na afronding van de opgraving zal een evaluatierapport worden opgesteld, dat door de bevoegde overheid (gemeente) dient te worden vastgesteld. Het evaluatierapport wordt binnen twee maanden na uitvoering veldwerk aangeleverd aan de opdrachtgever en de bevoegde overheid. Het evaluatierapport wordt opgesteld met daarin een beknopt overzicht van de uitgevoerde werkzaamheden en de eerste resultaten van het onderzoek. Daarnaast wordt een voorstel gedaan voor de uitwerking en analyse van de sporen, vondsten en monsters (zie daarvoor ook paragraaf 7.2 t/m 7.7). De beoordeling van de vondsten en monsters wordt uitgevoerd conform de KNA 4.1, protocol 4004, OS12.

•

Indien een directe doorstart naar een opgraving niet mogelijk blijkt zal een evaluatierapport worden opgesteld, dat door de bevoegde overheid (gemeente) dient te worden vastgesteld. Het evaluatierapport wordt binnen twee maanden na uitvoering proefsleuvenonderzoek aangeleverd aan de opdrachtgever en de bevoegde overheid. Het evaluatierapport wordt opgesteld met daarin een beknopt overzicht van de uitgevoerde werkzaamheden en de eerste resultaten van het onderzoek. Daarnaast wordt een voorstel gedaan voor de uitwerking en analyse van de sporen, vondsten en monsters (zie daarvoor ook paragraaf 7.2 t/m 7.7). De beoordeling van de vondsten en monsters wordt uitgevoerd conform de KNA 4.1, protocol 4004, OS12. Structuren, grondsporen en vondstspreidingen

Vindplaatsen worden op basis van spoor- en vondstspreidingen geïnterpreteerd en vervolgens in tijd (periode) en ruimte begrensd in zones. Dit wordt inzichtelijk gemaakt op een allesporenkaart en indien van toepassing wordt per periode een overzichtskaart gemaakt. De zones/vindplaatsen worden vervolgens geïnterpreteerd en met onderbouwing gewaardeerd conform de KNA. 7.3

Analyse aardwetenschappelijke gegevens

De interpretatie en analyse van de fysisch-geografische en bodemkundige informatie gebeurt zoveel als mogelijk in het veld. De verzamelde gegevens worden uitgewerkt zodat de landschappelijke context en de bodemopbouw van de vindplaats kunnen worden bepaald conform de onderzoeksvragen. De bodemlagen worden duidelijk aangegeven in de profielen met daaraan gekoppeld een (globale) datering. 7.4

Anorganische artefacten

Per archeologisch artefact wordt per vondstcategorie minimaal vastgelegd: • het spoor (of laag) waarin de vondst is aangetroffen • de determinatie

KSP Archeologie

17

• •

de datering eventuele bijzonderheden, zoals grootte categorie, versiering, bewerkingssporen etc.

Iedere vondst wordt in principe gedetermineerd. Vondsten uit de bouwvoor en losse vondsten van de stort of het vlak worden globaal bekeken en geteld en slechts bij bijzondere vondsten nader beschreven en geanalyseerd. Bijzondere vondsten worden door een specialist bekeken. Uitgangspunten voor de uitwerking: • Aardewerk: determinatie per periode op ‘bakselniveau’, en voor zover mogelijk op type. • Glas: determinatie per periode op ‘glastype’ en voor zover mogelijk op gebruikstype. • Natuursteen/vuursteen: determinaties op gesteentesoort en op werktuig-/gebruikstype en indien mogelijk op herkomst. • Metaal: determinatie op metaalsoort, zo mogelijk op artefacttype en periode. 7.5

Organische artefacten

Per archeologisch artefact wordt per vondstcategorie minimaal vastgelegd: • het spoor (of laag) waarin de vondst is aangetroffen • de determinatie • de datering • eventuele bijzonderheden, zoals grootte categorie, versiering, bewerkingssporen etc. Uitgangspunten voor de uitwerking: • Bot: determinatie op diersoort, botelement, artefacttype en eventueel datering • Bewerkt hout: determinatie op houtsoort, artefacttype en eventueel datering Overige opmerkingen: • Bijzondere vondsten worden door een specialist bekeken. 7.6

