BP Kamersche Hoef Heeswijk-Dinther - TOE Watertoets
Tekst van het document
BOOT organiserend ingenieursburo bv. Alle opdrachten worden aanvaard en uitgevoerd overeenkomstig de AV-BOOT 2022.
ACUALISATIE WATERTOETS KAMERSCHE HOEF HEESWIJKDINTHER
Jansen Bouwontwikkeling B.V.
OPDRACHTGEVER
Postbus 278 6600 AG Wijchen DATUM
30 juni 2023
DOCUMENTNUMMER
P21-0342-022
OPGESTELD DOOR
J.P.W. van Ekris
GEAUTORISEERD
J. Averink
PROJECTLEIDER
R. Richter Uitdenbogaardt
BOOT organiserend ingenieursburo bv Plesmanstraat 5 3905 KZ Veenendaal WEBSITE
www.buroboot.nl
info@buroboot.nl
PROJECT
1 / 19
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Heeswijk-Dinther, Kamersche Hoef P21-0342-022 30 juni 2023
30 juni 2023
Titelpagina SOORT ONDERZOEK
Actualisatie Watertoets Herpersteeg - Hopveld e.o. te Heeswijk-Dinther,
d.d.
14-04-2021,
14377.002,
Econsultancy ONDERZOEKSLOCATIE
Kamersche Hoef Heeswijk Dinther
CONTACTPERSOON
de heer R. Richter Uitdenbogaardt
DATUM ONDERZOEK
OPDRACHTGEVER
Jansen Bouwontwikkeling B.V. Postbus 278 6600 AG Wijchen Telefoon: 024-6421746 Fax: 024-6451389
CONTACTPERSOON
de heer L. Peters
UITGEVOERD DOOR
BOOT organiserend ingenieursburo bv Plesmanstraat 5 3905 KZ Veenendaal
CONTACTPERSOON
PROJECT
2 / 19
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
R. Richter Uitdenbogaardt
Heeswijk-Dinther, Kamersche Hoef P21-0342-022 30 juni 2023
30 juni 2023
Inhoudsopgave
1
INLEIDING...............................................................................................................................4
2
GEOHYDROLOGISCHE GESTELDHEID ..........................................................................5 2.1
MAAIVELDHOOGTEN ................................................................................................... 5
2.2
GRONDWATERSTANDEN ............................................................................................... 5
2.3
DOORLATENDHEID ...................................................................................................... 6
3
TOEKOMSTIGE ONTWIKKELING .....................................................................................8 3.1
HET PLAN ................................................................................................................. 8
3.2
VERHARD OPPERVLAK .................................................................................................. 9
3.3
WATERBERGINGSOPGAVE .............................................................................................. 9
3.4
RANDVOORWAARDEN EN UITGANGSPUNTEN .................................................................... 10
3.5
HEMELWATERVOORZIENINGEN ..................................................................................... 10
3.6
KEUR ..................................................................................................................... 15
3.7
RIOLERING .............................................................................................................. 16
BIJLAGEN A
: Watertoets Econsultancy 14-04-2021
B
: Ontwerp stedenbouwkundig plan juni 2023
C
: Geohydrologische onderzoeksgegevens
PROJECT
3 / 19
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Heeswijk-Dinther, Kamersche Hoef P21-0342-022 30 juni 2023
30 juni 2023
1
Inleiding Deze notitie betreft een actualisatie van de watertoets voor het nieuwbouwproject Kamersche Hoef te Heeswijk-Dinther, opgesteld door Econsultancy op d.d. 14-04-2021, opgenomen in bijlage A. Na het indienen van de watertoets zijn door de gemeente Bernheze en het waterschap Aa en Maas enkele aandachtspunten aangegeven. BOOT begeleid de verdere planuitwerking en zodoende zijn de aandachtspunten vooruitlopend op het vervolg verwerkt in een actualisatie van de watertoets. De aandachtspunten aangegeven door de voorgenoemde partijen hebben op hoofdlijnen betrekking op het volgende:
De huidige geohydrologische gesteldheid is onzeker. Aanvullend onderzoek of evaluatie is noodzakelijk.
De huidige watertoets is gebaseerd op een reeds vervallen ontwerp. Het huidige ontwerp kent een hoger aantal woningen en een iets andere structuur (meest recente ontwerp is opgenomen in bijlage B).
Het waterschap heeft hun normerende beleidsregels toegelicht, deze moeten op de juiste manier worden verwerkt in de waterbergingsopgave.
Het plan moet aansluiten op de ontwikkeling Heeswijkse Akkers ten zuiden van het plangebied met betrekking tot het oppervlaktewatersysteem.
PROJECT
4 / 19
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Heeswijk-Dinther, Kamersche Hoef P21-0342-022 30 juni 2023
30 juni 2023
2
Geohydrologische gesteldheid In de watertoets van Econsultancy is op basis van grondwatergegevens uit DINOloket een inschatting gemaakt van de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG). Het waterschap trekt de conclusie in de watertoets op basis bij de bij hen bekende modelgegevens in twijfel en raad aan om aanvullend onderzoek te doen.
2.1
Maaiveldhoogten De huidige maaiveldhoogten binnen en rondom het plangebied zijn door BOOT, d.d. 2201-2022, L21-0342-001, ingemeten. Centraal door het plangebied loopt een ondiepe greppel. Het maaiveld loopt op vanaf het zuidwesten naar het noordoosten. In het zuidoosten heeft het maaiveld een hoogte van ca. NAP +7,20 m en in het noordwesten heeft het maaiveld een hoogte van ca. NAP + 7,50 m.
2.2
Grondwaterstanden Er zijn geen meerjarige meetreeksen beschikbaar van de grondwaterstanden binnen het plangebied. Wel zijn er tijdens meerdere veldwerkzaamheden grondwaterpeilingen uitgevoerd en zijn er grondwatermodellen beschikbaar voor de planlocatie. Op basis van deze informatie is een inschatting gedaan van de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG). De volgende bronnen zijn gebruikt:
Verkennend waterbodem-, bodem- en asbestonderzoek Kamersche Hoef te Heeswijk-Dinther, d.d. 31-03-2021, 21KL062, Klijn Bodemonderzoek B.V.
Resultaten geohydrologisch onderzoek Heeswijkse Akkers te Heeswijk-Dinther, d.d. 08-042022, 20211668/LGIE, Geofoxx (Ontwikkeling direct ten zuiden van het plangebied)
Geohydrologisch onderzoek te Kamersche Hoef, d.d. 27-10-2021, M21-0342-001, BOOT BRO Grondwaterspiegeldiepte 2021 (DINOloket.nl) BRO Grondwatermonitoring (DINOloket.nl) Landelijk Hydrologisch modelinstrumentarium (LHM 4.1 GHG 2011-2018) Isohypsenkaart o.b.v. LHM + metingen (Grondwatertools.nl) Modelgegevens Op basis van de geraadpleegde grondwatermodellen is een globale inschatting worden gemaakt van de GHG binnen het plangebied. In tabel 2.1 is een overzicht opgenomen van de grondwatermodelgegevens en de grondwatersituatie volgens deze modellen. Tabel 2-1: Grondwatermodelgegevens voor het plangebied.
