BP Kamersche Hoef Heeswijk-Dinther - TOE Quickscan Wet natuurbescherming
Tekst van het document
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING HERPERSTEEG - HOPVELD E.O. TE HEESWIJK-DINTHER
Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Herpersteeg - Hopveld e.o. te Heeswijk-Dinther Opdrachtgever
Jansen Bouwontwikkeling Bijsterhuizen 3161 6604 LV Wijchen
Rapportnummer Versienummer
14377.004 D2
Status
Eindrapportage
Datum
16 december 2021
Vestiging
Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 088 - 5001600 boxmeer@econsultancy.nl
Opsteller
Mevrouw A. Lauwers, BSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole
Mevrouw F. Boonk, MSc
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1 2
3 4
5
6
7
8 9
INLEIDING .................................................................................................................................... 1 GEBIEDSBESCHRIJVING ........................................................................................................... 2 2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4 ONDERZOEKSMETHODIEK ....................................................................................................... 5 OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ....................................................... 6 4.1 Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 4.2 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 4.3 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 4.4 Houtopstanden ................................................................................................................. 8 AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN ....................................
9 5.1 Vogels ............................................................................................................................... 9 5.2 Vleermuizen .................................................................................................................... 11 5.3 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 12 5.4 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 14 5.5 Ongewervelden............................................................................................................... 15 5.6 Vaatplanten..................................................................................................................... 15 TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ........................................................................... 17 6.1 Broedvogels .................................................................................................................... 17 6.2 Vleermuizen .................................................................................................................... 18 6.3 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën ....................................................
18 6.4 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 19 TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING .......................................................................... 20 7.1 Natura 2000 .................................................................................................................... 20 7.2 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 21 HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................... 22 SAMENVATTING EN CONCLUSIES ......................................................................................... 23
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 14377.004
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Jansen Bouwontwikkeling opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Herpersteeg - Hopveld e.o. te Heeswijk-Dinther. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
Rapport 14377.004 versie D2
Pagina 1 van 24
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 5,3 ha) ligt tussen de openbare wegen Herpersteeg, Veldstraat, Hopveld en Lariestraat, circa 400 meter ten westen van de kern van Heeswijk-Dinther (figuur 1). Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 160.292, Y = 407.406.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie (rood omlijnd).
De onderzoekslocatie betreft agrarisch gebied dat voornamelijk bestaat uit graslanden en paardenweiden. Op het noordwestelijk perceel is een stal aanwezig, welke is opgebouwd uit bakstenen met een golfplaten dak. Daarnaast is op het zuidoostelijke perceel een schuur aanwezig. Van noord naar zuid door het midden van de onderzoekslocatie loopt een ondiepe watergang die gedeeltelijk droogstond en er is een zijtuin aanwezig op de onderzoekslocatie waar de ontsluiting naar de openbare weg Hopveld gerealiseerd gaat worden. Ten noorden van de onderzoekslocatie zijn boerderijen gelegen, ten oosten zijn woningen aanwezig, direct ten oosten, zuiden en westen grenst een watergang en ten westen van de onderzoekslocatie is een bomenrij aanwezig. Verder richting het zuiden is rivier de Aa gelegen en ten noorden rivier de Leijgraaf. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 11 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Rapport 14377.004 versie D2
Pagina 2 van 24
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie (wit omlijnd) en de directe omgeving.
Figuur 3. Noordoostelijk perceel.
Figuur 4. Noordwestelijk perceel.
Figuur 5. Westelijk perceel met aangrenzende bomenrij.
Figuur 6. Droogstaande watergang op de onderzoekslocatie.
Figuur 7. Middelste percelen.
Figuur 8. Zuidoostelijk perceel met bijbehorende schuur en een mesthoop.
Rapport 14377.004 versie D2
Pagina 3 van 24
Figuur 9. Watergang en aanwezige stal.
2.2
Figuur 10. perceel.
Noordoostelijk
gelegen
Figuur 11. Zijtuin.
