BP Kamersche Hoef Heeswijk-Dinther - TOE Archeologisch proefsleuvenonderzoek
Tekst van het document
RAPPORTAGE archeologisch proefsleuvenonderzoek Herpersteeg - Hopveld e.o. in Heeswijk-Dinther Gemeente Bernheze
Rapport archeologisch proefsleuvenonderzoek Herpersteeg - Hopveld e.o. in Heeswijk-Dinther Gemeente Bernheze Opdrachtgever
Jansen Bouwontwikkeling Postbus 278 6600 AG Wijchen
Rapportnummer Versienummer
1
14377.017 2
Datum
11 april 2024
Opsteller2
Mevrouw J.A.M. Reynaert, MSc
Kwaliteitscontrole
De heer drs. A.H. Schutte
1 Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid. 2 Vrijgave In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven.
Econsultancy Archeologisch Rapport
KWALITEITSZORG Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Ook is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteitsen milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn.
Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie. Al o ze rapportages orde opgesteld o for de Ha dreiki g o gaa et AVG i ode o derzoeke opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet, NEN en KNA protocollen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. Hierbij wordt opgemerkt dat wetgeving, waaronder wettelijke eisen uit de Erfgoedwet, prevaleert boven de AVG. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers, door de publicerende instantie, verwijderd dan wel zwart gelakt te worden. RECHTEN © Econsultancy bv, Foto s e teke i ge : E o sulta y
, te zij a ders er eld.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)
Econsultancy Archeologisch Rapport
INHOUDSOPGAVE ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED SAMENVATTING 1
INLEIDING .................................................................................................................................................. 1 1.1
Ligging en huidige situatie plangebied ........................................................................................... 2
2
ARCHEOLOGISCHE GEGEVENS VAN HET PLANGEBIED .............................................................................. 3
3
DOELSTELLING ONDERZOEK ...................................................................................................................... 7 3.1 3.2 3.3
4
METHODIEK VELDONDERZOEK................................................................................................................ 10 4.1 4.2 4.3
5
Inleiding ........................................................................................................................................ 10 Afwijkingen op het Programma van Eisen ................................................................................... 11 Methodiek proefsleuvenonderzoek ............................................................................................. 11
RESULTATEN VELDONDERZOEK............................................................................................................... 12 5.1 5.2 5.3 5.4
6
Aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting .................................. 7 Waardering .................................................................................................................................... 7 Onderzoeksvragen ......................................................................................................................... 7
Landschapsgenese en bodemopbouw ......................................................................................... 12 Analyse sporen en structuren ...................................................................................................... 17 Vondstmateriaal (De heer P.J.L. Wemerman) ................................................................................ 1 Synthese proefsleuvenonderzoek .................................................................................................. 4
WAARDERING, CONCLUSIE EN SELECTIEADVIES ....................................................................................... 6 6.1
Waardering .................................................................................................................................... 6
7
CONCLUSIE EN ADVIES .............................................................................................................................. 8
8
BEANTWOORDING VAN DE ONDERZOEKSVRAGEN ................................................................................ 11
LITERATUUR KAARTEN BIJLAGEN
TABELLEN Tabel 5.1. Overzicht vondstmateriaal Tabel 6.1. Scoretabel waardestelling van het plangebied
FIGUREN Figuur 1.1. Ligging van het plangebied Figuur 1.2. Detailkaart van het plangebied Figuur 2.1. Het plangebied op de Kadastrale minuutkaart uit 1816 Figuur 2.2. Het plangebied op de topografische kaart uit 1962 Figuur 2.3. Locatie van de werkputten aangelegd tijdens de archeologische begeleiding in 2022 Figuur 4.1. Locatie van de geplande ten opzichte van de aangelegde werkputten Figuur 5.1. Overzicht profielen Figuur 5.2. Profiel 50, onder de bouwvoor bevindt nog een restant van een BC-horizont Figuur 5.3. Profiel 34, tussen de bouwvoor en de C-horizont bevindt zich een Ap-horizont Figuur 5.4. Profiel 8, de top van spoor 48 is door het ploegen verstoord Figuur 5.5. Profiel 26, onder de bouwvoor bevindt zich een restant van een enkeerdgrond en een BC-horizont Figuur 5.6. Profiel 4, restant van een podzolbodem met een enkeerdgrond, E-horizont en B-horizont Figuur 5.7. Profiel 14, verstoorde bodemopbouw Figuur 5.8. ASK Vindplaats 1 (werkputten 22 en 24) Figuur 5.9. Paalkuil S185 en S212 in werkput 22 Figuur 5.10. Paalkuil S234 in werkput 24 Figuur 5.11. ASK Vindplaats 2 Figuur 5.12. Paalkuil S126 in werkput 15 Figuur 5.13. Paalkuil S152 in werkput 18 Figuur 5.14. Paalkuil S21 in werkput 3 Figuur 5.15. Paalkuil S83 in werkput 8 Figuur 5.16. ASK Vindplaats 3 Figuur 5.17. Greppel S124 in werkput 15 Figuur 5.18. Greppel S158 in werkput 20 Figuur 5.19.
Proefsleuven en sporen geprojecteerd op de kadastrale minuut (1811-1832) Figuur 5.20. Greppel S1 in werkput 1 Figuur 5.21. Kuil S73 in werkput 7 Figuur 5.22. Paalkuilen S62 en S63 in werkput 7 Figuur 5.23. Grondverbeteringskuilen S123 in werkput 14 Figuur 5.24. ASK werkputten 6 en 7 Figuur 5.25. Proefsleuven en sporen geprojecteerd op de topografische kaart uit 1988 Figuur 5.26. Röntgen van de dolkfragmenten (vnr. 12.1) Figuur 7.1. Selectieadvies Figuur 7.2. Resultaten proefsleuvenonderzoek geprojecteerd op het planontwerp
KAARTEN Kaart 1. Kaart 2.
Allesporenkaart O erzi ht proefsleu e orthofoto s
BIJLAGEN Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3.
Sporenlijst Vondstenlijst AMZ-cyclus
ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED Projectcode
14377.017
Opdrachtgever
Jansen Bouwontwikkeling
Toponiem
Herpersteeg - Hopveld e.o.
Plaats
Heeswijk-Dinther
Gemeente
Bernheze
Provincie
Noord-Brabant
Kadastrale gegevens
gemeente Heeswijk-Dinther, sectie E, nummers 244 (ged.), 1088, 1478, 2477 (ged.), 2493, 2494, 2495, 2619 (ged.), 3299 en 3300 (ged.)
Omvang plangebied
circa 5.3 ha
Omvang onderzoeksgebied
Circa 3 ha
Centrumcoördinaten (X/Y)
X : 160.277 / Y: 407.393
Kaartblad
45G (1:25.000)
Bevoegde overheid
Gemeente Bernheze Postbus 19 5384 ZG Heesch
T: 0412-458888 E: gemeente@bernheze.org
Deskundige namens de bevoegde overheid
Monumentenhuis Brabant Karlijn Kersten MA MSc Markt 9 4931 BR Geertruidenberg
T: 0162-511833 E: k.kersten@monumentenhuisbrabant.nl
Uitvoeringsperiode veldwerk
juni 2023
Uitvoerders
Econsultancy, mevrouw J.A.M. Reynaert, MSc (KNA Archeoloog Ma), de heer drs. T.H.L. Hos (Senior KNA Archeoloog), de heer C.A.G. Enzl (veldtechnicus) en de heer de heer C. Dohms (stagiair Saxion Hogescholen).