Archeozoölogische en -botanische resten

Bij de documentatie van het dierlijk botmateriaal wordt minimaal vastgelegd: • het spoor (of laag) waarin de vondst is aangetroffen • de determinatie op type bot en diersoort • eventueel de datering In het evaluatierapport wordt een voorstel gedaan voor nadere analyse en uitwerking van de botanische en archeozoölogische resten. Na goedkeuring van de bevoegde overheid worden botanische resten nader geanalyseerd en uitgewerkt, waarbij een specialist de kwaliteit en het archeologisch-ecologisch potentieel zal vaststellen. 7.7

Objecttekeningen, foto’s, kaarten e.d.

Het eindrapport bevat (minimaal) de volgende afbeeldingen: • De onderzoekslocatie wordt op de topografische kaart aangegeven. • Overzichtskaart van de onderzoekslocatie met aan gelegde proefsleuven. • De sporen en structuren worden afgebeeld op een alle-sporenkaart (ASK), weergegeven per periode. • Eventueel coupetekeningen en/of foto’s. • Tekeningen en/of foto’s van de belangrijkste vondsten (na overleg met en goedkeuring van de bevoegde overheid). • Indien van toepassing, een advieskaart van het plangebied met daarop de zones weergegeven die in aanmerking komen voor behoud in-situ, vervolgonderzoek en/of vrijgave.

KSP Archeologie

18

8

(de)selectie en conservering

8.1

Selectie materiaal voor uitwerking

De vraagstelling en de onderzoeksvragen zijn leidend voor de selectie van de vondsten en monsters voor de uitwerking. De senior KNA-archeoloog maakt de selectie en dit wordt beschreven in het selectierapport, dat onderdeel mag zijn van het evaluatierapport. 8.2

Selectie materiaal voor deponering en verwijdering

Alle organische en anorganische artefacten die worden geselecteerd, worden geconserveerd. Hiervan kan alleen worden afgeweken met instemming van de eigenaar van de vondsten, de provincie. De senior KNA-archeoloog kan een voorstel doen voor de conservering/deponering waarbij bepaalde voorwerpen kunnen worden gedeselecteerd. Als het depot daarmee instemt kunnen deze voorwerpen worden verwijderd. Voorwerpen die niet gedeponeerd worden hoeven niet te worden geconserveerd. 8.3

Selectie materiaal voor conservering

In overleg met de bevoegde overheid wordt bepaald welke voorwerpen voor conservering in aanmerking komen: • Bijzondere vondsten die geconserveerd of gerestaureerd moeten worden, worden in overleg met de bevoegde overheid, opdrachtgever en provinciaal depot overgedragen aan een specialist. • Bij bijzonder kwetsbare vondsten wordt een specialist geraadpleegd. In overleg met de bevoegde overheid wordt vastgesteld of de vondsten behoudenswaardig zijn. Dit wordt vervolgens ter goedkeuring voorgelegd aan de depothouder van het provinciaal depot. • Onherkenbare metaalklompen of klompen van metaaloxide die in een archeologische context zijn gevonden, worden geröntgend om de inhoud vast te stellen (determinatie) en om een beslissing te nemen voor de uitwerking (selectie, conservering). • De gesorteerde en geanalyseerde vondsten worden op een goede manier opgeslagen zodat de kwaliteit van het materiaal niet achteruit gaat.