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens de bestemming van het gebied te wijzigen, waarna een nieuwe woonwijk wordt gerealiseerd (figuur 12).
Figuur 12. Stedenbouwkundige proefverkaveling (bron: Buro Waalbrug, d.d. 6 mei 2021).
Rapport 14377.004 versie D2
Pagina 4 van 24
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 1 maart 2021. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie * opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
Rapport 14377.004 versie D2
Pagina 5 van 24
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 14377.004 versie D2
Pagina 6 van 24
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
Rapport 14377.004 versie D2
Pagina 7 van 24
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
Rapport 14377.004 versie D2
Pagina 8 van 24
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Aan de rand van de bebouwde kom kunnen dit zijn: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer en steenuil. Van deze soorten kan de slechtvalk op voorhand worden uitgesloten. Deze soort broedt enkel op hoge stenige bebouwing, zoals kantoorgebouwen, torens en fabrieksschoorstenen. Boomvalk, buizerd, havik, ransuil en sperwer Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie waarnemingen gedaan van boomvalk, buizerd, havik, ransuil en sperwer. Deze soorten zijn allen voor hun nesten afhankelijk van (hoge) boomopstand. De hoge bomen op en rondom de onderzoekslocatie konden tijdens het veldbezoek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. In de bomen op de onderzoekslocatie en binnen een straal van 75 meter van de onderzoekslocatie zijn geen nesten aangetroffen die tot een van deze soorten kunnen behoren. Daarnaast zijn er geen sporen waargenomen in de vorm van uitwerpselen, braakballen, prooiresten of veren op en rondom de onderzoekslocatie. Hierdoor kan de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats worden uitgesloten.
Verstoring ten aanzien van potentieel jaarrond beschermde nesten van de boomvalk, buizerd, havik, ransuil en sperwer is dan ook uitgesloten. Grote gele kwikstaart Verspreidingsgegevens van de NDFF geven weer dat de grote gele kwikstaart recent is waargenomen in de omgeving van de onderzoekslocatie. De grote gele kwikstaart broedt vlakbij stromend water, in een nis in een muur of onder een brug, bij boomwortels in oevers of in speciale nestkasten. Aangezien broedgelegenheden in de vorm van een nis in een muur, bruggen, boomwortels nabij oevers of nestkasten niet aanwezig zijn op de onderzoekslocatie, ontbreken geschikte broedgelegenheden voor de grote gele kwikstaart. De aanwezigheid van een nestlocatie van de grote gele kwikstaart op de onderzoekslocatie kan dan ook worden uitgesloten en verstoring ten aanzien van de grote gele kwikstaart is niet aan de orde. Gierzwaluw De gierzwaluw is een typische gebouwbewonende koloniebroeder. De schuur en stal op de onderzoekslocatie bieden geen broedgelegenheid aan een van beide soorten. Er zijn namelijk geen ruimtes onder dakpannen of andere geschikte ruimtes aanwezig waar gierzwaluwen gebruik van zouden kunnen maken. De aanwezigheid van een nestlocatie van de gierzwaluw op de onderzoekslocatie kan dan ook worden uitgesloten en verstoring ten aanzien van de gierzwaluw is niet aan de orde.
Rapport 14377.004 versie D2
Pagina 9 van 24
Huismus De huismus is net zoals de gierzwaluw een typische gebouwbewonende koloniebroeder. De huismus broedt veelal onder het dak tussen het dak en dakbeschot. De dakgoot van de stal op de onderzoekslocatie kan toegang bieden voor de huismus onder het dak welke een geschikte nestlocatie kan vormen voor de huismus (figuur 13). Bij de herinrichting van de onderzoekslocatie kan daarom sprake zijn van verstoring en beschadiging/vernietiging ten aanzien van een vaste rust- en verblijfplaats van de huismus (zie paragraaf 6.1.1). Steenuil Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de steenuil recent op circa 30 meter van de onderzoekslocatie waargenomen. De steenuil broedt in natuurlijke holtes van bomen (knotwilgen of hoogstam fruitbomen) of in rustige hoekjes of nissen van gebouwen, in schuren en nestkasten. Tijdens het veldbezoek zijn echter geen boomholtes, geschikte nissen in gebouwen of schuren en nestkasten aangetroffen op of nabij de onderzoekslocatie. Tevens zijn er geen sporen als braakballen, krijtstrepen of veren aangetroffen. De steenuil zoekt voedsel op plaatsen waar lange en korte vegetatie elkaar afwisselen, zoals schapen- en paardenweides, erven, moestuinen en tuinen.