Grondverzet
H. Koenen Loon- en Grondverzetbedrijf
Onderzoeksmelding ARCHIS3
5434058100
ARCHIS-nummers eerdere onderzoeken: Bureau- en verkennend booronderzoek (2012) Bureau- en verkennend booronderzoek (2021) Archeologische begeleiding (2022)
2345569100 (48927) 4964631100 5313019100
Archeoregio NOaA
4: Brabants zandgebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy en op termijn het provinciaal depot van Noord-Brabant
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Jansen Bouwontwikkeling een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd voor de Herpersteeg - Hopveld e.o. te Heeswijk-Dinther in de gemeente Bernheze. In het plangebied zal nieuwbouw worden gerealiseerd. Hierbij zal een gebied met een oppervlakte van circa 5.3 hectare worden heringericht. Het archeologisch onderzoek wordt noodzakelijk geacht om te bepalen of archeologische waarden wel of niet aanwezig zijn in de ondergrond, die door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast/verloren kunnen gaan. Daarom is het binnen het kader van de Erfgoedwet (1 juli 2016) verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren. Doel van het proefsleuvenonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting zoals vermeld in het bureau- en booronderzoek. Het gaat om gebied- of vindplaatsgericht onderzoek. Het proefsleuvenonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en /of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden.
Het resultaat van een proefsleuvenonderzoek is een rapport met een waardering en een inhoudelijk (selectie)advies (buiten normen van tijd en geld), aan de hand waarvan een beleidsbeslissing (een selectiebesluit) kan worden genomen. Dit betekent dat de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop deze beslissing gefundeerd genomen kan worden, dat wil zeggen dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Bij het bureauonderzoek is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Volgens deze verwachting is de kans op het voorkomen van archeologische resten laag/middelhoog voor resten uit het Paleolithicum en het Mesolithicum en middelhoog/hoog voor resten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek blijkt dat het noorden van het plangebied in een nat, lager gelegen gebied ligt en het zuidelijke deel op een drogere dekzandrug. In de noordelijke hoek a het pla ge ied zij e kele droge ori ge aa getroffe . Deze hoek lijkt sa e te ha ge et de het oude bebouwingslint van de Lariestraat. Mogelijk is dit bebouwingslint op een iets drogere (hoger gelegen) zone in het landschap ontstaan.
De middelhoge tot hoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor het centrale en zuidelijke deel van het plangebied en de droge zone in het noorden kan op basis van de ligging op een hogere dekzandrug met plaatselijk een oude akkerlaag en een deels intact podzolprofiel gehandhaafd blijven. Voor dit deel is een archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. De rest van het plangebied is vrijgegeven. Gevolgde onderzoeksmethode Tijdens het veldwerk is op kleine punten afgeweken van de methodiek zoals beschreven in het PvE. In verband met het aanwezige hekwerk zijn werkputten 1, 6, 7 en 17 iets verplaatst ten opzichte van het goedgekeurde proefsleuvenplan. Bij werkput 6 zijn daarnaast de twee werkputten uit het PvE aaneensluitend aangelegd in een T-vorm, dit door de beperkte graafruimte voor de graafmachine in verband met een hekwerk.
14377.017 versie 2
In totaal zijn er in het plangebied 24 proefsleuven aangelegd met een totale oppervlakte van 2.425 m 2. Met uitzondering van werkput 6 hebben alle proefsleuven een afmeting van circa 25 bij 4 meter. Werkput 6 is aangelegd in een T-vorm waarbij het westelijke deel circa 20 meter lang is en het oostelijke deel circa 30 meter. Beide delen zijn circa 4 meter breed. Het vlak is in de top van de natuurlijke ondergrond, de dekzandafzettingen, aangelegd op de diepte van circa 60-90 centimeter beneden het maaiveld (6,5-7,1 met NAP). Resultaten Proefsleuvenonderzoek Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn in totaal 247 sporen aangetroffen in de top van de dekzandafzettingen. Naast recente en natuurlijke sporen zijn er 58 greppels, 35 kuilen, 133 paalkuilen en drie spitsporen geregistreerd. In de aangetroffen sporen zijn vier vindplaatsen te onderscheiden. Vindplaats 1 bevindt zich in het westen van het zuidelijke deel van het plangebied en bestaat uit kuilen en paalkuilen die op basis van het aanwezige aardewerk gedateerd kunnen worden in IJzertijd (800-250 v. Chr.) en de Late Middeleeuwen (1100-1400 na Chr.). Vindplaats 3 bestaat uit een concentratie kuilen, paalkuilen en kleine greppels waarin aardewerk uit de Middeleeuwen is aangetroffen. Deze vindplaats wordt gedateerd tussen 1100 en 1350 na Chr. Tussen vindplaatsen 1 en 3, in het midden van het plangebied, bevindt zich Vindplaats 2.
Deze vindplaats bestaat uit kleine concentraties (paal)kuilen. De vindplaats is op basis van de huidige resultaten niet nader te dateren. Vermoedelijk gaat het hier om nederzettingssporen uit de IJzertijd en de Middeleeuwen, die in verband staan met de nederzettingsresten van vindplaatsen 1 en 3. De laatste vindplaats, Vindplaats 4, bestaat uit meerdere greppels die verspreid over de proefsleuven in het zuidelijke deel van het plangebied zijn aangetroffen. Deze sporen zijn op basis van de ligging en de gegevens uit de historische kaarten ouder dan 1900, maar vermoedelijk jonger dan de aangetroffen nederzettingssporen uit de 12e tot 14e eeuw. Alle vindplaatsen zijn aangetroffen in het zuidelijke deel van het plangebied. In het noordelijke deel, ter hoogte van werkputten 6 en 7, zijn geen relevante archeologische sporen aangetroffen. De aangetroffen verstoringen in deze werkputten hangen vermoedelijk samen met het voormalige gebruik van het perceel als varkensboerderij en met de sloop van de voormalige varkensstallen. Selectieadvies Uit de waardering op de door de KNA voorgeschreven wijze blijkt dat vindplaatsen 1, 2 en 3 behoudenswaardig zijn. Vindplaats 4 is als niet behoudenswaardig gewaardeerd. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn in het zuiden van het plangebied behoudenswaardige sporen uit de IJzertijd en Late Middeleeuwen aangetroffen.
Econsultancy adviseert daarom om binnen het plangebied een opgraving uit te voeren. Dit beperkt zich tot het zuidelijke deel van het plangebied, ter hoogte van vindplaatsen 1, 2 en 3 (Figuur 7.1). De begrenzing van de vindplaatsen zal worden vastgesteld tijdens het vervolgonderzoek op basis van strategisch geprojecteerde werkputten. In figuur 7.2 zijn de resultaten van het proefsleuvenonderzoek, en het advies voor het vervolgonderzoek, ten opzichte van het huidige planontwerp weergegeven. In het noordelijke deel van het plangebied (werkputten 6 en 7) en ter hoogte van werkput 1 in het oosten van het zuidelijke deel bleek het vlak recent verstoord en zijn dan ook geen archeologisch relevante sporen aange-
14377.017 versie 2
troffen. Econsultancy adviseert om dit deel van het plangebied vrij te geven voor de toekomstige werkzaamheden. Als het plangebied of delen daarvan nu of in de toekomst door de gemeente Bernheze wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Bernheze op de hoogte te stellen.
14377.017 versie 2
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van Jansen Bouwontwikkeling een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het plangebied Kamersche Hoef aan de Herpersteeg - Hopveld e.o. te Heeswijk-Dinther in de gemeente Bernheze (Figuur 1.1 en Figuur 1.2). Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 5,3 hectare en ligt tussen de Herpersteeg en het Hopveld. Ten zuiden van het plangebied ligt de Veldstraat. Het onderzoeksgebied (circa 3 hectare) betreft een deel van het plangebied waar vervolgonderzoek is geadviseerd naar aanleiding van de voorafgaande bureau- en booronderzoeken.
