CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Heesch, D'n Berg_toelichting

Raadsvergadering 4 juli 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan D’n Berg, Heesch*14.234 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.10

Water Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling afgewogen. Rijksbeleid – Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: − waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); − waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; − waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; − in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; − realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; − Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; − Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal

belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1. Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen

30

2. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. Regionaal Waterprogramma Noord-Brabant 2022-2027 Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2022 – 2027 Provincie Noord-Brabant is op 22 december 2021 in werking getreden. In het Provinciaal Waterprogramma 20222027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Noord- Brabant.

Het Waterplan is onderverdeeld in vijf deelprogramma’s: 1 Voldoende water: de provincie creëert beleidsinstrumenten en uitgangspunten voor een goed peilbeheer. Het tegengaan van de verzilting en voldoende water voor natuur vormen andere speerpunten. 2 Schoon water: Zowel het afvalwater als het grond- en oppervlaktewater moeten zonder schadelijke stoffen (her)gebruikt kunnen worden. De provincie wil in het bijzonder aandacht besteden aan natuurgebieden en grondwaterbeschermingszones. 3 Veilig water: het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. 4 Vitale bodem: De sponswerking van de bodem is de laatste jaren afgenomen door verdichting. De provincie wil meer natuurinclusievere ruimtelijke ontwikkelingen faciliteren 5 Klimaatadaptatie: de provincie zet zich scherp in op een klimaatbestendige en waterrobuuste provincie. Deze constatering vertaald zich in het aanpassen van ons handelen op deze verandering, bijvoorbeeld het beperken van de hittestress en de aanpassing van ruimtelijke ontwikkelingen aan hevige buien. In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Noord-Brabant.

In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van het waterschap.

31

Waterschapsbeleid – Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Aa en Maas Op 19 november 2021 is het waterbeheerplan (WBP) van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1 Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem; 2 Klimaatbestendig en gezond watersysteem: Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch); 3 Schoon Water: In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd.

In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: − schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; − de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; − de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; − de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Toetsing Voor het plan is een watertoets6 opgesteld. Navolgend worden de belangrijkste aspecten doorlopen. Geohydrologische gesteldheid Binnen het plangebied is het maaiveld relatief vlak gelegen. De regionale bodemopbouw bestaat uit antropogene afzettingen tot circa 3 m-mv met daaronder goed doorlatende lagen van fijn tot grof zand tot circa 60 m-mv (einddiepte profiel). Mogelijk is op 16 m-mv een dunne leemlaag aanwezig. Uit de boorprofielen van het bodemonderzoek blijkt dat de bodem bestaat uit matig fijn, zwak siltig zand tot minimaal 4,0 m-mv (maximale boordiepte). De eerste meter is matig humeus. Op één locatie is van 1,7 tot 1,9 m-mv een leem laag aangetroffen. Uit het infiltratieonderzoek blijkt dat de humeuse bovengrond slecht is. De daaronder gelegen matig fijne tot matig grove zandlaag is zeer goed doorlatend.

Gezien de relatief diepe grondwaterstand, de bovengrond uit zand bestaat en dat het plangebied aan de Roerdalslenkzijde van de peelrandbreuk gelegen is, is de kans op grondwateroverlast in de toekomstige situatie gering. Op basis van de bodemopbouw, de grondwaterstand en de doorlatendheid

6

BOOT (2023). Watertoets Herontwikkeling D’n Berg Heesch. Projectnummer P23-0481. 27 november 2023. 32

van de bodem is infiltreren in de bovenste meters onder de humeuze laag van de bodem kansrijk. Verharding en waterberging Het plangebied heeft in de huidige situatie een versteend karakter. Met de beoogde herontwikkeling zal het verharde oppervlak van circa 9.780 m2 afnemen tot circa 7.410 m2. Dit komt neer op een afname van circa 2.370 m2. Doordat sprake is van een afname van het verhard oppervlak gelden er vanuit het waterschap geen waterbergingseisen. De gemeente hanteert een waterbergingsnorm van 20 mm per m 2 verhard oppervlak. Voor voorliggend plan betekent dit dat 148 m³ (dynamische) berging binnen het plangebied gerealiseerd moet worden. In de centrale groenzone van het plangebied is ruimte voor het realiseren van een infiltratieveld waar met een diepte van 0,4 meter en een talud van 1:5 de benodigde berging gerealiseerd kan worden. Oppervlaktewater Het plan veroorzaakt geen nadelige gevolgen voor het oppervlaktewatersysteem in de omgeving. Raadpleging van de legger van het Waterschap Aa en Maas wijst tevens uit dat in het plangebied geen oppervlaktewater is gelegen dat in het beheer is van het Waterschap. Waterwingebied/grondwaterbescherming Raadpleging van de provinciale viewer wijst uit dat onderhavig plangebied niet is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied.

