CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Kamersche Hoef Heeswijk-Dinther - TOE Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek

Raadsvergadering 26 september 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Kamersche Hoef, Heeswijk-Dinther16.080 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Methoden

Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 12 maart 2021 door drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector) een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. De boringen zijn verspringend ten opzichte van elkaar gezet, waardoor een systeem bestaande uit gelijkbenige driehoeken ontstaat. Bij het zet-

Rapport 14377.001 versie 2

Pagina 14 van 21

ten van de boringen is rekening gehouden met de aanwezige verhardingen en gebouwen. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) 18 boringen tot maximaal 1.20 meter -mv gezet (Figuur 13). De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven.36 De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. 3.3

Resultaten

Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 9 weergegeven. Op basis van deze boorprofielen kunnen de hoofdlijnen van de opbouw van de bodemde bodemopbouw als volgt worden weergegeven. In zowel het westelijke als het oostelijke deelgebied zijn zwak siltige matig fijne zandafzettingen aangetroffen. Het profiel bestaat bij alle boringen in grote lijnen uit een zwak humeus eerddek van circa 40-60 cm dik op dekzandafzettingen. Beide deelgebieden zijn in natte en droge zone’s onder te verdelen De noordelijke boringen 1, 2, 12-14, 16 en 17 en de zuidwestelijke boring 6 vertonen duidelijke gleyverschijnselen en hebben een vrij hoge grondwaterstand van minder dan 100 cm -mv en plaatselijk (bij boring 13) zelfs minder dan 50 cm -mv. De boringen 2, 6, 12-14 en 16 hebben bovendien een deels verstoord bodemprofiel. In de door de gevlektheid gekenmerkte verstoorde laag zijn bij de boringen 2 en 12 resten van een voormalige podzol-B-horizont aangetroffen. Bij boring 6 in het zuidwesten van het plangebied is het bodemprofiel tot 100 cm -mv verstoord. De zuidelijke boringen 3-5 en 7-11 en de noordelijke boring 18 en in iets mindere mate 15 vertonen een duidelijk droger bodemprofiel. Er zijn hier geen tot minder gleyverschijnselen waargenomen en/of de grondwaterstand was hier meer dan 100 cm -mv.

Bij de boringen 3 en 5 is in de top van de onverstoorde dekzandafzettingen een podzol-B en/of podzol-BC horizont waargenomen. In boring 9 is een 15 cm dikke (iets verploegde) oude akkerlaag waargenomen tussen het eerddek en de onverstoorde dekzandafzettingen. Bij de boringen 4, 7, 8, 10 en 11 is boven de onverstoorde dekzandafzettingen een verstoord pakket aangetroffen, waarin bij de boringen 7 en 10 ook resten van een voormalige podzol-B horizont zijn waargenomen. Bij de boringen 4, 7 en 8 bevindt de top van de onverstoorde dekzandafzettingen zich op 65 tot 70 cm -mv; de dikte van de verstoorde laag blijft hier beperkt tot 1535 cm. Bij de oostelijke boringen 10 en 11 is een humeus, deels verstoord pakket aangetroffen tot (minimaal) 100 tot 120 cm -mv. Bij boring 10 was het door het grondwater zelfs niet mogelijk om intacte dekzandafzettingen op te boren. Mogelijk is het bodemprofiel hier zo diep verstoord door de aanwezigheid van een paardenbak en/of mogelijk een voormalige sloot. Bij boring 18 is onder een 50 cm dik verstoord, puin- en baksteenhoudend (opgehoogd) zandpakket een eerddek op dekzandafzettingen aangetroffen

36

Bosch, 2005.