GRONDWATERMODEL
RESOLUTIE
GHG [M -MV]
GHG
[M
BRO Grondwaterspiegeldiepte 2021
50x50 m
0,70 westelijk
Ca. 6,80
0,73 midden
Ca. 6,70
0,89 zuidelijk
Ca. 6,40
0,40-0,80
Ca. 6,80
+NAP]
Landelijk
Hydrologisch
modelinstru-
250 x 250 m
mentarium (LHM 4.1 GHG 2011-2018) Isohypsenkaart o.b.v. LHM + metingen
PROJECT
5 / 19
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
– 6,70 Combinatiekaart
Heeswijk-Dinther, Kamersche Hoef P21-0342-022 30 juni 2023
0,70 oostelijk
6,50
0,75 westelijk
6,75
–
30 juni 2023
Veldwerkmetingen Tijdens de verschillende veldwerkzaamheden binnen het plangebied is het grondwaterpeil gepeild. In tabel 2.2 is een overzicht gegeven van de peilingen. Tabel 2-2: Gepeilde grondwaterstanden tijdens veldwerk
VELDWERKZAAMHEDEN Verkennend waterbodem-, bodem- en
DATUM
GRONDWATERPEIL
GRONDWATERPEIL
VELDWERK
[M -MV]
[M +NAP]
04-03-2021
o.b.v.
asbestonderzoek Kamersche Hoef te Heeswijk, Klijn Bodemonderzoek B.V. Resultaten onderzoek
geohydrologisch Heeswijkse
Heeswijk-Dinther,
Akkers
10
Ca. 6,30 – 6,60
peilbuizen gem.: 0,92 28-2-2022
0,70 - 0,90
Ca. 6,30- 6,50
18-10-2021
0,70-0,90
Ca. 6,30- 6,80
te
Geofoxx
(werkzaamheden direct ten zuiden van het plangebied maaiveld ca. NAP +7,50 m) Geohydrologisch
onderzoek
te
Kamersche Hoef, BOOT Conclusie Op basis van de beschikbare informatie uit de grondwatermodellen en de grondwaterpeilingen tijdens de veldwerkzaamheden wordt de GHG binnen het plangebied globaal ingeschat op 0,70 m – mv, ofwel ca. NAP +6,80 m. Dit komt ongeveer overeen met de meest ondiepe grondwaterstand ten opzichte van het huidige maaiveld, welke is aangetroffen binnen het plangebied. Er is gekozen om deze grondwaterstand aan te houden om de reden dat er onvoldoende locatie specifieke meerjarige grondwatergegevens beschikbaar zijn om een diepere grondwaterstand te onderbouwen. 2.3
Doorlatendheid Op 5 boorlocaties zijn in-situ doorlatendheidsmetingen uitgevoerd om de onverzadigde doorlatendheid (boven de grondwaterstand) van de bodem te bepalen. De boorprofielen en -locaties zijn weergegeven in bijlage C. De onverzadigde doorlatendheid (infiltratiecapaciteit) is bepaald met behulp van het K-Sat meetinstrument. De meetprocedure staat bekend als "constant-head", "permeametertest" of "boorgat-infiltratietest". Na verzadiging van de betreffende bodemlaag wordt het debiet dat nodig is om het waterniveau constant te houden gemeten. De resultaten van de doorlatendheidsmetingen zijn weergegeven in bijlage C.
PROJECT
6 / 19
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Heeswijk-Dinther, Kamersche Hoef P21-0342-022 30 juni 2023
30 juni 2023
In tabel 2-3 is een overzicht gegeven van de bodemlagen waarin een doorlatendheidsproef is uitgevoerd en het resultaat van de doorlatendheidsproef. Tabel 2-3: Overzicht bodemlagen, bodemsamenstelling en resultaat doorlatendheid. MEETPUNT
DIEPTE METING
BODEMSAMENSTELLING
[M-MV]
K-WAARDE [M/DAG]
GH01
1,1
Zand, matig fijn, zwak siltig
8,3
GH02
1,0
Zand, matig fijn, zwak siltig, sporen roest
12,5
GH03
0,9
Zand, matig fijn, zwak siltig, sporen roest
11,8
GH04
0,85
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus
1,8
GH05
1,05
Zand, matig fijn, zwak siltig, sporen roest
8,9
De gemeten k-waarden worden geclassificeerd als goed doorlatend (k-waarde 1 – 10 m/dag) en zeer goed doorlatend (k-waarde > 10 m/dag). De meting in boorgat GH04 wijkt af van de andere metingen. Mogelijke oorzaak hiervan is de aanwezigheid van de zwak humeuze bijmenging. De matig fijne zandlaag wordt geschikt geacht voor infiltratie. De representatieve kwaarde voor deze laag wordt conservatief ingeschat op 8 m/dag. Geadviseerd wordt bij de dimensionering van infiltratievoorzieningen rekening te houden met een veiligheidsmarge van 2. Dus om te rekenen met een doorlatendheid van 4 m/dag. De humeuze bijmenging tot maximaal 1 m-mv en de leemlaag vanaf circa 1,5 m-mv tot 2 m-mv vormen een belemmering bij infiltratie. De humeuze toplaag kan eenvoudig worden doorbroken. Daarnaast wordt geadviseerd om rondom infiltratievoorziening aanwezige humeuze lagen te verwijderen. De diepere leemlaag vormt echter een grotere uitdaging. Deze laag kan in theorie doorbroken worden zodat diepere infiltratie kan plaatsvinden. Hierbij ontstaat echter het risico dat het diepere grondwater onder druk omhoogkomt en zo bij een hoge stijghoogte grondwateroverlast ontstaat. De stijghoogte binnen het plangebied is niet bekend, daarom kan dit risico niet worden beoordeeld. Geadviseerd wordt de zandlaag globaal tussen 1 m-mv en 2 m-mv te gebruiken voor infiltratie.
Gezien het beperkte bergend vermogen van dit zandpakket (door de onderliggende leemlaag) is het noodzakelijk voldoende overstortvoorzieningen aan te brengen.
PROJECT
7 / 19
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Heeswijk-Dinther, Kamersche Hoef P21-0342-022 30 juni 2023
30 juni 2023
3
Toekomstige ontwikkeling
3.1
Het plan Het planvoornemen voorziet in de herbestemming van de desbetreffende gronden ten behoeve van de realisatie van een nieuwe woonwijk. In figuur 3-1 is een impressie van het planvoornemen weergegeven. Binnen het plan zijn 137 woningen voorzien bestaande uit rij-, twee-onder-een-kap en vrijstaande woningen.