Tevens wordt gelet op de beoogde activiteiten niet direct verwacht dat er activiteiten een plek zullen krijgen die van negatieve invloed zullen zijn op de kwaliteit van het grondwater. Waterveiligheid Raadpleging van de legger van het Waterschap Aa en Maas wijst uit dat onderhavig plangebied niet is gelegen in de beschermingszone van een waterkering. Dit bestemmingsplan heeft tevens geen invloed op overige waterstaatkundige elementen. Ondergrondse parkeervoorziening Mogelijk wordt onder het appartementengebouw een ondergrondse parkeervoorziening aangelegd. Indien dit het geval is, dient er rekening gehouden met het volgende: − In verband met de gewenste ontwateringsdiepte van minimaal 0,5 m is het aanbevolen om een minimaal aanlegpeil van NAP +7,2 m aan te houden voor de ondergrondse parkeervoorziening. − Voor de afwatering van de ondergrondse parkeervoorziening, kan indien voldoende ontwateringsdiepte, waterdoorlatende verharding worden toegepast. Aanbevolen is om dit in combinatie met waterbergende fundering toe te passen. In dat geval mag de afname van verhard oppervlak door het toepassen van halfverharding en de berging in de waterbergende fundering meegerekend worden als waterberging. − Indien de ontwateringsdiepte beperkt is dient de ondergrondse parkeervoorziening met behulp van een pomp leeggepompt te worden richting het infiltratieveld.

− Bij het toepassen van de ondergrondse parkeervoorziening dient het infiltratieveld met bodemverbetering tot onder de humeuse toplaag aangelegd te worden. Door de bodemverbetering neemt de infiltratiecapaciteit van de grond toe. Hiermee zal het water in de diepte infiltreren en minder in de breedte. Als het water meer de

33

diepte in infiltreert is de kans dat het infiltrerende water vanuit het infiltratieveld tegen de ondergrondse constructie aan stroomt en wateroverlast veroorzaakt kleiner. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.11

Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing Er is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Naast beschermde natuurwaarden in het plangebied is ook nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Gebiedsbescherming De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden ten opzicht van het plangebied zijn ‘Rijntakken’ en ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’. Deze liggen op, respectievelijk, 13,5 en 15,6 kilometer afstand. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied niet uit te sluiten. Daarom is een onderzoek stikstofdepositie7 uitgevoerd.

Uit het onderzoek blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Verder is in de omgeving van het plangebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Soortenbescherming In 2017 is Mooiland gestart met het uitvoeren van ecologisch onderzoek op enkele locaties, waaronder het plangebied uit voorliggend bestemmingsplan. Uit het verrichte onderzoek is gebleken dat het plangebied mogelijk geschikt is voor diverse (gebouwbewonende) vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen. Naar alle in het plangebied te verwachten soorten heeft aanvullend onderzoek plaatsgevonden. De onderzoeken 7

SAB (2023). Onderzoek stikstofdepositie. Heesch, D’n Berg. Projectnummer: 210218.01. 22 november 2023. 34

naar de huismus en de gierzwaluw zijn uitgevoerd conform de bijbehorende kennisdocumenten. Het oorspronkelijke onderzoek naar huismussen is meer dan drie jaar geleden uitgevoerd en is daarom in 2021 geactualiseerd. Het onderzoek naar vleermuizen is uitgevoerd conform het destijds meest recente vleermuisprotocol van het Netwerk Groene Bureaus. Uiteindelijk is uit het totale onderzoek gebleken dat tien nesten van de huismus, één nest van de gierzwaluw en vijf paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis in het onderzoeksgebied aanwezig zijn. Voor het verstoren van deze elementen is een ontheffing Wet natuurbescherming 8 verkregen. Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