Figuur 1.1. Ligging van het plangebied
In het plangebied zal nieuwbouw worden gerealiseerd. Hierbij zal een gebied met een oppervlakte van circa 5.3 hectare worden heringericht. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden wel of niet aanwezig zijn in de ondergrond, die door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast/verloren kunnen
14377.017 versie 2
1 / 18
gaan. Daarom is het binnen het kader van het beleid van de gemeente Bernheze/ de Erfgoedwet (1 juli 2016) verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren (Bijlage 3).
Figuur 1.2. Detailkaart van het plangebied
1.1 Ligging en huidige situatie plangebied Het plangebied Kamersche Hoef ligt aan de westzijde van de bebouwde kom van Heeswijk-Dinther in de gemeente Bernheze, ten noorden van de Veldstraat en tussen de Herpersteeg en het Hopveld. Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 27,4 meter NAP. De onderzoeksgebieden liggen op de kadastrale percelen bekend als gemeente Heeswijk-Dinther, sectie E, nummers 244 (ged.), 1088, 1478, 2477 (ged.), 2493, 2494, 2495, 2619 (ged.), 3299 en 3300 (ged.). Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 45 G (schaal 1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied: X: 160.277/Y: 407.393. Het plangebied is momenteel in gebruik als akker en weilanden (voor paarden). In het noorden en zuidoosten van het plangebied bevinden zich enkele stallen.
14377.017 versie 2
2 / 18
2
ARCHEOLOGISCHE GEGEVENS VAN HET PLANGEBIED
Voor het plangebied is door twee bedrijven een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. In 2011 is door RAAP een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd voor het centrale deel van het plangebied (perceelnummers 1088, 2619, 2620, 2621 en 2622 (ged.)). Voor het westelijke en oostelijke deel van het plangebied (perceelnummers 244, 1478 (ged.), 2477, 2493, 2494 en 2495) is door Econsultancy in 2021 een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd. 3 Landschappelijke gegevens Gedurende de laatste ijstijd had de wind vrij spel in het verplaatsen van zand en silt. In deze periode werd over een groot deel van Nederland, waaronder ook de omgeving van het plangebied, een pakket dekzand afgezet. De dekzanden zijn onderverdeeld in het Oude en Jonge dekzand. Het Oude dekzand is tijdens het Pleniglaciaal afgezet in horizontaal gelaagde pakketten. Door verspoeling komen vaak lemige of (zwak) grindige banden in het Oude dekzand voor. Het Jonge dekzand is tijdens het Laat-Glaciaal afgezet in de vorm van dekzandruggen. Het Jonge dekzand is uitsluitend eolisch afgezet en bevat daardoor geen leem- en grindfractie. Het Jonge dekzand wordt ook wel het Laagpakket van Wierden genoemd, welke behoort tot de Formatie van Boxtel waaronder ook het Oude dekzand valt.
Het water van de in het voorjaar smeltende sneeuwmassa´s erodeerde een deel van de dekzandruggen, waarna afzetting plaatsvond in de lagere delen van het landschap als vlaktes van verspoelde dekzanden. Volgens de geologische kaart bevindt het plangebied zich in een uitgestrekt gebied met afzettingen van de Formatie van Boxtel met een dek van het Laagpakket van Wierden; fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek (Bx6). Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied grotendeels binnen een gebied met dekzandwelvingen (3L51). Doordat de noordelijke en zuidelijke rand van het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Heeswijk-Dinther bevindt, is de geomorfologie hier niet gekarteerd. Uit extrapolatie van geomorfologische gegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het gehele plangebied op dekzandwelvingen ligt. Het dekzandwelvingencomplex vormt samen met de dekzandrug ten zuiden hiervan een west-oost georiënteerde rug tussen de beekdalen van de Leygraaf in het noorden en de Aa in het zuiden. De kern van Heeswijk-Dinther ligt ook op deze rug. Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied voornamelijk gekarteerd als hoge zwarte enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (zEZ21). Het noordoosten van het plangebied valt binnen een gebied met beekeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (pZg21).
In het zuidoosten van het plangebied liggen twee randen net binnen een als bebouwd gebied gekarteerd gebied, maar waarschijnlijk liggen hier ook enkeerdgronden. Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Beekeerdgronden zijn bodems met een humushoudende bovengrond met hydromorfe kenmerken (gleysporen) onder de A-horizont. Het humushoudende dek kan tot 50 cm dik zijn. Als het dikker is dan 30 cm dan is het meestal opgehoogd met een eerddek. Als het dikker is dan 50 cm behoort de bodem tot de enkeerdgronden. In de omgeving rond het plangebied zijn deze bodems ontstaan in de uitgestrekte vlakke en laaggelegen delen buiten de beekdalen. 3 Hensen, 2012; Stiekema, 2021.
14377.017 versie 2
3 / 18
Archeologische gegevens Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Bernheze ligt het plangebied grotendeels in een zone met een hoge archeologische verwachting; een strook langs de Veldweg valt binnen een zone met een middelhoge archeologische verwachting. Het plangebied ligt niet binnen een AMK-terrein. Binnen het onderzoeksgebied van 500 meter rondom het plangebied bevindt zich geen AMK-terrein. Het dichtstbijzijnde AMK-terrein betreft een oude woongrond op een hoge oeverwal langs de Aa met resten uit de Romeinse tijd en VroegeMiddeleeuwen op 850 meter ten zuidwesten van het plangebied. De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan laten zien dat er in ieder geval menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in de perioden Neolithicum tot en met Nieuwe tijd, en dan met name vanaf de Romeinse tijd tot en met de Nieuwe tijd.4
Figuur 2.1. Het plangebied op de Kadastrale minuutkaart uit 1816
4 Stiekema, 2021.
14377.017 versie 2
4 / 18
Figuur 2.2. Het plangebied op de topografische kaart uit 1962
Historische gegevens Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal blijkt dat het plangebied begin 19 e eeuw onderdeel uitmaakte van een akkergebied ten noordwesten van de toenmalige kern van Heeswijk, en doorsneden werd door de huidige Veldstraat. I het pla ge ied staat het topo ie Loristraat eergege e , wat verwijst naar een straat waarlangs looierijen hebben gelegen. Ook nu heeft de straat, gelegen ten noorden van het plangebied, nog steeds de naam Lariestraat. Langs de huidige Lariestraat was destijds vrij dichte lintbebouwing aanwezig. De huidige wegen rond het plangebied waren destijds allemaal al aanwezig. Er bevond zich zelfs een niet meer bestaande voorganger van de huidige boerderij Hopveld direct langs de noordoostelijke rand van het plangebied. Verder was er al bebouwing op de plaatsen van de huidige bebouwing direct ten zuidoosten (huidige Veldstraat 34a-36a) en noorden (huidige Lariestraat 21-23a) van het plangebied. In het zuidoosten van het noordelijk deel van het plangebied bevond zich begin 19 e eeuw een bakhuis dat behoorde tot het huidige Veldstraat 34a-36a. In de 19e eeuw zijn delen van het noordelijke plangebied ook als boomgaard in gebruik genomen. Het bakhuis lijkt toen niet meer aanwezig te zijn geweest.
Tot in de tweede helft van de 20e eeuw veranderde er weinig aan het landschapsbeeld van het plangebied en de directe omgeving. Pas i de jare 80 erde de oo ijke a Hees ijk te ooste a het pla ge ied gerealiseerd. I de jare 50 erde er i het oorde e zuidooste a het pla ge ied e kele s hure e stalle a de aastliggende agrarische bedrijven deels binnen het plangebied gerealiseerd.