Figuur 3-1: Stedenbouwkundig plan juni 2023 (bron: Kamersche Hoef, VO stedenbouwkundig plan, d.d. 06-06-2023, Buro Waalbrug
PROJECT
8 / 19
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Heeswijk-Dinther, Kamersche Hoef P21-0342-022 30 juni 2023
30 juni 2023
3.2
Verhard oppervlak Het huidig verhard oppervlak is bepaald aan de hand van de Opentopokaart van PDOK, de topografische kaart en luchtfoto’s. Om een indicatie te geven van het toekomstig verhard oppervlak is uitgegaan van het stedenbouwkundig plan (juni 2023), zoals opgenomen in bijlage B. In het kader van de watertoets wordt een onderscheid gemaakt tussen de kavelgrootte en een aanname voor het toekomstig verhard oppervlak. Voor de rijwoningen wordt 75% van het netto perceeloppervlak (perceeloppervlak - bebouwing) beschouwd als aanname voor het toekomstig verhard oppervlak van bijbouwen en tuin/erfverharding. Voor de grotere kavels zoals de twee-onder-een-kapwoningen (2kap) wordt 50% van het netto perceeloppervlak beschouwd als aanname voor het toekomstig verhard oppervlak. In tabel 3-1 staan de oppervlakten van de huidige en toekomstige bebouwing(en) en verhardingen weergegeven. Tabel 3-1: Gegevens huidig en toekomstig verhard oppervlak
TYPE OPPERVLAK
VERHARD OPPERVLAK [M²]
ONVERHARD OPPERVLAK [M²] Huidige situatie
Bebouwing
2.680
-
Parkeren
-
Terreinverharding Halfverharding
TYPE
VERHARD OPPERVLAK [M²]
ONVERHARD OPPERVLAK [M²] Toekomstige situatie
-
100 100 100 100
6.491 1.644 707 2.208
4.820
-
100
9.023
-
-
-
219
Kavels
-
45.595
5.818 4.376 1.530
Groen/onverhard
-
-
50 75 50 50 100
219
1.939 4.376 1.530 13.015
7.500
45.595
32.016
21.079
Subtotaal Totaal
Rijwoningen 2 onder 1 kap Vrijstaand
% VERHARD
Rijwoningen 2 onder 1 kap Vrijstaand
53.095
Toename verhard oppervlak [m²]
-
-
53.095 +24.516
Ten opzichte van de huidige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak toenemen met 24.516 m2. Het verhard oppervlak in de toekomstige situatie bedraagt circa 32.016 m2 3.3
Waterbergingsopgave Voor dit plan dient in samenwerking met het waterschap een maatwerkoplossing uitgewerkt te worden voor de berging van 60 mm neerslag. Uitgaande van een gevoeligheidsfactor van 1 (stedelijk gebied) bedraagt de initiële compensatiewaarde 1.471 m3 (24.516 m2 x 1 x 0,06 m). Hiervan kan afgeweken worden als dit met aanvullend geohydrologisch onderzoek onderbouwd kan worden. Voor het definitieve waterplan moet bij het waterschap een vergunning worden aangevraagd.
PROJECT
9 / 19
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Heeswijk-Dinther, Kamersche Hoef P21-0342-022 30 juni 2023
30 juni 2023
3.4
Randvoorwaarden en uitgangspunten Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd.
Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (benutten en besparen, vasthouden en infiltreren, bergen en afvoeren).
Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren). De ontwikkeling dient hydrologisch neutraal plaats te vinden. Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd. De wateropgave baseren op de toename van het toekomstig verhard oppervlak. Vooralsnog is uitgegaan van 24.516 m2.
Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren conform 60 mm gerekend over het aantal m2.
Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden). Bouwen volgens Duurzaam Bouwen (DuBo) principe. Wateropgave 1.471 m3. De maximale ledigingsduur van het systeem bij voorkeur gelijk of kleiner dan 24 uur.
Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG. GHG ingeschat op 6,8 m +NAP (ca 0,7 m -mv). In de huidige situatie heeft het maaiveld in het zuidoosten een hoogte van ca. NAP +7,20 m en in het noordwesten heeft het maaiveld een hoogte van ca. NAP + 7,50 m.
Het maaiveld binnen het plangebied zal in de toekomstige situatie opgehoogd worden. 3.5
Hemelwatervoorzieningen Algemeen In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar separaat worden verwerkt. Het streven is dat hemelwater oppervlakkig afstroomt en enkel indien niet mogelijk, ondergrond wordt gebracht. Dit betekent dat bij de verdere planuitwerking water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen en dat hemelwater op een duurzame wijze wordt verwerkt. De ontwikkeling zal daarmee hydrologisch neutraal zijn.
PROJECT
10 / 19
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Heeswijk-Dinther, Kamersche Hoef P21-0342-022 30 juni 2023
30 juni 2023
Hemelwatervoorziening Figuur 3-2 geeft een schetsmatig overzicht weer van het hemelwatersysteem. Het plan is om een primaire wadi te realiseren aan de westkant van het plangebied. Daarnaast worden er watertuinen ingericht welke een secondaire bergingsfunctie hebben. Centraal in het plangebied wordt een greppelstructuur aangebracht welke een verzamel-, bergings- en afwateringsfunctie heeft. Alle waterbergende en water-afvoerende voorzieningen worden aangesloten op de bestaande sloot/greppel ten zuiden van de planlocatie. Deze staat in verbinding met de sloot/greppel ten zuiden van de Veldstraat. Bij de ontwikkeling van het projectgebied Heeswijkse Akkers, ten zuiden van het plangebied Kamersche Hoef, wordt deze watergang tevens aangepakt. Bij de verdere planuitwerking wordt aangesloten bij deze aanpassing aan de watergang en wordt gewaarborgd dat het uiteindelijk als één watersysteem functioneert zonder dat voor overlast of overbelasting van het totale systeem zorgt. Dit zou kunnen door water bijvoorbeeld langer binnen het plangebied vast te houden of door te werken met verschillende peilniveaus. Een wadi is een bovengrondse afkoppelvoorziening waarbij het hemelwater bij voorkeur oppervlakkig wordt getransporteerd naar een laagte in de openbare ruimte waar het vervolgens kan infiltreren in de bodem.
Een dergelijke voorziening is controleerbaar en beheersbaar en kan tevens een zuiverende werking hebben. In sommige situatie kan een gemeente specifieke eisen stellen aan het ontwerp, aanleg, beheer en onderhoud. Een watertuin heeft dezelfde principewerking als een wadi maar wordt volledig uitgevoerd met beplanting. Het voordeel is dat er meer hemelwater geborgen kan worden omdat er gewerkt kan worden met een steiler talud. Daarnaast heeft het door de rijke beplantingsdiversiteit, in tegenstelling tot een wadi met enkel gras, een positieve invloed op de biodiversiteit. Ook heeft een watertuin een hogere esthetische waarden.
PROJECT
11 / 19
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Heeswijk-Dinther, Kamersche Hoef P21-0342-022 30 juni 2023
30 juni 2023
Figuur 3-2: Schetsmatig hemelwatersysteem Kamersche Hoef
PROJECT
12 / 19
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Heeswijk-Dinther, Kamersche Hoef P21-0342-022 30 juni 2023
30 juni 2023
Primaire wadi en greppelstructuur Ter bepaling van het ruimtegebruik van de primaire wadi’s is onderscheid gemaakt in de oostelijk en westelijk gelegen wadi’s. Naast de lengte is ook de breedte op 10 punten opgemeten. Op basis van deze 10 punten is de gemiddelde breedte van de wadi berekend. De diepte van de wadi’s is gebaseerd op de dwarsdoorsnedes uit het stedenbouwkundigplan. Voor de inhoudsberekening, bij volledige vulling, is uitgegaan van een talud van 1 op 3. In tabel 3-2 zijn de gegevens van de primaire wadi’s weergegeven. Tabel 3-2: Berekening primaire wadi’s en greppelstructuur
LOCATIE
LENGTE
GEMIDDELDE
DIEPTE
OPPERVLAKTE
INHOUD
(M)
BREEDTE (M)
(M)
(M2)
(M3)
Greppelstructuur
480
3
0,4
1.440
± 315
Westelijk
210
10
0,5
2.100
± 880
In totaal bieden de primaire wadi en de greppelstructuur ruimte om 1.195 m3 water te bergen. Dan blijft er een restopgave van 276 m² waterberging over. Deze wordt gevonden in de watertuinen. Watertuinen De watertuinen fungeren als groenzones met een waterbergende functie. Door verlagingen in de bestrating wordt water oppervlakkig hiernaartoe afgevoerd, figuur 3-3. Daarnaast fungeren ze als noodoverloop voor de primaire wadi. In de watertuinen heeft het water de tijd om te infiltreren en te verdampen. Voor de inhoudsberekening, bij volledige vulling, is uitgegaan van een talud van 1 op 2. In tabel 3-3 zijn de gegevens van de primaire wadi’s weergegeven.