Rapport 14377.001 versie 2

Pagina 15 van 21

Archeologische indicatoren In boring 9 is in de akkerlaag tussen het eerddek en de dekzandafzettingen een scherf grijs bakkend aardewerk uit vermoedelijk de Late-Middeleeuwen37 gevonden. In geen van de overige boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. 3.4

Conclusie veldonderzoek

Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Uit de resultaten van het verkennend booronderzoek komt naar voren dat de landschappelijke opbouw van beide deelgebieden in grote lijnen overeenkomt met die van het onderzoek dat RAAP in 2011 heeft uitgevoerd. Het noorden van het plangebied ligt in een nat, lager gelegen gebied en het zuidelijke deel van het plangebied op een drogere dekzandrug. Afwijkingen op dit beeld zijn de vrij natte boring 6 in het zuidwesten van het plangebied en de droge boring 18 (en in iets mindere mate boring 15) in het noorden van het plangebied. Omdat direct ten zuiden van het plangebied aan de overzijde van de Veldstraat bij een onderzoek van Aeres in 2016 een natte zone is aangetroffen38, is de zuidwesthoek van het plangebied vermoedelijk de noordelijke rand van deze depressie. De noordelijke droge hoek rond boring 18 en 15 lijkt samen te hangen met het oude bebouwingslint langs de Lariestraat. Mogelijk is dit bebouwingslint op een iets drogere (hoger gelegen) zone in het landschap ontstaan (zie figuur 13).

4

CONCLUSIE EN ADVIES

Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Daarom is er aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De aangetroffen bodemopbouw sluiten in grote lijnen aan bij het beeld van de naastgelegen archeologische onderzoeken van RAAP en Aeres. De middelhoge tot hoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor het centrale en zuidelijke deel van het plangebied en de zone rond boring 18 en 15 kan op basis van de ligging op een hogere dekzandrug met plaatselijk een oude akkerlaag en een deels intact podzolprofiel gehandhaafd blijven. De gespecificeerde archeologische verwachting van de laaggelegen gebieden in het noorden van het plangebied is op basis van het booronderzoek bijgesteld naar laag voor alle perioden. Ook voor het nattere gebied rond boring 6 zou de gespecificeerde archeologische verwachting naar laag kunnen worden bijgesteld. Omdat er maar één boring binnen deze zone valt is de begrenzing hiervan nog niet geheel duidelijk. Omdat dit mogelijk maar een klein deel van het zuidelijke deel van het plangebied vormt wordt dit deel van het plangebied vooralsnog bij de zone met een middelhoge tot hoge gespecificeerde verwachtingswaarde getrokken. In het oosten van het plangebied zijn bij de boringen 10 en 11 diepe bodemverstoringen aangetroffen.

Omdat dit deel van het plangebied direct achter het oude 37 38

Beoordeling door dr. A.C. Mientjes, senior KNA archeoloog Hagens e.a., 2020

Rapport 14377.001 versie 2

Pagina 16 van 21

erf van de huidige Veldstraat 36/36A ligt, is het niet uit te sluiten dat de bodemverstoring samenhangt met historische bebouwing (bijvoorbeeld van het voormalige bakhuis) (zie figuur 14). Op basis van het behoud van een middelhoge/hoge trefkans blijft de kans reëel dat in een deel van het plangebied archeologische resten aanwezig zijn. In de delen van het plangebied waar nog archeologische waarden worden verwacht (de gele vlakken in figuur 14), adviseert Econsultancy een dubbelbestemming archeologie waarbij de mogelijke archeologische waarden in situ worden bewaard. Hiertoe dienen beschermende regels in het bestemmingsplan te worden opgenomen. Behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden is mogelijk indien er niet dieper ontgraven wordt dan 30 cm onder het huidige maaiveld. Als het niet mogelijk is om archeologie vriendelijk te bouwen is, gezien de geringe diepteligging en de kwetsbaarheid van de archeologische resten, vervolgonderzoek noodzakelijk. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Voor de delen van het plangebied met een lage gespecificeerde verwachtingswaarde (de groene vlakken in figuur 13) wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Bovenstaand advies is van Econsultancy.

De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Bernheze). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit. Mochten tijdens graafwerkzaamheden in de vrijgegeven delen van het plangebied toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 39).

39 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.