KSP Archeologie

19

9

Deponering

9.1

Eisen betreffende depot

Conform de KNA 4.1 zijn er een aantal overleg- en goedkeuringsmomenten met de depothouder. • Voor aanvang van het onderzoek wordt contact opgenomen met de depotbeheerder van het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten van Noord-Brabant. • Alle vondsten zijn vanaf het moment van aantreffen eigendom van de provincie (Erfgoedwet Artikel 5.7). • Voor de deponering van de vondsten en documentatie gelden de aanleveringseisen van het Archeologisch Depot van de provincie Noord-Brabant. • De vondsten, monsters en documentatie worden binnen een periode 2 jaar na afronding van het veldwerk overgedragen aan het archeologisch depot van de provincie Noord-Brabant. conform de deponeringseisen van het depot en de desbetreffende specificaties van de KNA versie 4.1. 9.2

Te leveren product

De onderzoeksresultaten worden verwerkt in een rapport volgens de specificaties in de KNA 4.1 en de eisen in dit PvE. Bij het rapport hoort een bewijs van overdracht van vondsten en documentatie dat is afgegeven door het betreffende depot. De bevindingen van het onderzoek worden verwerkt in het Archeologisch Informatiesysteem (Archis).

KSP Archeologie

20

10

Randvoorwaarden en aanvullende eisen

10.1

Personele randvoorwaarden • •

•

•

10.2

Het onderzoek moet worden verricht door een daartoe gecertificeerd bedrijf. Het team dat het onderzoek uitvoert, voldoet qua samenstelling aan de KNA versie 4.1. Dit is minimaal een KNA-archeoloog Ma. Het project staat onder leiding van een senior KNAarcheoloog als projectleider met ervaring met onderzoeken op de pleistocene zandgronden. Een fysisch geograaf (KNA Prospector Ma of KNA Specialist Fysische Geografie) of een KNA archeoloog Ma met ruime en relevante bodemkundige en fysisch-geografische ervaring wordt ingezet voor de interpretatie van de bodemprofielen in het veld. De materiaal- en monsteranalyses (incl. eventuele rapportage) worden uitgevoerd door specialisten met ervaring op het gebied van materiële cultuur, botanische en archeozoölogische resten uit de te verwachten perioden. Overlegmomenten

Afstemming tussen de verschillende partijen vindt plaats op de volgende momenten: • Uiterlijk 1 week voor aanvang van het veldwerk tussen de archeologisch uitvoerder en de opdrachtgever. Hierbij wordt de strategie op basis van plan van aanpak, offerte, overeenkomst en de uitvoeringsplanning wederzijds bevestigd. Daarbij wordt door de archeologisch uitvoerder ook de adviseur van het bevoegde overheid uiterlijk een week voor aanvang geïnformeerd over de start van het veldwerk. • Tijdens het veldwerk vindt op zijn minst 1x overleg plaats tussen de projectleider, de opdrachtgever en (de adviseur van) de bevoegde overheid, waarbij de stand van zaken wordt besproken en de voortgang van de werkzaamheden wordt geëvalueerd. Voorstellen over het wel of niet onderzoeken van bijzondere sporen, worden bij het overleg aan de orde gesteld. Dit speelt in het bijzonder bij complexe fenomenen (bijvoorbeeld vuursteenvindplaatsen of begravingen), waarbij besloten kan worden om deze pas bij een opgraving volledig te documenteren. • Als belangwekkende zaken worden aangetroffen die niet in het PvE zijn voorzien of wanneer substantieel van het PvE moet worden afgeweken, vindt overleg plaats met de bevoegde overheid en de opdrachtgever. • De opdrachtgever en (de adviseur van) de bevoegde overheid worden op de hoogte gesteld van het einde van het veldwerk. • Na de evaluatiefase/rapport.

• Na oplevering conceptrapport. Indien nodig, kunnen meer overleg-/contactmomenten worden ingelast. 10.3

Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie

Het onderzoek wordt uitgevoerd conform de richtlijnen van de KNA versie 4.1 en dit PvE. In alle gevallen waarin dit PvE niet voorziet, zijn de procesbeschrijvingen en specificaties in de KNA van toepassing. De kwaliteitsbewaking, toezicht en evaluatie zal in overleg met de bevoegde overheid plaatsvinden. De KNA-archeoloog neemt het initiatief voor overleg en evaluatie als dit nodig is.