14377.017 versie 2
5 / 18
Archeologische verwachting uit het vooronderzoek Bij het bureauonderzoek is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Volgens deze verwachting is de kans op het voorkomen van archeologische resten laag/middelhoog voor resten uit het Paleolithicum en het Mesolithicum en middelhoog/hoog voor resten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek blijkt dat het noorden van het plangebied in een nat, lager gelegen gebied ligt en het zuidelijke deel op een drogere dekzandrug. In de noordelijke hoek a het pla ge ied zij e kele droge ori ge aa getroffe . Deze hoek lijkt sa e te ha ge et de het oude bebouwingslint van de Lariestraat. Mogelijk is dit bebouwingslint op een iets drogere (hoger gelegen) zone in het landschap ontstaan. De middelhoge tot hoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor het centrale en zuidelijke deel van het plangebied en de droge zone in het noorden kan op basis van de ligging op een hogere dekzandrug met plaatselijk een oude akkerlaag en een deels intact podzolprofiel gehandhaafd blijven. Voor dit deel is een archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. De rest van het plangebied is vrijgegeven.
Resultaten archeologische begeleiding Tussen 30 november en 8 december 2022 heeft Econsultancy, in opdracht van REASeuro, een archeologische begeleiding uitgevoerd tijdens het NGE bodemonderzoek in het plangebied. Hierbij zijn aan de zuidoostzijde van het plangebied twee werkputten aangelegd met één archeologisch sporenvlak waarbij geen sporen zijn aangetroffen.5
Figuur 2.3. Locatie van de werkputten aangelegd tijdens de archeologische begeleiding in 2022 5 Brussé & Roelofsen-Menting, 2023.
14377.017 versie 2
6 / 18
3
DOELSTELLING ONDERZOEK
3.1 Aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting Het doel van inventariserend veldonderzoek (IVO) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het vooronderzoek. Het gaat om gebied- of vindplaatsgericht onderzoek. Het IVO gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Belangrijk is dat op basis van het inventariserend veldonderzoek een beslissing kan worden genomen of verder archeologisch (voor)onderzoek in het gebied noodzakelijk en verantwoord is.
3.2 Waardering In het rapport worden vervolgens de aangetroffen archeologische waarden, indien van toepassing, gewaardeerd. De waardering dient volgens de richtlijnen van de KNA 4.1 protocol 4003 te gebeuren. Dit zodat een gefundeerde onderbouwing van verder beleid met betrekking tot de archeologische waarden binnen het terrein mogelijk is. Als binnen het plangebied archeologische waarden voorkomen, kan één van de volgende aanvullende voorschriften worden opgelegd: • De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; • De verplichting tot het doen van opgravingen; • De verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg. Deze deskundige moet voldoen aan, door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen, kwalificaties.
3.3 Onderzoeksvragen In het Programma van Eisen is een aantal onderzoeksvragen opgenomen. 6 Algemeen 1. Zijn er archeologische resten in de bodem aanwezig? 2. Zo ja, wat is de aard, omvang, ouderdom, herkomst, kwaliteit en locatie van de archeologische resten (horizontaal en verticaal)?
6 Schutte, 2023.
14377.017 versie 2
7 / 18
3.
Hebben de archeologische waarden een relatie met uit de omgeving bekende archeologische of historische locaties en welke is dat? 4. Welke gegevens over de aangetroffen vindplaatsen kunnen de archeologische kennis van de regio en Bernheze aanscherpen? 5. Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten? 6. In welke mate zijn de onderzoeksgebieden verstoord? 7. Is sprake van (een) behoudenswaardige vindplaats(en) (licht dit toe)? 8. Wat is het belang van de vindplaats voor de lokale, regionale en nationale geschiedschrijving? 9. Wat kunnen de uitkomsten van het onderzoek zeggen over vergelijkbare terreinen in de omgeving? 10. Is vervolgonderzoek noodzakelijk en welke methoden zouden hierbij kunnen worden ingezet? 11. Op welke manier dient bij eventuele graafwerkzaamheden met archeologische resten te worden omgegaan? 12. Indien er geen archeologische resten worden aangetroffen, wat is de reden voor de afwezigheid van archeologisch resten? Periode en sites Dit aspect van het onderzoek richt zich op de aard, ouderdom, omvang en andere archeologische kenmerken van de vindplaatsen. Hieruit zijn de volgende vragen afgeleid: 13. Welke en hoeveel vindplaatsen zijn in het onderzoeksgebied te herkennen? 14. Wat is per archeologische site in het onderzoeksgebied: •
de ligging (inclusief diepteligging)
•
de geologische en/of bodemkundige eenheid
•
de omvang (inclusief verticale dimensies)
•
het type en de functie van de sites of off-site-patronen
•
de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia)
•
Wat is, indien aanwezig, de ouderdom van de cultuurlaag?
•
de vondst- en spoordichtheid
•
de stratigrafie voor zover aanwezig
•
de ouderdom, periodisering, typechronologische classificatie
•
wanneer zijn vindplaatsen in onbruik geraakt?
Landschap en bodem Dit aspect van het onderzoek omvat de bestudering van de landschappelijke context van de vindplaatsen in historisch perspectief. Dit leidt tot de volgende vragen: 15. Wat is de bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied? 16. Waar bevindt zich binnen het onderzoeksgebied het eerddek? Als een eerddek afwezig is, komt dat doordat het er waarschijnlijk niet ontwikkeld is of omdat het in een later stadium weer verwijderd is? 17. Indien er een eerddek wordt aangetroffen. Wat is de dikte en wanneer is dit eerddek aangelegd? 18. Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaatsen (geologie, bodemkunde en geomorfologie)? Zijn er aanwijzingen voor stratigrafische hiaten, d.w.z. erosie of non-depositie, in de geologische profielopbouw ter plekke van de vindplaatsen? 19. Wat is de paleo-ecologische context van het onderzoeksgebied? Liggen in het onderzoeksgebied locaties die voor pollenanalyse bemonsterd kunnen worden (licht dit toe)?
14377.017 versie 2
8 / 18
20. In hoeverre zijn de aangetroffen bodemlagen geschikt voor een palynologische reconstructie van de vegetatie- en gebruiksgeschiedenis van het terrein? Vraagstelling specialistisch onderzoek Het specialistisch onderzoek dient zich te richten op het eventuele vervolgonderzoek. Het is hierbij van belang om te weten of de vindplaats geschikt is voor archeobotanisch, archeozoölogisch, fysisch-antropologisch, fysisch-geografisch, geofysisch en dateringsonderzoek. De hiervoor geselecteerde monsters dienen hiervoor gewaardeerd te worden.
14377.017 versie 2
9 / 18
4
METHODIEK VELDONDERZOEK
4.1 Inleiding Voor het proefsleuvenonderzoek is door Econsultancy een Programma van Eisen opgesteld.7 In dit document zijn de eisen vastgelegd waaraan het archeologische onderzoek dient te voldoen. De methodiek en onderzoeksvragen zoals die in het PvE zijn opgenomen, worden in dit hoofdstuk verwoord. Naast de eisen zoals omschreven in het PvE is het archeologisch onderzoek uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018, protocol 4003), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda.
Figuur 4.1. Locatie van de geplande ten opzichte van de aangelegde werkputten
7 Schutte, 2023.
14377.017 versie 2
10 / 18
4.2 Afwijkingen op het Programma van Eisen Tijdens het veldwerk was het noodzakelijk om met de ligging van enkele werkputten af te wijken van het goedgekeurde Programma van Eisen.8 In verband met het aanwezige hekwerk zijn werkputten 1, 6, 7 en 17 iets verplaatst ten opzichte van het goedgekeurde proefsleuvenplan. Bij werkput 6 zijn daarnaast de twee werkputten uit het PvE aaneensluitend aangelegd in een T-vorm, dit door de beperkte graafruimte voor de graafmachine in verband met een hekwerk (Figuur 4.1).