Rapport 14377.001 versie 2

Pagina 17 van 21

LITERATUUR Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Bakker, H. de & J. Schelling, 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland De hogere niveaus. Wageningen. Berendsen, H.J.A. & E. Stouthamer, 2001: Palaeogeographic development of the Rhine-Meuse delta, The Netherlands. Van Gorcum, Assen. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Berg, M.M. van den & E.A. Hatzmann, 2006: Water en archeologisch erfgoed. Amersfoort (Nederlandse Archeologische Rapporten, 30). Berkel, G. van & K. Samplonius, 1995: Nederlandse plaatsnamen. De herkomst en betekenis van onze plaatsnamen., Meppel. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Doesburg, J. van (red.), et al., 2007: Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid. Amersfoort 2007. Hagens, D. e.a., 2020: Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen Heeswijkse Akkers te Heeswijk-Dinther (Gemeente Bernheze) Aeres rapport AM20080, Roermond Hensen, G., 2012: Lariestraat te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend booronderzoek, RAAP-notitie 4062, Weesp Jong, L.

de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Kars, H. & A. Smit (red.), 2003: Handleiding Fysiek Behoud Archeologisch Erfgoed. Degradatiemechanismen in sporen en materialen. Monitoring van de conditie van het bodemarchief. Amsterdam (Geoarchaeological and Bioarchaeological Studies, 1). Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Kortlang, F.P. 2010: Nota archeologiebeleid gemeente Bernheze. Geertruidenberg. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Louwe Kooijmans, L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens, A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam.

Rapport 14377.001 versie 2

Pagina 18 van 21

Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Normalisatie-Instituut, Nederlands, 1989: Geotechniek, classificatie van onverharde grondmonsters NEN 5104. Delft. Renes, J., 1999: Landschappen van Maas en Peel. Een toegepast historisch-geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord- en Midden-Limburg. Eisma, Leeuwarden. Stichting voor Bodemkartering, 1976: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 45 Oost/’sHertogenbosch. Wageningen Environmental Research, 2017: Geomorfologische Kaart van Nederland (2017), schaal 1:50.000. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.

Rapport 14377.001 versie 2

Pagina 19 van 21

BRONNEN AHN; internetsite, december 2021. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, december 2021. https://archis.cultureelerfgoed.nl Archieven; internetsite, december 2021. https://www.archieven.nl/nl/ Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG), internetsite, december 2021. http://bagviewer.kadaster.nl Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureelerfgoed; internetsite, december 2021 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Beeldbank Vrije Universiteit; internetsite, december 2021. http://imagebase.ubvu.vu.nl/cdm/compoundobject/collection/krt/id/5629/rec/1 Bodemkundig Informatie Systeem (BIS) Nederland, internetsite, december 2021. http://maps.bodemdata.nl/ Bodemloket, internetsite, december 2021. http://www.bodemloket.nl Brabant.nl; internetsite, december 2021. https://noordbrabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=1dab0b45b3234fffa8090a4bc8ae06f8 Brabants Historisch Informatiecentrum; internetsite, december 2021. http://www.bhic.nl Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant; internetsite, december 2021. http://www.brabant.nl/kaarten.aspx Data Archiving and Networked Services DANS-Easy; internetsite, december 2021. https://easy.dans.knaw.nl/ui/home Dinoloket; internetsite, december 2021.

http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, december 2021. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, december 2021. http://www.topotijdreis.nl/ Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, december 2021. http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/

Rapport 14377.001 versie 2

Pagina 20 van 21

Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, december 2021. https://pdokviewer.pdok.nl Ruimingskaart; internetsite, december 2021. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, december 2021. https://www.sikb.nl VEO Bommenkaart; internetsite, december 2021. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/

Rapport 14377.001 versie 2

Pagina 21 van 21

Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland40

Kamersche Hoef te Heeswijk-Dinther. Situering van het plangebied binnen Nederland

Legenda Plangebied

40 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)

Rapport 14377.001 versie 2

Figuur 2. Detailkaart van het plangebied41

Kamersche Hoef te Heeswijk-Dinther. Detailkaart van het plangebied

Legenda Plangebied

41 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)

Rapport 14377.001 versie 2

Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied42

Kamersche Hoef te Heeswijk-Dinther. Luchtfoto van het plangebied

Legenda Plangebied

42 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)

Rapport 14377.001 versie 2

Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart 43

Kamersche Hoef te Heeswijk-Dinther. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart gemeente Bernheze Legenda Plangebied

43

Kortlang, 2010

Rapport 14377.001 versie 2

Figuur 5. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart 44

Kamersche Hoef te Heeswijk-Dinther.

Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart

Plangebied

44

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 14377.001 versie 2

Figuur 6. Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) 45

Kamersche Hoef te Heeswijk-Dinther. Situering van het plangebied binnen Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)

Legenda Plangebied

45

AHN

Rapport 14377.001 versie 2

Figuur 7. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart46

Kamersche Hoef te Heeswijk-Dinther. Situering van het plangebied binnen de bodemkaart

Legenda Plangebied

46

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 14377.001 versie 2

Figuur 8. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied 47

Kamersche Hoef te Heeswijk-Dinther.

Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3, AHN) Plangebied

47

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 14377.001 versie 2

Figuur 9. Situering van het plangebied binnen de Kadastrale minuut uit 1811-183248

Kamersche Hoef te Heeswijk-Dinther. Situering van het plangebied binnen de Kadastrale minuut uit 1811-1832 Legenda Plangebied

48

RCE Beeldbank

Rapport 14377.001 versie 2

Figuur 10. Situering van het plangebied binnen Militaire topografische kaart uit 185049

Kamersche Hoef te Heeswijk-Dinther. Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart (veldminuut) uit 1850 Legenda

Plangebied

49

Kadaster Topotijdreis

Rapport 14377.001 versie 2

Figuur 11. Situering van het plangebied binnen Militaire topografische kaart uit 189950

Kamersche Hoef te Heeswijk-Dinther. Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart (veldminuut) uit 1899 (bron: http://gis.kademo.nl/gs2/wms) Legenda Plangebied

50

Kadaster Topotijdreis

Rapport 14377.001 versie 2

Figuur 12. Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 197851

Kamersche Hoef te Heeswijk-Dinther. Situering van het plangebied binnen de topografische kaart uit 1978 Legenda Plangebied

51

Kadaster Topotijdreis

Rapport 14377.001 versie 2

Figuur 13. Resultaten van het booronderzoek

Kamersche Hoef te Heeswijk-Dinther.

Resultaten van het booronderzoek

Rapport 14377.001 versie 2

Figuur 14. Advies vervolgonderzoek

Kamersche Hoef te Heeswijk-Dinther.

Advies vervolgonderzoek

Rapport 14377.001 versie 2

Rapport 14377.001 versie 2

Bijlage 1 Ouderdom in jaren

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken

Chronostratigrafie

MIS

Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

15.700

1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)

Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)

2

LaatPleniglaciaal 29.000

50.000

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal

3

Formatie van Kreftenheye

Formatie van Boxtel

4

75.000

VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000

370.000 410.000

5a 5c 5d

Eemien (warme periode)

5e

Saalien (ijstijd)

6

Holsteinien (warme periode)

Formatie van Beegden

5b

Eem Formatie Formatie van Drente

Formatie van Urk

Elsterien (ijstijd) 475.000

Cromerien (warme periode) 850.000

Pre-Cromerien 2.600.000

Rapport 14377.001 versie 2

Formatie van Sterksel

Formatie van Peelo

Cal. jaren v/n Chr.

14

C jaren

Chronostratigrafie

Pollen zones

0

1950

Vb2

1500

Subatlanticum koeler vochtiger

450 0 12

Vb1 Va

Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem

Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd

800 815

2650

IVb Subboreaal koeler droger

2000

3755

IVa

5000

4900

5300

7020

8240

Atlanticum warm vochtig

III

Boreaal warmer

II

Preboreaal warmer

I

8000

9000

8800 11.755

10.150

12.745

10.800

13.675

11.800

14.025

12.000

15.700

13.000

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

Late Dryas

LW III

Allerød

LW II

Vroege Dryas LW I Bølling

35.000

Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)

Bronstijd

Neolithicum

Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend

Mesolithicum

parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra

VroegWeichselien (VroegGlaciaal)

perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Laat-Paleolithicum

75.000

115.000 130.000

Eemien (warme periode)

Midden-Paleolithicum loofbos

Saalien (ijstijd) 300.000

Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).