4.12

Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Voor het plangebied geldt op grond van het bestemmingsplan ‘De Kommen van Bernheze’ de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’. Op grond van deze verwachting kan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk met een oppervlakte van groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 centimeter pas worden verleend nadat uit archeologisch onderzoek is gebleken dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn, of aangetast worden. Met de realisatie van voorliggend plan zullen grondwerkzaamheden plaatsvinden die een groter oppervlak beslaan dan 2.500 m2 en dieper reiken dan 40 centimeter. Daarom is een archeologisch bureauonderzoek 9 uitgevoerd.

Hieruit volgt dat op basis van de landschappelijke ligging nog archeologische resten in het plangebied aanwezig kunnen zijn uit alle archeologische perioden (Paleolithicum tot en met Nieuwe tijd). De top van het archeologische sporenniveau wordt verwacht onder een humeus dek van

8

ODBN (2021). Beschikking van Gedeputeerde staten van Noord-Brabant. Kenmerk Z/141433-271038. 15 september 2021.

9

Bureau voor Archeologie (2023). Bureauonderzoek Den Berg, Ophoviusstraat eo, Heesch. Rapportnummer 1369. 18 augustus 2023. 35

minimaal 30 cm dik, maar mogelijk meer dan 50 cm dik als enkeerdgronden aanwezig zijn (geweest). De nieuwbouw vindt (deels) plaats op plekken waar nu niets staat en waar het potentiele archeologische niveau nog bewaard kan zijn. Omdat de civiele werkzaamheden voor aanleg van funderingen en kabels en leidingen waarschijnlijk dieper zullen reiken dan de diepte van het potentiële archeologische niveau worden daarbij archeologische resten vergraven. Daarom wordt aanbevolen om de aard en intactheid van het bodemprofiel nader te bepalen zodat de archeologische verwachting kan worden gecontroleerd en verfijnd. Met het handhaven van de archeologische dubbelbestemming is gewaarborgd dat het benodigde vervolgonderzoek tijdig wordt uitgevoerd en daarmee eventuele archeologische waarden in het plangebied juridisch-planologisch zijn beschermd. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.13

Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Toetsing Om de aanwezige cultuurhistorische waarden in het gebied te bepalen zijn de cultuurhistorische waardenkaarten van de gemeente Bernheze en provincie Noord-Brabant geraadpleegd. Hieruit volgt dat in of rondom het plangebied geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. Het plangebied bevindt zich te midden van een planmatig aangelegde woonwijk. Het ten westen gelegen bos D’n Berg wordt op de cultuurhistorische waardenkaart als overige historische groenstructuur aangemerkt. Verder is op de kaart te zijn dat ten zuiden van het plangebied een gegraven hoofdwaterloop en oude akkers aanwezig zijn. Op enige afstand ligt ten zuidwesten van het plangebied ‘Landgoed De Berkt’, welke ook op de provinciale waardenkaart is weergegeven. Dit is op navolgende afbeeldingen weergegeven.

Cultuurhistorische waardenkaart Provincie Noord-Brabant (Provincie Noord-Brabant). 36

Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Bernheze met het plangebied globaal rood omcirkeld (Gemeente Bernheze).

Met de herontwikkeling wordt rekening gehouden met de bestaande ruimtelijke structuren in en om het plangebied. Deze worden niet negatief beïnvloed ten gevolge van voorliggend plan. Met extra ruimte voor groen binnen de ontwikkeling wordt de relatie met D’n Berg zelfs versterkt. Dit maakt dat eventuele aanwezige cultuurhistorische waarden niet worden aangetast. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.14

Verkeer en parkeren Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW 10 kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de sloop van in totaal 34 grondgebonden woningen en de ontwikkeling van maximaal 77 woningen. Op basis van de omgevingsadressendichtheid (CBS, 2020) wordt de stedelijkheidsgraad van een gemeente vastgesteld. De gemeente Bernheze wordt geclassificeerd als ‘weinig stedelijk’. Onderhavige locatie wordt beschouwd als ‘rest bebouwde kom’.