KSP Archeologie

21

10.4

Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen • • • • • •

•

•

• • • •

De uitvoerdatum en uitvoeringstermijn van het veldwerk wordt in overleg met de opdrachtgever vastgesteld. Toegankelijkheid, vergunningen, betredingstoestemming en bereikbaarheid worden door de opdrachtgever geregeld. De opdrachtgever zorgt voor gelegenheid voor het plaatsen van een schaftwagen, een container voor opslag van materiaal en een chemisch toilet. De opdrachtgever verzorgt de contacten met andere belanghebbenden. Op de werklocatie is het goedgekeurde PvE aanwezig. De externe communicatie rondom het archeologisch onderzoek ligt bij de opdrachtgever. Van de archeologische uitvoerder wordt medewerking verwacht voor het aanleveren van inhoudelijke informatie die voor de externe communicatie nodig is. Als er een informatiemoment wordt georganiseerd en de inzet vanuit de archeologische uitvoerder hiervoor niet vanuit de verleende opdracht is te realiseren, dan worden hiervoor eerst aanvullende afspraken gemaakt. Deelname van amateurarcheologen die zijn aangesloten bij een lokale of regionale/landelijke vereniging op het gebied van archeologie is mogelijk. Voorwaarde is dat ze een positieve bijdrage kunnen leveren aan het veldwerk en/of inhoud van het onderzoek. De aanwezigheid van amateurarcheologen wordt vastgelegd in de dag- en weekrapporten. De archeologisch uitvoerder moet op de hoogte zijn van de ligging van kabels en leidingen.

De civieltechnisch uitvoerder levert deze informatie aan en doet hiervoor een KLIC-melding bij het kadaster. De opdrachtgever verstrekt indien gewenst kopieën van de milieurapporten. De opdrachtgever zorgt voor veilige werkomstandigheden. De archeologische uitvoerder zorgt dat grote/belangrijke archeologische sporen en resten aan het eind van de dag zijn veilig gesteld voor ‘schatgravers’. Opgravingsdocumentatie en waardevolle vondsten mogen niet onbeheerd in de keten achterblijven.

KSP Archeologie

22

11

Wijzigingen ten opzichte van het vastgestelde PvE

11.1

Wijzigingen tijdens het veldwerk •

•

• • 11.2

Belangrijke afwijkingen ten opzichte van het PvE worden schriftelijk/per e-mail aangevraagd bij de bevoegde overheid en de opdrachtgever en zijn alleen mogelijk na overleg met en goedkeuring door de opdrachtgever en de bevoegde overheid. Doorgevoerde afwijkingen ten opzichte van het PvE worden door opdrachtnemer op schrift vastgelegd, waarbij het PvE kan worden aangepast of aangevuld. Na goedkeuring van de aanvulling op het PvE kan het veldwerk worden vervolgd. Kleine wijzigingen worden vastgelegd in de dag- en weekrapporten. Minder- of meerwerk wordt overlegd met de opdrachtgever. Belangrijke wijzigingen

Onderstaande belangrijke wijzigingen worden altijd voorgelegd aan de opdrachtgever en de bevoegde overheid: • Wijzigingen in het puttenplan of de in dit PvE geformuleerde onderzoeksstrategie • Afwijkingen van de standaard onderzoeksmethode zoals in dit PvE is opgenomen • Indien belangwekkende zaken worden aangetroffen (afwijkingen van de archeologische verwachting) die niet in het PvE zijn voorzien • Als substantieel van het PvE moet worden afgeweken, onder andere vanwege fysieke en/of technische omstandigheden. 11.3

Procedure van wijziging na de evaluatiefase van het veldwerk • •

11.4

Op basis van het evaluatieverslag wordt bepaald of het PvE ten behoeve van de uitwerking en rapportage moet worden aangepast. Wijzigingen ten opzichte van het PvE na de evaluatiefase van het veldwerk worden, na overleg met de opdrachtgever, schriftelijk aangevraagd bij de bevoegde overheid en zijn alleen mogelijk na overleg met en goedkeuring van de bevoegde overheid. Procedure van wijziging tijdens uitwerking en conservering

Tijdens de uitwerking en conservering kunnen ontdekkingen worden gedaan waarvoor een wijziging in de afgesproken werkwijze is gewenst. Een voorstel voor wijziging wordt voorgelegd aan de bevoegde overheid. Na instemming van de bevoegde overheid wordt de uitwerking en/of conservering op het betreffende punt aangepast. In geval van minderwerk of het eventueel uitvoeren van meerwerk wordt ook overlegd met de opdrachtgever.