Rapport 14377.001 versie 2

Bijlage 2 AMK nr. 4572

AMK-terreinen

Locatie

Datering

Waarde en omschrijving

950 meter ten zuidwesten van het plangebied te Heeswijk Gemeente Bernheze Coördinaat: 159025/407074

Romeinse tijd – VroegeMiddeleeuwen

Complex: Nederzetting Waarde: Terrein van hoge archeologische waarde Terrein met sporen van bewoning uit de Romeinse tijd en VroegeMiddeleeuwen. Een deel van de vondsten is afkomstig van opgebaggerde grond uit de Aa. De vindplaats zelf bevindt zich direct langs de hoge oeverwal van de Aa. De Romeinse scherven zijn gevonden bij baggerwerkzaamheden; de inheemse scherven en munten op een akker. Het terrein ligt op een hoge oeverwal langs de Aa, onder een esdek van 55-80 cm. Daarnaast op een laag gelegen stuk op beekdalgrond. Opmerking: Op de basisbeschrijving staat het monument onder de toponiem "Kasteel Heeswijk" geregistreerd. Opmerking: Op de huidige topografische kaart (1990) is geen verhoging meer zichtbaar: is het terrein geëgaliseerd?

Rapport 14377.001 versie 2

Bijlage 3 Zaaknummer (OMnummer) 2345569100 (48927)

4025281100

Onderzoeksmeldingen

Locatie

Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek

Tussen beide deelgebieden Lariestraat Heeswijk-Dinther te Heeswijk Gemeente Bernheze Coördinaat: 160251/407386

Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 21-10-2011 Resultaat: De resultaten tonen aan dat voor het zuidelijke deel van het plangebied de hoge archeologische verwachting gehandhaafd kan blijven. Indien toekomstige werkzaamheden niet dieper gaan dat 40 cm - mv, wordt archeologisch vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht. Indien dit niet mogelijk is, is vervolgonderzoek noodzakelijk. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Aeres Milieu Datum: 2016 & 2020 Resultaat: Op basis van eerder uitgevoerde onderzoek kan worden gesteld dat binnen het plangebied vermoedelijk laarpodzolbodems voorkomen. Deze ontstaan in natte gebieden. Het plangebied was mogelijk te nat om in het verleden interessant te zijn geweest als woongrond. Bovendien blijkt in bijna het volledige plangebied van 2016 sprake van een AC-opbouw van de bodem. Er lijkt minimaal 25 cm van de top van de moederbodem omgezet te zijn. Alleen in het uiterste zuiden is het restant van een geroerde BC-horizont aanwezig. De verwachtingen uit het bureauonderzoek zijn derhalve naar beneden bijgesteld. Gezien de zeer beperkte intactheid van de bodem binnen het plangebied en omdat de bodem vermoedelijk altijd minder geschikt is geweest voor bewoning, wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te voeren.

Dit rapport en bovenstaand advies is goedgekeurd door de adviseur van de bevoegde overheid, in deze mevr. Visser van het Monumentenhuis Brabant bv. Dit deel van het plangebied is dus wat betreft archeologie reeds vrijgegeven.