10

CROW, publicatie 381, Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen. 37

Onderstaande tabel geeft de worst-case verkeersgeneratie weer, uitgaande van de maximale CROW-kengetallen. kenmerk aantal kencijfer per verkeersgeneratie gemiddeld Huur, appartement (incl. sociale huur) 63 4,5 woning 283,5 Huur, huis, sociale huur 14 6,0 woning 84,0 totaal afgerond 367,5 Berekening verkeersgeneratie beoogde situatie per etmaal

In de huidige situatie bestaat echter al een verkeersgeneratie van de aanwezige woningen in het plangebied. Onderstaande tabel geeft de huidige verkeersgeneratie weer. kenmerk Huur, huis, sociale huur totaal afgerond

aantal kencijfer per verkeersgeneratie gemiddeld 34 6,0 woning 204,0 204,0

Berekening verkeersgeneratie huidige situatie per etmaal

Voor de ontwikkeling van 14 grondgebonden woningen en 63 appartementen volgt uit de kencijfers dat er maximaal 368 verkeersbewegingen per etmaal ontstaan. In de huidige situatie kent het plangebied een verkeersgeneratie van 204 verkeersbewegingen. Deze toename van 164 verkeersbewegingen kan zonder negatieve gevolgen worden opgenomen in het heersende verkeersbeeld van de omliggende wegen. De capaciteit van de omliggende infrastructuur is voldoende. Parkeren De gemeente Bernheze heeft nieuw gemeentelijk parkeerbeleid waarmee ingespeeld wordt op de laatste inzichten en ontwikkelingen en wordt ingezet op lagere parkeernormen dan in het huidige beleid het geval is. Het beleid is nog niet formeel vastgesteld, maar voorliggende ontwikkeling sorteert wel voor op het nieuwe beleid. Daarbij wordt uitgegaan van een parkeernorm van 1,6 voor de grondgebonden sociale huurwoning en 1,1 voor het sociale huurappartement. Omdat met de beoogde ontwikkeling ook een herinrichting plaatsvindt van de openbare ruimte, onder meer door het opheffen van de Leonardus van Veghelstraat, is aan de hand van parkeeronderzoek 11 bekeken welke parkeervraag vanuit omwonenden een plek moet krijgen in de nieuwe situatie. Het blijkt te gaan om 33 parkeerplaatsen, die gerealiseerd moeten worden bovenop de parkeerbehoefte van de nieuwbouw. Dat levert de volgende parkeervraag op: Woningtype

aantal

parkeernorm

parkeerplaatsen

Grondgebonden sociale huurwoning

14

1,6

22,4

Sociale huurappartementen

63

1,1

69,3

Parkeervraag omwonenden Totaal

11

33 77

124,7 (= 125)

Mobycon (2022). Onderbouwing parkeren Mooiland Leonardus van Veghelstraat Heesch. Kenmerk: M07329-M-E5. 26 februari 2022. 38

In het stedenbouwkundig plan is een deel van de parkeerbehoefte voorzien op het binnenterrein van het appartementengebouw. Verder is in de zuidwesthoek van het plangebied ruimte gereserveerd voor haaksparkeren. Achter deze parkeerplaatsen wordt voorzien in een voetpad zodat op een prettige en veilige manier naar de centrale groenzone en D’n Berg kan worden gelopen. Langs de Basilius van Bruggestraat worden nieuwe haaksparkeerplaatsen gemaakt. Ook langs de Sonniusstraat wordt ter hoogte van het appartementengebouw voorzien in nieuwe haaksparkeerplaatsen. Aan de zijde van de Ophoviusstraat wordt ter hoogte van het appartementengebouw voorzien in enkele langsparkeerplaatsen. Met deze nieuwe parkeerplaatsen geldt dat er een duidelijke parkeersituatie ontstaat. Alleen in het zuidelijke meest verkeersluwe deel van het plangebied wordt uitgegaan van informeel langsparkeren langs de rijbaan, een situatie die in de huidige situatie in het gehele plangebied bestaat. Ook volgt uit het parkeeronderzoek dat er in de directe omgeving van het plangebied nog ruimte is om deels te voorzien in de parkeervraag. Parkeren