Figuur 3-3: Voorbeeld watertuin (bron: climatescan.nl) Tabel 3-3: Berekening watertuinen
LOCATIE
LENGTE
GEMIDDELDE
DIEPTE
OPPERVLAKTE
INHOUD
(M)
BREEDTE (M)
(M)
(M )
(M3)
Watertuin A
31
13
0,4
372
± 151
Watertuin B
60
12
0,4
720
± 269
Watertuin C
58
12
0.4
696
± 260
PROJECT
13 / 19
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Heeswijk-Dinther, Kamersche Hoef P21-0342-022 30 juni 2023
2
30 juni 2023
In totaal kan er in de watertuinen 680 m³ water geborgen worden. De minimaal benodigde capaciteit is 249 m³. Hierbij is er dus voldoende bergingsruimte aanwezig. Lediging en calamiteit Op basis van de bodemopbouw en textuur worden geen problemen verwacht met de lediging van het toekomstige systeem. Het beschreven systeem is dusdanig robuust dat een situatie waarbij in een korte tijd 60 mm neerslag valt geborgen kan worden. In een situatie waarbij in een korte tijd meer regen valt dan 60 mm kan tijdelijk een water-op-straat situatie ontstaan. Afstroming van hemelwater richting gebouwen en/of aangrenzende percelen dient te worden voorkomen. Overtollig water kan eventueel overstorten naar de bestaande watergang aan de zuidzijde van de planlocatie. Kwaliteit Algemeen Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater niet mag verslechteren ten opzichte van de huidige situatie. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Bouwmaterialen De gemeente streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood) om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden.
Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) en is ook van toepassing op onderhavige planlocatie. De emissies vanuit bouwmaterialen richting het oppervlaktewater dienen in verband met de waterkwaliteit zoveel mogelijk te worden beperkt door bij voorkeur gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk. Onkruidwerende middelen Voor het gebruik van onkruidwerende middelen in groen en op verharding dient het landelijke beleid gevolgd te worden. Onkruidwerende middelen worden niet meer gebruikt in het openbaar groen. Voor bestrijding op verhardingen vindt gebruik, voor zover toegestaan, plaats via de Duurzaam OnkruidBeheer(DOB)-systematiek en dient gezocht te worden naar alternatieven zoals branden, heet water en/of borstelen.
PROJECT
14 / 19
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Heeswijk-Dinther, Kamersche Hoef P21-0342-022 30 juni 2023
30 juni 2023
3.6
Keur Voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dempen, graven, bouwen, onttrekken, lozen etc. is in het kader van de keur een vergunning van het waterschap benodigd en zal in overleg aangevraagd moeten worden. Ten aanzien van het beoogde planvoornemen is het verplicht een watervergunning aan te vragen. Ten behoeve van de Beleidsregel afvoer door toename en afkoppelen van verhard oppervlak dienen verschillende onderwerpen in het waterhuishoudkundigplan uitgewerkt te worden.
PROJECT
15 / 19
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Heeswijk-Dinther, Kamersche Hoef P21-0342-022 30 juni 2023
30 juni 2023
3.7
Riolering Ten aanzien van de toekomstige situatie zal de ontwikkeling zorgen voor een toename/verandering in het aanbod van vuilwater op het riool. Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin, is voor de berekening uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 120 liter per dag geproduceerd per IE. Per woning wordt uitgegaan van een gemiddelde woningbezetting van 2,5 bewoners. Dit betekent dat er dus 2,5 x 120 liter = 300 liter per dag per woning wordt geloosd. Conform het planontwerp zullen er in totaal 137 woningen worden gerealiseerd. Dit komt overeen met een aanbod c.q. toename van circa 42 m³/dag. De berekening is gebaseerd op basis van aannames en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel dat is gelegen in het Hopveld in het noordoosten van het plangebied. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden. Tevens zal voor de aansluiting een vergunning aangevraagd moeten worden.
PROJECT
16 / 19
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Heeswijk-Dinther, Kamersche Hoef P21-0342-022 30 juni 2023
30 juni 2023
Bijlage A Watertoets Herpersteeg - Hopveld e.o. te Heeswijk-Dinther, d.d. 14-04-2021, 14377.002, Econsultancy
PROJECT
17 / 19
DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM
Heeswijk-Dinther, Kamersche Hoef P21-0342-022 30 juni 2023
30 juni 2023
WATERTOETS HERPERSTEEG - HOPVELD E.O. TE HEESWIJK-DINTHER
Rapportage Watertoets Herpersteeg - Hopveld e.o. te Heeswijk-Dinther Opdrachtgever
Jansen Bouwontwikkeling Bijsterhuizen 3161 6604 LV Wijchen
Rapportnummer Versienummer
14377.002 D1
Status
Eindrapportage
Datum
14 april 2021
Vestiging
Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 0485 - 581818 boxmeer@econsultancy.nl
Opsteller
Mevrouw M.G. van Meijel, BSc
Paraaf Kwaliteitscontrole
De heer ing. R. van den Berg
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 14001:2015.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
LOCATIEGEGEVENS ................................................................................................................ 2
3
WATERRELEVANT BELEID ...................................................................................................... 3 3.1 3.2
4
OMGEVINGSASPECTEN .......................................................................................................... 5 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8
5
Planvoornemen............................................................................................................... 11 Verhard oppervlak .......................................................................................................... 12 Waterbergingsopgave .................................................................................................... 12
PLANUITWERKING.................................................................................................................. 13 6.1 6.2
6.3 6.4 7
Hoogteligging .................................................................................................................... 5 Bodemopbouw .................................................................................................................. 5 Waterdoorlatendheid ........................................................................................................ 5 Geohydrologie .................................................................................................................. 6 Grondwater ....................................................................................................................... 6 Oppervlaktewater.............................................................................................................. 8 Ontwatering ...................................................................................................................... 9 Riolering .......................................................................................................................... 10
TOEKOMSTIGE ONTWIKKELING ........................................................................................... 11 5.1 5.2 5.3
6
Waterschap Aa en Maas .................................................................................................. 3 Gemeente Bernheze ........................................................................................................ 4
Randvoorwaarden en uitgangspunten ........................................................................... 13 Hemelwater..................................................................................................................... 13 6.2.1 Algemeen ......................................................................................................... 13 6.2.2 Hemelwatervoorziening .................................................................................... 13 6.2.3 Lediging en calamiteit ....................................................................................... 16 6.2.4 Kwaliteit ............................................................................................................ 16 Keur ................................................................................................................................ 16 Riolering .......................................................................................................................... 17
CONCLUSIE ............................................................................................................................. 17
BIJLAGEN: 1. 2. 3. 4. 5.
- Topografische ligging - Bernheze notitie hemelwaterbeleid - Gegevens verkennend waterbodem-, bodem- en asbestonderzoek (21KL062) - Concept stedenbouwkundigplan (februari 2021) - Richtlijnen voor het waterhuishoudkundigplan
14377.002
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Jansen Bouwontwikkeling opdracht gekregen voor het opstellen van een watertoets voor een ontwikkeling aan de Herpersteeg - Hopveld e.o. te Heeswijk-Dinther. De initiatiefnemer is voornemens een nieuwe woonwijk te realiseren. Voor de gronden vigeert het bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’ (vastgesteld 08-10-2014). De gronden zijn bestemd als enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschappelijk, cultuurhistorische en/ of abiotische waarden‘. De ontwikkeling van een nieuwe woonwijk is niet mogelijk binnen de bestaande bestemmingsstructuur. Om het plan te realiseren is een bestemmingsplanwijziging nodig. Bij nieuwe ontwikkelingen dient onderzocht moet te worden hoe in het toekomstige plan op een duurzame wijze kan worden omgegaan met hemelwater. Hierbij speelt vasthouden, bergen en afvoeren van water in eigen gebied een belangrijke rol. Wanneer voor bouwplannen een bestemmingsplanwijziging nodig is, zal als een verplicht onderdeel van een ruimtelijk plan of besluit, een waterparagraaf opgenomen moeten worden. De waterparagraaf beschrijft de invloed van het plan op het watersysteem en geeft aan welke eisen het watersysteem aan het besluit of plan oplegt. Daarnaast worden de waterhuishoudkundige consequenties van het plan of besluit hierin meegenomen en omvat het op basis van de gemaakte afwegingen een wateradvies.