4.3 Methodiek proefsleuvenonderzoek Er zijn in het plangebied 24 proefsleuven aangelegd met een totale oppervlakte van 2.425 m2. Met uitzondering van werkput 6 hebben alle proefsleuven een afmeting van circa 25 bij 4 meter. Werkput 6 is aangelegd in een T-vorm waarbij het westelijke deel circa 20 meter lang is en het oostelijke deel circa 30 meter. Beide delen zijn circa 4 meter breed (Figuur 4.1). De proefsleuven zijn in één vlak onderzocht. Het vlak is in de top van de natuurlijke ondergrond, de dekzandafzettingen, aangelegd op een diepte van circa 60-90 centimeter beneden het maaiveld (6,5-7,1 met NAP). De vlakaanleg heeft laagsgewijs plaatsgevonden tot op het vlakniveau waarop de grondsporen zichtbaar werden en het vlak te interpreteren was. Per haal van de graafmachine is met behulp van de metaaldetector door een metaaldetectorspecialist het blootgelegde vlak afgezocht. Behalve het vlak is ook de stort van de sleuven met behulp van de metaaldetector onderzocht. Na iedere haal van de graafmachine is het vlak op vondsten en grondsporen gecontroleerd. Het vlak is waar nodig handmatig opgeschaafd, met een Rover GPS/Robotic Total Station ingemeten en in delen gefotografeerd. In iedere proefsleuf is per vlak de hoogte gemeten in raaien met een tussenafstand van 5 meter. In iedere werkput, behalve werkput 6, zijn twee profielen gedocumenteerd.
In werkput 6 zijn vier profielen gedocumenteerd. Alle archeologisch relevante sporen zijn gedocumenteerd. In de werkputten is een selectie van de potentiële archeologisch relevante sporen gecoupeerd tot op het niveau dat noodzakelijk is voor het beantwoorden van de vraagstellingen. Bijzondere grondsporen zoals vermoedelijk waterputten of waterkuilen zijn niet gecoupeerd tijdens het proefsleuvenonderzoek. De coupes en de profielen zijn gefotografeerd met ee foto a era. Alle foto s a het lak, spore , oupes e profiele zij oorzie a ee oordpijl, ee schaalstok en een fotobordje met het projectnummer en objectgegevens. Alle relevante profielen zijn gedocumenteerd en beschreven door een KNA-archeoloog. Het vlak en de profielen zijn lithologisch beschreven conform de NEN 51049 en bodemkundig10 geïnterpreteerd. De vondsten zijn per vak, per laag en per spoor en segment verzameld. Het veldwerk is uitgevoerd op 6 t/m 12 juni 2023 door mevrouw J.A.M. Reynaert, MSc (KNA Archeoloog), de heer drs. T.H.L. Hos (Senior KNA Archeoloog), de heer C.A.G. Enzl (veldtechnicus) en de heer C. Dohms (stagiair Saxion Hogescholen). 8
Schutte, 2023.
9 NEN 5104 1989. 10 Bakker en Schelling 1989.
14377.017 versie 2
11 / 18
5
RESULTATEN VELDONDERZOEK
5.1 Landschapsgenese en bodemopbouw In de proefsleuven zijn in totaal 50 profielen opgeschaafd en gefotografeerd (Figuur 5.1). De profielen zijn getekend en lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. 11 De natuurlijke bodemopbouw is grotendeels vergelijkbaar met de verwachting op basis van het vooronderzoek. Er zijn vijf soorten profielen te onderscheiden. In het noorden (werkputten 6 en 7) en in werkputten 1 en 13 in het zuidelijke deel is de bodemopbouw verstoord. In de overige profielen is in grote lijnen een AC-profiel aangetroffen, bestaande uit een zwak humeus dek (bouwvoor, Ap-horizont, eerddek) op dekzandafzettingen. In twee profielen in werkput 2 is een restant van een podzolbodem aangetroffen. De mogelijk aanwezige oude akkerlaag, zoals geïdentificeerd in de verkennende booronderzoeken, is in de profielen niet aangetroffen.
Figuur 5.1. Overzicht profielen 11 Bosch, 2005.
14377.017 versie 2
12 / 18
Bouwvoor – C-horizont In profiel 7, 10, 23, 24, 28, 29, 40, 42 en 43 bestaat de bodemopbouw uit een bouwvoor op de C-horizont. De bouwvoor is 40 tot 55 centimeter dik en opgebouwd uit matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, grijsbruin zand. De bouwvoor bevindt zich direct op de C-horizont. Deze bestaat uit geel tot bruingeel matig fijn zand dat als dekzandafzettingen kan worden geïnterpreteerd. Bij profiel 49 en 50 bevindt tussen de bouwvoor en de C-horizont nog een restant van een BC-horizont. Deze bestaat uit donkerbruin, geel gevlekt matig fijn zand (Figuur 5.2).
Bouwvoor B-horizont C-horizont
Figuur 5.2. Profiel 50, onder de bouwvoor bevindt nog een restant van een BC-horizont
Bouwvoor – Ap-horizont – C-horizont In profiel 5, 8, 9, 17-20, 25, 30-39, 41 en 45 bevindt zich onder de bouwvoor een Ap-horizont. Deze verploegde laag is donkerbruin van kleur met lichte gele vlekken, zwak humeus en is tussen de 10 en 40 centimeter dik. Onder de Ap-horizont bevindt zich de C-horizont, op een diepte van 50 tot 80 centimeter onder het maaiveld. In profiel 5 en 9 is nog een restant van een BC-horizont aanwezig. Bij profiel 5 bevindt zich tussen de Ap- en BC-horizont een verploegd plaggendek/B-horizont (Figuur 5.3). Profiel 8 is binnen een ploegspoor gezet. In dit profiel is duidelijk te zien dat de top van het onderliggende spoor door het ploegen is verstoord. Circa 25 centimeter van het spoor is verploegd. Waarschijnlijk is bij een groot deel van de aangetroffen sporen de top opgenomen in de Ap-horizont (Figuur 5.4).
14377.017 versie 2
13 / 18
Bouwvoor
Ap-horizont C-horizont
Figuur 5.3. Profiel 34, tussen de bouwvoor en de C-horizont bevindt zich een Ap-horizont
Bouwvoor
Ploegspoor C-horizont
Figuur 5.4. Profiel 8, de top van spoor 48 is door het ploegen verstoord
14377.017 versie 2
14 / 18
Bouwvoor – (Ap-horizont – ) restant eerddek – C-horizont In profielen 6, 21, 22, 26, 44 en 46-48 is nog een restant van een eerddek aangetroffen. Het eerddek bestaat uit matig fijn, zwak siltig, sterk humeus, zwart zand en is 10 tot 35 centimeter dik. In profielen 21 en 48 bevindt het restant van het eerddek zich direct tussen de bouwvoor en de C-horizont; bij profielen 22, 44 en 46 bevindt er zich boven het eerddek nog een Ap-horizont van 15 tot 20 centimeter dik. In drie profielen (6, 26 en 47) bevindt zich tussen het eerddek en de C-horizont nog een restant van een BC-horizont (Figuur 5.5).