aantal

Parkeren binnenterrein appartementen

24

Parkeren eigen terrein grondgebonden woningen

2

Haaksparkeren Adrianus VI Straat, Sonniusstraat en Basilius van Bruggestraat

52

Langsparkeren Ophoviusstraat

12

Op straat direct rondom zuidzijde plangebied

14

Parkeerruimte directe omgeving

22

Totaal

126

Op basis van bovenstaande parkeeroplossing is er voldoende ruimte in het stedenbouwkundig plan gevonden om in de parkeerbehoefte te kunnen voorzien. Met de normen uit het nieuwe parkeerbeleid is het mogelijkheid om het parkeren op deze manier te realiseren. Mocht onverhoopt het nieuwe parkeerbeleid niet worden vastgesteld, zal de parkeersituatie op een andere manier moeten worden opgelost. Daarbij zal het niet mogelijk zijn om al het parkeren op maaiveldniveau op te lossen, waardoor in dit bestemmingsplan de mogelijkheid wordt geboden om een ondergrondse/halfverdiepte parkeervoorziening onder het appartementengebouw te realiseren. Het appartementengebouw zal dan wat hoger komen te liggen en het parkeren op het binnenterrein van het appartementengebouw zal dan komen te vervallen. Indien dit scenario optreedt zal er een aangepast plan aan de gemeente ter goedkeuring worden voorgelegd. In de regels van dit bestemmingsplan wordt het gemeentelijk parkeerbeleid juridischplanologisch vastgelegd. Dit betekent dat bij de omgevingsvergunning voor het bouwen getoetst zal worden of het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Daarmee wordt gesteld dat het aspect ‘parkeren’ voldoende in dit plan is gewaarborgd. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

39

4.15

Magneetveldzonering Algemeen Het beleid van de Nederlandse overheid wat betreft hoogspanningsmasten gaat uit van de grenswaarden van het International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP), volgens de aanbeveling van de Raad van de Europese Unie. Dit is 5.000 Volt/meter voor elektrische velden. De aanbevolen grenswaarde van magnetische velden is 100 microTesla. Nederland hanteert geen wettelijke grenswaarden. Vanwege epidemiologische aanwijzingen heeft de Nederlandse overheid besloten om het voorzorgsprincipe toe te passen en aanvullend beleid te formuleren voor nieuwe situaties bij hoogspanningslijnen. In oktober 2005 heeft het (toenmalige) ministerie van VROM in een brief aan provincies, gemeenten en beheerders van hoogspanningslijnen het advies uitgebracht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk te voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in een gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla. Toetsing De dichtstbijzijnde hoogspanningsleiding ligt op circa 3 kilometer van voorliggend plangebied. Daarmee valt het ruim buiten de specifieke magneetveldzone, waardoor onderzoek of een nadere beschouwing voor dit aspect niet benodigd is. Conclusie Het aspect magneetveldzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

40

5

Juridische aspecten

5.1

Algemeen

5.1.1

Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: − de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en − de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve: − het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: − het bebouwen van de gronden; − het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.

5.1.2

Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.

41

2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3

Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.

Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en overige regels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.2

Dit bestemmingsplan

5.2.1

Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

42

5.2.2

De specifieke bestemmingen Voor onderhavig plan is bij de regeling aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan ‘De kommen van Bernheze’. Het plan bevat de enkelbestemmingen ‘Groen’, ‘Tuin’, ‘Verkeer' en ‘Wonen’ en de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3. Groen De centrale groenzone in het plangebied is voorzien van een groenbestemming. Hier zijn voornamelijk groen-, speel- en watervoorzieningen toegestaan. Ook paden, kunstwerken en incidentele parkeervoorzieningen zijn binnen de bestemming mogelijk. Tuin De voortuinen van de grondgebonden woningen in het plangebied zijn bestemd als ‘Tuin’. Voor het oprichten van bijgebouwen zijn specifieke bouwregels opgenomen, waarbij een relatie gelegd wordt met de woonbestemming. Verkeer De beoogde parkeervoorzieningen in het plangebied krijgen de bestemming ‘Verkeer' toegekend. Binnen deze bestemming zijn onder meer wegen, straten, wandelen fietspaden, groen-, nuts-, water- en parkeervoorzieningen toegestaan. Voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn specifieke bouwregels opgenomen. Wonen De gronden die bestemd zijn als ‘Wonen’ zijn bedoeld voor het wonen in gestapelde dan we aaneengebouwde woningen. Er zijn maximaal 77 woningen mogelijk. Gebouwen moeten in het bouwvlak worden gebouwd en voldoen aan de maximum goot- en bouwhoogte, zoals opgenomen op de verbeelding.