De onderzoekslocatie is geschikt bevonden als foerageergebied voor de steenuil, gezien de aanwezige paardenweiden en voldoende aanwezige zit- en uitkijkposten in de vorm van aanwezige paaltjes om te foerageren en te rusten (figuur 14). In het broedseizoen foerageren steenuilen in een straal van maximaal 300 meter rondom hun nest, het meeste voedsel wordt dichterbij verzameld (Van den Bremer et al., 2009). Gezien de waarnemingen van steenuil in de directe omgeving, verschillende schuren in de omgeving de geschikt zijn voor de steenuil om te broeden en het geschikte habitat op de onderzoekslocatie, is een overtreding op de Wet natuurbescherming ten aanzien van de steenuil is op basis van onderhavige quickscan niet uit te sluiten (zie paragraaf 6.1.1).
Figuur 13. Dakgoot die toegang kan verlenen voor de huismus tot de stal.
Figuur 14. Geschikt foerageergebied voor de steenuil met aanwezige paaltjes als zit- en uitkijkpost.
Kerkuil Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn er waarnemingen bekend van de kerkuil op circa 805 meter afstand van de onderzoekslocatie. De kerkuil broedt in schuren, kerktorens en veelal in speciale nestkasten. Heel incidenteel kan de kerkuil in boomholtes broeden. Tijdens het veldbezoek zijn echter geen boomholtes, nestkasten en geschikte nissen in gebouwen aangetroffen voor de kerkuil op en nabij de onderzoekslocatie. Tevens zijn er geen sporen als braakballen, krijtstrepen of veren aangetroffen die duiden op aanwezigheid van een kerkuil. Verstoring ten aanzien van jaarrond beschermde nesten van de kerkuil is dan ook uitgesloten. Mogelijk wordt de onderzoekslocatie gebruikt als foerageergebied door in de omgeving verblijvende kerkuilen. Het is echter niet te verwachten dat de voorgenomen werkzaamheden leiden tot verstoring van essentieel foerageergebied. Dit gezien de aanwezigheid van voldoende foerageergebied in de omgeving in de vorm van graslanden en veeweiden dichterbij de waarnemingen van de kerkuil.
Rapport 14377.004 versie D2
Pagina 10 van 24
Ooievaar Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn ooievaars recent waargenomen in de omgeving. De waarnemingen betreffen veelal overvliegende exemplaren. Ooievaars broeden op hoge plaatsen zoals bomen, torens, schoorstenen en hoogspanningsmasten en nesten zijn hierdoor gemakkelijk te herkennen. Er zijn echter geen nesten van ooievaars op of nabij de onderzoekslocatie aangetroffen. Verstoring ten aanzien van de ooievaar is niet aan de orde. Roek Verspreidingsgegevens van de NDFF geven weer dat de roek recent is waargenomen in de omgeving van de onderzoekslocatie. De roek is een koloniebroeder met slordige nesten in de toppen van hoge bomen. In de bomen op en nabij de onderzoekslocatie zijn geen (grote) groepen nesten aangetroffen. Een roekenkolonie op of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie kan dan ook uitgesloten worden. 5.1.2
Overige broedvogels
De beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals witte kwikstaart, merel, roodborst en winterkoning. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie paragraaf 6.1.2). De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Ook soorten als boerenzwaluw en huiszwaluw behoren tot deze categorie van de Wet natuurbescherming. Aan de schuur op de onderzoekslocatie is een kunstnest aangetroffen voor huiszwaluw (figuur 15). In de omgeving van Heeswijk-Dinther zijn volgens verspreidingsgegevens voldoende alternatieve mogelijkheden aanwezig voor de huiszwaluw. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde Figuur 15. Aanwezig kunstnest voor huiszwaluw aan de soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond schuur op de onderzoekslocatie. beschermde status zouden moeten hebben. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie paragraaf 6.1.2). 5.2
Vleermuizen
Volgens verspreidingsgegevens van de Zoogdiervereniging (Limpens & Regelink, 2017) en de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, meervleermuis, franjestaart en baardvleermuis.