Bouwvoor Restant plaggendek
BC-horizont C-horizont
Figuur 5.5. Profiel 26, onder de bouwvoor bevindt zich een restant van een enkeerdgrond en een BC-horizont
Bouwvoor – Ap-horizont – restant podzol – C-horizont In twee profielen, profiel 3 en 4 in werkput 2, is een restant van een podzolbodem aangetroffen. In profiel 4 was de podzolbodem het meest intact. Onder de bouwvoor en een 25 centimeter dikke Ap-horizont bevindt zich een restant van een eerddek, een E-horizont en een B-horizont. De C-horizont bevindt zich onder de Bhorizont, op 95 centimeter onder het maaiveld (Figuur 5.6). Bij profiel 3 bevindt zich onder de bouwvoor en de Ap-horizont een zwartbruin witgrijs-gevlekte laag. Het gaat hier om het restant van een B-horizont dat is vermengd met resten van de E-horizont. Onder deze verrommelde laag, op 75 centimeter onder het maaiveld, bevindt zich de C-horizont.
14377.017 versie 2
15 / 18
Bouwvoor
Ap-horizont Restant plaggendek E-horizont B-horizont C-horizont
Figuur 5.6. Profiel 4, restant van een podzolbodem met een enkeerdgrond, E-horizont en B-horizont
Verstoorde bodemopbouw In werkputten 1, 6, 7 en in het noorden van werkput 13 is de bodemopbouw verstoord. De zwaarste verstoringen zijn aangetroffen in werkput 6 en 7. Bij profielen 11 en 14-16 bevindt de verstoorde laag zich direct onder het maaiveld. Deze bestaat uit donkerbruin tot donkerbruingrijs, zwart/geel gevlekt zand, met fragmenten recent puin en baksteen. Bij profielen 11, 15 en 16 bevindt de C-horizont zich onder het verstoorde pakket, op 60-84 centimeter onder het maaiveld. Bij profiel 14 zetten de verstoringen zich door tot het einde van het profiel, op 120 centimeter onder het maaiveld. Het onderste pakket (van 60-120 centimeter onder het maaiveld) bestaat uit lichtgeel lichtbruin/donkerbruin gevlekt zand met resten bouwzand en brokken baksteen (Figuur 5.7). Op deze locatie bevonden zich tussen 1960 en 2000 varkenstallen met diepe mestputten. In profielen 12 en 13 bevindt de verstoorde laag zich onder een 30-40 centimeter dikke grijsbruine bouwvoor. De verstoorde laag bestaat uit donkerbruingrijs, matig humeus zand met baksteen- en puinfragmenten. Hieronder bevindt zich de C-horizont, op 60-65 centimeter onder het maaiveld. In werkput 1 (profielen 1 en 2) bestaat de bodemopbouw uit een grijsbruine bouwvoor van 30-45 centimeter dik met daaronder een verstoord pakket donkerbruingrijs zwart/geel gevlekt zand.
In zowel de bouwvoor als het verstoorde pakket zijn fragmenten plastic en glas aangetroffen. Bij profiel 1 bevindt de C-horizont zich direct onder de verstoorde laag, bij profiel 2 bevindt er zich onder de verstoorde laag nog een 20 centimeter dikke Ap-horizont. Profiel 27 in werkput 13 bestaat uit een 35 centimeter dikke bouwvoor met daaronder een donkerbruingrijze laag met fragmenten baksteen en puin, een lichtbruine sterk gevlekte (geel/donkerbruin) laag en een zwart-
14377.017 versie 2
16 / 18
bruine lichtgeel-gelaagde laag. Deze drie lagen worden geïnterpreteerd als recent verstoorde lagen. De Chorizont bevindt zich in profiel 27 op 90 centimeter onder het maaiveld.
Recent verstoorde laag Recent verstoorde laag, o.a. vermengd met bouwzand
Figuur 5.7. Profiel 14, verstoorde bodemopbouw
5.2 Analyse sporen en structuren Er zijn in de proefsleuven 247 archeologische spoornummers geregistreerd (Kaart 1 (ASK), Kaart 2 en Bijlage 1). Tijdens de werkzaamheden is een selectie van de sporen gecoupeerd, gefotografeerd en getekend, conform PvE. Naast recente en natuurlijke sporen zijn de volgende sporen aangetroffen: 58 greppels, 35 kuilen, 133 paalkuilen en drie spitsporen. De sporen worden hieronder per vindplaats besproken. Vindplaats 1: nederzettingssporen uit de IJzertijd en Middeleeuwen Vindplaats 1 ligt in het westen van het plangebied en betreft nederzettingssporen uit de IJzertijd en de Middeleeuwen. De sporen uit de IJzertijd zijn aangetroffen in werkput 22 en betreffen vermoedelijk een hoofdgebouw (paalkuilen S171-178, S180, S182-188, S191-196, S198 en S199) met ten noorden daarvan een bijgebouw (paalkuilen S164, S165, S167 en S168). Het hoofdgebouw kan op basis van aardewerk uit S184 en S185 gedateerd worden in de Vroege- tot Midden-IJzertijd (800-250 v. Chr.). Door het ontbreken van vondsten kan het bijgebouw niet nader gedateerd worden, maar vermoedelijk behoort deze tot dezelfde periode. De paalkuilen zijn donkergrijs van kleur, in het vlak rond of ovaal van vorm en 18-85 centimeter breed. In werkput 24 zijn kuilen en paalkuilen uit de Middeleeuwen aangetroffen (S213-241).
Uit zeven sporen is aardewerk verzameld (13 fragmenten), die gedateerd zijn in de Late Middeleeuwen, tussen 1100 en 1400 na Chr. De sporen zijn geelbruin grijs/donkerbruingrijs gevlekt. In vergelijking met de sporen uit WP22 zijn de
14377.017 versie 2
17 / 18
paalkuilen groter (40-170 centimeter) en meer rechthoekig van vorm. In de concentratie (paal)kuilen is geen duidelijke structuur te herkennen.
Figuur 5.8. ASK Vindplaats 1 (werkputten 22 en 24)
Figuur 5.9. Paalkuil S185 en S212 in werkput 22
14377.017 versie 2
Figuur 5.10. Paalkuil S234 in werkput 24
18 / 18
Vindplaats 2: (paal)kuilen uit de IJzertijd en Late Middeleeuwen In werkputten 10 en 15 t/m 18 zijn enkele concentraties paalkuilen en kuilen aangetroffen (S101, S102, S105, S126-128, S132-135, S137-141, S145 en S149-S156). Deze sporen variëren in kleur van grijs, donkergrijs bruin tot lichtgeel/grijs gevlekt. De sporen zijn rond tot ovaal van vorm en zijn in het vlak tussen de 35 en 220 centimeter groot. Uit de (paal)kuilen is weinig aardewerk verzameld. Uit twee kuilen (S102 in WP10 en S149 in WP18) is aardewerk verzameld uit de Late Middeleeuwen. Dit aardewerk is gedateerd tussen 1150 en 1350 na Chr. Uit één paalkuil (S152 in WP18) is een deels verbrand fragment huttenleem aangetroffen. Indrukken van takken op het fragment wijst erop dat het een deel was van een vlechtwerkwand. Dit fragment is zelf niet nader dateerbaar, maar tijdens het veldwerk zijn fragmenten huttenleem verzameld uit sporen die zowel in de IJzertijd als in de Late Middeleeuwen en in de Nieuwe tijd te dateren zijn. De vindplaats is op basis van de huidige resultaten niet nader te dateren. Vermoedelijk gaat het hier om nederzettingssporen uit de IJzertijd en de Middeleeuwen, die in verband staan met de sporen van vindplaatsen 1 en 3.