Om invulling te kunnen geven aan de waterparagraaf en de waterbelangen te waarborgen dient in deze situatie de watertoets-procedure te worden doorlopen. De watertoets bevat een onderbouwing voor de waterparagraaf die een onderdeel vormt van de ruimtelijke onderbouwing. De watertoets is géén aparte procedure, maar is een traject dat geïntegreerd is in de procedure van het ruimtelijk plan of besluit. Uitgangspunt hierbij is dat een ruimtelijk besluit of plan geen slechtere waterhuishoudkundige situatie oplevert dan in het bestaande beleid is vastgelegd. In deze rapportage is beschreven op welke wijze rekening is gehouden met de waterhuishoudkundige aspecten en het beleid van de waterbeheerders (waterschap Aa en Maas en de gemeente Bernheze). De informatie over de planlocatie is onder andere gebaseerd op informatie verkregen van de opdrachtgever Jansen Bouwontwikkeling B.V. (contactpersoon de heer Peters).
Rapport 14377.002 versie D1
Pagina 1 van 17
2
LOCATIEGEGEVENS
De planlocatie (± 53.000 m²) betreft een voornamelijk agrarisch gebied aan de westzijde van de bebouwde kern van Heeswijk-Dinther. Het gebied ligt globaal tussen de openbare wegen Herpersteeg, Veldstraat, Hopveld en Lariestraat. De planlocatie bestaat uit de percelen die kadastraal bekend zijn gemeente Heeswijk-Dinther, sectie E, nummers 244, 1088, 1478, 2477, 2493, 2494, 2495, 2619, 2620 en 2621. Het gebied bestaat voornamelijk uit grasland. Perceel 2621 is bebouwd met een veestal. Het noordelijke deel van perceel 2477 behoort tot een (voormalig) agrarisch bedrijf. De coördinaten van een centraalpunt zijn X = 160.286, Y = 407.398. De initiatiefnemer is voornemens de bestemming van het gebied te wijzigen, waarna een nieuwe woonwijk wordt gerealiseerd. In figuur 1 is de begrenzing van de planlocatie weergegeven. De topografische ligging is opgenomen in bijlage 1.
Figuur 1. Ligging en begrenzing planlocatie
Rapport 14377.002 versie D1
Pagina 2 van 17
3
WATERRELEVANT BELEID
3.1
Waterschap Aa en Maas
Waterschap Aa en Maas toetst een ruimtelijk plan op 8 onderwerpen de ‘uitgangspunten watertoets’: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
Voorkomen van vervuiling. Wateroverlast vrij bestemmen. Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen (HNO). Vuil water en hemelwater scheiden. Hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer. Waterschapsbelangen. Meervoudig ruimtegebruik. Water als kans.
In de keur van het waterschap is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen (Artikel 3.6 ‘Verbod afvoer door verhard oppervlak’). De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de NoordBrabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De waterschappen hebben bij de Keurregels enkele hydrologische uitgangspunten 1 opgesteld voor het afvoeren van hemelwater. Het verbod uit artikel 3.6 van de keur is van toepassing tenzij:
Het afkoppelen van het verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of; de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. De toename van het verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel.
Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06.
Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: De bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; De afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen.
Bij ontwikkelingen waarbij de toename van het verhard oppervlak 2.000 m 2 of groter is, wordt vanuit het waterschap retentie geëist. Wanneer er sprake is van een plan met een toename van verhard oppervlak groter dan 10.000 m 2 geldt volgens de Keur een vergunningsplicht. Voor grotere plannen 1 Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen
Rapport 14377.002 versie D1
Pagina 3 van 17
geldt de Beleidsregel (Beleidsregel 13 Afvoer door toename en afkoppelen van verhard oppervlak). Als onderdeel van de vergunningsaanvraag dient een waterhuishoudkundigplan opgesteld te worden, waarin alle waterhuishoudkundige aspecten van het plan uiteengezet worden. 3.2
Gemeente Bernheze
Het waterbeleid van de gemeente Bernheze is onder meer vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2016-2020. Het GRP is tot stand gekomen in overleg met waterschap Aa en Maas. Hiermee is gewaarborgd dat de gemeentelijke plannen en maatregelen zijn afgestemd. Daarnaast is ten aanzien van het plan aangesloten op de uitgangspunten zoals opgenomen in de Notitie hemelwaterbeleid Bernheze zoals een “hydrologisch neutrale invulling” wordt aansluiting gezocht met de uitwerking hiervan door waterschap Aa en Maas. De gemeente Bernheze stelt dat verantwoord afkoppelen op twee manieren kan worden uitgevoerd:
Vasthouden op het eigen terrein; Aansluiten op gemeentelijke voorzieningen.
In het beleid van de gemeente Bernheze zijn verder regels opgenomen om bij bouwplannen een duurzame omgang met regenwater eventueel te verplichten. Dit geldt zowel voor nieuwbouw als voor herbouw. Met de wet is specifiek aangegeven dat de perceeleigenaar een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de verwerking van regenwater op zijn eigen terrein, mits doelmatig. Hiertoe heeft zij het mogelijk gemaakt, per verordening bewoners te verplichten om regenwater af te koppelen. Ten aanzien van de afkoppelverordening wordt verwezen naar bijlage 2 van het document “Bernheze notitie hemelwaterbeleid”.