Rapport 14377.004 versie D2
Pagina 11 van 24
Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De stal en schuur op de onderzoekslocatie zijn door het ontbreken van ruimtes die toegang kunnen verlenen tot spouwmuren ongeschikt bevonden als verblijfplaats voor vleermuizen. Er is namelijk geen ruimte aanwezig langs de dakranden of achter betimmeringen waar vleermuizen gebruik van kunnen maken en er zijn geen open stootvoegen aanwezig. De aanwezige opening aan de zijkant van de schuur is dichtgemaakt met gaas waardoor zowel vleermuizen als vogels niet naar binnen kunnen vliegen (figuur 16). De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie Figuur 16. Openingen aan de zijkant van de schuur die zijn zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshan- afgedekt met gaas. gend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uit te sluiten. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Naast de onderzoekslocatie bevinden zich diverse woningen en boerderijen. Eventuele verblijfplaatsen hierin ondervinden door de afstand tot de onderzoekslocatie, geen hinder van de ingreep op de onderzoekslocatie.
De aanwezige bomen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen in de directe omgeving uit te sluiten. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden echter niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig in de vorm van omliggende weilanden en sloten. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, de bomenrij grenzend ten westen aan de onderzoekslocatie kan mogelijk wel gebruikt worden als vliegroute voor vleermuizen. Bij de herinrichting van de onderzoekslocatie blijft deze bomenrij echter behouden.
Door de herinrichting van de onderzoekslocatie worden geen vliegroutes verstoord, mits rekening wordt gehouden met verlichting richting de bomenrij ten westen van de onderzoekslocatie (zie paragraaf 6.2). 5.3
Overige zoogdieren
Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en licht beschermde soorten.
Rapport 14377.004 versie D2
Pagina 12 van 24
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bever, bunzing, das, eekhoorn, hermelijn, steenmarter, waterspitsmuis en wezel. 5.3.1
Streng beschermde soorten
Bever Bevers komen voor in gebieden waar land overgaat in water, zoals in moerassen, langs beken, rivieren en meren. De aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken op de oever is een vereiste. Op de onderzoekslocatie zijn dergelijke waterlichamen niet aanwezig, de sloot op de onderzoekslocatie is namelijk erg ondiep en gedeeltelijk droogstaand, waardoor de onderzoekslocatie ongeschikt habitat vormt voor de bever. De waarnemingen van de bever hebben naar verwachting betrekking op de omgeving van rivier de Aa en/of de Zuid Willemsvaart. Negatieve effecten ten aanzien van de bever zijn niet aan de orde. Bunzing, hermelijn en wezel De bunzing, hermelijn en wezel maken gebruik van oude holen van onder andere vossen, dassen, konijnen en muizen, maar ook van houtwallen, steenhopen, ruimtes tussen opslagmateriaal, holle bomen en ruimtes onder boomwortels, als vaste rust- of voortplantingsplaats. De onderzoekslocatie vormt beperkt geschikt habitat voor de genoemde soorten. De kleine marterachtigen zijn sterk gebonden aan landschapselementen zoals houtwallen en bosschages die dekking bieden gedurende het foerageren en migreren tussen de vaste rust- of voortplantingsplaatsen en foerageergebieden. De onderzoekslocatie bestaat voornamelijk uit weilanden met een open karakter.