Figuur 5.11. ASK Vindplaats 2
14377.017 versie 2
1/2
Figuur 5.12. Paalkuil S126 in werkput 15
Figuur 5.13. Paalkuil S152 in werkput 18
Vindplaats 3: nederzettingssporen uit de Middeleeuwen In het zuidoosten van het plangebied, in werkputten 3, 4, 8 en 9, is een concentratie kuilen, paalkuilen en smalle greppels aangetroffen (S7-S49 en S79-S99). Op basis van het aardewerk uit de sporen kan deze concentratie gedateerd worden in de Late Middeleeuwen, tussen 1100 en 1350 na Chr. In het beperkte oppervlakte van de proefsleuven is geen structuur te herkennen, hoewel sommige sporen wel op een lijn lijken te liggen (o.a. S19, 20, 22; S37 t/m 40; S79 t/m 81; S96 t/m 98). Vermoedelijk bevindt er zich binnen de vindplaats één of meerdere structuren uit de Middeleeuwen. Een van de kuilen, S44, zou mogelijk een waterkuil of waterput kunnen zijn.
Figuur 5.14. Paalkuil S21 in werkput 3
14377.017 versie 2
Figuur 5.15. Paalkuil S83 in werkput 8
2/2
Figuur 5.16. ASK Vindplaats 3
Vindplaats 4: greppels uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd In het zuidelijke deel van het plangebied zijn verspreid over de proefsleuven meerdere greppels aangetroffen. Een deel van deze greppels (S114, S125, S129, S157-158 en S160) lijken qua ligging en oriëntering grotendeels overeen te komen met de percelering op de kadastrale minuut uit 1811-1832. Deze perceelsgreppels zijn op de historische kaarten na 1899 niet meer te zien, waardoor wordt vermoedt dat de greppels in de loop van de 19e eeuw zijn gedempt. De overige greppels zijn niet te zien op de historische kaarten en zijn vermoedelijk ouder. Uit de greppels is aardewerk en keramische bouwmateriaal uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd verzameld. Vermoedelijk is een deel van het oudere aardewerk als opspit of bij het vergraven van de voormalige enkeerdgrond in de greppels terecht gekomen.
14377.017 versie 2
1/4
Er is geen duidelijke ruimtelijke relatie tussen de greppels en de nabijgelegen (paal)kuilen. De verhouding tussen greppel S125 en de dicht hierop gelegen (paal)kuilen (S132-139) in werkput 16 doet eerder vermoeden dat er andere paalkuilen door de greppel zijn verstoord. Mogelijk bevond er zich hier een structuur die (deels) door de greppel is oversneden. Op basis van het aanwezige aardewerk en de ligging van de greppels, ook in relatie met de historische kaarten, krijgen de greppels een datering in de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd, vóór 1900 maar na de laatmiddeleeuwse nederzetting.
Figuur 5.17. Greppel S124 in werkput 15
Figuur 5.18. Greppel S158 in werkput 20
14377.017 versie 2
2/4
Figuur 5.19. Proefsleuven en sporen geprojecteerd op de kadastrale minuut (1811-1832)
Recente verstoringen en overige sporen In werkput 1, in het oosten van het zuidelijke deel, en in werkputten 6 en 7 in het noordelijke deel zijn met name recente verstoringen aangetroffen. De verstoringen in werkput 1 bestaan uit meerdere rijen rechthoekige, regelmatige sporen (S3), welke worden geïnterpreteerd als bandensporen van een graafmachine. Met uitzondering van deze sporen is het vlak in werkput 1 relatief intact, maar de bovengrond is sterk verstoord. In een ondiepe kuil (S2) is naast een fragment handgevormd aardewerk uit de IJzertijd (circa 600-350 v. Chr.) een fragment van een wandtegel met tinglazuur uit circa 1700-1900 na Chr. aangetroffen. Het IJzertijd fragment zal vermoedelijk door opspit of door de recente verstoringen in deze kuil terecht zijn gekomen, mogelijk vanuit het voor de verstoringen aanwezige plaggendek.
14377.017 versie 2
3/4
In werkputten 6 en 7 is het vlak wel sterk verstoord. In het zuiden van werkput 7 en verspreid door werkput 6 bevinden zich grote onregelmatige vlekken waarin zich recent puin, baksteen, plastic en glas bevindt. Spoor 58 en 60 zijn daarnaast sterk vermengd met bouwzand. Op de locatie van deze twee verstoringen, in het zuidoosten van werkput 6, bevonden zich tussen 1960 en 2000 twee varkensstallen (Figuur 5.25). Volgens de voormalige eigenaar van het perceel, de heer van der Heijden, zijn deze varkensstallen in 2000 gesloopt. De mestputten zijn toentertijd opgevuld met zand uit Kaatsheuvel. De verstoringen ten noordwesten van de varkensstallen, in werkput 6, en ten zuiden in werkput 7, zullen waarschijnlijk ook gerelateerd zijn aan het gebruik van het perceel en aan de bouw en afbraak van de varkensstallen. Verstoringen S52 en S53 komen bijvoorbeeld overeen met een sleufsilo/mestopslag die op de luchtfoto van 2022 te zien is (Kaart 1). De (paal)kuilen in werkput 7 lijken op basis van de vorm en de opvulling ook recent van aard. In beide werkputten zijn, met uitzondering van een fragment industrieel wit aardewerk afkomstig van een bord en te dateren tussen 1850 en 1900 na Chr., geen vondsten verzameld. In werkput 14, in het midden van het zuidelijke deel, is drie kwart van het vlak verstoord door grondverbeteringskuilen (S123).
Deze kuilen zijn rechthoekig van vorm, 3,8 tot 4,5 meter lang en 50 centimeter diep. Uit de sporen zijn enkele fragmenten roodbakkend aardewerk met loodglazuur (datering tussen 1550 en 1700 na Chr.) en een fragment van een dakpan uit 1550 tot 1900 na Chr. verzameld. Op basis van deze fragmenten zijn de kuilen te dateren in de Nieuwe tijd en dus relatief recent van aard. Verwacht wordt dat er onder deze sporen geen oudere archeologische resten zijn bewaard.
Figuur 5.20. Greppel S1 in werkput 1
14377.017 versie 2
Figuur 5.21. Kuil S73 in werkput 7
4/4
Figuur 5.22. Paalkuilen S62 en S63 in werkput 7
Figuur 5.23. Grondverbeteringskuilen S123 in werkput 14
Figuur 5.24. ASK werkputten 6 en 7
14377.017 versie 2
2/2
Figuur 5.25. Proefsleuven en sporen geprojecteerd op de topografische kaart uit 1988
5.3 Vondstmateriaal (De heer P.J.L. Wemerman) Inleiding Tijdens het onderzoek zijn in totaal 256 fragmenten vondstmateriaal aangetroffen met een totaalgewicht van 6.174 gram (Bijlage 2). Hieronder bevinden zich fragmenten aardewerk, kleipijp, huttenleem, grofkeramisch bouwmateriaal, mortel, metaal, metaalslak en natuursteen. Uit sporen zijn 196 fragmenten verzameld. Bij de aanleg van het vlak zijn 160 fragmenten gevonden die niet aan sporen zijn te relateren.
14377.017 versie 2
1 / 14
Tabel 5.1. Overzicht vondstmateriaal materiaalsoort aardewerk
N
gewicht (g)
datering
182
2.668
1100-v. Chr.-1900 n. Chr.
kleipijp
1
2
1700-1900 n. Chr.
huttenleem
11
454
1100-250 v. Chr.
grofkeramisch bouwmateriaal
11
849
1500-1950 n. Chr.
mortel
1
23
1880-1950 n. Chr.
metaal
14
353
Indet.
metaalslak
1
835
Indet.
natuursteen
35
990
Indet.
totaal
256
6.174
Aardewerk Het oudste aardewerk aangetroffen bij het onderzoek bestaat uit zeventien fragmenten handgevormd aardewerk. Op basis van een magering bestaande uit middelgrof potgruis en kwartsgruis (1-4 mm), een afwerking door middel van polijsten of besmijten en een zacht tot hard oxiderend en reducerend baksel kunnen deze fragmenten worden gedateerd in de Late Bronstijd tot Midden IJzertijd. Kwartsgruis werd, net als steengruis, ná de Vroege IJzertijd niet of nauwelijks nog gebruikt beneden de grote rivieren. 12 Van dit handgevormde aardewerk zijn geen vormen herleidbaar. Het aardewerk uit de Late Middeleeuwen bestaat uit Kogelpotaardewerk (drie fragmenten), Pingsdorf aardewerk (vier fragmenten), Zuid-Limburgs aardewerk (26 fragmenten), blauwgrijs aardewerk uit de regio Paffrath (22 fragmenten) en de regio Elmpt-Brüggen (57 fragmenten), grijsbakkend aardewerk (drie fragmenten), roodbakkend aardewerk (tien fragmenten), witbakkend aardewerk (één fragment), proto-steengoed (vijf fragmenten), steengoed zonder oppervlaktebehandeling (drie fragmenten) en steengoed met oppervlaktebehandeling (negen fragmenten).