15 meter ten zuidwesten van het plangebied te Heeswijk Dinther Gemeente Bernheze Coördinaat: 160191/407185

2290083100 (41503)

100 meter ten zuiden van het plangebied Hoofdstraat 114 te Heeswijk Gemeente Bernheze Coördinaat: 160220/407138

2285701100 (40867)

200 meter ten zuidwesten van het plangebied Hoofdstraat te Heeswijk Gemeente Bernheze Coördinaat: 160060/407079

2333986100 (47394)

250 meter ten zuidwesten van het plangebied te Heeswijk Gemeente Bernheze Coördinaat: 159858/407214

Rapport 14377.001 versie 2

Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen voor de westelijke en oostelijke uitbreidingen in 2020 blijkt dat de hoge zwarte enkeerdgrond, zoals verwacht in het bureauonderzoek, nog aanwezig is in het plangebied. Hieronder bevindt zich in de helft van de boringen nog een restant van de oorspronkelijke podzolbodem (B- en BC-horizont). Omdat de top van de oorspronkelijk bodem niet meer aanwezig is en opgenomen in het bovenliggende pakket wordt de kans op het aantreffen van kwetsbare jager-verzamelaars resten klein, de verwachting hierop wordt dan ook bijgesteld naar laag. De hoge verwachting voor de periode Neolithicum-Vroege-Middeleeuwen wordt op basis van het ontbreken van het bovenste deel van de bodem bijgesteld naar middelhoog. De lage verwachting voor de periode Late-Middeleeuwen – Nieuwe tijd wordt, omwille van de ligging in een buitengebied dat pas in de 20e eeuw in ontwikkeling kwam, gehandhaafd. Voor de huidige uitbreiding van het plangebied wordt om bovenstaande redenen archeologisch vervolgonderzoek in de zones met een restant B- en BC-horizont geadviseerd. Dit vervolgonderzoek kan bijvoorbeeld plaats vinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Synthegra BV Datum: 16-6-2010 Resultaat: Beide deelgebieden ligt naar verwachting op een dekzandrug.

In het plangebied komen hoge zwarte enkeerdgronden met daaronder waarschijnlijk de oorspronkelijke podzolgrond voor. In het plangebied worden vindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd verwacht. Ter plaatse van de huidige bebouwing in het plangebied zullen eventuele archeologische resten waarschijnlijk verloren zijn gegaan, maar voor het onbebouwde deel van het plangebied geldt dat eventuele resten bedreigd kunnen worden door de voorgenomen bouwwerkzaamheden. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor het plangebied een verkennend booronderzoek geadviseerd om de bodemopbouw in kaart te brengen en het verwachtingsmodel te toetsen. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: IDDS Archeologie B.V. Datum: 5-5-2010 Resultaat: Er wordt geadviseerd om in het westelijk deel van het plangebied inzake archeologie nadere maatregelen te nemen tenzij de bodem onverstoord blijft. Wanneer hier toch verstoord gaat worden, wordt bij voorkeur een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. In het oostelijk deel van het plangebied behoeven geen nadere archeologische maatregelen genomen te worden.

Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: BAAC BV Datum: 6-7-2011 Resultaat: Op basis van het veldonderzoek kan worden geconcludeerd dat de hoge verwachting voor steentijden in het grootste deel van het plangebied komt te vervallen, aangezien de bodem bijna overal is afgetopt tot op de C-horizont, op een lokale depressie in het noorden van het plangebied na. Het vondstniveau voor vindplaatsen uit de steentijden is te situeren is in de bovenste horizonten van natuurlijke bodemprofiel, die hier dus zijn afgetopt en in het esdek opgenomen. Nergens in het plangebied werden evenwel sporen van diepe bodemver-

2307214100 (43769) en 2307360100 (43787)

400 meter ten noordoosten van het plangebied te Heeswijk Gemeente Bernheze Coördinaat: 160671/407790

2253390100 (36367)

500 meter ten oosten van het plangebied Pater Van Den Elsenstraat 2 te Heeswijk Gemeente Bernheze Coördinaat: 160936/407564 500 meter ten oosten van het plangebied Pater Van Den Elsenstraat te Heeswijk Gemeente Bernheze Coördinaat: 160937/407566

2285734100 (40873)