Het ontbreekt dan ook met name aan landschapselementen die met elkaar in verbinding staan in de vorm van houtwallen, hagen of bosschages. Een onderdeel van de onderzoekslocatie, zoals de zijtuin en enkele overhoeken, bieden beschutting in de vorm van takkenhopen en ruimtes tussen opslagmaterialen. Deze elementen zijn gezamenlijk echter van een dusdanig klein oppervlak (maximaal 400m 2) dat het niet als functioneel leefgebied fungeert (Bouwens, 2017). Daarnaast blijven de aanwezige groenstructuren in de directe omgeving behouden. Verbindende elementen als de sloten aan de oost- en westzijde blijven behouden en worden groener ingericht, op basis van het ontwerp (zie figuur 12). Vanwege beperkte geschiktheid en grootte van het te verdwijnen gebied in combinatie met dat naastgelegen sloten in de nieuwe situatie worden behouden en geschikter worden voor marters, zijn negatieve effecten voor kleine marterachtigen uit te sluiten als gevolg van de voorgenomen ingreep. Steenmarter Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes maar ook stenenstapels of takkenhopen, als verblijfplaats. De aanwezige schuren op de onderzoekslocatie kunnen mogelijk een geschikte verblijfplaats vormen voor de steenmarter. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen.
Tijdens het veldbezoek zijn de schuren geïnspecteerd en daarbij zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats door deze soort. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen. Gelet op het ontbreken ervan kan worden gesteld dat de onderzoekslocatie niet in gebruik is door de steenmarter. Das De das heeft een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen als leefgebied. Het leefgebied van de das moet daarbij onder andere voldoende schuilgelegenheden, weinig verstoring en een groot voedselaanbod bieden. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf en schuilmogelijkheden ongeschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats door dassen. De begraasde weides zijn in potentie wel geschikt als foerageergebied voor een das. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving echter geen
Rapport 14377.004 versie D2
Pagina 13 van 24
burcht, loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Daarbij zijn er in de omgeving voldoende soortgelijke weilanden te vinden. Dassen zullen naar verwachting eerder hun leefgebied hebben in de nabijgelegen natuurgebieden natuurpoort Kasteel Heeswijk, Heeswijksche Bosschen en de aansluitende weilanden. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is dan ook niet aan de orde. Eekhoorn Eekhoorns komen voor in verschillende soorten bossen, maar ook in tuinen, parken en houtwallen. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de eekhoorn. De hoge bomen in de zijtuin op de onderzoekslocatie en de hoge bomen direct grenzend aan de onderzoekslocatie konden door het ontbreken van bladerdek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, waardoor de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van eekhoorn kan worden uitgesloten. Waterspitsmuis De waterspitsmuis komt voor bij schoon, niet te voedselrijk en stromend tot stilstaand water met ruig begroeide oevers en goed ontwikkelde watervegetatie.