Rapport 14377.002 versie D1
Pagina 4 van 17
4
OMGEVINGSASPECTEN
In dit hoofdstuk wordt de regionale geohydrologische situatie van de planlocatie beschreven. Hierbij wordt ingegaan op aspecten als bodemopbouw, grondwater, waterbeheer en riolering. 4.1
Hoogteligging
Volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (ahn.nl), wordt het maaiveld gekenmerkt door een hoogteverloop van circa 7,5 in m +NAP in het noorden tot circa 7,2 m +NAP in het zuiden van het plangebied. 4.2
Bodemopbouw
De originele bodem bestaat, volgens de bodemkaart van Nederland, uit een hoge zwarte enkeerdgrond (zEZ) en een beekeerdgrond (pZg), die beide volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk zijn opgebouwd uit leemarm en zwak lemig fijn zand. Uit locatiespecifiek onderzoek2, uitgevoerd op 25 februari 2021, blijkt de bovengrond voornamelijk te bestaan uit zwak tot matig siltig, matig fijn zand. De ondergrond bestaat uit zwak tot matig siltig, matig fijn zand. Vanaf circa 1,70 m -mv wordt lokaal zwak zandige klei aangetroffen. Ter plaatse van boring 008 is tussen 1,0 - 2,0 m -mv zwak tot sterk zandige leem waargenomen. In bijlage 3 zijn de gegevens van het locatiespecifiek onderzoek weergegeven. 4.3
Waterdoorlatendheid
Door Koops Grondmechanica is een geotechnisch onderzoek 3 uitgevoerd. Het geotechnisch onderzoek is uitgevoerd in het geotechnisch laboratorium in Roden en heeft bestaan uit 8 maal bepaling van de doorlatendheid op de door de opdrachtgever aangeleverde geroerde monsters. De k-waarde is berekend op basis van de uitkomsten van een korrelverdelingsanalyse. In tabel 1 zijn de gegevens van de berekende doorlatendheid/k-waarde opgenomen. Tabel 1. Doorlatendheid / k-waarde3
Monster
Diepte
Grondsoort
[kN/m3]
2
K-waarde [m/dag]
MM1
0,50-1,50
Zand, matig fijn, zwak siltig, beige
10,00
MM2
0,50-1,50
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donkergrijs
9,85
MM3
0,50-1,50
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donkergrijs
9,15
MM4
0,50-1,50
Zand, matig fijn, zwak siltig, beige
9,95
MM5
0,50-1,50
Zand, matig fijn, zwak siltig, beige
7,00
MM6
0,50-1,50
Zand, matig fijn, zwak siltig, beige
10,15
MM7
0,50-1,50
Zand, matig fijn, zwak siltig, beige
10,15
MM8
0,50-1,50
Zand, matig fijn, sterk siltig, matig humeus, donkergrijs
6,20
Verkennend waterbodem-, bodem- en asbestonderzoek, d.d. 31 maart 2021, projectnummer: 21KL062
3 Geotechnisch onderzoek, d.d. 31 maart 2021, projectnummer: 2021-0546
Rapport 14377.002 versie D1
Pagina 5 van 17
De hierboven berekende k-waarden lijken behoorlijk hoog naar aanleiding van wat op basis van bodemopbouw en textuur zou worden verwacht. De berekende k-waarden dienen derhalve met nodige voorzichtigheid te worden gehanteerd. Econsultancy adviseert om de berekende waarden te vermenigvuldigen met een veiligheidsfactor van 0,3. 4.4
Geohydrologie
Om inzicht te krijgen in de gelaagdheid van goed doorlatende en slecht doorlatende lagen (hydrogeologische eenheden) van de (diepe) bodem is gebruik gemaakt van het REGIS II v2.2 en GeoTOP v1.4 model van TNO. Beide modellen geven op een schematische wijze inzicht in de hydrogeologische opbouw en doorlatendheid van de ondergrond op een regionale schaal. Op basis van de gegevens uit de modellen van TNO blijkt het eerste watervoerend pakket, met een dikte van circa 26 meter, te worden gevormd door respectievelijk de formaties van Boxtel en Beegden. Het eerste watervoerende pakket wordt op wisselende diepten doorsneden door leemlagen behorende tot de Formatie van Boxtel. Op het eerste watervoerende pakket liggen zandige antropogene afzettingen. Het eerste watervoerend pakket wordt aan de onderzijde begrensd door klei- en veenafzettingen van de Formatie van Beegden, laagpakket van Rosmalen. Hieronder bevinden zich goed doorlatende zandige lagen behorende tot de formaties van Beegden en Sterksel. Tabel 2. Geohydrologie Diepte m -mv
Formatie
Typering
Bodem
0,0-1,0
Antropogeen
DKL
Zeer fijn tot matig grof zand
1,0-2,0
Boxtel, Laagpakket van Wierden en Laagpakket van Kootwijk
WVP
Zeer fijn tot matig grof zand
2,0-22,0
Boxtel
WVP
Zeer fijn tot zeer grof zand, lokaal kleiig, leem
22,0-26,5
Beegden
WVP
Matig grof tot uiterst grof zand, lokaal leem
26,5-29,0
Beegden, Laagpakket van Rosmalen
SDL
Klei, veen
29,0-35,5
Beegden
WVP
Matig grof tot uiterst grof zand, lokaal leem
>35,5
Sterksel
WVP
Matig fijn tot uiterst grof zand
DKL = deklaag
4.5
WVP = watervoerend pakket
SDL = slecht doorlatende laag
Grondwater
Veranderingen in de grondwaterstand (stijghoogte) worden voornamelijk veroorzaakt door neerslag en verdamping, maar ook door ingrepen in de waterhuishouding. De stijghoogte kan daardoor van dag tot dag verschillen. Voor beleid, vergunningen en ontwateringsdieptes is het belangrijk om te weten wat de actuele karakteristieken zijn, zoals de GHG en de GLG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand en Gemiddelde Laagste Grondwaterstand). Tijdens het locatiespecifiek onderzoek4 zijn op locatie peilbuizen geplaatst. Op 4 maart 2021 is het grondwater bemonsterd. Voorafgaand aan de bemonstering is de grondwaterstand in de peilbuizen gemeten. De gegevens van de peilbuizen en veldmetingen is opgenomen in tabel 3.
4 Verkennend waterbodem-, bodem- en asbestonderzoek, d.d. 31 maart 2021, projectnummer: 21KL062
Rapport 14377.002 versie D1
Pagina 6 van 17
Tabel 3. Overzicht gegevens peilbuizen en veldmetingen grondwater op 4 maart 2021 Peilbuisnummer
Filterstelling (m -mv)
Grondwaterstand (m -mv)
1
1,5-2,5
0,89
2
1,5-2,5
0,95
3
1,5-2,5
0,94
4
1,5-2,5
0,89
5
1,5-2,5
0,89
6
1,5-2,5
0,90
7
1,5-2,5
0,97
8
1,5-2,5
0,95
101
1,5-2,5
0,88
201
1,6-2,6
0,97
TNO-NITG voert het databeheer van in de omgeving aanwezige grondwaterpeilputten waarin de grondwaterstandstand in het eerste watervoerende pakket wordt gemonitoord. Middels de interactieve grondwatertools ‘Isohypsen’ en ‘Grondwaterdynamiek’ van de Geologische Dienst Nederland worden de historische grondwatermeetreeksen uit het archief van TNO gesimuleerd met behulp van dagelijkse metingen van neerslag en verdamping uit gegevens van het KNMI. In het archief van TNO zijn in de directe nabijheid van de planlocatie geen bruikbare grondwaterdata beschikbaar. Voor de bepaling van de locatiespecifieke grondwaterkarakteristieken is gebruik gemaakt van historische grondwaterdata van grondwatermeetpunten uit de omgeving. De historische meetreeksen van de gebruikte grondwatermeetpunten zijn geïnterpoleerd naar de planlocatie. De meetreeksen zijn gedateerd en dienen met voorzichtigheid gehanteerd te worden. In tabel 4 zijn de gegevens van de grondwaterpeilputten opgenomen. In figuur 2 is de situering van de grondwaterpeilputten weergegeven. Het grondwater van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens van de geraadpleegde bronnen, in westelijke richting. Tabel 4. Overzicht grondwaterpeilputten TNO
grondwaterpeilput
windrichting t.o.v. locatie
afstand t.o.v. locatie (m)
meetperiode
GLG (m +NAP)
GHG (m +NAP)
B45G0994
N
95
13-12-1991 / 15-12-1999
5,7
6,4
B45D1232
NW
500
13-12-1991 / 15-12-1999
5,7
6,5
Rapport 14377.002 versie D1
Pagina 7 van 17
Figuur 2. Situering grondwaterpeilputten TNO
Op basis van de beschikbare gegevens wordt ingeschat dat de GHG op ± 6,4 m +NAP is gelegen. Hiermee zou de GHG zich op ± 1,0 m -mv in het noorden en ± 0,8 m -mv in het zuiden bevinden. Op basis van de gegevens in de Klimaateffectatlas 5 bevindt de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) zich op 1 - 1,5 m -mv. De planlocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings-, grondwaterwin-, attentiegebied of boringsvrijezone. 4.6
Oppervlaktewater
Voor het waterschap is de legger, samen met de keur, hèt instrument om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten, voldoende en schoon water. De legger bestaat uit een set van kaarten. Daarop staat welke rivieren, beken, vennen en regenwaterbuffers, lijnvormige elementen, waterkeringen en kunstwerken (stuwen, sluisdeuren en kademuren) het waterschap in beheer heeft en waar ze liggen. De legger bevat ook een register waarin staat wie waar en waarvoor het onderhoud moet doen. Tot slot bevat de legger zones (zoneringen) voor toekomstige ontwikkelingen en bescherming van het watersysteem. Op de leggerkaart van waterschap Aa en Maas zijn de in de directe omgeving van de planlocatie gelegen oppervlaktewateren weergegeven. Aan de zuidzijde van de planlocatie is een primaire watergang (2130010) gelegen. Ten noorden van de Lariestraat ligt eveneens een primaire watergang (2113660). In figuur 3 is een uitsnede van de leggerkaart weergegeven. 5 www.klimaateffectatlas.nl
Rapport 14377.002 versie D1
Pagina 8 van 17
Figuur 3. Uitsnede legger oppervlaktewater waterschap Aa en Maas
4.7
Ontwatering
Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij het ontwerp rekening gehouden te worden met minimale ontwateringsdiepten. Uitgangspunt hierbij is dat bij de inrichting van (nieuw) stedelijk gebied in principe wordt aangesloten bij de huidige grond- en oppervlaktewaterpeilen, en dat er ten gevolge van de inrichting van het betreffende gebied geen negatieve effecten op de omgeving ontstaan (verdroging of vernatting). Met andere woorden, hydrologisch neutraal ontwerpen.