Rapport 14377.001 versie 2

storingen aangetroffen zoals ontgrondingen, afgravingen, verstoringen veroorzaakt door funderingen of onderkeldering of ruilverkaveling en dergelijke, waardoor diepere grondsporen zoals paalgaten, kuilen en waterputten nog intact in de ondergrond aanwezig kunnen zijn. De middelhoge tot hoge verwachting voor vindplaatsen vanaf de Bronstijd tot en met de Middeleeuwen blijft als gevolg hiervan gehandhaafd. De aanwezigheid van archeologische vindplaatsen uit deze periode binnen de grenzen van het plangebied kan dan ook niet worden uitgesloten. Teneinde de mogelijk aanwezige vindplaatsen in het plangebied te inventaristeren, begrenzen en waarderen, wordt vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven noodzakelijk geacht. Type onderzoek: bureauonderzoek en booronderzoek Uitvoerder: MUG Ingenieursbureau BV Datum: 3-11-2010 Resultaat: Uit het bureauonderzoek blijkt dat de bodem van het onderzoeksgebied uit een eerdgrond op een dekzandrug bestaat. Eerdgronden hebben een hoge archeologische potentie omdat de eventueel aanwezige archeologische waarden, door de ophoging met plaggenmest, tegen verstoringen beschermd zijn. De aanwezigheid van een esdek duidt verder op mogelijke archeologische resten vanaf de Middeleeuwen. In de omgeving zijn alleen vondsten uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd bekend.

Het historisch kaartmateriaal maakt duidelijk dat het onderzoeksgebied de laatste 200 jaar vrijwel altijd als bouwland in gebruik is geweest. Het oostelijke deel is mogelijk als boomgaard in gebruik geweest. Het rooien van bomen en het ploegen van het gebied kunnen het archeologisch bodemarchief negatief beïnvloed hebben. Uit het verkennende booronderzoek blijkt dat de bodem bestaat uit een bouwvoor of verstoorde laag op dekzand. In het westelijke deel van het onderzoeksgebied is de bodem diep verstoord, tot maximaal 1,05 m-mv en is er een omgewerkte laag met recent puin aangetroffen. Omdat de bodem in het westelijke deel van het onderzoeksgebied verstoord is, in het gehele onderzoeksgebied geen esdek of podzolbodem is aangetroffen en er geen archeologische indicatoren zijn gevonden, wordt aanbevolen de locatie vrij te geven. Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Geo-logical Datum: 3-8-2009 Resultaat: Onbekend: niet afgemeld

Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 7-5-2010 Resultaat: Het betreft het vervolg op een bureauonderzoek (onderzoeksmelding 36367). Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de verwachting om nog relatief intacte vindplaatsen in het plangebied aan te treffen laag. Geadviseerd wordt om het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkelingen. De gemeente neemt het selectieadvies over.

Bijlage 4

Vondstmeldingen

Zaaknummer (Waarnemingsnr.) 4025281100

Locatie

Omschrijving

50 meter ten zuiden van het plangebied Heeswijkse Akkers te Heeswijk Dinther Gemeente Bernheze Coördinaat: 160237/407233 300 meter ten zuidwesten van het plangebied Hoofdstraat te Heeswijk Gemeente Bernheze Coördinaat: 160058/407074

Nieuwe tijd : - 7 fragmenten van keramische objecten,

2285701100 (443152)

3244596100 (415667)

3265461100 (427626)

400 meter ten zuidwesten van het plangebied Gouverneursweg te Heeswijk Gemeente Bernheze Coördinaat: 159860/407080 400 meter ten zuidwesten van het plangebied Gouverneursweg te Heeswijk Gemeente Bernheze Coördinaat: 159860/407080

3268961100 (429754)

400 meter ten zuidwesten van het plangebied Gouverneursweg te Heeswijk Gemeente Bernheze Coördinaat: 159900/407050

3270434100 (430931)

400 meter ten zuidwesten van het plangebied Gouverneursweg te Heeswijk Gemeente Bernheze Coördinaat: 159860/407080 400 meter ten zuidwesten van het plangebied Gouverneursweg te Heeswijk Gemeente Bernheze Coördinaat: 159860/407080 450 meter ten oosten van het plangebied Bernheze te Heeswijk Gemeente Bernheze Coördinaat: 160890/407320