De herleidbare vormen bestaan uit twee kannen (pi-kan-1 en 2, 1175-1125) en drie potten (pi-pot-12 en 19, 1180-1220) uit de regio Zuid-Limburg, een blauwgrijze kan (bg-kan-2, 1200-1350) en drie kogelpotten (bg-kog-2, 1100-1200) uit de regio Elmpt-Brüggen en een roodbakkende bakpan (r-bak-1, 1300-1400) waarschijnlijk van regionale herkomst.13 Uit de Nieuwe tijd is roodbakkend aardewerk aangetroffen (zestien fragmenten), steengoed met oppervlaktebehandeling (vijf fragmenten) en industrieel witte keramiek (één fragment). Van deze fragmenten is alleen een roodbakkende bloempot (r-blo-8), een roodbakkend bord met sliblaag en sgrafitto versiering (r-bor-6), een kan (s2-kan-62) met versierde fries op de hals in behandeld steengoed en een deel van bord met accoladerand in industrieel witte keramiek (iw-bor-37), waarschijnlijk geproduceerd in Engeland, te herleiden. Kleipijp Bij het onderzoek is één klein fragment van een ketel aangetroffen. Dit fragment kan niet nader worden gedateerd dan de 18e tot 19e eeuw.
12 Van den Broeke 2012, 128-129. 13 www.deventersysteem.nl.
14377.017 versie 2
2 / 14
Huttenleem In een spoor te dateren in de Late Bronstijd tot Midden IJzertijd, in een spoor dateerbaar in de Late Middeleeuwen en in een greppel en verschillende lagen uit de 19 e of 20e eeuw zijn een aantal fragmenten huttenleem aangetroffen. Op twee fragmenten zijn takindrukken zichtbaar wat erop wijst dat het gaat om delen van vlechtwerkwanden. Ook laten deze twee fragmenten sporen van vuur (brand?) zien. Grofkeramisch bouwmateriaal Het grofkeramische bouwmateriaal bestaat uit vijf fragmenten van handgevormde bakstenen, vijf fragmenten van dakpannen en één fragment van een wandtegel. Van de bakstenen is alleen een dikte herleidbaar, ?x?x5/3,5 cm. Eén fragment is sterk vervormd en betreft mogelijk een misbaksel. Ook is een fragment van een gele baksteen (IJsselsteen) aanwezig. Mortel Bij het fragment mortel gaat het om Portlandcement gebruikt vanaf de late 19 e eeuw. Metaal Het metaal bestaat uit vijftien fragmenten, waaronder twaalf spijkerfragmenten, één metaalslak (zie hieronder) en twee sterk gecorrodeerde ijzerobjecten. Beide ijzerobjecten zijn door Restaura geröntgend. Na de röntgen bleek één van de twee objecten niet meer dan een indeterminabel ijzeren fragment. Het andere object (vnr. 12.1) betreft delen van een dolk, vermoedelijk met een kokerhandvat (Figuur 5.26)14.
De datering van deze dolk is niet bekend, maar de fragmenten zijn aangetroffen in werkput 3 ter hoogte van verschillende kuilen en paalkuilen die op basis van het aardewerk in de Late Middeleeuwen (12 e-13e eeuw) gedateerd kunnen worden. De dolk heeft vermoedelijk een datering in dezelfde periode.15
Figuur 5.26. Röntgen van de dolkfragmenten (vnr. 12.1) 14 Mondelinge communicatie Restaura, R. Martens. 15 Op het moment van schrijven van het rapport ligt het dolkfragment ter conservering bij Restaura.
14377.017 versie 2
3 / 14
Metaalslak Uit één van de 19e-eeuwse greppels (spoor 117) is een groot fragment metaalslak afkomstig. Het lijkt hier vanwege de grillige vorm te gaan om een haard- of smeedslak en niet om een slak afkomstig uit een smeltoven waarbij de slak onderin werd opgevangen of uit een oven waarbij de slak aan de zijkant kon uitstromen. 16 Omdat deze slak secundair is gedeponeerd is een datering niet te geven. Omdat ook sporen uit de Late Middeleeuwen aanwezig zijn op de onderzochte locatie lijkt een datering in die periode voor de hand te liggen. Natuursteen Het natuursteen bestaat uit 33 fragmenten vesiculaire lava, ook wel tefriet genoemd, een fragment kwartsiet en een fragment kwartsitische zandsteen. Van de fragmenten vesiculaire lava zijn geen vormen meer herleidbaar. Ongetwijfeld zal het gaan om delen van één of meerdere maalstenen aangevoerd vanuit de Eifel. Dit vond al plaats vanaf de Late Bronstijd en werd nog tot in de Nieuwe tijd als materiaal aangevoerd en gebruikt.17 Van dit materiaal zijn negentien fragmenten aangetroffen in sporen met aardewerk uit de 12 e eeuw, waarbij het lijkt te gaan om primaire contexten. De overige veertien fragmenten zijn als secundair gedeponeerd materiaal aangetroffen in 19e-eeuwse greppels en lagen uit de 19e of 20e eeuw.
De beide fragmenten kwartsiet en kwartsitische zandsteen, beide grijs van kleur, zijn gebroken waarbij op het kwartsiet roetsporen zijn te herkennen (vuur). Dit fragment is aangetroffen in een paalkuil met aardewerk uit de 12e eeuw en lijkt zich nog in primaire context te hebben gevonden. Het andere fragment, de kwartsitische zandsteen, is aangetroffen in één van de 19e-eeuwse greppels en kan derhalve als secundair gedeponeerd worden beschouwd. Samenvatting en voorlopige conclusie Het aangetroffen vondstmateriaal is te dateren in de Late Bronstijd tot Midden IJzertijd, de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Hierbij gaat het om fragmenten handgevormd aardewerk, draaischijfaardewerk, kleipijp, huttenleem, grofkeramisch bouwmateriaal, mortel, metaal, metaalslak en natuursteen. Een deel van het vondstmateriaal lijkt zich nog in primaire contexten uit de Prehistorie en Late Middeleeuwen te hebben bevonden. Een groot deel is echter ook verstoord geraakt en is in jongere contexten aangetroffen zoals in de greppels en de verschillende lagen.
5.4 Synthese proefsleuvenonderzoek In het plangebied zijn in 24 proefsleuven aangelegd. In totaal zijn 247 sporen aangetroffen in de top van de dekzandafzettingen. Naast recente en natuurlijke sporen zijn er 58 greppels, 35 kuilen, 133 paalkuilen en drie spitsporen geregistreerd. In de aangetroffen sporen zijn vier vindplaatsen te onderscheiden. Vindplaats 1 bevindt zich in het westen van het zuidelijke deel en bestaat uit kuilen en paalkuilen die op basis van het aanwezige aardewerk gedateerd kunnen worden in IJzertijd (800-250 v. Chr.) en de Late