Figuur 4. Ontwatering en drooglegging
Rapport 14377.002 versie D1
Pagina 9 van 17
De ontwateringsdiepte is het verschil in hoogte tussen het maaiveld en de maximaal optredende grondwaterstand. Gangbare normen voor de ontwateringsdiepte zijn:
Woningen met kruipruimte: Woningen zonder kruipruimte: (Vloerpeil van woningen 0,30 m + maaiveld) Tuinen en openbare groenvoorzieningen: Primaire wegen: Secundaire wegen en woonstraten:
0,7 m -mv 0,3 m -mv 0,5 m -mv 1,0 m 0,7 m
Het huidige maaiveld is gemiddeld gelegen op een hoogte van circa 7,5 m +NAP in het noorden en 7,2 m +NAP in het zuiden. De GHG is ingeschat op 6,4 m +NAP. De ontwatering zal ten aanzien van de (bouw)peilen in de toekomstige situatie voldoende zijn. Geadviseerd wordt om de toekomstige bouwpeilen circa 20 cm hoger aan te leggen dan het naastgelegen wegpeil. 4.8
Riolering
De Herpersteeg en Veldstraat zijn aangesloten op een drukriool. In de Lariestraat en Hopveld is een gemengd rioolstelsel gelegen.
Rapport 14377.002 versie D1
Pagina 10 van 17
5 5.1
TOEKOMSTIGE ONTWIKKELING Planvoornemen
Het planvoornemen voorziet in de herbestemming van de desbetreffende gronden ten behoeve van de realisatie van een nieuwe woonwijk. In figuur 5 is een impressie van het planvoornemen weergegeven.
Figuur 5. Stedenbouwkundig plan (concept) – februari 2021 (bron: Buro Waalbrug)
Rapport 14377.002 versie D1
Pagina 11 van 17
5.2
Verhard oppervlak
Het huidig verhard oppervlak is bepaald aan de hand van de Opentopokaart van PDOK, de topografische kaart en luchtfoto’s. Om een indicatie te geven van het toekomstig verhard oppervlak is uitgegaan van het concept stedenbouwkundigplan (februari 2021), zoals opgenomen in bijlage 4. In het kader van de watertoets wordt een onderscheid gemaakt tussen de kavelgrootte en een aanname voor het toekomstig verhard oppervlak. Voor de rijwoningen wordt 75 % van het netto perceeloppervlak (perceeloppervlak - bebouwing) beschouwd als aanname voor het toekomstig verhard oppervlak van bijbouwen en tuin/erfverharding. Voor de grotere kavels zoals de twee-onder-een-kapwoningen (2kap) wordt 50 % van het netto perceeloppervlak beschouwd als aanname voor het toekomstig verhard oppervlak. In tabel 5 staan de oppervlakten van de huidige en toekomstige bebouwing(en) en verhardingen weergegeven. Tabel 5.
Gegevens huidig en toekomstig verhard oppervlak
Type verharding Bebouwing
Erfverharding
Huidig (m²) ± 2.680
± 4.820
Toekomstig (m²) Rij:
± 3.030
2kap:
± 5.030
Rij:
± 3.010*
2kap:
± 7.855**
Infrastructuur
-
± 7.315
Parkeren
-
± 1.740
Totaal
± 7.500
* 75 % van het netto perceeloppervlak ** 50 % van het netto perceeloppervlak
Ten opzichte van de huidige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak toenemen met 19.480 m2. Het verhard oppervlak in de toekomstige situatie bedraagt circa 26.980 m2. 5.3
Waterbergingsopgave
Voor dit plan dient in samenwerking met het waterschap een maatwerkoplossing uitgewerkt te worden voor de berging van 60 mm neerslag. Uitgaande van een gevoeligheidsfactor van 1 (stedelijk gebied) bedraagt de initiële compensatiewaarde 1.170 m 3 (19.480 m2 x 1 x 0,06 m). Hiervan kan afgeweken worden als dit met aanvullend geohydrologisch onderzoek onderbouwd kan worden. Voor het definitieve waterplan moet bij het waterschap een vergunning worden aangevraagd.
Rapport 14377.002 versie D1
Pagina 12 van 17
6
PLANUITWERKING
6.1
Randvoorwaarden en uitgangspunten
Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd.
Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren). Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren). De ontwikkeling dient hydrologisch neutraal plaats te vinden (HNO). Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd. De wateropgave baseren op de toename van het toekomstig verhard oppervlak. Vooralsnog is uitgegaan van 19.475 m2. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren conform 60 mm gerekend over het aantal m2. Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden). Bouwen volgens Duurzaam Bouwen (DuBo) principe. Wateropgave 1.170 m3. De maximale ledigingsduur van het systeem bij voorkeur gelijk of kleiner dan 24 uur. Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG. GHG ingeschat op 6,4 m +NAP (0,8 - 1,0 m -mv).
6.2
Hemelwater
6.2.1 Algemeen In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar separaat worden verwerkt. Dit betekent dat bij de verdere planuitwerking water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen en dat hemelwater op een duurzame wijze wordt verwerkt. De ontwikkeling zal daarmee hydrologisch neutraal zijn. 6.2.2
Hemelwatervoorziening
In het stedenbouwkundigplan is een themakaart ‘water’ opgenomen, zie bijlage 4. Het plan is om primaire en secundaire wadi’s te realiseren waarbij het hemelwater kan infiltreren of worden afgevoerd naar de bestaande sloot/greppel ten zuiden van de planlocatie. Een wadi is een bovengrondse afkoppelvoorziening waarbij het hemelwater bij voorkeur oppervlakkig wordt getransporteerd naar een laagte in de openbare ruimte waar het vervolgens kan infiltreren in de bodem. Een dergelijke voorziening is controleerbaar en beheersbaar en kan tevens een zuiverende werking hebben. In sommige situatie kan een gemeente specifieke eisen stellen aan het ontwerp, aanleg, beheer en onderhoud. In figuur 6 zijn de locaties voor de aanleg van de primaire en secundaire wadi’s weergegeven.