Ter plaatse van de aanduiding ‘parkeergarage’ is een (half)verdiepte parkeervoorziening toegestaan. Daarnaast zijn er regels voor bijgebouwen, carports, ondergeschikte onderdelen van woningen, overkappingen boven de voordeur en bouwwerken, geen gebouwen zijnde opgenomen. Waarde - Archeologie 3 In het plangebied is sprake van mogelijke archeologische waarden. Om die reden is een archeologische dubbelbestemming opgenomen. Deze dubbelbestemming voorziet in een omgevingsvergunningstelsel waarmee eventueel aanwezige archeologische waarden worden beschermd en is geregeld dat bij bepaalde bodemingrepen (groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 cm-mv) archeologisch onderzoek moet worden verricht.

5.2.3

Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht.

43

Parkeren In de overige regels is een parkeerregeling opgenomen. Deze regeling houdt in dat een omgevingsvergunning voor bouwen een gebouw slechts wordt verleend indien voldoende parkeergelegenheid is gerealiseerd, conform het meest recente gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren. Hier kan onder voorwaarden van worden afgeweken.

44

6 6.1

Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Op basis van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk worden gemaakt door het bestemmingsplan moeten (economisch) uitvoerbaar zijn, omdat er anders sprake is van een oneigenlijke bestemming. Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de ontwikkelaar als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking, het opstellen van een exploitatieplan is daarom overeenkomstig artikel 6.12, lid 2 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening niet nodig. Gesteld kan worden dat er geen verplichting is om tegelijkertijd met de ruimtelijke procedure een exploitatieplan op te stellen. De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is hiermee aangetoond.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Omgevingsdialoog In de voorbereiding op dit bestemmingsplan is een omgevingsdialoog (participatieniveau 2: informeren/raadplegen) gehouden met de directe omgeving. Voor de opzet van de omgevingsdialoog is gebruik gemaakt van de handreiking participatie gemeente Bernheze mei 2022. De opzet is voorafgaand aan de dialoog gedeeld met de gemeente en akkoord bevonden. In de omgevingsdialoog is met name het onderwerp parkeren aan bod gekomen, maar ook aspecten als bouwhoogte, de hoeveelheid woningen en veiligheid zijn in de omgevingsdialoog aangekaart. Naar aanleiding van de omgevingsdialoog is het stedenbouwkundig plan en concept bestemmingsplan op een aantal punten aangepast. Zo is de tijdens de omgevingsdialoog gepresenteerde parkeeroplossing aangepast door onder meer parkeren op straat bij de Sonniusstraat er hoogte van het appartementengebouw om te zetten naar haaksparkeerplaatsen, waardoor parkeren op straat hier niet langer nodig is. Ook is de gepresenteerde maximum goot- en bouwhoogte voor de nieuwe grondgebonden woningen bijgesteld naar maximaal 4 meter goothoogte en 8 meter bouwhoogte. Dit sluit aan bij de beoogde woningen, bestaande uit één laag met kap. Een verslag van de omgevingsdialoog is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.

6.2.2

Overleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie.

45

Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld. Het waterschap Aa en Maas en de provincie Noord-Brabant hebben aangegeven in te kunnen stemmen met voorliggend plan. 6.2.3

Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 21 december 2023 tot en met 31 januari 2024 voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Een ieder heeft in deze periode zienswijzen in kunnen dienen. Uiteindelijk zijn acht zienswijzen op het plan ingediend. Deze zienswijzen zijn in een Nota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen samengevat en van een reactie voorzien. Uiteindelijk hebben de zienswijzen niet geleid tot aanpassingen van het plan. Deze nota is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. In de nota is eveneens een overzicht terug te vinden van de doorgevoerde ambtshalve wijzigingen.

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=11c52f91-341d-451f-9db5-0b7aa61be25b