3270645100 (416321)

3241111100

Rapport 14377.001 versie 2

Neolithicum - IJzertijd : - handgevormd aardewerk Neolithicum - Nieuwe tijd : - aardewerk Late-Middeleeuwen : - 4 fragmenten van grijsbakkend gedraaid aardewerk Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - fragment van een leisteen object, - 6 fragmenten van roodbakkend geglazuurd aardewerk - 5 bakstenen Nieuwe tijd : - fragment van een keramische kleipijp Uitvoerder: particulier Romeinse tijd : - fragment van een bronzen armband Type onderzoek: veldkartering Uitvoerder: particulier Romeinse tijd : - 2 fragmenten van belgisch grijs/terra nigra-achtig aw. - 3 fragmenten van dolia/voorraadvaten - fragment van een ruwwandige (kook)pot Late-Middeleeuwen : - fragment van een Elmpter kan Uitvoerder: particulier Romeinse tijd : - 4 fragmenten van ruwwandig gedraaid aardewerk - 2 koperen munten, as - fragment van een terra sigillata kom/schaal - fragment van een ruwwandige kom/schaal - 2 fragmenten van ruwwandige (kook)potten Late-Middeleeuwen : - fragment van een Elmpter kan Uitvoerder: particulier Romeinse tijd : - koperen munt, as Uitvoerder: particulier Romeinse tijd : - koperen munt, as - fragment van een bronzen beeld Type onderzoek: indirect: archief Uitvoerder: particulier Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - stenen funderingen

Bijlage 5

Bewoningsgeschiedenis van Nederland

Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 v. Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 v. Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 v. Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.

Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 v. Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.

Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (circa 2000-800 v. Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had

Rapport 14377.001 versie 2

wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 v. Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het LaatNeolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 v. Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields').

Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (circa 12 v. Chr. - 450 n. Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 n. Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 n. Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker.

In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (circa 450-1500 n. Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 n. Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen.

De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Ro-

Rapport 14377.001 versie 2

meinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e – 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.

Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.

Rapport 14377.001 versie 2

Bijlage 6

AMZ-cyclus

Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.

Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.

De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.

Rapport 14377.001 versie 2

Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

Rapport 14377.001 versie 2

Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door resten door archeoplanaanpassing logen (variant begeleiding)

► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.

► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***

► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).

* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.

Rapport 14377.001 versie 2

Bijlage 7

Rapport 14377.001 versie 2

Resultaten onderzoek RAAP 2011

Bijlage 8

Rapport 14377.001 versie 2

Planontwerp

Bijlage 9

Rapport 14377.001 versie 2

Boorprofielen

Rapport 14377.001 versie 2

Rapport 14377.001 versie 2

Legenda (conform NEN 5104) grind

klei

geur

Grind, siltig

Klei, zwak siltig

Grind, zwak zandig

Klei, matig siltig

Grind, matig zandig

Klei, sterk siltig

Grind, sterk zandig

Klei, uiterst siltig

Grind, uiterst zandig

Klei, zwak zandig

geen geur zwakke geur matige geur sterke geur uiterste geur

olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig

Klei, sterk zandig

zand

uiterste olie-water reactie

p.i.d.-waarde >0

Zand, kleiïg

>1 >10 Zand, zwak siltig

>100

leem

>1000

Zand, matig siltig

Leem, zwak zandig

>10000

Zand, sterk siltig

Leem, sterk zandig

monsters geroerd monster

Zand, uiterst siltig

overige toevoegingen zwak humeus

veen Veen, mineraalarm

matig humeus

Veen, zwak kleiïg

sterk humeus

ongeroerd monster volumering

overig bijzonder bestanddeel Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand

Veen, sterk kleiïg

zwak grindig

Veen, zwak zandig

matig grindig

Veen, sterk zandig

sterk grindig

Gemiddeld laagste grondwaterstand slib

water

Rapport 14377.001 versie 2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=3794f280-f556-4ffb-ad6b-4b67c1bc2671