De watergang op de onderzoekslocatie is ongeschikt bevonden voor de waterspitsmuis, aangezien ruige begroeiing op de oevers en goed ontwikkelde watervegetatie ontbreekt en de sloot daarbij gedeeltelijk droogstaat. De waarnemingen van de waterspitsmuis hebben naar verwachting betrekking op de omgeving van rivieren de Aa en de Leijgraaf. Negatieve effecten ten aanzien van de waterspitsmuis zijn als gevolg van de voorgenomen ingreep dan ook niet aan de orde. 5.3.2
Licht beschermde soorten
De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als konijn, egel en diverse muizensoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van desbetreffende soorten worden vergraven (zie paragraaf 6.3). 5.4
Reptielen, amfibieën en vissen
Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van RAVON (Van Delft et al. 2015) en de NDFF is binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie de streng beschermde levendbarende hagedis waargenomen. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Het voorkeurshabitat van de levendbarende hagedis is droge heide en hoogveen. Op de onderzoekslocatie zijn deze habitattypen niet aanwezig en is het habitat ongeschikt bevonden voor de levendbarende hagedis. De waarnemingen van de beschermde levendbarende hagedis hebben naar verwachting betrekking op de het nabijgelegen natuurgebied Heeswijksche Bosschen. Amfibieën Volgens gegevens van RAVON (Van Delft et al., 2015) en de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie de volgende soorten waargenomen: alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander en poelkikker. De streng beschermde soorten als alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker stellen specifieke eisen aan het habitat. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat aanwezig voor desbetreffende soorten en schuilmogelijkheden ontbreken. Geschikte wateren zijn te vinden op circa 860 meter afstand van de onderzoekslocatie. Vanwege de afstand, in combinatie met barrières zoals we-
Rapport 14377.004 versie D2
Pagina 14 van 24
gen, is het gebruik van de onderzoekslocatie als landhabitat door deze soorten echter uitgesloten. De waarnemingen van de streng beschermde alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker, hebben naar verwachting betrekking op de vennen en poelen in de nabijgelegen natuurgebieden Natuurpoort Kasteel Heeswijk, Heeswijksche Bosschen en de omgeving van de Aa. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor algemene amfibieënsoorten. Algemene soorten als bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen mogelijk beschutting vinden tussen de opslagmaterialen en de takkenhopen op de onderzoekslocatie. De watergang op de onderzoekslocatie kan voortplantingsmogelijkheden bieden aan deze soorten. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve gevolgen ontstaan voor algemene soorten (zie paragraaf 6.3). Vissen In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn volgens verspreidingsgegevens van de NDFF geen beschermde vissoorten waargenomen in de omgeving van de onderzoekslocatie. Ten tijde van het veldbezoek stond de watergang op de onderzoekslocatie bijna geheel droog. De verwachting is dat het aanwezige water in de zomer opdroogt. De sloot, die zich aan de oostzijde van de onderzoekslocatie bevindt, kan incidenteel leefgebied vormen voor vissen.
De sloot wordt door de ingreep op de onderzoekslocatie niet aangetast, waardoor er geen overtredingen van de Wet natuurbescherming te verwachten zijn met betrekking tot vissen. 5.5
Ongewervelden
Libellen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn er recent geen beschermde libellensoorten waargenomen in de omgeving van de onderzoekslocatie. Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Vlinders Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de grote vos recent waargenomen in de omgeving van de onderzoekslocatie. Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan specifieke waardplanten. Geschikte waardplanten voor de beschermde grote vos (iep en zoete kers) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten.
Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6
Vaatplanten
Aangezien de locatie geheel bestaat uit begraasde weilanden, tuin en erf is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiom-
Rapport 14377.004 versie D2
Pagina 15 van 24
standigheden zijn beschermde vaatplanten op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Tijdens het veldbezoek zijn dan ook geen beschermde plantensoorten waargenomen en zijn negatieve effecten van de voorgenomen ingreep op vaatplanten op voorhand uit te sluiten.
Rapport 14377.004 versie D2
Pagina 16 van 24
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 6.1.1
Broedvogels Jaarrond beschermde broedvogels
Huismus De nesten van huismussen zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. Volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden nesten van beide soorten te verstoren, beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Indien er op de onderzoekslocatie nestplaatsen van huismussen aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen of er broedgevallen van de huismus op de onderzoekslocatie aanwezig zijn, dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van de soort. Dit houdt in dat er twee veldbezoeken zullen plaatsvinden gedurende de ochtend in de periode vanaf 1 april tot en met 15 mei. Het aanvullend onderzoek zal uitgevoerd worden conform het kennisdocument voor de huismus (BIJ12, 2017a). Steenuil De steenuil en zijn leefgebied is beschermd volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. De soort staat tevens vermeld in de EU-vogelrichtlijn.