Rapport 14377.002 versie D1
Pagina 13 van 17
Figuur 6. Locaties wadi’s volgens stedenbouwkundigplan
Primaire wadi Ter bepaling van het ruimtegebruik van de primaire wadi’s is onderscheid gemaakt in de oostelijk en westelijk gelegen wadi’s. Naast de lengte is ook de breedte op 10 punten opgemeten. Op basis van deze 10 punten is de gemiddelde breedte van de wadi berekend. De diepte van de wadi’s is gebaseerd op de dwarsdoorsnedes uit het stedenbouwkundigplan. Voor de inhoudsberekening, bij volledige vulling, is uitgegaan van een talud van 1 op 3. In tabel 6 zijn de gegevens van de primaire wadi’s weergegeven. Tabel 6.
Gegevens primaire wadi
Locatie wadi
Lengte (m)
Gemiddelde breedte (m)
Diepte (m)
Oppervlakte (m2)
Inhoud (m3)
Oostelijk
480
3
0,4
1.440
± 315
Westelijk
210
10
0,5
2.100
± 880
In totaal bieden de primaire wadi’s ruimte om 1.195 m 3 water te bergen. Dit is voldoende om de totale wateropgave te kunnen bergen.
Rapport 14377.002 versie D1
Pagina 14 van 17
Secundaire wadi’s Groen en water wordt over het algemeen door bewoners als positief ervaren. De inrichting van de wadi draagt bij aan de positieve beoordeling van omwonende. Het is mogelijk om de wadi te combineren met speelmogelijkheden. Door het plaatsen van stapstenen of een boomstam worden de wadi’s een aantrekkelijk speelelement, zowel in natte als droge tijden.
Bron links: Basisschool het Stadsveld Enschede
Bron rechts: Econsultancy
Om de veiligheid voor kinderen te garanderen is het raadzaam om een flauwer talud toe te passen. Ter bepaling van het ruimtegebruik van de secundaire wadi’s is de lengte opgemeten en per locatie de breedte bepaald door op 2 punten de breedte te meten en hier het gemiddelde van te nemen. Voor de inhoudsberekening, bij volledige vulling, is uitgegaan van een talud van 1 op 4. In tabel 7 zijn de gegevens van de secundaire wadi’s weergegeven. Gegevens secundaire wadi’s
Tabel 7.
Locatie wadi
Lengte (m)
Gemiddelde breedte (m)
Diepte (m)
Oppervlakte (m2)
Inhoud (m3)
A
25
8
0,3
200
± 50
B
55
9
0,3
495
± 125
C
55
9
0,3
495
± 125
D
45
15
0,3
675
± 180
E
45
15
0,3
675
± 180
Op basis van bovenstaande gegevens is in de secundaire wadi’s ruimte om in totaal 660 m 3 water te bergen.
Rapport 14377.002 versie D1
Pagina 15 van 17
6.2.3
Lediging en calamiteit
Op basis van de bodemopbouw en textuur worden geen problemen verwacht met de lediging van het toekomstige systeem. Het beschreven systeem is dusdanig robuust dat een situatie waarbij in een korte tijd 60 mm neerslag valt geborgen kan worden. In een situatie waarbij in een korte tijd meer regen valt dan 60 mm kan tijdelijk een water-op-straat situatie ontstaan. Afstroming van hemelwater richting gebouwen en/of aangrenzende percelen dient te worden voorkomen. Overtollig water kan eventueel overstorten naar de bestaande watergang (2130010) aan de zuidzijde van de planlocatie. 6.2.4
Kwaliteit
Algemeen Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater niet mag verslechteren ten opzichte van de huidige situatie. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Bouwmaterialen De gemeente streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood) om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) en is ook van toepassing op onderhavige planlocatie. De emissies vanuit bouwmaterialen richting het oppervlaktewater dienen in verband met de waterkwaliteit zoveel mogelijk te worden beperkt door bij voorkeur gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk. Onkruidwerende middelen Voor het gebruik van onkruidwerende middelen in groen en op verharding dient het landelijke beleid gevolgd te worden. Onkruidwerende middelen worden niet meer gebruikt in het openbaar groen. Voor bestrijding op verhardingen vindt gebruik, voor zover toegestaan, plaats via de DOB-systematiek en dient gezocht te worden naar alternatieven zoals branden, heet water en/of borstelen. 6.3
Keur
Voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dempen, graven, bouwen, onttrekken, lozen etc. is in het kader van de keur een vergunning van het waterschap benodigd en zal in overleg aangevraagd moeten worden. Ten aanzien van het beoogde planvoornemen is het verplicht een watervergunning aan te vragen. Ten behoeve van de Beleidregel afvoer door toename en afkoppelen van verhard oppervlak dienen verschillende onderwerpen in het waterhuishoudkundigplan uitgewerkt te worden. De richtlijnen voor het waterhuishoudkundig plan zijn opgenomen in bijlage 5.
Rapport 14377.002 versie D1
Pagina 16 van 17
6.4
Riolering
Ten aanzien van de toekomstige situatie zal de ontwikkeling zorgen voor een toename/verandering in het aanbod van vuilwater op het riool. Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin, is voor de berekening uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 120 liter per dag geproduceerd per IE. Per woning wordt uitgegaan van een gemiddelde woningbezetting van 2,5 bewoners. Dit betekent dat er dus 2,5 x 120 liter = 300 liter per dag per woning wordt geloosd. Conform het planontwerp zullen er in totaal 117 woningen worden gerealiseerd. Dit komt overeen met een aanbod c.q. toename van circa 35 m³/dag. De berekening is gebaseerd op basis van aannames en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden. Tevens zal voor de aansluiting een vergunning aangevraagd moeten worden.
7
CONCLUSIE
Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan.
Econsultancy Boxmeer, 14 april 2021
Rapport 14377.002 versie D1
Pagina 17 van 17
Bijlage 1
Topografische ligging
Schaal 1:25.000 Deze kaart is noordgericht
Bijlage 2
Bernheze notitie hemelwaterbeleid
Bernheze
Hemelwaterbeleid
Gebaseerd op Waterplan en GRP 2010-2014
-1-
Bernheze 1. Inhoudsopgave 1. Inhoudsopgave ............................................................................................................. 2 Inleiding ............................................................................................................................... 3 2. Landelijke wet- en regelgeving ..................................................................................... 4 2.1. De Waterwet ....................................................................................................... 4 2.2. Beleidskader Waterplan 2006-2012....................................................................... 4 2.3. Beleidskader GRP 2010-2011 .............................................................................. 4 2.4. Beleid waterschap “Aa en Maas” .......................................................................... 5 3. Uitwerking beleidskader uit het GRP “de Doelstellingen”............................................ 6 3.1.1. Inleiding ...................................................................................................... 6 3.1.2. De plaats van hemelwater in het stedelijk watersysteem ................................ 6 3.1.3. Uitgangspunten van het hemelwater beleid .................................................. 7 3.2.
Vertaling voor nieuwe en bestaande gebieden....................................................... 8 3.2.1. Nieuwe gebieden......................................................................................... 8 3.2.2. Bestaande gebieden ...................................................................................... 8 4. Flankerend beleid ......................................................................................................... 9 4.1. Subsidieregeling voor bewoners............................................................................ 9 4.1.1. Inleiding ...................................................................................................... 9 4.1.2. Wijze van afkoppelen................................................................................... 9 4.1.3. Tegemoetkoming/subsidiering................................................................... 10 4.2. Afkoppelverordening.......................................................................................... 11 4.3. Onkruidbestrijding ............................................................................................. 12 4.4. Calamiteitenplan ................................................................................................ 12 4.5. Verbieden autowassen op straat .......................................................................... 12 4.6.