KSP Archeologie

23

Literatuur Centraal College van Deskundigen Archeologie (2018). Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1. Stichting voor Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, Gouda. Deeben, J., Peeters, H., Raemakers, D., Rensink, E. & Verhart, L. (2006). De vroege prehistorie, NOaA hoofdstuk 11. Versie 2.0, www.noaa.cultureelerfgoed.nl. Hiddink, H.A. (2003). Het grafritueel in de Late IJzertijd en Romeinse tijd in het Maas-Demer-Scheldegebied, in het bijzonder van twee grafvelden bij Weert. Zuidnederlandse Archeologische Rapporten 11. E.A. (2023). Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (booronderzoek), verkennende fase Oude Torenweg te Nistelrode. Gemeente Bernheze. KSP-rapport

Schorn,

23021 SIKB (2006): Leidraad eerste Hulp bij Kwetsbaar Vondstmateriaal.

KSP Archeologie

24

Bijlage 1

KSP Archeologie

Puttenplan

25

Bijlage 2

Lijst met te verwachten aantallen

Projectnaam Oude Torenweg te Nistelrode (nabij Weverstraat 2) Omvang onderzoeksgebied 1.280 m2 Vondstcategorie Aardewerk Bouwmateriaal Metaal (ferro) Metaal (non-ferro) Slakmateriaal Vuursteen Overig natuursteen Glas Menselijk botmateriaal onverbrand Menselijk botmateriaal verbrand Dierlijk botmateriaal onverbrand Dierlijk botmateriaal verbrand Visresten (handverzameld) Schelpen Hout Houtskool(monsters) Textiel Leer Submoderne materialen Monstername Algemeen biologisch monster (ABM) Algemeen zeefmonster (AZM) Pollen, diatomeeën en andere microfossielen Monsters voor anorganisch chemisch onderzoek Monsters voor micromorfologisch onderzoek Monsters voor luminescentiedatering (OSL) Monsters voor koolstofdatering (14C) Vismonsters DNA Dendrochronologisch monster

KSP Archeologie

Verwachting Paleolithicum – Neolithicum: laag Neolithicum – Volle Middeleeuwen: hoog Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd: laag Verwachte aantal m2 120 m2 Verwachte aantallen (N) 100 5

10

5 5

1

10 Verwachte aantallen (N) 1

1

1

26

Bijlage 3

Overzicht te raadplegen specialisten/specialismen

Vondstcategorie Aardewerk Bouwmateriaal Metaal (ferro) Metaal (non-ferro) Slakmateriaal Vuursteen Overig natuursteen Glas Menselijk botmateriaal onverbrand Menselijk botmateriaal verbrand Dierlijk botmateriaal onverbrand Dierlijk botmateriaal verbrand Visresten Schelpen Hout Houtskool(monsters) Textiel Leer Submoderne materialen Monstername Algemeen biologisch monster (ABM) Algemeen zeefmonster (AZM) Pollen, diatomeeën en andere microfossielen Monsters voor anorganisch chemisch onderzoek Monsters voor micromorfologisch onderzoek Monsters voor luminescentiedatering (OSL) Monsters voor koolstofdatering (14C) DNA Dendrochronologisch monster

KSP Archeologie

In PvE voorschrijven “Raadplegen bij PvA” nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee

In PvE voorschrijven “Raadplegen bij veldwerk” nee nee nee nee nee nee nee nee ja nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee

In PvE voorschrijven “Raadplegen bij uitwerking” ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja

nee nee

nee nee

ja ja

nee

nee

ja

nee

nee

ja

nee

nee

ja

nee

nee

ja

nee nee nee

nee nee nee

ja ja ja

27

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=736134ad-e4b9-4521-8bfe-c13405cd45f3