De nesten van steenuilen zijn het hele jaar beschermd en vallen onder categorie 1 van vogelnesten: ‘nesten die behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- of voortplantingsplaats’. Hierbij dient ook rekening gehouden te worden met de functionele leefomgeving rondom het nest. Op basis van onderhavige quickscan kan niet uitgesloten worden dat de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van het functionele leefgebied van de steenuil, waardoor niet kan worden uitgesloten dat bij de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Nader onderzoek wordt in dit geval noodzakelijk geacht. Tijdens het nader onderzoek wordt de aanwezigheid van nestlocaties en territoria op en in de omgeving van de onderzoekslocatie onderzocht. Dit houdt in dat in de periode van 1 februari tot en met 30 april drie aanvullende veldbezoeken in de avond plaats dienen te vinden en een eenmalige inspectie in de stal en schuren op de onderzoekslocatie. Het aanvullend onderzoek zal uitgevoerd worden conform het kennisdocument voor de steenuil (BIJ12, 2017b).
Indien uit het aanvullend onderzoek blijkt dat de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van het functionele leefgebied van de steenuil, is er sprake van het nemen van mitigerende maatregelen, vastgelegd in een activiteitenplan, welke voorgelegd dienen te worden bij de provincie Noord-Brabant middels een ontheffingsaanvraag.
Rapport 14377.004 versie D2
Pagina 17 van 24
6.1.2
Algemene broedvogels
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten (o.a. huiszwaluw, zie figuur 15) geldt dat, indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden door een ter zake deskundige op het gebied van vogels. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.2
Vleermuizen
Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. De bomenrij ten westen van de onderzoekslocatie, aan de Herpersteeg, kan dienen als potentiële vliegroute voor vleermuizen. Overtreding van de Wet natuurbescherming is te vermijden indien potentiële vliegroutes functioneel en duurzaam behouden blijven. Hierdoor wordt geadviseerd om geen additionele (bouw)verlichting toe te passen richting deze bosschage tijdens de bouwfase en de eindfase. Indien verstoring door een toename van verlichting dreigt, zal een verlichtingsplan in samenwerking met een ter zake deskundige worden opgesteld om verstoring door verlichting te voorkomen. 6.3
Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van takkenhopen en materiaalopslag buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust uit te voeren. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen.
Rapport 14377.004 versie D2
Pagina 18 van 24
6.4
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
Rapport 14377.004 versie D2
Pagina 19 van 24
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek, bevindt zich op circa 10,6 kilometer afstand ten westen van de onderzoekslocatie (figuur 17).
Figuur 17. Ligging onderzoekslocatie (gele pijl) ten opzichte van het Natura 2000-gebied (gele vlakken).
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de aard van de voorgenomen plannen (realisatie nieuwbouwwijk) op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dergelijk stikstofdepositieonderzoek wordt reeds uitgevoerd door Econsultancy (14377.005).
Rapport 14377.004 versie D2
Pagina 20 van 24
7.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 515 meter ten zuiden van de onderzoekslocatie (figuur 18).
Figuur 18. Ligging onderzoekslocatie (wit omlijnd) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (lichtgroene vlakken).
De onderzoekslocatie is op circa 515 meter afstand van het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Door de aard van de voorgenomen plannen op de onderzoeklocatie gecombineerd met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland derhalve niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.
Rapport 14377.004 versie D2
Pagina 21 van 24
8
HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen in de zijtuin op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden, als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De houtopstand op de onderzoekslocatie is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze houtopstand geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht. Verder zijn er geen bomen op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn dan ook geen vervolgstappen benodigd ten aanzien van beschermde houtopstanden.
Rapport 14377.004 versie D2
Pagina 22 van 24
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Jansen Bouwontwikkeling een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de Herpersteeg - Hopveld e.o. te Heeswijk-Dinther. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens de bestemming van het gebied te wijzigen, waarna een nieuwe woonwijk wordt gerealiseerd. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
algemeen
ja
mogelijk
nee
nee
het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren of een broedvogelinspectie voorafgaand aan de werkzaamheden
jaarrond beschermd
ja
mogelijk
ja
mogelijk
aanvullend onderzoek naar huismus en steenuil benodigd
verblijfplaatsen
nee
nee
nee
nee
-
foerageergebied
ja
nee
nee
nee
-
in omgeving
mogelijk
nee
nee
aandacht voor verlichting richting de bomenrij ten westen
ja
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van konijn, egel en diverse muizensoorten
Amfibieën
minimaal
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander
Reptielen
nee
nee
nee
nee
-
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Libellen en vlinders
nee
nee
nee
nee
-
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Gebiedsbescherming
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
Natura 2000
± 10,6 km
mogelijk
wordt uitgevoerd
mogelijk
Natuurnetwerk Nederland
± 515 m
nee
nee
nee
-
n.v.t
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
-
Broedvogels
Vleermuizen
vliegroutes
Grondgebonden zoogdieren
Houtopstanden
Bijzonderheden / opmerkingen*
stikstofdepositieonderzoek wordt reeds uitgevoerd
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Rapport 14377.004 versie D2
Pagina 23 van 24
Conclusie en aanbevelingen Op basis van onderhavige quickscan dient voorafgaand aan de werkzaamheden duidelijkheid te worden verkregen omtrent een functie van de onderzoekslocatie voor de steenuil en huismus. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door de werkzaamheden op de onderzoekslocatie buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien binnen het broedseizoen gewerkt gaat worden, is een broedvogelinspectie voorafgaand aan de start van de werkzaamheden benodigd. Geadviseerd wordt om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. De bomenrij ten westen van de onderzoekslocatie, aan de Herpersteeg, kan dienen als potentiële vliegroute voor vleermuizen. Overtreding van de Wet natuurbescherming is te vermijden indien potentiële vliegroutes functioneel en duurzaam behouden blijven. Hierdoor wordt geadviseerd om geen additionele (bouw)verlichting toe te passen richting deze bosschage tijdens de bouwfase en de eindfase. Indien verstoring door een toename van verlichting dreigt, zal een verlichtingsplan in samenwerking met een ter zake deskundige worden opgesteld om verstoring door verlichting te voorkomen.
Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Met betrekking tot Natura 2000-gebieden wordt reeds een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en beschermde houtopstanden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie.
Econsultancy Boxmeer, 16 december 2021
Rapport 14377.004 versie D2
Pagina 24 van 24
GERAADPLEEGDE BRONNEN BIJ12 (2017a). Kennisdocument huismus Passer domesticus. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12 (2017b). Kennisdocument steenuil Athene noctua. Versie 1.0, juli 2017. Bouwens, S. (2017). Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. Provincie NoordBrabant, ’s-Hertogenbosch. Van den Bremer, L., Van Harxen, R. & Stroeken, P. (2009). Terreingebruik en voedselkeus van broedende Steenuilen in de Achterhoek. SOVON-onderzoeksrapport 2009/02. SOVON Vogel-onderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J. Thissen, K. Canters, & J. Buys (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Van Delft, J., J. Kranenbarg, A. de Bruin & P. Frigge (2015). Waarnemingenoverzicht 2014. Bijlage bij RAVON 59 Jaargang 17 (4). Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, zoekgebied Heeswijk-Dinther, periode 2011-2021.
Algemene websites www.floron.nl (soortgegevens planten) www.natura2000.nl (Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten) www.ravon.nl (soortgegevens amfibieën en reptielen) www.sovon.nl (soortgegevens vogels) www.verspreidingsatlas.nl (verspreidingsgegevens NDFF) www.vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen) www.vogelbescherming.nl (soortgegevens vogels) www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren) Provinciale websites www.kaartbank.brabant.nl (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland in Noord-Brabant)
Rapport 14377.004 versie D2
Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.
Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.